Arrêté ministériel instituant une Commission technique relative à l'octroi d'indemnités pour les denrées alimentaires détruites à l'étranger ou réexpédiées de l'étranger dans le cadre de la crise de la dioxine
صدر في 2000-02-24 · النص بتاريخ 2026-10-01
القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.
البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.
عن هذا القانون
- اللغة
- French
- النوع
- لائحة
- المنظمة
- European Union
- الدولة
- بلجيكا
- الموضوعات
- Food and nutrition
- الكلمات المفتاحية
- institution, subsidy/incentive, international trade, toxicity/poisoning, food safety and quality, governance
- الفئات
- *
أين تقرؤه
لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.
النص
نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.
WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS MINISTERIE VAN MIDDENSTAND EN LANDBOUW [C − 2000/16017]N. 2000 — 628 21 DECEMBER 1999. — Koninklijk besluit betreffende de erkenning van representatieve beroepsorganisaties in het kader van de boomkwekerijen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, inzonderheid op artikel 4, vervangen bij de wet van 5 februari 1999; Gelet op het akkoord van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 september 1998; Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 30 september 1998; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Midden stand en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de Minister : de minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft; MINISTERE DES CLASSES MOYENNES ET DE L’AGRICULTURE [C − 2000/16017]F. 2000 — 628 21 DECEMBRE 1999. — Arrêté royal relatif à l’agrément des organisations professionnelles représentatives dans le cadre des pépinières ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l’agriculture, de l’horticulture et de la pêche maritime, notamment l’article 4, remplacé par la loi du 5 février 1999; Vu l’accord de l’Inspection des Finances, donné le 8 septembre 1998; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 30 septem bre 1998; Vu l’avis du Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes et de l’avis de Nos Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Pour l’application du présent arrêté on entend par : 1° le Ministre : le ministre qui a l’agriculture dans ses attributions; 7320 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 2° instelling : wetenschappelijke instelling, door de Dienst teeltma teriaal van het Bestuur van de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector als laboratorium of leverancier erkend om pre-basis en basis materiaal van fruit-, kleinfruit- en houtige siergewassen te onderzoeken, in stand te houden of te produceren; 3° vermeerderingstuin : natuurlijke of rechtspersoon, door de Dienst teeltmateriaal van het Bestuur van de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector als leverancier erkend om al dan niet gecertifi ceerd vermeerderingsmateriaal van fruit-, kleinfruit- en houtige sierge wassen te produceren; 4° boomteler : natuurlijke of rechtspersoon, door de Dienst teeltma teriaal van het Bestuur van de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector als leverancier geregistreerd en erkend om al dan niet gecertificeerde fruit-, kleinfruit- of houtige siergewassen te produ ceren; 5° fruitteler : natuurlijke of rechtspersoon die fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt aankoopt. Art. 2. De Minister kan representatieve beroepsorganisaties erken nen die instellingen, vermeerderingstuinen, boomtelers en fruittelers of hun verenigingen verenigen en die opgericht zijn met het doel de voorwaarden van productie, het verhandelen en de uitvoer van boomkwekerijgewassen bestaande uit fruit-, kleinfruit- en houtige siergewassen te bevorderen. Art. 3. § 1. Om erkend te worden, en te blijven, moeten de in artikel 2 bedoelde representatieve beroepsorganisaties aan de hierna volgende voorwaarden voldoen en de volgende verplichtingen nakomen : 1° opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk of als vennoot schap met een sociaal oogmerk; 2° op het niveau van de Raad van beheer, een evenwichtige vertegenwoordiging van de instellingen, de vermeerderingstuinen, de boomtelers en de fruittelers waarborgen; 3° aan de Minister of zijn afgevaardigden de gemeenschappelijk opgestelde regels, de gesloten akkoorden en de modaliteiten van financiering van hun werking en actieprogramma door middel van inning van bijdragen meedelen; 4° de controle van de Minister of zijn afgevaardigden toelaten inzonderheid voor wat betreft hun boekhouding en alle door hen gevraagde inlichtingen verstrekken 5° de voorschriften respecteren van de verordeningen van de Europese Gemeenschap en de internrechtelijke bepalingen die de omzetting zijn van richtlijnen van de Europese Gemeenschap, inzon derheid betreffende interprofessionele akkoorden en contracten; 6° de betrokken personen de nodige informatie verstrekken over de vastgestelde regels. § 2. De Minister trekt de erkenning in van de beroepsorganisaties die niet meer voldoen aan de voorwaarden zoals die gesteld zijn in § 1. In dat geval, deelt de Minister aan de betrokken beroepsorganisatie bij aangetekend schrijven de ingeroepen motieven mee alsook de maatre gel die overwogen wordt. Op straffe van verval, beschikt de betrokken beroepsorganisatie over tien werkdagen om bij aangetekend schrijven, haar bezwaren mee te delen. De Minister beschikt vervolgens over dertig werkdagen om een beslissing te nemen. De beslissing van de Minister wordt aan de betrokken beroepsorganisatie meegedeeld bij aangetekend schrijven. Art. 4. Onze Minister van Landbouw en Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 21 december 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw en Middenstand, J. GABRIELS 2° institution : institution scientifique, reconnue par le Service matériel de reproduction de l’Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal comme laboratoire ou fournisseur qui examine, maintient ou produit du matériel initial et de base de plants fruitiers, ornementaux ligneux et de petits fruits; 3° jardin de multiplication : personne physique ou morale, reconnue par le Service matériel de reproduction de l’Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal comme fournisseur qui produit du matériel de multiplication, certifié ou non, de plants fruitiers, ornementaux ligneux et de petits fruits; 4° pépiniériste : personne physique ou morale enregistrée et recon nue par le Service matériel de reproduction de l’Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal comme fournisseur qui produit des plants fruitiers, ornementaux ligneux ou de petits fruits, certifié ou non; 5° arboriculteur fruitier : personne physique ou morale qui achète des plants fruitiers en vue de la production de fruits. Art. 2. Le Ministre peut agréer des organisations professionnelles représentatives regroupant des institutions, jardins de multiplications, pépiniéristes et arboriculteurs fruitiers ou leurs associations, et qui sont constituées en vue de favoriser les conditions de production, de commercialisation et d’exportation des produits de la pépinière, à savoir les plants fruitiers, ornementaux ligneux et de petits fruits. Art. 3. § 1er. Pour être agréées, et le demeurer, les organisations professionnelles représentatives visées à l’article 2 doivent remplir les conditions et respecter les obligations ci-après : 1° être constituées sous forme d’association sans but lucratif ou être société à finalité sociale; 2° au niveau du Conseil d’administration, garantir une représenta tion équilibrée des institutions, des jardins de multiplications, des pépiniéristes et des producteurs fruitiers; 3° communiquer au Ministre ou à ses délégués les règles communes établies, les accords conclus et les modalités de financement de leur fonctionnement et de leur programme d’action par la perception de cotisations; 4° se soumettre au contrôle du Ministre ou de ses délégués notamment en ce qui concerne leur comptabilité et fournir tout renseignement qu’ils souhaitent; 5° respecter les dispositions des règlements de la Communauté européenne et des dispositions de droit interne transposant les directives de la Communauté européenne, notamment en matière d’accords interprofessionnels et de contrats; 6° assurer l’information nécessaire aux personnes concernées quant aux règles fixées. § 2. Le Ministre retire l’agrément aux organisations professionnelles qui ne remplissent plus les conditions fixées au § 1er. Dans ce cas, le Ministre fait connaı̂tre à l’organisation professionnelle concernée par lettre recommandée les motifs invoqués et la mesure envisagée. Sous peine de déchéance, l’organisation professionnelle concernée dispose de dix jours ouvrables pour faire connaı̂tre, par lettre recommandée, ses objections. Le Ministre dispose ensuite de trente jours ouvrables pour prendre une décision. La décision du Ministre est communiquée à l’organisation professionnelle concernée par lettre recommandée. Art. 4. Notre Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 21 décembre 1999. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, J. GABRIELS 7321BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU [C − 2000/22187]N. 2000 — 629 18 JANUARI 2000. — Koninklijk besluit waarbij het Instituut voor veterinaire keuring gemachtigd wordt contractuelen in dienst te nemen om te voldoen aan uitzonderlijke en tijdelijke behoeften ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, inzonderheid op de artikelen 4, 13 en 14, respectievelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, het koninklijk besluit van 3 april 1997 en de wet van 20 mei 1997; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 december 1999; Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 23 december 1999; Gelet op het akkoord van onze Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 21 december 1999; Op de voordracht van Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Het Instituut voor veterinaire keuring wordt gemachtigd om personen bij arbeidsovereenkomst in dienst te nemen om te voldoen aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften voor een duur van zes maanden : — twee dierenartsen; — één adjunct-adviseur jurist; — twee adjunct-adviseurs; — twee boekhouders; — vier bestuursassistenten. Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000. Art. 3. Onze Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 18 januari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Mevr. M. AELVOET MINISTERE DES AFFAIRES SOCIALES, DE LA SANTE PUBLIQUE ET DE L’ENVIRONNEMENT [C − 2000/22187]F. 2000 — 629 18 JANVIER 2000. — Arrêté royal autorisant l’Institut d’expertise vétérinaire à engager des contractuels en vue de répondre à des besoins exceptionnels et temporaires ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, notamment les articles 4, 13 et 14, modifiés respectivement par la loi du 21 décembre 1994, l’arrêté royal du 3 avril 1997 et la loi du 20 mai 1997; Vu l’avis de l’Inspecteur des Finances, donné le 14 décembre 1999; Vu l’accord de Notre Ministre du Budget, donné le 23 décembre 1999; Vu l’accord de Notre Ministre de la Fonction publique, donné le 21 décembre 1999; Sur la proposition de Notre Ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement et sur l’avis de Nos Ministres qui en ont délibérés en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. L’Institut d’expertise vétérinaire est autorisé à engager des personnes sous contrat de travail en vue de répondre à des besoins exceptionnels et temporaires en personnel pour une durée de six mois : — deux vétérinaires; — un conseiller adjoint juriste; — deux conseillers adjoints; — deux comptables; — quatre assistants administratifs. Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2000. Art. 3. Notre Ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 18 janvier 2000. ALBERT Par le Roi : La Ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Mme M. AELVOET 7322 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [2000/22165]N. 2000 — 630 4 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzor ging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor genees kundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op de artikelen 110 en 128, § 2, eerste lid; Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzor ging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 205, § 1, 3°, a), b) en c) gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997, artikel 205, § 2 en artikel 238, § 2; Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzeke ring, uitgebracht op 17 maart 1999; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioe nen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. In artikel 205 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) § 1, 3°, a) en b) wordt vervangen door de volgende bepaling : « 3° de jongeren die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1. a) hetzij studies hebben beëindigd van de lagere secundaire cyclus met technische of beroepsvorming of studies van de hogere secundaire cyclus in een onderwijsinstelling die door een Gemeenschap is opgericht, erkend of gesubsidieerd; b) hetzij een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap hebben behaald; c) hetzij een leertijd hebben beëindigd zoals is bepaald in de wetgeving betreffende de vorming en de opleiding in een zelfstandig beroep; d) hetzij voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, f) of g) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; 2. de hoedanigheid hebben verkregen van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, uiterlijk de dag na het tijdvak van zeven maanden na het beëindigen van de bovenver melde studies of leertijd of het behalen van een diploma of studiege tuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap. Indien de jongere andere studies aanvat nadat hij onderwijs van de hogere secundaire cyclus of van de lagere secundaire cyclus met een technische of een beroepsvorming heeft beëindigd, gaat de in het eerste lid, 2, vastgestelde termijn in, de dag na het einde van de laatst voltooide studies of de dag na het stopzetten van de studies indien daaraan voortijdig een einde werd gemaakt. [2000/22165]F. 2000 — 630 4 FEVRIER 2000. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, notamment les articles 110 et 128, §2, alinéa 1er; Vu l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, notamment l’article 205, § 1er, 3°, a), b) et c) modifié par l’arrêté royal du 13 avril 1997, l’article 205, § 2 et l’article 238, § 2; Vu l’avis du Comité de gestion du Service des indemnités de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité, émis le 17 mars 1999; Vu l’avis du Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales et des Pensions, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. A l’article 205 de l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé en indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par l’arrêté royal du 13 avril 1997, sont apportées les modifications suivantes : A) Le § 1er, 3°, a) et b) est remplacé par la disposition suivante : « 3° les jeunes qui satisfont aux conditions suivantes : 1. a) soit ont terminé des études du cycle secondaire inférieur de formation technique ou de formation professionnelle ou des études du cycle secondaire supérieur dans un établissement d’enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté; b) soit ont obtenu un diplôme ou un certificat d’études devant le jury compétent d’une Communauté; c) soit ont terminé un apprentissage prévu par la législation relative à la formation dans une profession indépendante; d) soit répondent au conditions de l’article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°, f) ou g) de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage; 2. acquièrent la qualité de titulaire visée à l’article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée au plus tard le lendemain de la période de sept mois qui suit la fin des études ou de l’apprentissage susvisés ou l’obtention d’un diplôme ou d’un certificat d’études devant le jury compétent d’une Communauté. Si, après avoir terminé des études du cycle secondaire supérieur ou du cycle secondaire inférieur de formation technique ou profession nelle, le jeune entame d’autres études, le délai visé à l’alinéa 1er, 2, prend cours le jour qui suit la fin des études qui ont été accomplies en dernier lieu ou le jour qui suit la cession des études, lorqu’il y a été mis fin prématurément. 7323BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE De in het eerste lid, 2, bedoelde termijn wordt verlengd met : a) drie maanden of zes maanden voor de personen die, krachtens artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, na de beëindiging van hun studies of hun leertijd moeten ingeschreven zijn als werkzoekende gedurende respectievelijk ten minste 233 of 310 werkdagen vooraleer werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten; b) de duur van de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten uitgevoerd gedurende de maanden juli, augustus of september, wan neer de student tijdens die tewerkstelling onttrokken is aan de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid voor werkne mers; c) de duur van de periode tijdens welke de betrokkene door zijn oproeping of wederoproeping onder de wapens niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet; d) de duur van de periode tijdens welke de betrokkene arbeidsonge schikt is, in een tijdvak van moederschapsbescherming of in vader schapsverlof is, als bedoeld in de gecoördineerde wet. ». B) § 1, 3°, c) wordt opgeheven; C) § 2 wordt opgeheven. Art. 2. Artikel 238, § 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 2. Voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7°, van de gecoördineerde wet en voor de gerechtigden die een rustpensioen als mijnwerker genieten, wordt de uitkering voor begrafeniskosten alleen verleend indien zij, op de dag van hun overlijden, in de hoedanigheid van gerechtigde aanspraak kunnen maken op geneeskundige verstrekkingen. ». Art. 3. Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 4 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE c [2000/22164]N. 2000 — 631 4 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit tot wijziging, wat de moederschapsuitkering betreft, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoör dineerd op 14 juli 1994 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor genees kundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 113, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzor ging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 219ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997; Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzeke ring, uitgebracht op 21 april 1999; Gelet op het advies van de Inspecteur van financiën, gegeven op 15 december 1999; Le délai visé à l’alinéa 1er, 2, est prolongé : a) de trois ou six mois pour les personnes qui, en vertu de l’article 36, § 1er, alinéa 1er, 4° de l’arrêté royal du 25 novembre 1991 précité doivent après la fin de leurs études ou de leur apprentissage, avoir été inscrites comme demandeurs d’emploi pendant respectivement 233 jours ou 310 jours ouvrables au moins, avant d’être admises au bénéfice des allocations de chômage; b) de la durée du contrat d’occupation d’étudiants exécuté pendant les mois de juillet, août ou septembre, lorsque l’étudiant est soustrait pendant cette occupation, à l’application de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs; c) de la durée de la période pendant laquelle l’intéressé, du fait de son appel ou de son rappel sous les drapeaux, n’a pas été en mesure d’acquérir la qualité de titulaire visée à l’article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée; d) de la durée de la période pendant laquelle l’intéressé est incapable de travailler, se trouve dans une période de protection de la maternité ou en congé de paternité au sens de la loi coordonnée. ». B) le § 1er, 3°, c) est abrogé; C) le § 2 est abrogé. Art. 2. L’article 238, § 2 du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante : « § 2. Pour les titulaires visés à l’article 32, alinéa 1er, 7°, de la loi coordonnée et pour les titulaires bénéficiant d’une pension de retraite en qualité d’ouvrier mineur, l’allocation pour frais funéraires n’est accordée que si, à la date de leur décès, ils peuvent prétendre au bénéfice des prestations de santé, en qualité de titulaires. ». Art. 3. Notre Ministre desAffaires sociales et des Pensions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 4 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales et des Pensions, F. VANDENBROUCKE [2000/22164]F. 2000 — 631 4 FEVRIER 2000. — Arrêté royal modifiant, en ce qui concerne l’indemnité de maternité, l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, notamment l’article 113, alinéa 2, modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, notamment l’article 219ter, inséré par l’arrêté royal du 13 avril 1997; Vu l’avis émis par le Comité de gestion du Service des indemnités de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité, le 21 avril 1999; Vu l’avis de l’Inspecteur des finances, donné le 15 décembre 1999; 7324 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Artikel 219ter, § 5 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 5. De moederschapsuitkeringen bedoeld in deze afdeling zijn niet verschuldigd aan de zwangere of bevallen gerechtigden, of de gerech tigden die borstvoeding geven, die een activiteit aanvangen of verder zetten die niet onderworpen is aan de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971. In afwijking van de bepalingen van het eerste lid mogen de moederschapsuitkeringen echter toegekend worden aan de gerechtigde die tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, de zelfstandige activiteit verderzet die zij uitoefende onmiddellijk voorafgaand aan het bedoelde tijdvak van moederschapsbescherming. Hiertoe moet zij de voorafgaan delijke toestemming vragen aan de adviserend geneesheer van haar verzekeringsinstelling volgens de modaliteiten bepaald in artikel 230, § 2. Bovendien moet zij een geneeskundig attest voorleggen waaruit blijkt dat deze activiteit geen risico inhoudt voor haar gezondheid of deze van haar kind. Zij mag deze activiteit niet uitoefenen op de dagen of uren waarop zij normaal gewerkt zou hebben, indien er geen maatregel inzake moederschapsbescherming was genomen. In dat geval wordt het bedrag van de moederschapsuitkering, waarop betrokkene aanspraak kan maken met toepassing van arti kel 219bis of 219ter, verminderd met 10 pct. ». Art. 2. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 3. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 4 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE c [2000/22166]N. 2000 — 632 4 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit houdende vastlegging, voor het jaar 2000, van het globaal budget van de financiële middelen voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 12° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzor ging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor genees kundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 69, § 4; Gelet op het advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, uitgebracht op 6 december 1999; Gelet op het advies van de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, uitgebracht op 13 december 1999; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegegen op 14 januari 2000; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioe nen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Het globaal budget van de financiële middelen voor gans het Rijk van de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 12° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, beloopt, voor het dienstjaar 2000, 12 520,5 miljoen BEF. Vu l’avis du Conseil d’Etat; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. L’article 219ter, § 5 de l’arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par l’arrêté royal du 13 avril 1997, est remplacé par la disposition suivante : « § 5. Les indemnités visées par la présente section ne sont pas dues aux titulaires enceintes, accouchées ou allaitantes qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n’est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail. Par dérogation aux dispositions de l’alinéa premier, les indemnités de maternité peuvent toutefois être accordées à la titulaire qui poursuit pendant la période de protection de la maternité visée à l’article 114bis de la loi coordonnée, l’activité indépendante qu’elle exerçait immédia tement avant la période de protection de la maternité susvisée. A cet effet, elle doit demander l’autorisation préalable au médecin-conseil de son organisme assureur conformément aux modalités déterminées par l’article 230, § 2. En outre, elle doit produire un certificat médical indiquant que cette activité ne présente pas de risque pour sa santé ni pour celle de son enfant. Elle ne peut pas exercer cette activité pendant les jours ou les heures durant lesquels elle aurait normalement travaillé si une mesure de protection de la maternité n’avait pas été prise. Dans ce cas, le montant de l’indemnité auquel l’intéressée peut prétendre en application de l’article 219bis ou 219ter, est diminué de 10 p.c. ». Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge. Art. 3. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 4 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, F. VANDENBROUCKE [2000/22166]F. 2000 — 632 4 FEVRIER 2000. — Arrêté royal fixant, pour l’année 2000, le budget global des moyens financiers pour les prestations visées à l’arti cle 34, 12° de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, notamment l’article 69, § 4; Vu l’avis du Comité de l’assurance soins de santé de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité, émis le 6 décembre 1999; Vu l’avis du Conseil général de l’assurance soins de santé de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité, émis le 13 décembre 1999; Vu l’avis de l’Inspection des Finances donné le 14 janvier 2000; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales et des Pensions et de l’avis de Nos Ministres qui en ont délibéré en Conseil, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Le budget global des moyens financiers pour l’ensemble du Royaume pour les prestations visées à l’article 34, 12° de la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordon née le 14 juillet 1994, s’élève pour l’exercice 2000 à 12 520,5 millions de BEF. 7325BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 3. Onze Minister van Sociale Zaken en Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 4 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE c [C − 2000/22183]N. 2000 — 633 17 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfond sen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, inzonderheid op artikel 50, § 2, eerste lid; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 december 1995 en 9 januari 1998; Gelet op het voorstel van de Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; Gelet op het advies van het Technisch Comité van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, uitge bracht op 18 november 1999; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat onderhavig besluit de berekeningswijze wijzigt van het bedrag van de werkingskosten van de Controledienst voor de ziekenfondsen, ten laste gelegd van de verzekeringsinstellingen, de ziekenfondsen en de maatschappijen voor onderlinge bijstand vanaf 1 januari 2000; Overwegende dat inzonderheid voornoemde instellingen, met uit zondering van de maatschappijen voor onderlinge bijstand die niet aangesloten zijn bij een landsbond van ziekenfondsen, twee twaalfden moeten storten van het verschuldigde bedrag op de eerste werkdag van de maand januari, krachtens artikel 3, § 1, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 21 december 1992; Overwegende dat zij bijgevolg zo snel mogelijk over deze nieuwe berekeningswijze moeten ingelicht worden; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 decem ber 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 decem ber 1995 en 9 januari 1998, worden de volgendewijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 2° wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° een promille, door Ons vastgesteld, van de bijdragen gestort door de leden gedurende het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de werkingskosten betrekking hebben en bestemd voor de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, §§ 2 en 4, van voornoemde wet van 6 augustus 1990, ingericht door de maatschap pijen voor onderlinge bijstand, de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen zelf of via samenwerkingsakkoorden, zoals voor zien in artikel 43 van dezelfde wet, met een forfaitair minimumbedrag van 120.000 BF voor elke voornoemde debiteur. »; Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. Art. 3. Notre Ministre desAffaires sociales et des Pensions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 4 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales et des Pensions, F. VANDENBROUCKE [C − 2000/22183]F. 2000 — 633 17 FEVRIER 2000. — Arrêté royal portant modification de l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, notamment l’article 50, § 2, alinéa 1er; Vu l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par les arrêtés royaux des 12 décembre 1995 et 9 janvier 1998; Vu la proposition du Conseil de l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités; Vu l’avis du Comité technique de l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, émis le 18 novembre 1999; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant que le présent arrêté modifié le mode de calcul du montant des frais de fonctionnement de l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, mis à la charge des organismes assureurs, des mutualités et des sociétés mutualistes avec effet au 1er janvier 2000; Considérant que, notamment, les institutions précitées, à l’exclusion des sociétés mutualistes non affiliées à une union nationale de mutualités, doivent verser deux douzièmes du montant dû le le premier jour ouvrable du mois de janvier, en vertu de l’article 3, § 1er, 1°, de l’arrêté royal du 21 décembre 1992 précité; Considérant qu’il importe, dès lors, qu’elles soient informées le plus rapidement possible de ce nouveau mode de calcul; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. A l’article 1er de l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par les arrêtés royaux des 12 décembre 1995 et 9 janvier 1998, sont apportées les modifications suivantes : 1° l’alinéa 1er, 2° est remplacé par la disposition suivante : « 2° un montant par mille, fixé par Nous, des cotisations versées par les membres, pendant l’avant-dernière année qui précède celle à laquelle se rapportent les frais de fonctionnement et destinées aux services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, §§ 2 et 4, de la loi du 6 août 1990 précitée, organisés par les sociétés mutualistes, les mutualités et les unions nationales de mutualités elles-mêmes ou par l’intermédiaire d’accords de collaboration tels que prévus à l’article 43 de la même loi, avec un montant minimal forfaitaire de 120.000 francs pour chaque débiteur précité. »; 7326 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 2° het tweede lid wordt opgegeheven. Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, worden de woorden « eerste lid, 1° en 2°, » geschrapt; 2° in het tweede lid, worden de woorden « eerste lid, » geschrapt. Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1995, worden de volgende wijzigin gen aangebracht : 1° in § 1, worden de woorden « , eerste lid, 1° en 2°, » geschrapt; 2° in § 2, worden de woorden « eerste lid, » geschrapt. Art. 4. In artikel 4, eerste en tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, worden de woorden « eerste lid, » geschrapt. Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000. Art. 6. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 17 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE c [C − 2000/22184]N. 2000 — 634 17 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit tot vaststelling, voor het jaar 2000, van het bedrag, de verdeelsleutel en het promille, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, inzonderheid de artikelen 50, § 2, eerste lid, 70, § 4, en 75, § 2, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990; Gelet op het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 70, § 4, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 april 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1992 tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 december 1995, van 9 januari 1998 en; Gelet op het koninklijk besluit van 24 juni 1993 tot uitvoering van artikel 75, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995; Gelet op het voorstel van de Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen; Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Voor de werkingskosten van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, voor het jaar 2000, wordt het bedrag bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 21 december 1992, tot uitvoering van artikel 50, § 2, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, op 97.000.000 Bel gische frank vastgesteld. 2° l’alinéa 2 est abrogé. Art. 2. A l’article 2 du même arrêté royal, sont apportées les modifications suivantes : 1° à l’alinéa 1er, les mots « alinéa 1er, 1° et 2°, » sont supprimés; 2° à l’alinéa 2, les mots « alinéa 1er, » sont supprimés. Art. 3. A l’article 3 du même arrêté royal, modifié par l’arrêté royal du 12 décembre 1995, sont apportées les modifications suivantes : 1° au § 1, les mots « , alinéa 1er, 1° et 2°, » sont supprimés; 2° au § 2, les mots « alinéa 1er, » sont supprimés. Art. 4. A l’article 4, alinéas 1er et 2, du même arrêté royal, les mots « alinéa 1er, » sont supprimés. Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1 janvier 2000. Art. 6. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 17 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, F. VANDENBROUCKE [C − 2000/22184]F. 2000 — 634 17 FEVRIER 2000. — Arrêté royal fixant, pour l’année 2000, le montant, la clé de répartition et le montant par mille visés à l’article 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, de l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, notamment les articles 50, § 2, alinéa 1er, 70, § 4, et 75, § 2, modifié par la loi du 29 décembre 1990; Vu l’arrêté royal du 5 août 1991 portant exécution de l’article 70, § 4, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par l’arrêté royal du 22 avril 1999; Vu l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par les arrêtés royaux des 12 décembre 1995, 9 janvier 1998 et; Vu l’arrêté royal du 24 juin 1993 portant exécution de l’article 75, § 2, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par l’arrêté royal du 28 mars 1995; Vu la proposition du Conseil de l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités; Sur la proposition de Notre Ministre des Affaires sociales, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. En ce qui concerne les frais de fonctionnement de l’Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités, pour l’année 2000, le montant visé à l’article 1er, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal du 21 décembre 1992 portant exécution de l’article 50, § 2, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, est fixé à 97.000.000 francs belges. 7327BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE De verdeelsleutel bedoeld in voornoemd artikel 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, wordt voor dat jaar vastgesteld als volgt : a) Landsbond der Christelijke Mutualiteiten : 43,363 %; b) Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen : 4,026 %; c) Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten : 28,770 %; d) Landsbond van Liberale Mutualiteiten : 6,508 %; e) Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen : 14,957 %; f) Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering : 0,818 %; g) Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschap pij der Belgische Spoorwegen : 1,558 %. Het in artikel 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit bedoeld promille wordt voor datzelfde jaar vastgesteld op 0,82. Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000. Art. 3. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 17 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE c [C − 2000/22203]N. 2000 — 635 24 FEBRUARI 2000. — Ministerieel besluit tot oprichting van een Technische Commissie inzake het toekennen van een vergoeding voor sommige voedingsmiddelen in het kader van de dioxinecrisis De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Gelet op de wet van 3 december 1999 betreffende maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, inzon derheid op artikel 16; Gelet op het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dier lijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden, inzonderheid op artikel 5; Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat met het oog op de uitvoering van artikel 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, zonder uitstel een technische commissie moet worden opgericht bevoegd voor het verstrekken van advies over de aanvragen tot het bekomen van vergoedingen voor voedingsmiddelen die omwille van de dioxinecrisis werden vernietigd, Besluiten : Artikel 1. Er wordt een Technische Commissie opgericht met als taak advies te verstrekken over : a) de aanvragen tot het bekomen van een vergoeding in toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden; b) de aanvragen tot het bekomen van de terugbetaling van de kosten bedoeld in artikel 4, tweede lid van voornoemd koninklijk besluit van 25 januari 2000. La clé de répartition, visée à l’article 1er, alinéa 1er, 1°, du même arrêté, est fixée pour ladite année, comme suit : a) Alliance nationale des mutualités chrétiennes : 43,363 %; b) Union nationale des mutualités neutres : 4,026 %; c) Union nationale des mutualités socialistes : 28,770 %; d) Union nationale des mutualités libérales : 6,508 %; e) Union nationale des mutualités libres : 14,957 %; f) Caisse auxiliaire d’assurance maladie-invalidité : 0,818 %; g) Caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges : 1,558 %. Le montant par mille, visé à l’article 1er, alinéa 1er, 2°, du même arrêté, est fixé pour cette même année à 0,82. Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2000. Art. 3. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, 17 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre des Affaires sociales, F. VANDENBROUCKE [C − 2000/22203]F. 2000 — 635 24 FEVRIER 2000. — Arrêté ministériel instituant une Commission technique relative à l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires dans le cadre de la crise de la dioxine La Ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Le Ministre de l’Economie et de la Recherche scientifique, Vu la loi du 3 décembre 1999 relative à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, notamment l’article 16; Vu l’arrêté royal du 25 janvier 2000 organisant l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires d’origine animale se trouvant sur le territoire belge, notamment l’article 5; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’urgence, motivée par la nécessité d’instituer sans délai, en vue de l’exécution de l’article 16 de la loi du 3 décembre 1999 relative à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, une commission technique chargée de donner un avis sur les demandes visant à obtenir une indemnité pour les denrées alimentaires détruites en raison de la crise de la dioxine, Arrêtent : Article 1er. Il est créé une Commission technique chargée de donner un avis sur : a) les demandes visant à obtenir une indemnité en application de l’arrêté royal du 25 janvier 2000 organisant l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires d’origine animale se trouvant sur le territoire belge; b) les demandes pour obtenir le remboursement des frais visés à l’article 4, alinéa 2 de l’arrêté royal du 25 janvier 2000 précité. 7328 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Technische Commissie is samengesteld uit : a) een ambtenaar van het Instituut voor veterinaire keuring; b) een ambtenaar van de Algemene Eetwareninspectie; c) twee ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken. Voor elk van de effectieve leden bedoeld in dit artikel worden één of meerdere plaatsvervangers aangeduid. Art. 3. De Technische Commissie beraadslaagt geldig over de aan vragen bedoeld in artikel 1 tijdens een vergadering waarop alle effectieve leden of hun respectieve plaatsvervanger aanwezig zijn. De adviezen van de Technische Commissie zijn gemotiveerd en genotuleerd in een verslag dat bij ieder dossier wordt gevoegd. In het verslag zijn de aard, de hoeveelheid alsmede de toegepaste forfaitaire prijs, kostprijs of marktprijs van de voedingsmiddelen en het bedrag van de toegekende vergoeding vermeld. Indien over het advies geen unanimiteit bestaat, worden ook de minderheidsstandpunten in het verslag opgenomen. Het verslag wordt ondertekend door alle leden die aan de vergadering hebben deelgenomen. Art. 4. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de ambtenaar van het Instituut voor veterinaire keuring. Art. 5. Het dossier wordt samen met het advies van de Technische Commissie voor beslissing toegestuurd aan de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. De beslissing van de Minister wordt aan de aanvrager medegedeeld. Art. 6. De beslissingen houdende toekenning van een vergoeding of tot terugbetaling van de vernietigingskosten worden wekelijks voor uitbetaling toegestuurd aan de rekenplichtige van de Dienst Begroting en Financiën van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met vermelding van het bedrag van de te betalen vergoe ding, de naam, het adres en het rekeningnummer van de aanvrager van de vergoeding. Art. 7. Het ministerieel besluit van 18 oktober 1999 tot oprichting van een Technische Commissie inzake het toekennen van een vergoe ding voor sommige voedingsmiddelen in het kader van de dioxinecri sis, wordt ingetrokken. Art. 8. Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 oktober 1999. Brussel, 24 februari 2000. Mevr. M. AELVOET R. DEMOTTE c [C − 2000/22204]N. 2000 — 636 24 FEBRUARI 2000. — Ministerieel besluit tot oprichting van een Technische Commissie inzake het toekennen van vergoedingen voor voedingsmiddelen die in het kader van de dioxinecrisis in het buitenland werden vernietigd of uit het buitenland werden teruggezonden De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Gelet op de wet van 3 december 1999 betreffende maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, inzon derheid op artikel 16; Gelet op het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, inzonderheid op artikel 6; Gelet op het akkoord van de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken, gegeven op 17 november 1999; Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Art. 2. La Commission technique est composée de : a) un fonctionnaire de l’Institut d’expertise vétérinaire; b) un fonctionnaire de l’Inspection générale des Denrées alimentaires; c) deux fonctionnaires du Ministère des Affaires économiques. Pour chacun des membres effectifs, visés au présent article, un ou plusieurs suppléants sont désignés. Art. 3. La Commission technique délibère valablement sur les demandes visées à l’article 1er lors d’une réunion à laquelle assistent tous les membres effectifs ou leur suppléant respectif. Les avis de la Commission technique sont motivés et inscrits dans un rapport qui est joint à chaque dossier. Ce rapport reprend la nature, la quantité ainsi que le prix forfaitaire, le prix de revient ou le prix du marché appliqués des denrées alimentaires, et le montant de l’indem nité attribué. Lorsque l’avis n’est pas rendu à l’unanimité, les points de vue minoritaires sont également repris dans le rapport. Le rapport est signé par tous les membres qui ont participé à la réunion. Art. 4. Le secrétariat de la Commission est assuré par le fonction naire de l’Institut d’expertise vétérinaire. Art. 5. Le dossier, accompagné de l’avis de la Commission techni que, est transmis pour décision au Ministre qui a la santé publique dans ses attributions. La décision du Ministre est communiquée au deman deur. Art. 6. Les décisions relatives à l’octroi d’une indemnité ou le remboursement des frais de destruction sont communiquées pour paiement chaque semaine au comptable du Service Budget et Finances du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l’Environnement, avec mention du montant de l’indemnité à payer, le nom, l’adresse et le numéro de compte du demandeur de l’indemnité. Art. 7. L’arrêté ministériel du 18 octobre 1999 instituant une Com mission technique relative à l’octroi d’une indemnité pour certaines denrées alimentaires dans le cadre de la crise de la dioxine, est retiré. Art. 8. Le présent arrêté produit ses effets le 28 octobre 1999. Bruxelles, le 24 février 2000. Mme M. AELVOET R. DEMOTTE [C − 2000/22204]F. 2000 — 636 24 FEVRIER 2000. — Arrêté ministériel instituant une Commission technique relative à l’octroi d’indemnités pour les denrées alimen taires détruites à l’étranger ou réexpédiées de l’étranger dans le cadre de la crise de la dioxine La Ministre de la Protection de la Consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Le Ministre de l’Economie et de la Recherche scientifique, Vu la loi du 3 décembre 1999 relative à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, notamment l’article 16; Vu l’arrêté royal du 25 janvier 2000 relatif à l’institution d’un régime d’indemnisation suite à la crise de la dioxine, pour certaines denrées alimentaires d’orgine animale, notamment l’article 6; Vu l’accord du Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères, donné le 17 novembre 1999; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; 7329BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat met het oog op de uitvoering van artikel 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende maatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, zonder uitstel een technische commissie moet worden opgericht, bevoegd voor het verstrekken van advies over de aanvragen van de laatste Belgische verkopers tot het bekomen van een vergoeding voor de voedingsmid delen die omwille van de dioxinecrisis in het buitenland werden vernietigd of uit het buitenland werden teruggezonden, Besluiten : Artikel 1. In toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, wordt een Technische Commissie opgericht. De Technische Commissie heeft als taak een advies te verstrekken over de aanvragen van de laatste Belgische verkopers tot het bekomen van vergoedingen voor voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die omwille van de dioxinecrisis in het buitenland werden vernietigd of uit het buitenland werden teruggezonden. Art. 2. De Technische Commissie is samengesteld uit: a) een ambtenaar van het Instituut voor veterinaire keuring; b) een ambtenaar van de Algemene Eetwareninspectie; c) twee ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken; d) een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; e) een ambtenaar van de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel. Voor elk van de effectieve leden bedoeld in dit artikel worden één of meerdere plaatsvervangers aangeduid. Art. 3. De Technische Commissie beraadslaagt geldig over de aan vragen bedoeld in artikel 1 tijdens een vergadering waarop minstens één lid van elk ministerie of dienst bedoeld in artikel 2, aanwezig is. Wat evenwel het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel betreft, volstaat het dat een vertegenwoordiger van één van beide op de vergadering aanwezig is. De adviezen van de Technische Commissie zijn gemotiveerd en genotuleerd in een verslag dat bij ieder dossier wordt gevoegd. In het verslag zijn de aard, de hoeveelheid alsmede de toegepaste forfaitaire prijs, kostprijs of marktprijs van de voedingsmiddelen en het bedrag van de toegekende vergoeding vermeld. Indien over het advies geen unanimiteit bestaat, worden ook de minderheidsstandpunten in het verslag opgenomen. Het verslag wordt ondertekend door alle leden die aan de vergadering hebben deelgenomen. Art. 4. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de ambtenaar van het Instituut voor veterinaire keuring. Art. 5. Het dossier wordt samen met het advies van de Technische Commissie voor beslissing toegestuurd aan de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. De beslissing van de Minister wordt aan de aanvrager medegedeeld. Art. 6. De beslissingen houdende toekenning van vergoedingen worden wekelijks voor uitbetaling toegestuurd aan de rekenplichtige van de Dienst Begroting en Financiën van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met vermelding van het bedrag van de te betalen vergoeding, de naam, het adres en het rekeningnum mer van de aanvrager van de vergoeding. Art. 7. Het ministerieel besluit van 21 december 1999 tot oprichting van een Technische Commissie inzake het toekennen van vergoedingen voor voedingsmiddelen die in het kader van de dioxinecrisis in het buitenland werden vernietigd of uit het buitenland werden terugge zonden, wordt ingetrokken. Art. 8. Dit besluit treedt in werking met ingang van 28 decem ber 1999. Brussel, 24 februari 2000. Mevr. M. AELVOET R. DEMOTTE Vu l’urgence, motivée par la nécessité d’instituer sans délai, en vue de l’exécution de l’article 16 de la loi du 3 décembre 1999 relative à des mesures d’aide en faveur d’entreprises agricoles touchées par la crise de la dioxine, une commission technique chargée de donner un avis sur les demandes des derniers vendeurs belges visant à obtenir une indemnité pour les denrées alimentaires qui, à cause de la crise de la dioxine, ont été détruites à l’étranger ou réexpédiées de l’étranger, Arrêtent : Article 1er. En application de l’arrêté royal du 25 janvier 2000 instituant un régime d’indemnisation suite à la crise de la dioxine, pour certaines denrées alimentaires d’origine animale, il est créé une Commission technique. La Commission technique est chargée de donner un avis sur les demandes des derniers vendeurs belges visant à obtenir des indemnités pour des denrées alimentaires d’origine animale qui, à cause de la crise de la dioxine, ont été détruites à l’étranger ou réexpédiées de l’étranger. Art. 2. La Commission technique est composée de: a) un fonctionnaire de l’Institut d’expertise vétérinaire; b) un fonctionnaire de l’Inspection générale des Denrées alimentaires; c) deux fonctionnaires du Ministère des Affaires économiques; d) un fonctionnaire du Ministère des Affaires étrangères; e) un fonctionnaire de l’Office belge du Commerce extérieur. Pour chacun des membres effectifs, visés au présent article, un ou plusieurs suppléants sont désignés. Art. 3. La Commission technique délibère valablement sur les demandes visées à l’article 1er lors d’une réunion à laquelle assiste au moins un membre de chaque ministère ou service visés à l’article 2. Toutefois, en ce qui concerne le Ministère des Affaires étrangères et l’Office belge du Commerce extérieur, il suffit qu’un seul des deux représentants soit présent à la réunion. Les avis de la Commission technique sont motivés et inscrits dans un rapport qui est joint à chaque dossier. Ce rapport reprend la nature, la quantité ainsi que le prix forfaitaire, le prix de revient ou le prix du marché appliqués des denrées alimentaires, et le montant de l’indem nité attribué. Lorsque l’avis n’est pas rendu à l’unanimité, les points de vue minoritaires sont également repris dans le rapport. Ce rapport est signé par tous les membres qui ont participé à la réunion. Art. 4. Le secrétariat de la Commission est assuré par le fonction naire de l’Institut d’expertise vétérinaire. Art. 5. Le dossier, accompagné de l’avis de la Commission techni que, est transmis pour décision au Ministre qui a la santé publique dans ses attributions. La décision du Ministre est communiquée au deman deur. Art. 6. Les décisions relatives à l’octroi d’indemnités sont chaque semaine communiquées pour paiement au comptable du Service Budget et Finances du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l’Environnement, avec mention du montant de l’indem nité à payer, du nom, de l’adresse et du numéro de compte du demandeur de l’indemnité. Art. 7. L’arrêté ministériel du 21 décembre 1999 instituant une Commission technique relative à l’octroi d’indemnités pour les denrées alimentaires détruites à l’étranger ou réexpédiées de l’étranger dans le cadre de la crise de la dioxine, est retiré. Art. 8. Le présent arrêté produit ses effets le 28 décembre 1999. Bruxelles, le 24 février 2000. Mme M. AELVOET R. DEMOTTE 7330 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN [C − 99/00918]N. 2000 — 637 15 DECEMBER 1999. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 7 februari 1969 tot vaststelling van de modellen voor aangifte van een ongeval en voor het indienen van een doktersattest inzake arbeidsongevallen in de overheidssector en van het ministerieel besluit van 22 april 1999 tot wijziging van dit besluit ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op arti kel 76, § 1, 1° en § 3, vervangen door de wet van 18 juli 1990; Gelet op de ontwerpen van officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 7 februari 1969 tot vaststelling van de modellen voor aangifte van een ongeval en voor het indienen van een doktersattest inzake arbeidsongevallen in de overheidssector, van het ministerieel besluit van 22 april 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 7 februari 1969 tot vaststelling van de modellen voor aangifte van een ongeval en voor het indienen van een dokters attest inzake arbeidsongevallen in de overheidssector, opgemaakt door de Centrale dienst voor Duitse vertaling van het Adjunct-arrondissementscommissariaat in Malmedy; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De bij dit besluit respectievelijk in bijlagen 1 en 2 gevoegde teksten zijn de officiële Duitse vertaling : van het ministerieel besluit van 7 februari 1969 tot vaststelling van de modellen voor aangifte van een ongeval en voor het indienen van een doktersattest inzake arbeidsongevallen in de overheidssector; van het ministerieel besluit van 22 april 1999 tot wijziging van het ministerieel besluit van 7 februari 1969 tot vaststelling van de modellen voor aangifte van een ongeval en voor het indienen van een dokters attest inzake arbeidsongevallen in de overheidssector. Art. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 15 december 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Annexe 1 - Bijlage 1 DIENSTSTELLEN DES PREMIERMINISTERS 7. FEBRUAR 1969 — Ministerieller Erlaß zur Festlegung des Musters der Unfallerklärung und des ärztlichen Attests für Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor Der Minister des Öffentlichen Dienstes, Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 24. Januar 1969 über den Schadenersatz für Arbeitsunfälle und Wegeunfälle zugunsten der Personalmitglieder der Staatsverwaltungen und anderer staatlicher Dienststellen und bestimmter Personalmitglieder subventionierter Unterrichtsanstalten, insbesondere des Artikels 7; Aufgrund der Stellungnahme des Allgemeinen Gewerkschaftlichen Beratungsausschusses; Aufgrund der Stellungnahme des Regelungsausschusses der Gerichtspolizei bei der Staatsanwaltschaft; Aufgrund der Stellungnahme des Gewerkschaftlichen Beratungsausschusses der Gerichtspolizei bei der Staats anwaltschaft; Aufgrund des Gesetzes vom 23. Dezember 1946 zur Schaffung eines Staatsrates, insbesondere des Artikels 2 Absatz 2; Aufgrund der Dringlichkeit, Erläßt: Artikel 1 - Die Unfallerklärung erfolgt mittels eines dem Muster A in Anlage zu vorliegendem Erlaß entsprechenden Formulars. Art. 2 - Das ärztliche Attest wird gemäß dem beigefügten Muster B ausgestellt. Art. 3 - Vorliegender Erlaß tritt am selben Tag in Kraft wie der Königliche Erlaß vom 24. Januar 1969 über den Schadenersatz für Arbeitsunfälle und Wegeunfälle zugunsten der Personalmitglieder der Staatsverwaltungen und anderer staatlicher Dienststellen und bestimmter Personalmitglieder subventionierter Unterrichtsanstalten. Brüssel, den 7. Februar 1969 R. PETRE MINISTERE DE L’INTERIEUR [C − 99/00918]F. 2000 — 637 15 DECEMBRE 1999. — Arrêté royal établissant la traduction officielle en langue allemande de l’arrêté ministériel du 7 février 1969 fixant les modèles de déclaration d’accident et de certificat médical, en matière d’accidents du travail dans le secteur public, et de l’arrêté ministériel du 22 avril 1999 modifiant cet arrêté ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, notamment l’article 76, § 1er, 1° et § 3, remplacé par la loi du 18 juillet 1990; Vu les projets de traduction officielle en langue allemande de l’arrêté ministériel du 7 février 1969 fixant les modèles de déclaration d’accident et de certificat médical, en matière d’accidents du travail dans le secteur public, de l’arrêté ministériel du 22 avril 1999 modifiant l’arrêté ministériel du 7 février 1969 fixant les modèles de déclaration d’accident et de certificat médical, en matière d’accidents du travail dans le secteur public, établis par le Service central de traduction allemande du Commissa riat d’Arrondissement adjoint à Malmedy; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Intérieur, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les textes figurant respectivement aux annexes 1 et 2 du présent arrêté constituent la traduction officielle en langue allemande : de l’arrêté ministériel du 7 février 1969 fixant les modèles de déclaration d’accident et de certificat médical, en matière d’accidents du travail dans le secteur public; de l’arrêté ministériel du 22 avril 1999 modifiant l’arrêté ministériel du 7 février 1969 fixant les modèles de déclaration d’accident et de certificat médical, en matière d’accidents du travail dans le secteur public. Art. 2. Notre Ministre de l’Intérieur est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 15 décembre 1999. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7331BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Anlagen Muster A - Unfallerklärung (...) Muster B - Ärztliches Attest Der Unterzeichnete (1)...........................................,..................................................................................................................... hat (2) ............................................................................................................................................................................................. nach dem Unfall, den er/sie am .............................................................................................................................................. erlitten hat, untersucht und erklärt: 1. daß der Unfall folgende Verletzungen verursacht hat (3): .............................................................................................. .................................................................................................................................................................................................................. 2. daß diese Verletzungen zur Folge hatten (haben werden) (4): ...................................................................................... .................................................................................................................................................................................................................. 3. daß die Unfähigkeit (5) am ................................................................................................................................................... ...........................................................................................................................................................begonnen hat (beginnen wird) 4. daß der Verletzte (6): ......................................................................................................................................................................................behandelt wird 5. daß er (nicht) davon überzeugt ist, daß die festgestellte Verletzung oder Krankheit auf den angeführten Unfall zurückzuführen ist (7). Ausgestellt in, am (Unterschrift) (1) Name, Vornamen, Eigenschaft, Adresse (2) Name, Vornamen, Adresse des Opfers (3) Art und Natur der Verletzungen und die betroffenen Körperteile angeben: Armbruch, Prellung am Kopf, Quetschungen an den Fingern, innere Verletzungen, Asphyxie, usw. (4) Sichere oder mutmaßliche Folgen der festgestellten Verletzungen angeben: Tod - vollständige oder teilweise bleibende Unfähigkeit - vollständige oder teilweise zeitweilige Unfähigkeit mit Vermerk der vermutlichen Dauer dieser zeitweiligen Unfähigkeit. (5) Der Arzt hat die Unfähigkeit zu berücksichtigen, die sich normalerweise aus den Verletzungen selbst ergibt, ohne Berücksichtigung aller anderen Umstände. (6) Je nach Fall angeben, ob der Verletzte an seinem Wohnsitz oder dem des Arztes, in einem bestimmten Krankenhaus oder anderswo behandelt wird. (7) Falls der Arzt davon überzeugt ist, die Gründe genau angeben, damit die Verwaltung in voller Kenntnis der Sachlage eine Entscheidung treffen kann. Gesehen, um dem Ministeriellen Erlaß vom 7. Februar 1969 beigefügt zu werden. Der Minister des Öffentlichen Dienstes, R. PETRE Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 15 december 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 15 décembre 1999. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7332 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Annexe 2 - Bijlage 2 MINISTERIUM DES O}FFENTLICHEN DIENSTES 22. APRIL 1999 — Ministerieller Erlaß zur Abänderung des Ministeriellen Erlasses vom 7. Februar 1969 zur Festlegung des Musters der Unfallerklärung und des ärztlichen Attests für Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor Der Minister des Öffentlichen Dienstes, Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 24. Januar 1969 über den Schadenersatz für Arbeitsunfälle und Wegeunfälle zugunsten der Personalmitglieder der Staatsverwaltungen und anderer staatlicher Dienststellen und bestimmter Personalmitglieder subventionierter Unterrichtsanstalten, insbesondere des Artikels 7, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 21. November 1991 und 20. September 1998; Aufgrund des Ministeriellen Erlasses vom 7. Februar 1969 zur Festlegung des Musters der Unfallerklärung und des ärztlichen Attests für Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor; Aufgrund des Protokolls Nr. 105/6 vom 11. März 1999 des GemeinsamenAusschusses für alle öffentlichen Dienste; Aufgrund der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat, insbesondere des Artikels 3 § 1, ersetzt durch das Gesetz vom 4. Juli 1989 und abgeändert durch das Gesetz vom 4. August 1996; Aufgrund der Dringlichkeit; In der Erwägung, daß den Verwaltungsbehörden unverzüglich ein neues Muster für Unfallerklärungen zur Verfügung gestellt werden muß, einerseits infolge des Inkrafttretens des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit und andererseits, damit im Hinblick auf Vorbeugungsmaßnahmen und zugunsten von Eurostat statistische Daten über Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor eingesammelt werden können, Erläßt: Artikel 1 - Das dem Ministeriellen Erlaß vom 7. Februar 1969 zur Festlegung des Musters der Unfallerklärung und des ärztlichen Attests für Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor als Anlage beigefügte Muster A wird durch das vorliegendem Erlaß beigefügte Muster A ersetzt. Art. 2 - Vorliegender Erlaß tritt am 1. Juli 1999 in Kraft. Brüssel, den 22. April 1999 A. FLAHAUT MUSTER A - ARBEITSUNFALLERKLÄRUNG Jeder Unfall muß gemeldet werden. Ab einem Tag Arbeitsunfähigkeit muß vorliegendes Formular ausgefüllt und so schnell wie möglich mit dem Muster B (ärztliches Attest) dem zuständigen Dienst Ihrer Verwaltung zugesandt werden. Dieser Dienst benachrichtigt die Technische Inspektion des Ministeriums der Beschäftigung und der Arbeit gemäß den in Artikel 26 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit (Belgisches Staatsblatt vom 31. März 1998) vorgesehenen Modalitäten. Die Erklärung wird vom Opfer, von seinem Rechtsnachfolger, seinem Vorgesetzten oder jedem anderen Interessehabenden abgegeben. Die Rubriken II und III werden vom Abgeber der Erklärung ausgefüllt. Die Rubriken I, IV, V und VI werden vom Arbeitgeber ausgefüllt. I. Angaben über den ARBEITGEBER 1. Bezeichnung der Verwaltung, des Dienstes oder der Einrichtung: ........................................................................................................................................................... .................................................................................................................... Tel.: ......../.......................................................... Fax:........./.......................................................... 2. Straße/Nr./Bfk.: .............................................................................. Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: .............................................................................. 3. Gegenstand der Verwaltung: ....................................................................................................................................................... NACE-BEL-Kode: z..z..z..z..z..z 4. Eintragung beim LASS (Landesamt für soziale Sicherheit) Nr.: z..z..z..z - z..z..z..z..z..z..z..z - z..z..z LASSPLV (Landesamt für soziale Sicherheit der provinzialen und lokalen Verwaltungen) Nr.: z..z..z..z - z..z..z..z..z..z..z..z - z..z..z 7333BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE II. Angaben über das OPFER 5. Name und Vornamen: ........................................................................................................................................................................................................................................ Name des Ehegatten (1): .................................................................................................................................................................................................................................... 6. Geburtsdatum (2): ..../..../.... Geschlecht (3): M M M W Sprachrolle: ....................................................................................................................................................... 7. Nummer des Nationalregisters: z..z..z..z..z..z..z z..z..z..z z..z..z Staatsangehörigkeit: ................................................................................................ 8. Nummer der medizinischen Akte beim VGD (Verwaltungsgesundheitsdienst): .................................................................. 9. Hauptwohnort: Straße/Nr./Bfk.: ..................................................................................................................................................................................................................... Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: ........................................................................................................................................................................................................ III. Angaben über den UNFALL 10. Unfalltag: ................................................................................... Datum (2): ..../..../.... ........Uhr ........ Minuten 11. Unfallort - Straße/Nr.: ....................................................................................................................................................................................................................................... Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: ...................................................................................................................................................................................................... 12. Übte das Opfer zum Zeitpunkt des Unfalls eine Beschäftigung im Rahmen seiner gewöhnlichen Funktion aus? (3) M Ja M Nein Wenn nicht, welche Beschäftigung übte es aus?: .......................................................................................................................................................................................... Handelt es sich um einen in Artikel 2 Absatz 3 Nr. 2 des Gesetzes vom 3. Juli 1967 erwähnten Unfall (Unfall, der sich außerhalb der Ausübung des Dienstes ereignet hat, aber von einem Dritten infolge einer zu einem früheren Zeitpunkt während des Dienstes ausgeführten Handlung verursacht worden ist)? (3) M Ja M Nein 13. Ausführliche Beschreibung der Umstände und der materiellen Ursachen des Unfalls (z. B.: Wo war das Opfer beschäftigt? Womit war es beschäftigt? Wie kam es zu dem Unfall? Welche sind dessen materielle Ursachen? Ereignete sich der Unfall auf dem Weg zur und von der Arbeit?): .................................... ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. 14. Erste Hilfe geleistet am (2) ..../..../.... um .... Uhr vom Arzt oder in der Pflegeanstalt: Name/Bezeichnung: ........................................................................................................................................................................................................................................... Straße/Nr./Bfk.: .................................................................................... Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: .................................................................................... 15. Protokoll erstellt in .................................................................................................. am (2) ..../..../.... von .................................................................................................. 16. Name und Adresse des etwaigen Verantwortlichen: ................................................................................................................................................................................... und seines Versicherers: .................................................................................................... Nr. der Police: .................................................................................................... 17. Zeugen: Name Straße/Nr./Bfk. Postleitzahl Gemeinde ......................................................................... ......................................................................... z..z..z..z..z ......................................................................... ......................................................................... ......................................................................... z..z..z..z..z ......................................................................... ......................................................................... ......................................................................... z..z..z..z..z ......................................................................... Abgeber der Erklärung (Name und Eigenschaft): ............................................................ Unterschriften(en): Datum (2)): ..../..../.... ................................ (1) Fakultativ (2) Tag/Monat/Jahr (3) Zutreffendes ankreuzen Unfallkarte - Jahr ...... Nr. ...... Art des Unfalls (3): M Arbeitsunfall M Wegeunfall IV. Vom ARBEITGEBER einzutragende Angaben 18. Adresse der Abteilung oder des Dienstes, der beziehungsweise dem das Opfer angehört: Straße/Nr./Bfk.: .................................................................................... Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: .................................................................................... 19. Externer Dienst zur medizinischen Überwachung - Bezeichnung: ........................................................................................................................................................... Straße/Nr./Bfk.: .................................................................................... Postleitzahl: z..z..z..z..z Gemeinde: .................................................................................... 20. Gesamtanzahl der am Ende des Monats vor dem Unfall in der Abteilung, der Einrichtung, der Gemeinde, dem ÖSHZ, der Anstalt usw. beschäftigten Personalmitglieder: ................................................................................................................................................................................................................................................................................. 21. Gesamtanzahl Tage, die seit Beginn des Jahres bis zum Ende des Monats vor dem Unfall geleistet worden sind: ...................................................................... 7334 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE V. Angaben über das OPFER und den UNFALL 22. Tag des Dienstantritts (2): ..../..../.... 23. Vertragsende (4) (2): ..../..../.... 24. Berufskategorie (3): M definitiv ernannter Bediensteter M Vertragsbediensteter M Personalmitglied auf Probe M andere Kategorie (näher angeben) ......... 25. Ist der Unfallort der Ort, wo das Opfer gewöhnlich seine Funktion ausübt? (3) M Ja M Nein 26. Gewöhnliche Funktion innerhalb der Verwaltung: .................................................................... ISCO-Kode: z..z..z..z 27. Dienstalter in der Berufskategorie: ........................ ........................ im Dienst: ........................ ........................ in der Funktion: ........................ ........................ 28. Tag, an dem der Arbeitgeber benachrichtigt worden ist (2): ..../..../.... 29. Uhrzeiten, zu denen das Opfer am Unfalltag zu arbeiten hatte: von ..................... Uhr bis ..................... Uhr und von ..................... Uhr bis ..................... Uhr 30. Bemerkungen über die Umstände und die materiellen Ursachen des Unfalls (Angaben, die der Erklärung des Opfers hinzugefügt werden müssen): ...... ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. ................................................................................................................................................................................................................................................................................. VI. Angaben über die VORBEUGUNG 31. Tätigkeit der Abteilung oder des Dienstes, wo das Opfer gewöhnlich seine Funktion ausübt: ......................................................................................................... 32. Übte das Opfer zum Zeitpunkt des Unfalls eine Beschäftigung im Rahmen seiner gewöhnlichen Funktion aus? (3) M Ja M Nein Wenn nicht, welche Beschäftigung übte es aus?: ................................................................................................................................................................. Handelt es sich um einen in Artikel 2 Absatz 3 Nr. 2 des Gesetzes vom 3. Juli 1967 erwähnten Unfall? (3) M Ja M Nein 33. Materielle Ursachen (Agens): ........................................................................................................................................................................................ Kode (5): z..z..z 34. Form des Unfalls: ....................................................................................................................................................................................................... Kode (5): z..z..z..z 35. Verletzung - Art (6) (5): ..................................................................... Kode (5): z..z..z Sitz (6)(5): ..................................................................... Kode (5): z..z..z 36. Folgen des Unfalls (6)(3): M das Opfer hat die Arbeit nicht unterbrochen M das Opfer hat die Arbeit am (2) ..../..../.... für eine wahrscheinliche Dauer von .................... Tagen unterbrochen M eine bleibende Arbeitsunfähigkeit ist möglich M Tod 37. Das Opfer hat die Arbeit am ..../..../.... wiederaufgenommen und der vorgesehene Prozentsatz bleibender Unfähigkeit beträgt (6) ........... % 38. Zur Vermeidung ähnlicher Unfälle getroffene oder zu treffende Vorbeugungsmaßnahmen: .............................................................................................................................................................................................................................................. Kode (5): z..z..z .............................................................................................................................................................................................................................................. Kode (5): z..z..z .............................................................................................................................................................................................................................................. Kode (5): z..z..z Abgeber der Erklärung für die Behörde (Name und Eigenschaft): Name des Gefahrenverhütungsberaters: .............................................................................................................................. .............................................................................................................................. Datum (2): ..../..../.... Unterschrift: Unterschrift(en): (4) falls anwendbar (5) Diese Informationen finden Sie in den Tabellen von Anlage IV des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über den Internen Dienst für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz (Belgisches Staatsblatt vom 31. März 1998). (6) Diese Informationen finden Sie im ärztlichen Attest. Gesehen, um dem Ministeriellen Erlaß vom 22. April 1999 zur Abänderung des Ministeriellen Erlasses vom 7. Februar 1969 zur Festlegung des Musters der Unfallerklärung und des ärztlichen Attests für Arbeitsunfälle im öffentlichen Sektor beigefügt zu werden. Der Minister des Öffentlichen Dienstes, A. FLAHAUT Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 15 december 1999. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 15 décembre 1999. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7335BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [C − 2000/00034]N. 2000 — 638 27 JANUARI 2000. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van wettelijke bepalingen tot wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op arti kel 76, § 1, 1° en § 3, vervangen door de wet van 18 juli 1990; Gelet op de ontwerpen van officiële Duitse vertaling — van titel 2, hoofdstuk I, van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, — van titel III, hoofdstuk VI, van de wet van 3 mei 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen, — van artikel 58 van de wet van 3 mei 1999 tot regeling van de bevoegdheidsverdeling ingevolge de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de federale politie, opgemaakt door de Centrale dienst voor Duitse vertaling van het Adjunct-arrondissementscommissariaat in Malmedy; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De bij dit besluit respectievelijk in bijlagen 1 tot 3 gevoegde teksten zijn de officiële Duitse vertaling : — van titel 2, hoofdstuk I, van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen; — van titel III, hoofdstuk VI, van de wet van 3 mei 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen; — van artikel 58 van de wet van 3 mei 1999 tot regeling van de bevoegdheidsverdeling ingevolge de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de federale politie. Art. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 27 januari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Bijlage 1 - Annexe 1 DIENSTSTELLEN DES PREMIERMINISTERS 25. JANUAR 1999 — Gesetz zur Festlegung sozialer Bestimmungen ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Die Kammern haben das Folgende angenommen, und Wir sanktionieren es: (...) TITEL II — Soziale Angelegenheiten KAPITEL I — Arbeitsunfälle Art. 2 - In das Gesetz vom 10. April 1971 über die Arbeitsunfälle wird ein Artikel 25ter mit folgendem Wortlaut eingefügt: «Wenn der Arbeitgeber gemäß den Artikeln 52, 70 oder 71 des Gesetzes vom 3. Juli 1978 über die Arbeitsverträge dem Opfer eines Arbeitsunfalls, der sich bei einem anderen Arbeitgeber ereignet hat, einen garantierten Lohn schuldet, tritt er gemäß den vom König festgelegten Modalitäten in die Rechte des Opfers ein. In diesem Fall bestimmt der König, wem die Entschädigungen wegen zeitweiliger Arbeitsunfähigkeit, die sich auf den Zeitraum beziehen, der durch den garantierten Lohn abgedeckt ist, ausgezahlt werden.» [C − 2000/00034]F. 2000 — 638 27 JANVIER 2000. — Arrêté royal établissant la traduction officielle en langue allemande de dispositions légales modifiant la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, notamment l’article 76, § 1er, 1° et § 3, remplacé par la loi du 18 juillet 1990; Vu les projets de traduction officielle en langue allemande — du titre 2, chapitre Ier, de la loi du 25 janvier 1999 portant des dispositions sociales, — du titre III, chapitre VI, de la loi du 3 mai 1999 portant des dispositions budgétaires et diverses, — de l’article 58 de la loi du 3 mai 1999 organisant la répartition des compétences suite à l’intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la police fédérale, établis par le Service central de traduction allemande du Commissa riat d’Arrondissement adjoint à Malmedy; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Intérieur, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les textes figurant respectivement aux annexes 1 à 3 du présent arrêté constituent la traduction officielle en langue allemande : — du titre 2, chapitre Ier, de la loi du 25 janvier 1999 portant des dispositions sociales; — du titre III, chapitre VI, de la loi du 3 mai 1999 portant des dispositions budgétaires et diverses; — de l’article 58 de la loi du 3 mai 1999 organisant la répartition des compétences suite à l’intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la police fédérale. Art. 2. Notre Ministre de l’Intérieur est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 27 janvier 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7336 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 3 - Der König legt das Datum des Inkrafttretens von Artikel 2 fest. Art. 4 - In Artikel 31 des Gesetzes vom 10. April 1971 über die Arbeitsunfälle werden die Wörter «werden die Kosten für medizinische Pflege auf der Grundlage der vom König festgelegten Tarife erstattet» durch die Wörter «werden die Kosten für Gesundheitspflege gemäß den vom König festgelegten Bedingungen und Tarifen erstattet» ersetzt. Art. 5 - In Artikel 34 Absatz 2 desselben Gesetzes werden die Wörter «gemäß der Arbeitsregelung, die aufgrund des Gesetzes anwendbar oder die unternehmensüblich ist» durch die Wörter «gemäß der Arbeitsregelung, die aufgrund des Gesetzes oder des Brauchs im Unternehmen als Vollzeitarbeitsregelung gilt» ersetzt. Art. 6 - Artikel 34 Absatz 3 desselben Gesetzes, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 22. April 1985, wird aufgehoben. Art. 7 - Artikel 46 § 1 Nr. 6 desselben Gesetzes, eingefügt durch das Gesetz vom 20. Mai 1998, wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «6. gegen den Arbeitgeber, seine Beauftragten oder Angestellten, wenn es sich bei dem Unfall um einen Verkehrsunfall handelt. Unter Verkehrsunfall versteht man jeden Unfall im Straßenverkehr, in den ein oder mehrere motorisierte oder nicht motorisierte Fahrzeuge verwickelt sind und der mit dem Verkehr auf öffentlicher Straße zusammenhängt.» Art. 8 - Artikel 54bis desselben Gesetzes, eingefügt durch den Königlichen Erlaß Nr. 18 vom 6. Dezember 1978, wird durch einen Absatz 3 mit folgendem Wortlaut ergänzt: «Wenn ein zugelassener Versicherer an einer Fusion oder Aufspaltung gemäß den Bestimmungen der Abschnitte VIIIbis und VIIIter der am 30. Dezember 1935 [sic, zu lesen ist: 30. November 1935] koordinierten Gesetze über die Handelsgesellschaften beteiligt ist, legt der König die Bedingungen fest, unter denen die Zulassung übertragen wird.» Art. 9 - Artikel 59 desselben Gesetzes, abgeändert durch die Gesetze vom 30. März 1994 und 29. April 1996 und die Königlichen Erlasse vom 16. Dezember 1996 und 8. August 1997, wird durch folgende Bestimmung ergänzt: «14. Beträge, die aufgrund von Artikel 60 Absatz 3 zu Lasten von zugelassenen Versicherern zurückgefordert werden.» Art. 10 - In Artikel 59quaterAbsatz 1 desselben Gesetzes, eingefügt durch das Gesetz vom 24. Dezember 1976 und ersetzt durch den Königlichen Erlaß vom 31. März 1987, werden die Wörter «Nr. 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9″ durch die Wörter «Nr. 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 14″ ersetzt. Art. 11 - In Artikel 60 desselben Gesetzes, abgeändert durch die Gesetze vom 24. Dezember 1976, 1. August 1985 und 22. Februar 1998, wird zwischen Absatz 2 und Absatz 3 folgender Absatz eingefügt: «Die Auslagen, Beträge und Kapitale, die gemäß Absatz 1 nicht zu Lasten des Versicherers, der seinen Verpflichtungen nicht nachkommt, zurückgefordert werden können, werden durch den Fonds für Berufsunfälle auf die zugelassenen Versicherer umgelegt.» Art. 12 - In dasselbe Gesetz wird ein Artikel 64bis mit folgendem Wortlaut eingefügt: «Art. 64bis - In den Fällen und unter den Bedingungen, die vom König festgelegt werden, können die in Artikel 87 Absatz 3 erwähnten Ärzte auf Anfrage des Opfers oder des Versicherers als Schlichter bei der Festlegung des Grades bleibender Arbeitsunfähigkeit auftreten. Sie erstellen hierüber einen Bericht. Wenn das Opfer oder der Versicherer den Vorschlag des schlichtenden Arztes nicht annimmt, wird die Streitsache von der zuerst handelnden Partei vor das Arbeitsgericht gebracht. In diesem Fall wird der in Absatz 1 erwähnte Bericht vom Versicherer bei der Kanzlei des Rechtsprechungsorgans hinterlegt.» 7337BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 13 - In dasselbe Gesetz wird ein Artikel 64ter mit folgendem Wortlaut eingefügt: «Art. 64ter - Die in Artikel 64bis erwähnte Schlichtung kann sich unter denselben Bedingungen ebenfalls auf die Festlegung des Datums beziehen, ab dem die Arbeitsunfähigkeit einen bleibenden Charakter aufweist.» (...) Wir fertigen das vorliegende Gesetz aus und ordnen an, daß es mit dem Staatssiegel versehen und durch das Belgisches Staatsblatt veröffentlicht wird. Gegeben zu Brüssel, den 25. Januar 1999 ALBERT Von Königs wegen: Der Premierminister J.-L. DEHAENE Der Minister der Wirtschaft E. DI RUPO Der Minister des Innern L. VAN DEN BOSSCHE Der Minister, beauftragt mit der Energie J.-P. PONCELET Der Minister des Haushalts H. VAN ROMPUY Der Minister der Volksgesundheit und der Pensionen M. COLLA Die Ministerin der Beschäftigung und der Arbeit Frau M. SMET Die Ministerin der Sozialen Angelegenheiten Frau M. DE GALAN Der Minister der Kleinen und Mittleren Betriebe K. PINXTEN Der Minister des Öffentlichen Dienstes A. FLAHAUT Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Der Minister der Finanzen J.-J. VISEUR Der Staatssekretär für Soziale Eingliederung J. PEETERS Mit dem Staatssiegel versehen: Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 januari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 27 janvier 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7338 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Bijlage 2 - Annexe 2 DIENSTSTELLEN DES PREMIERMINISTERS 3. MAI 1999 — Gesetz zur Festlegung von Haushaltsbestimmungen und sonstigen Bestimmungen ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Die Kammern haben das Folgende angenommen, und Wir sanktionieren es: (...) TITEL III — Verschiedene Bestimmungen (...) KAPITEL VI — Arbeitsunfälle Art. 35 - Artikel 62 des Gesetzes vom 10. April 1971 über die Arbeitsunfälle, abgeändert durch das Gesetz vom 24. Dezember 1976 und den Königlichen Erlaß vom 31. März 1987, wird wie folgt abgeändert: 1. Die Absätze 1 und 2 werden durch folgende Bestimmung ersetzt: «Der Arbeitgeber oder sein Beauftragter ist verpflichtet, dem zuständigen Versicherer und in den vom König bestimmten Fällen dem für Arbeitssicherheit zuständigen Inspektor jeden Unfall zu melden, der Anlaß zur Anwendung des vorliegenden Gesetzes geben kann.» 2. Ein neuer Absatz mit folgendem Wortlaut wird hinzugefügt: «Der Fonds für Berufsunfälle übermittelt dem für Arbeitssicherheit zuständigen Inspektor die im vorangehenden Absatz erwähnten Angaben gemäß den vom König festgelegten Regeln.» 7339BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 36 - Der König legt das Datum des Inkrafttretens des vorliegenden Kapitels fest. (...) Wir fertigen das vorliegende Gesetz aus und ordnen an, daß es mit dem Staatssiegel versehen und durch das Belgisches Staatsblatt veröffentlicht wird. Gegeben zu Brüssel, den 3. Mai 1999 ALBERT Von Königs wegen: Der Premierminister J.-L. DEHAENE Der Minister der Wirtschaft und des Fernmeldewesens E. DI RUPO Der Minister des Innern L. VAN DEN BOSSCHE Der Minister, beauftragt mit der Energie J.-P. PONCELET Der Minister des Haushalts H. VAN ROMPUY Der Minister der Wissenschaftspolitik Y. YLIEFF Der Minister der Volksgesundheit und der Pensionen M. COLLA Die Ministerin der Beschäftigung und der Arbeit Frau M. SMET Die Ministerin der Sozialen Angelegenheiten Frau M. DE GALAN Der Minister der Landwirtschaft und der Kleinen und Mittleren Betriebe K. PINXTEN Der Minister des Transportwesens M. DAERDEN Der Minister des Öffentlichen Dienstes A. FLAHAUT Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Der Minister der Finanzen J.-J. VISEUR Der Staatssekretär für Sicherheit J. PEETERS Mit dem Staatssiegel versehen: Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 januari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 27 janvier 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7340 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Bijlage 3 - Annexe 3 MINISTERIUM DES INNERN 3. MAI 1999 — Gesetz zur Regelung der Verteilung der Befugnisse infolge der Integration der Schiffahrtspolizei, der Luftfahrtpolizei und der Eisenbahnpolizei in die föderale Polizei ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Die Kammern haben das Folgende angenommen, und Wir sanktionieren es: (...) KAPITEL III — Verteilung der Befugnisse infolge der Integration der Schiffahrtspolizei in die föderale Polizei (...) Abschnitt 3 — Abänderungsbestimmungen (...) Art. 58 - Artikel 82 des Gesetzes vom 10. April 1971 über die Arbeitsunfälle wird wie folgt abgeändert: a) In Absatz 3 werden die Wörter «beim Schiffahrtskommissar» durch die Wörter «bei der mit der Wasserschutz polizeigewalt beauftragten Behörde der föderalen Polizei» und die Wörter «Der Schiffahrtskommissar» durch die Wörter «Die mit der Wasserschutzpolizeigewalt beauftragte Behörde der föderalen Polizei» ersetzt; in Absatz 4 werden die Wörter «dem Schiffahrtskommissar» durch die Wörter «der mit der Wasserschutzpolizeigewalt beauftragten Behörde der föderalen Polizei» ersetzt; in Absatz 7 werden die Wörter «der Schiffahrtskommissar» durch die Wörter «die mit der Wasserschutzpolizeigewalt beauftragte Behörde der föderalen Polizei» ersetzt. b) In Absatz 5 wird das Wort «Schiffahrtskommissare» durch die Wörter «Die mit der Wasserschutzpolizeigewalt beauftragten Behörden der föderalen Polizei» ersetzt. 7341BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE c) Der Artikel wird durch folgenden Absatz ergänzt: «Nach Feststellung eines Arbeitsunfalls an Bord von Schiffen übermittelt die mit der Wasserschutzpolizeigewalt beauftragte Behörde der föderalen Polizei dem mit der Schiffahrtskontrolle beauftragten Dienst unverzüglich einen Bericht über den Unfall.» (...) Wir fertigen das vorliegende Gesetz aus und ordnen an, daß es mit dem Staatssiegel versehen und durch das Belgisches Staatsblatt veröffentlicht wird. Gegeben zu Brüssel, den 3. Mai 1999 ALBERT Von Königs wegen: Der Vizepremierminister und Minister der Wirtschaft und des Fernmeldewesens, beauftragt mit dem Außenhandel E. DI RUPO Der Vizepremierminister und Minister des Innern L. VAN DEN BOSSCHE Der Vizepremierminister und Minister der Landesverteidigung, beauftragt mit der Energie J.-P. PONCELET Der Vizepremierminister und Minister des Haushalts H. VAN ROMPUY Der Minister der Volksgesundheit und der Pensionen M. COLLA Der Minister der Auswärtigen Angelegenheiten E. DERYCKE Die Ministerin der Beschäftigung und der Arbeit, beauftragt mit der Politik der Chancengleichheit zwischen Männern und Frauen Frau M. SMET Die Ministerin der Sozialen Angelegenheiten Frau M. DE GALAN Der Minister der Landwirtschaft und der Kleinen und Mittleren Betriebe K. PINXTEN Der Minister des Transportwesens M. DAERDEN Der Minister des Öffentlichen Dienstes A. FLAHAUT Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Der Minister der Finanzen J.-J. VISEUR Der Staatssekretär für Sicherheit, Soziale Eingliederung und Umwelt J. PEETERS Mit dem Staatssiegel versehen: Der Minister der Justiz T. VAN PARYS Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 27 januari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 27 janvier 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7342 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [C − 2000/00084]N. 2000 — 639 3 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van reglementaire bepalingen tot wijzi ging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op arti kel 76, § 1, 1° en § 3, vervangen door de wet van 18 juli 1990; Gelet op de ontwerpen van officiële Duitse vertaling : — van artikel 33 van het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk; — van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen, opgemaakt door de Centrale dienst voor Duitse vertaling van het Adjunct-arrondissementscommissariaat in Malmedy; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. De bij dit besluit respectievelijk in bijlagen 1 en 2 gevoegde teksten zijn de officiële Duitse vertaling : — van artikel 33 van het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk; — van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen. Art. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 3 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Bijlage 1 — Annexe 1 MINISTERIUM DER BESCHA}FTIGUNG UND DER ARBEIT 17. JUNI 1997 — Königlicher Erlaß über die Sicherheits- und Gesundheitskennzeichnung am Arbeitsplatz ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Aufgrund des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit, insbesondere des Artikels 4; Aufgrund der neunten Einzelrichtlinie 92/58/EWG des Rates der Europäischen Gemeinschaften vom 24. Juni 1992 über Mindestvorschriften für die Sicherheits- und/oder Gesundheitsschutzkennzeichnung am Arbeitsplatz; Aufgrund der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung, gebilligt durch die Erlasse des Regenten vom 11. Februar 1946 und 27. September 1947, insbesondere des Artikels 28bis § 2, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 14. September 1992, des Artikels 36, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 29. Januar 1971 und 19. September 1980, der Artikel 41ter, 44quater und 44septies, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 18. Juni 1993, des Artikels 52.5.11, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 10. Mai 1968, 19. September 1980 und 10. Juli 1992, der Artikel 52.9.2 und 52.10.2, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 10. Mai 1968, des Artikels 54quinquies, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, des Artikels 86, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 16. Februar 1982, des Artikels 222, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 7. März 1967 und 19. September 1980, des Artikels 254, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, der Artikel 286 und 289, abgeändert durch den Erlaß des Regenten vom 18. August 1948 und den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, des Artikels 348, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, des Artikels 434.8.1, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 28. Dezember 1976 und 19. September 1980, der Artikel 610, 632 und 652, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, des Artikels 654, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 15. September 1953 und 19. September 1980 und des Artikels 655, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 7. Oktober 1970 und 20. September 1974; [C − 2000/00084]F. 2000 — 639 3 FEVRIER 2000. — Arrêté royal établissant la traduction officielle en langue allemande de dispositions réglementaires modifiant l’arrêté royal du 12 août 1993 concernant l’utilisation des équipements de travail ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 31 décembre 1983 de réformes institutionnelles pour la Communauté germanophone, notamment l’article 76, § 1er, 1° et § 3, remplacé par la loi du 18 juillet 1990; Vu les projets de traduction officielle en langue allemande — de l’article 33 de l’arrêté royal du 17 juin 1997 concernant la signalisation de sécurité et de santé au travail, — de l’arrêté royal du 4 mai 1999 modifiant l’arrêté royal du 12 août 1993 concernant l’utilisation des équipements de travail, établis par le Service central de traduction allemande du Commissa riat d’arrondissement adjoint à Malmedy; Sur la proposition de Notre Ministre de l’Intérieur, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Les textes figurant respectivement aux annexes 1 et 2 du présent arrêté constituent la traduction officielle en langue allemande : — de l’article 33 de l’arrêté royal du 17 juin 1997 concernant la signalisation de sécurité et de santé au travail; — de l’arrêté royal du 4 mai 1999 modifiant l’arrêté royal du 12 août 1993 concernant l’utilisation des équipements de travail. Art. 2. Notre Ministre de l’Intérieur est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 3 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7343BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 21. Oktober 1968 über die Lager für verflüssigtes Handelspropangas und butangas oder ihre Gemische in ortsfesten ungekühlten Tanks, insbesondere des Artikels 20.1, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 13. September 1976 und 19. September 1980; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 12. August 1993 über die Benutzung von Arbeitsmitteln; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 2. Dezember 1993 über den Schutz der Arbeitnehmer vor Gefährdung durch Aussetzung gegenüber krebserregenden Agenzien am Arbeitsplatz; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 4. August 1996 über den Schutz der Arbeitnehmer vor Gefährdung durch Aussetzung gegenüber biologischen Agenzien am Arbeitsplatz; Aufgrund der Stellungnahme des Hohen Rates für Arbeitssicherheit, Betriebshygiene und Verschönerung der Arbeitsplätze vom 18. März 1994; Aufgrund der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat, insbesondere des Artikels 3 § 1, abgeändert durch das Gesetz vom 4. Juli 1989; Aufgrund der Dringlichkeit; In der Erwägung, daß die in der Präambel erwähnte Richtlinie spätestens am 24. Juni 1994 in belgisches Recht umgesetzt sein mußte; daß es daher dringend erforderlich ist, die notwendigen Maßnahmen unverzüglich zu treffen, damit die Verantwortlichkeit des Belgischen Staates unberührt bleibt; Auf Vorschlag Unseres Ministers der Beschäftigung und der Arbeit, Haben Wir beschlossen und erlassen Wir: (...) Art. 33. In der Anlage zum Königlichen Erlaß vom 12. August 1993 über die Benutzung von Arbeitsmitteln wird Punkt 3.11 durch folgende Bestimmung ersetzt: «Die Warn- und Alarmvorrichtungen des Arbeitsmittels müssen den Bestimmungen über die Sicherheits- und Gesundheitskennzeichnung am Arbeitsplatz entsprechen; insbesondere müssen sie leicht wahrnehmbar und unmiß verständlich sein.» (...) Gegeben zu Brüssel, den 17. Juni 1997 ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung und der Arbeit Frau M. SMET Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Bijlage 2 — Annexe 2 MINISTERIUM DER BESCHA}FTIGUNG UND DER ARBEIT 4. MAI 1999 — Königlicher Erlaß zur Abänderung des Königlichen Erlasses vom 12. August 1993 über die Benutzung von Arbeitsmitteln ALBERT II., König der Belgier, Allen Gegenwärtigen und Zukünftigen, Unser Gruß! Aufgrund des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit, insbesondere des Artikels 4; Aufgrund der zweiten Einzelrichtlinie 89/655/EWG des Rates der Europäischen Gemeinschaften vom 30. Novem ber 1989 über Mindestvorschriften für Sicherheit und Gesundheitsschutz bei Benutzung von Arbeitsmitteln durch Arbeitnehmer bei der Arbeit, abgeändert durch die Richtlinie 95/63/EG vom 5. Dezember 1995; Aufgrund der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung, gebilligt durch die Erlasse des Regenten vom 11. Februar 1946 und 27. September 1947, insbesondere des Artikels 35, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 13. August 1962, des Artikels 36, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 29. Januar 1971 und 17. Juni 1997, des Artikels 39, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 5. Dezember 1972, des Artikels 40, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 18. Februar 1960, des Artikels 41, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Februar 1960 und 7. August 1995, des Artikels 41bis, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 14. März 1975, des Artikels 44, der Artikel 284 bis 291, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. März 1962, 17. September 1987 und 17. Juni 1997, der Artikel 292 bis 308, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. Oktober 1969 und 17. September 1987, der Artikel 309 bis 318, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. Oktober 1969, 7. Dezember 1979 und 17. September 1987, der Artikel 321 bis 322 und 324 bis 325, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom Vu pour être annexé à Notre arrêté du 3 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7344 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 16. September 1970 und 5. Mai 1995, der Artikel 327, 327bis und 328 bis 341, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Oktober 1956, 2. Juni 1961, 9. März 1962, 4. Mai 1962, 7. Februar 1966, 17. September 1987 und 16. April 1992, der Artikel 434.4.2, 434.5.1 und 434.5.2, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 28. Dezember 1976 und abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 18. September 1991, des Artikels 466, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 18. September 1991, der Artikel 502, 502bis, 503 und 504, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 13. Februar 1957 und 9. März 1962, der Artikel 551 bis 560, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Februar 1960, 9. März 1962 und 17. September 1987, der Artikel 561 und 562, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 9. März 1962, der Artikel 563, 563bis und 564, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 9. März 1962, und des Artikels 573; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 12. August 1993 über die Benutzung von Arbeitsmitteln; Aufgrund der Stellungnahme des Hohen Rates für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz vom 28. Januar 1999; Aufgrund der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat, insbesondere des Artikels 3 § 1, ersetzt durch das Gesetz vom 4. Juli 1989 und abgeändert durch das Gesetz vom 4. August 1996; Aufgrund der Dringlichkeit; In der Erwägung, daß die Richtlinie 95/63/EG spätestens am 5. Dezember 1998 in belgisches Recht umgesetzt sein mußte; daß es daher dringend erforderlich ist, die notwendigen Maßnahmen unverzüglich zu treffen, damit die Verantwortlichkeit des Belgischen Staates unberührt bleibt; Auf Vorschlag Unseres Ministers der Beschäftigung und der Arbeit, Haben Wir beschlossen und erlassen Wir: Artikel 1 - Artikel 1 des Königlichen Erlasses vom 12. August 1993 über die Benutzung von Arbeitsmitteln wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Artikel 1 - Die Bestimmungen des vorliegenden Erlasses finden Anwendung auf Arbeitgeber und Arbeitnehmer sowie auf die ihnen gleichgestellten Personen, die in Artikel 2 des Gesetzes vom 4. August 1996 über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnt sind.» Art. 2 - Artikel 3 desselben Erlasses wird wie folgt abgeändert: A) Absatz 2 wird durch folgenden Absatz ersetzt: «Bei der Auswahl der einzusetzenden Arbeitsmittel berücksichtigt der Arbeitgeber die besonderen Bedingungen und Eigenschaften der Arbeit sowie die insbesondere amArbeitsplatz bestehenden Gefahren für die Sicherheit und die Gesundheit der Arbeitnehmer im Unternehmen beziehungsweise im Betrieb und gegebenenfalls die Gefahren, die aus der Benutzung der betreffenden Arbeitsmittel zusätzlich erwachsen könnten.» B) Der Artikel wird durch folgenden Absatz ergänzt: «Ist es nicht möglich, so die Sicherheit und den Gesundheitsschutz der Arbeitnehmer bei der Benutzung der Arbeitsmittel in vollem Umfang zu gewährleisten, trifft der Arbeitgeber die geeigneten Maßnahmen, um die Gefahren weitestgehend zu verringern.» Art. 3 - Artikel 4 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Art. 4 - Der Arbeitsplatz und die Haltung des Arbeitnehmers bei der Benutzung von Arbeitsmitteln sowie die ergonomischen Grundsätze müssen vom Arbeitgeber bei der Anwendung der Mindestvorschriften von Anlage I voll und ganz berücksichtigt werden.» Art. 4 - Artikel 5 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmungen ersetzt: «Art. 5 - Der Arbeitgeber trifft die notwendigen Maßnahmen, damit die Arbeitsmittel gemäß den Bestimmungen von Anlage II installiert, eingerichtet, benutzt und gegebenenfalls montiert und demontiert werden. Ist die Benutzung eines Arbeitsmittels mit einer möglichen spezifischen Gefährdung der Sicherheit oder Gesundheit der Arbeitnehmer verbunden, so trifft der Arbeitgeber die erforderlichen Vorkehrungen, damit: 1. die Benutzung des Arbeitsmittels den hiermit beauftragten Arbeitnehmern vorbehalten bleibt, 2. Instandsetzungs-, Umbau-, Instandhaltungs- und Wartungsarbeiten nur von eigens hierzu befugten Arbeitneh mern durchgeführt werden.» Art. 5 - Artikel 6 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Art. 6 - Unbeschadet der Bestimmungen der Artikel 17 bis 21 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit trifft der Arbeitgeber die erforderlichen Vorkehrungen, damit die in Artikel 5 Absatz 2 Nr. 2 erwähnten Arbeitnehmer eine zweckmäßige Spezialunterweisung erhalten.» Art. 6 - Artikel 7 desselben Erlasses wird wie folgt abgeändert: A) Zwischen Absatz 3 und Absatz 4 wird folgender Absatz eingefügt: «Die Arbeitnehmer müssen aufmerksam gemacht werden auf Gefahren, die sie laufen, auf Arbeitsmittel, die sich in ihrer unmittelbarenArbeitsumgebung befinden, und auf Änderungen, die für sie von Bedeutung sind, insofern diese in ihrer unmittelbaren Arbeitsumgebung befindliche Arbeitsmittel betreffen, auch wenn die Arbeitnehmer sie nicht unmittelbar benutzen.» 7345BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B) Der letzte Absatz wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Diese Anweisungen werden von den Gefahrenverhütungsberatern des Internen oder Externen Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz, die mit den in den Artikeln 5 und 7 § 1 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über den Internen Dienst für Gefahrenverhütung und Schutz amArbeitsplatz erwähnten Aufträgen und Aufgaben beauftragt sind und über die entsprechenden in Artikel 14 Absatz 3 dieses Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 erwähnten Fachkenntnisse verfügen, abgezeichnet und gegebenenfalls ergänzt.» Art. 7 - Artikel 8 desselben Erlasses wird wie folgt abgeändert: A) Artikel 8.1 wird durch folgende Bestimmungen ersetzt: «Art. 8.1 - Sämtliche Bestellungen von Anlagen, Maschinen und mechanischen Werkzeugen enthalten im Bestellschein oder im Lastenheft die Forderung nach Einhaltung: 1. der in Sachen Sicherheit und Hygiene geltenden Gesetze und Verordnungen, 2. der Bedingungen in puncto Sicherheit und Hygiene, die nicht notwendigerweise in den in Sachen Sicherheit und Hygiene geltenden Gesetzen und Verordnungen vorgesehen sind, jedoch unentbehrlich sind, um der Zielsetzung gerecht zu werden, die durch das in Artikel 3 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnte dynamische Risikoverwaltungssystem festgelegt worden ist. Die Gefahrenverhütungsberater des Internen oder Externen Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz, die mit den in den Artikeln 5 und 7 § 1 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über den Internen Dienst für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz erwähnten Aufträgen und Aufgaben beauftragt sind und über die entsprechenden in Artikel 14 Absatz 3 dieses Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 erwähnten Fachkenntnisse verfügen, nehmen an den Vorarbeiten zur Abfassung des Bestellscheins teil. Gegebenenfalls lassen sie zusätzliche Anforderungen in puncto Sicherheit und Hygiene hinzufügen, nachdem sie erforderlichenfalls andere fachkundige Personen zu Rate gezogen haben. Der Bestellschein wird vom Gefahrenverhütungsberater abgezeichnet, der mit der Leitung des Internen Dienstes oder gegebenenfalls der Abteilung des Internen Dienstes beauftragt ist.» B) Artikel 8.3 wird durch folgende Bestimmungen ersetzt: «8.3 - Vor jeglicher Inbetriebnahme von Arbeitsmitteln ist der Arbeitgeber im Besitz eines Berichts, der die Einhaltung: 1. der in Sachen Sicherheit und Hygiene geltenden Gesetze und Verordnungen 2. und der Bedingungen in puncto Sicherheit und Hygiene, die nicht notwendigerweise in den in Sachen Sicherheit und Hygiene geltenden Gesetzen und Verordnungen vorgesehen sind, jedoch unentbehrlich sind, um der Zielsetzung gerecht zu werden, die durch das in Artikel 3 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnte dynamische Risikoverwaltungssystem festgelegt worden ist, bestätigt. Der Bericht wird vom Gefahrenverhütungsberater abgefaßt, der mit der Leitung des Internen Dienstes oder gegebenenfalls der Abteilung des Internen Dienstes beauftragt ist, nachdem er die anderen Gefahrenverhütungsberater des Internen oder Externen Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz amArbeitsplatz, die mit den in den Artikeln 5 und 7 § 1 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über den Internen Dienst für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz erwähnten Aufträgen und Aufgaben beauftragt sind und über die entsprechenden in Artikel 14 Absatz 3 dieses Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 erwähnten Fachkenntnisse verfügen, und erforderlichenfalls andere fachkundige Personen zu Rate gezogen hat.» C) In Artikel 8.5 Absatz 1 Nr. 1 werden die Wörter «die unentbehrlichen Sicherheitsgarantien, die Maschinen, Maschinenteile, Material, Werkzeuge, Apparate und Behälter bieten müssen» durch die Wörter «die Garantien, die Maschinen, Maschinenteile, Material, Werkzeuge, Apparate, Behälter und Schutzausrüstungen in puncto Sicherheit und gesundheitlicher Zuträglichkeit bieten müssen» ersetzt. D) InArtikel 8.5 Absatz 2 werden die Wörter «der inArtikel 54quater 2 der AASO vorgesehenen Zielsetzung» durch die Wörter «der Zielsetzung, die durch das in Artikel 3 des Königlichen Erlasses vom 27. März 1998 über die Politik des Wohlbefindens der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit erwähnte dynamische Risikoverwaltungssystem festgelegt worden ist,» ersetzt. E) In Artikel 8.5 Absatz 3 werden die Wörter «des Dienstes für Arbeitssicherheit, Betriebshygiene und Verschönerung der Arbeitsplätze» durch die Wörter «des Internen Dienstes für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz oder gegebenenfalls der Abteilung dieses Dienstes» ersetzt. F) Artikel 8.6 wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «8.6 - Die in vorliegendemArtikel erwähnten Unterlagen und Bescheinigungen werden bereitgehalten, um den mit der Überwachung beauftragten Beamten zur Verfügung gestellt zu werden. Die in vorliegendemArtikel erwähnten Unterlagen werden demAusschuß für Gefahrenverhütung und Schutz am Arbeitsplatz oder, in Ermangelung eines Ausschusses, der Gewerkschaftsvertretung oder, in Ermangelung einer Gewerkschaftsvertretung, denArbeitnehmern gemäßArtikel 53 des Gesetzes über das Wohlbefinden der Arbeitnehmer bei der Ausführung ihrer Arbeit übermittelt.» 7346 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 8 - Artikel 9 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Art. 9 - Die den Arbeitnehmern im Unternehmen oder im Betrieb zur Verfügung gestellten Arbeitsmittel müssen unbeschadet der Bestimmungen vonArtikel 3 den Bestimmungen zur Umsetzung der Gemeinschaftsrichtlinien, die auf diese Arbeitsmittel anwendbar sind, entsprechen. Insofern die in Absatz 1 erwähnten Bestimmungen nicht oder nur teilweise anwendbar sind, müssen die den Arbeitnehmern zur Verfügung gestellten Arbeitsmittel den in Anlage I zum vorliegenden Erlaß erwähnten Mindestvorschriften und den Bestimmungen der AASO, die auf sie anwendbar sind, entsprechen.» Art. 9 - Artikel 10 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «Art. 10 - Der Arbeitgeber trifft die erforderlichen Vorkehrungen, damit die Arbeitsmittel durch angemessene Wartung in einem Zustand gehalten werden, der sicherstellt, daß sie während der gesamten Dauer ihrer Benutzung den Bestimmungen, die auf sie anwendbar sind, entsprechen.» Art. 10 - Artikel 11 desselben Erlasses wird durch folgende Bestimmungen ersetzt: «Art. 11 - Der Arbeitgeber achtet darauf, daß die Arbeitsmittel, deren Sicherheit von der Installationsweise abhängt, nach der Installation und vor der Inbetriebnahme einer ersten Kontrolle und nach jeder Montage an einem neuen Standort oder an einer neuen Stelle einer Kontrolle unterzogen werden, um sicherzustellen, daß diese Arbeitsmittel einwandfrei installiert worden sind und reibungslos funktionieren. Der Arbeitgeber achtet darauf, daß Arbeitsmittel, die derartigen Einwirkungen ausgesetzt sind, daß infolge möglicher Beschädigungen gefährliche Situationen entstehen können, Gegenstand sind: 1. regelmäßiger Kontrollen und gegebenenfalls regelmäßiger Tests, 2. außergewöhnlicher Kontrollen, jedesmal wenn außergewöhnliche Ereignisse stattgefunden haben, die schädigende Folgen für die Sicherheit des Arbeitsmittels haben können, wie Umbau, Unfälle, Naturereignisse, lange Nichtbenutzungsperioden. Mit den in Absatz 2 erwähnten Kontrollen soll sichergestellt werden, daß die Sicherheits- und Gesundheitsvor schriften eingehalten und Beschädigungen rechtzeitig entdeckt und behoben werden. Die Ergebnisse dieser Kontrollen müssen schriftlich festgehalten und dem mit der Überwachung beauftragten Beamten zur Verfügung gestellt werden. Sie werden während eines angemessenen Zeitraums aufbewahrt. Wenn die betroffenen Arbeitsmittel außerhalb des Unternehmens benutzt werden, muß ihnen der materielle Beweis der Durchführung der letzten Kontrolle beigefügt sein. Unbeschadet der gesetzlichen Verpflichtungen in puncto Kontrollen durch zugelassene Prüfstellen werden die in vorliegendem Artikel erwähnten Kontrollen von fachkundigen Personen durchgeführt, die dem Unternehmen beziehungsweise Betrieb angehören oder nicht.» Art. 11 - In Artikel 12 desselben Erlasses wird der letzte Absatz gestrichen. Art. 12 - § 1 - In der Allgemeinen Arbeitsschutzordnung, gebilligt durch die Erlasse des Regenten vom 11. Februar 1946 und 27. September 1947, werden folgende Bestimmungen aufgehoben: 1. Artikel 35 Buchstabe d), e), f), g), h), i), j), k) und l), abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 13. August 1962, 2. Artikel 36, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 19. September 1980, 3. Artikel 39, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 29. Januar 1971 und 17. Juni 1997, 4. Artikel 40, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 18. Februar 1960, 5. Artikel 41, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Februar 1960 und 7. August 1995, 6. Artikel 41bis, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 14. März 1975, 7. Artikel 44, 8. Artikel 270bis, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 12. Dezember 1984, 9. die Artikel 309 bis 318, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. Oktober 1969, 7. Dezember 1979 und 17. September 1987, 10. die Artikel 321, 322, 324 und 325, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 16. September 1970, 11. die Artikel 327, 327bis und die Artikel 328 bis 341, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Oktober 1956, 2. Juni 1961, 9. März 1962, 4. Mai 1962, 7. Februar 1966, 17. September 1987 und 16. April 1992, 12. Artikel 434.4.2 Absatz 3 und die Artikel 434.5.1 und 434.5.2, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 28. Dezember 1976 und abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 18. September 1991, 13. Artikel 466 Absatz 2 und 3, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 18. September 1991. 7347BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE § 2 - In derselben Ordnung werden folgende Bestimmungen aufgehoben, insofern es sich um interne Ordnungsmaßnahmen handelt, die sich auf den Arbeitsschutz beziehen: 1. die Artikel 284 bis 291, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. März 1962, 17. September 1987 und 17. Juni 1997, 2. die Artikel 292 bis 308, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 9. Oktober 1969 und 17. September 1987, 3. die Artikel 502, 502bis, 503 und 504, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 13. Februar 1957 und 9. März 1962, 4. die Artikel 551 bis 560, abgeändert durch die Königlichen Erlasse vom 18. Februar 1960, 9. März 1962 und 17. September 1987, 5. die Artikel 561 und 562, abgeändert durch den Königlichen Erlaß vom 9. März 1962, 6. die Artikel 563, 563bis und 564, eingefügt durch den Königlichen Erlaß vom 9. März 1962, 7. Artikel 573. Art. 13 - Die Anlage zum selben Erlaß wird wie folgt abgeändert: 1. Die Überschrift der Anlage wird ersetzt durch: «Anlage I In Artikel 9 erwähnte Mindestvorschriften». 2. In Punkt 1 werden die Wörter «der Artikel 9 und 10» durch die Wörter «des Artikels 9» ersetzt. 3. In Punkt 1 wird ein Absatz 2 mit folgendem Wortlaut hinzugefügt: «Insofern die nachfolgenden Mindestvorschriften auf in Betrieb genommene Arbeitsmittel anwendbar sind, erfordern sie nicht notwendigerweise dieselben Maßnahmen wie die grundlegenden Anforderungen bezüglich neuer Arbeitsmittel.» 4. Die letzten beiden Absätze unter Punkt 3.1 werden durch folgende Bestimmung ersetzt: «Die Betätigungssysteme müssen sicher sein und unter Berücksichtigung der Defekte, Störungen und Belastungen gewählt werden, die im Rahmen der beabsichtigten Benutzung voraussehbar sind.» Art. 14 - Demselben Erlaß wird eine Anlage II mit folgendem Wortlaut hinzugefügt: «Anlage II Bestimmungen bezüglich der Benutzung von Arbeitsmitteln gemäß Artikel 5 Absatz 1 0. Vorbemerkung Die Bestimmungen der vorliegenden Anlage finden Anwendung unter Einhaltung der Bestimmungen des vorliegenden Erlasses und wenn das entsprechende Risiko für das betreffende Arbeitsmittel besteht. 1. Die Arbeitsmittel müssen auf eine Weise installiert, eingerichtet und benutzt werden, die es erlaubt, die Risiken für das Bedienungspersonal des Arbeitsmittels und für die anderen Arbeitnehmer zu begrenzen, zum Beispiel indem dafür Sorge getragen wird, daß genügend freier Raum zwischen den beweglichen Teilen der Arbeitsmittel und den ortsfesten oder beweglichen Teilen in ihrer Umgebung besteht und daß jede benutzte oder erzeugte Energie oder Substanz auf sichere Weise zu- und/oder abgeführt werden kann. 2. Montieren und Demontieren der Arbeitsmittel müssen auf sichere Weise erfolgen, insbesondere unter Einhaltung eventueller Anweisungen des Herstellers. 3. Arbeitsmittel, die während ihrer Benutzung vom Blitz getroffen werden können, müssen durch zweckentspre chende Vorrichtungen oder Maßnahmen vor Blitzschlag geschützt werden. Art. 15 - Unser Minister der Beschäftigung und der Arbeit ist mit der Ausführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Gegeben zu Brüssel, den 4. Mai 1999 ALBERT Von Königs wegen: Die Ministerin der Beschäftigung und der Arbeit Frau M. SMET Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 3 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Vu pour être annexé à Notre arrêté du 3 février 2000. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE 7348 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [C − 2000/00173]N. 2000 — 640 9 FEBRUARI 2000. — Ministerieel besluit tot vaststelling van het model van de identificatiekaart voor het personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, zoals gewijzigd door de wet van 18 juli 1997, inzonderheid op artikel 8, § 3; Gelet op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht; Gelet op de wetten op de Raad van State gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen door de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2˚, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat de overeenkomst met de externe onderneming die belast is met de aanmaak van de identificatiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten afloopt op 31 december 1999; dat een continuı̈teit in de productie van de identificatiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen noodzakelijk is in het belang van de veiligheid en vanaf deze datum onmiddellijk moet kunnen gestart worden met de aanmaak in eigen beheer van het nieuw model van identificatiekaarten zoals voorzien in dit besluit, Besluit : Artikel 1. De identificatiekaart voor het personeel van bewakings ondernemingen en van interne bewakingsdiensten heeft het formaat van een rechthoek met afgeronde hoeken die een lengte heeft van 85,6 mm, een breedte van 54 mm en een dikte van 0,76 mm. Zij is gemaakt van gelamineerd wit PVC met transparante onder- en bovenlaag, met een bedrukking aan de voorzijde en achterzijde in 3 kleuren offset. Zij is voorzien van een geheugenchip, die kan uitgelezen worden. Art. 2. De identificatiekaart waarvan de verschillende modellen als bijlage 1 bij dit besluit zijn afgebeeld, bevat enkel vermeldingen op de voorzijde. Het gaat om de volgende vermeldingen : 1˚ hoofding : ″identificatiekaart bewaking″; 2˚ naam, voornaam en geboortedatum van de houder; 3˚ functie : code zoals vastgesteld en omschreven in bijlage 2 van dit besluit; 4˚ de volgende vermelding : ″geldig tot... » ; 5˚ het volgnummer van de kaart. Op de linkerzijde van de kaart staat een pasfoto van de houder. Art. 3. De reeds op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit uitgereikte identificatiekaarten kunnen geldig gebruikt worden tot het verstrijken van de vervaldatum vermeld op deze kaarten. Art. 4. Het ministerieel besluit van 30 juni 1991 betreffende de identificatiekaart voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten wordt opgeheven. Art. 5. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Brussel, 9 februari 2000. A. DUQUESNE [C − 2000/00173]F. 2000 — 640 9 FEVRIER 2000. — Arrêté ministériel fixant le modèle de la carte d’identification pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage Le Ministre de l’Intérieur, Vu la loi du 10 avril 1990 sur les entreprises de gardiennage, les entreprises de sécurité et les services internes de gardiennage, modifiée par la loi du 18 juillet 1997, notamment l’article 8, § 3; Vu l’avis de la Commission permanente du Contrôle linguistique; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, remplacé par la loi du 4 juillet 1989 et modifié par la loi du 4 août 1996; Vu l’avis du Conseil d’Etat rendu en application de l’article 84, alinéa 1er, 2˚, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat; Considérant la nécessité urgente motivée par le fait que la convention avec l’entreprise externe chargée de la fabrication des cartes d’identi fication pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage se termine au 31 décembre 1999; qu’une continuité dans la production des cartes d’identification pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage est nécessaire du point de vue de la sécurité et qu’il faut pouvoir assurer immédiatement le début de la production propre à partir de cette date du nouveau modèle de cartes d’identification tel que visé au présent arrêté, Arrête : Article 1er. La carte d’identification pour le personnel des entrepri ses de gardiennage et des services internes de gardiennage a la forme d’un rectangle à angles arrondis, de 85,6 mm de longueur, 54 mm de largeur et 0,76 mm d’épaisseur. Elle est constituée en PVC blanc laminé, comportant une couche inférieure et supérieure transparente, une impression offset recto-verso en trois couleurs. Elle est pourvue d’une mémoire à puce qui peut en définitive être lue. Art. 2. La carte d’identification dont les différents modèles sont représentés en annexe I au présent arrêté porte uniquement des mentions au recto. Il s’agit des mentions suivantes : 1˚ en-tête : ″carte d’identification gardiennage″; 2˚ nom, prénom et date de naissance du détenteur de la carte; 3˚ fonction : code tel que défini et décrit en annexe 2 du présent arrêté; 4˚ la mention suivante : ″valable jusque.... » ; 5˚ le numéro d’ordre de la carte. Une photo d’identité du détenteur est reproduite sur le côté gauche de la carte. Art. 3. Les cartes d’identification en circulation à la date d’entrée en vigueur du présent arrêté, peuvent être utilisées valablement jusqu’à l’expiration de la période de validité mentionnée sur ces cartes. Art. 4. L’arrêté ministériel du 30 juin 1991 relatif à la carte d’identi fication pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage est abrogé. Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa parution au Moniteur belge. Bruxelles, le 9 février 2000. A. DUQUESNE 7349BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Bijlage 1 Model 1 — Modèle 1 — Muster 1 Identificatiekaart bewaking / Carte d’identification gardiennage / Identifizierungskarte Bewachung volgnummer functie Foto geldig tot naam, voornaam geboortedatum Annexe 1 Modèle 2 — Model 2 — Muster 2 Identificatiekaart bewaking / Carte d’identification gardiennage / Identifizierungskarte Bewachung numéro d’ordre fonction Photo valable jusque nom, prénom date de naissance 7350 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Anlage 1 Modèle 3 — Model 3 — Muster 3 Identificatiekaart bewaking / Carte d’identification gardiennage / Identifizierungskarte Bewachung Laufende Nummer Function Passbild Gültig bis zum Name, Vornamen Geburtsdatum Gezien om als bijlage gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 9 februari 2000 betreffende de identificatiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten. Brussel, 9 februari 2000. De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE Bijlage 2 Dir : Leidinggevend personeel van bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten die de volgende opleiding met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de opleiding voor het leidinggevend personeel van bewakingson dernemingen of interne bewakingsdiensten. Exe : de bewakingsagenten die de volgende opleiding met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen of interne bewakingsdiensten. Exe 01 : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van toezicht op en bescherming van het waardenvervoer. Exe 02 : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van bescherming van personen. Vu pour être annexé à l’arrêté ministériel du 9 février 2000 relatif aux cartes d’identification pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage. Bruxelles, le 9 février 2000. Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE Annexe 2 Dir : le personnel dirigeant des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage qui a suivi avec fruit la formation suivante ou qui en a été dispensée : — formation pour le personnel dirigeant des entreprises de gardien nage et services interne de gardiennage. Exe : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit la formation suivante ou qui en a été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage. Exe 01 : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités de surveillance et protection de transport de valeurs. Exe 02 : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités de protection de personnes. 7351BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Exe 03 : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van interventie na alarm. Exe 04 : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen, belast met de uitoefening van activiteiten van operator van een alarmcentrale. Exe 05 A : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van persoonscontrole - korte type. Exe 05 B : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van persoonscontrole - lange type. Exe 06 : de bewakingsagenten die de volgende opleidingen met vrucht beëindigd hebben of hiervan werden vrijgesteld : — de basisopleiding voor het uitvoerend personeel van bewakings ondernemingen en interne bewakingsdiensten; — de opleiding voor het uitvoerend personeel van bewakingsonder nemingen en interne bewakingsdiensten, belast met de uitoefening van activiteiten van winkelinspecteur. Gezien om als bijlage gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 9 februari 2000 betreffende de identificatiekaarten voor het personeel van bewakingsondernemingen en interne bewakingsdien sten. Brussel, 9 februari 2000. De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE * MINISTERIE VAN AMBTENARENZAKEN [C − 2000/02008]N. 2000 — 641 (1999 — 4217) 22 DECEMBER 1999. – Koninklijk besluit waarbij administraties en andere diensten van de ministeries en instellingen van openbaar nut gemachtigd worden contractuelen in dienst te nemen om te voldoen aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften. — Errata Op blz. 49832, punt II, 4.4., van het Belgisch Staatsblad van 29 decem ber 1999, 2de ed., moet in de Nederlandse tekst van de kolom Niveau of graad, « industrieel ingenieur » gelezen worden in plaats van « indus trieel ». Op blz. 49836, punt III, 9, moet in de kolom Overheidsdienst, « 9.1. », « 9.4. » en « 9.5. » gelezen worden in plaats van « 98.1. », « 98.4. » en « 98.5. ». Op blz. 49841, punt VII, 1.2., moet in de Franse tekst van de kolom Niveau of graad, « conseiller adjoint » gelezen worden in plaats van « conseiller adjint ». Op blz. 49843, punt VIII, 7, moet in de kolom Duur, « ″ » vervangen worden door « 01.07.2000-31.12.2001 » ter hoogte van de 32 adjunct adviseurs. Op blz. 49847, punt XIII, B, 2.1., moet in de kolom Aantal, na het cijfer « 4 » het cijfer « 1 » vermeld worden ter hoogte van de geschoold werkman. Op blz. 49850, punt XVII, 1.3., moet in de kolom Duur, « ″ » vervangen worden door « zie art. 3 KB ». Exe 03 : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités d’intervention après alarme. Exe 04 : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage chargés de l’exercice d’activités d’opérateur de central d’alarme. Exe 05 A : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités de contrôle de personnes - type court. Exe 05 B : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités de contrôle de personnes - type long. Exe 06 : les agents de gardiennage qui ont terminé avec fruit les formations suivantes ou qui en ont été dispensé : — la formation de base pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage; — la formation pour le personnel d’exécution des entreprises de gardiennage et services internes de gardiennage chargés de l’exercice d’activités d’inspecteur de magasins. Vu pour être annexé à l’arrêté ministériel du 9 février 2000 relatif aux cartes d’identification pour le personnel des entreprises de gardiennage et des services internes de gardiennage. Bruxelles, le 9 février 2000. Le Ministre de l’Intérieur, A. DUQUESNE MINISTERE DE LA FONCTION PUBLIQUE [C − 2000/02008]F. 2000 — 641 (1999 — 4217) 22 DECEMBRE 1999. – Arrêté royal autorisant des administrations et autres services des ministères et des organismes d’intérêt public à engager des contractuels en vue de répondre à des besoins exceptionnels et temporaires en personnel. — Errata Page 49832 du Moniteur belge du 29 décembre 1999, 2ième ed., au point II, 4.4., dans le texte néerlandais de la colonne Niveau ou grade, il y a lieu de lire « industrieel ingenieur » au lieu de « industrieel ». Page 49836, au point III, 9, il y a lieu de lire dans la colonne Service public, « 9.1. », « 9.4. » et « 9.5. » au lieu de « 98.1. », « 98.4. » et « 98.5. ». Page 49841, au point VII, 1.2., dans le texte français de la colonne Niveau ou grade, il y a lieu de lire « conseiller adjoint » au lieu de « conseiller adjint ». Page 49843, au point VIII, 7, il convient de remplacer dans la colonne Durée, « ″ » par « 01.07.2000-31.12.2001 » à la hauteur des 32 conseillers adjoints. Page 49847, au point XIII, B, 2.1., il convient d’insérer dans la colonne Nombre, après le chiffre « 4 », le chiffre « 1 » à la hauteur de l’ouvrier qualifié. Page 49850, au point XVII, 1.3., il convient de remplacer dans la colonne Durée, « ″ » par « voir art. 3 AR ». 7352 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE ARBITRAGEHOF [C − 2000/21070]N. 2000 — 642 Arrest nr. 13/2000 van 2 februari 2000 Rolnummer 1590 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 1998 houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, ingesteld door de vennootschap naar Luxemburgs recht s.a. Radio Flandria en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters G. De Baets en M. Melchior, en de rechters H. Boel, E. Cerexhe, A. Arts, R. Henneuse en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter G. De Baets, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 1999 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 januari 1999, hebben de vennootschap naar Luxemburgs recht s.a. Radio Flandria, met maatschappelijke zetel te L-2320 Luxemburg, boulevard de la Pétrusse 45/47, de b.v.b.a. Regie Flandria, met maatschappelijke zetel te 1930 Zaventem, Tuinwijkstraat 65, bus 1, W. Van Aalst, wonende te Londen (Verenigd Koninkrijk), Balham, Park Road 73, J. Soer, wonende te Amsterdam (Nederland), Prinsengracht 795, J. Otte, wonende te 1930 Zaventem, Borreveldlaan 9, en A. Vandenbrembt, wonende te 9190 Stekene, Kemzekedorp 8, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 1998 houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 1998). II. De rechtspleging Bij beschikking van 20 januari 1999 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen. Van het beroep is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de organieke wet bij op 2 februari 1999 ter post aangetekende brieven. Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 1999. De Vlaamse Regering, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel, heeft een memorie ingediend bij op 22 maart 1999 ter post aangetekende brief. Van die memorie is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 8 en 13 april 1999 ter post aangetekende brieven. Bij beschikking van 11 mei 1999 heeft de voorzitter in functie, op verzoek van de verzoekende partijen van 10 mei 1999, de termijn voor het indienen van een memorie van antwoord verlengd met vijftien dagen. Van die beschikking is kennisgegeven aan de verzoekende partijen bij op 12 mei 1999 ter post aangetekende brieven. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend bij op 28 mei 1999 ter post aangetekende brief. Bij beschikkingen van 29 juni 1999 en 23 december 1999 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 18 januari 2000 en 18 juli 2000. Bij beschikking van 27 oktober 1999 heeft de voorzitter in functie de zetel aangevuld met rechter M. Bossuyt. Bij beschikking van 27 oktober 1999 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 25 november 1999. Van die laatste beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 28 oktober 1999 ter post aangetekende brieven. Op de openbare terechtzitting van 25 november 1999 : — zijn verschenen : . Mr. C. Bossuyt loco Mr. P. Maeyaert en Mr. T. De Meese, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. P. Van Orshoven en Mr. J. Stuyck, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; — hebben de rechters-verslaggevers H. Boel en E. Cerexhe verslag uitgebracht; — zijn de voornoemde advocaten gehoord; — is de zaak in beraad genomen. De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof. III. Onderwerp van de bestreden bepalingen De gedeeltelijke vernietiging wordt gevorderd van de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 1998 houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995. Die bepalingen luiden : « Art. 5. Artikel 29 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, wordt vervangen door wat volgt : ‘ Artikel 29. Elke inwoner van de Vlaamse Gemeenschap moet een particuliere radio kunnen beluisteren. Er zijn twee soorten van particuliere radio : 1° de lokale radio : deze radio zendt uit voor een deel van een gemeente, een gemeente of een beperkt aantal aaneensluitende gemeenten; 2° de agglomeratieradio : deze radio zendt uit voor een stedelijke agglomeratie, met name Antwerpen, Gent en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. 7353BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Particuliere radio’s zenden via de ether uit. De Vlaamse regering stelt een frequentieplan op, keurt het goed en bepaalt hoeveel lokale radio’s en agglomeratieradio’s worden erkend. Op basis van het frequentieplan en het te erkennen aantal verleent het Vlaams Commissariaat voor de Media tegelijk met de erkenningen ook de zendvergunningen aan de particuliere radio’s. De zendvergunning met de daarin omschreven parameters bepaalt het verzorgingsgebied van een zendinstallatie van een particuliere radio. Bij het bepalen van de verzorgingsgebieden in het frequentieplan wordt onder meer rekening gehouden met sociale, economische en culturele indicatoren, evenals met specifieke behoeften van doelgroepen. Het Vlaams Commissariaat voor de Media kan de erkende particuliere radio’s, met het oog op een optimalisering van het verzorgingsgebied, verplichten hun zendinstallatie te verplaatsen of een gemeenschappelijke zendinstallatie te gebruiken. De particuliere radio’s kunnen binnen de Vlaamse Gemeenschap deelnemen in een samenwerkingsverband. Samenwerking is mogelijk op het vlak van informatiegaring, programma-aanmaak en reclamewerving. Voor het minimale aandeel eigen programmatie is samenwerking op het vlak van informatiegaring en programma-aanmaak uitgesloten. ’ Art. 6. In artikel 32 van dezelfde decreten wordt 1° vervangen door wat volgt : ‘ 1° de particuliere radio’s moeten worden opgericht in de vorm van een rechtspersoon. Het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is beperkt tot het verzorgen van radioprogramma’s in het toegekende verzorgingsgebied. De leden van de raad van bestuur of de raad van beheer mogen geen politiek mandaat bekleden, noch beheerder of bestuurder zijn van een andere rechtspersoon die een particuliere radio beheert. Elke wijziging in de raad van beheer of raad van bestuur van de particuliere radio moet worden medegedeeld aan het Vlaams Commissariaat voor de Media; ’. Art. 7. In artikel 32 van dezelfde decreten wordt 2° vervangen door wat volgt : ‘ 2° de maatschappelijke zetel en de productie- en zendinstallaties moeten gelegen zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, meer bepaald binnen het verzorgingsgebied van de radio waarvoor een erkenning werd uitgereikt. De verplaatsing van de zendinstallaties binnen het verzorgingsgebied van de radio waarvoor een erkenning werd uitgereikt, is toegestaan voor zover dat inpasbaar is in het frequentieplan en nadat de zendvergunning werd aangepast; ’ ». IV. In rechte A – Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat de ontvankelijkheid ratione temporis betreft A.1.1. De verzoekende partijen doen gelden dat het beroep tijdig is ingediend. Ook al zouden de bestreden bepalingen gedeeltelijk vroegere bepalingen letterlijk of inhoudelijk overnemen - quod non -, dan nog is het verzoekschrift ontvankelijk ratione temporis (arresten nrs. 124/98, 37/98, 81/95). A.1.2. De Vlaamse Regering betwist dat. De beperking van de particuliere radio-omroep tot lokale radio-omroep is niet bij de bestreden decreetbepalingen ingevoerd, die op dit stuk niets nieuws bevatten. De mogelijkheid van tot lokale omroep beperkte particuliere radio-omroep dateert van 1981-1982. Weliswaar werd de beperking neergelegd in, enerzijds, het koninklijk besluit van 20 augustus 1981 en, anderzijds, het decreet van 6 mei 1982, in de bestreden decreetbepalingen overgenomen, maar de decreetgever heeft op dit stuk geenszins blijk gegeven van een nieuwe inoverwegingneming en dus hernieuwde beslissing. Integendeel, hij heeft zich niet willen uitspreken over landelijke particuliere radio. Overigens heeft hij zich alleen maar geschikt naar vooraf bestaande, technische normen die het zendbereik van de particuliere radio-omroepen beperken. Dit heeft tot gevolg dat de verzoekers in werkelijkheid niet het decreet van 7 juli 1998 bestrijden, maar het decreet van 6 mei 1982, eventueel het decreet van 7 november 1990 of het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995, bekrachtigd bij het decreet van 8 maart 1995. Ten aanzien van al die decreten is de termijn voor het instellen van een beroep tot vernietiging ruimschoots verstreken, zodat de beroepen ratione temporis onontvankelijk zijn (vergelijk arrest nr. 81/93). A.1.3. Volgens de verzoekende partijen is de verwijzing naar het arrest nr. 81/93 volledig onterecht. Dat arrest geeft immers duidelijk aan dat wanneer de wetgever in een nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent dit niet verhindert dat tegen de overgenomen bepaling een beroep zou kunnen worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Het is slechts wanneer de wetgever zich beperkt tot de bekrachtiging van een door de Koning verwezenlijkte coördinatie van bestaande bepalingen, waarbij er kennelijk geen wil bestaat van de wetgever om opnieuw in de betrokken materie te legifereren, dat een verzoek tot vernietiging onmogelijk is. Het bestreden decreet beperkt zich geenszins tot een loutere bekrachtiging van reeds eerder bestaande bepalingen. De wil van de decreetgever om opnieuw in het Vlaamse radiolandschap te legifereren, kan inderdaad niet ernstig worden betwist. Er worden duidelijk een aantal nieuwigheden ingevoerd ten aanzien van de eerder bestaande regeling, wat ook wordt bevestigd door de parlementaire voorbereiding. Wat het belang betreft A.2.1. De s.a. Radio Flandria is een vennootschap naar Luxemburgs recht. Radio Flandria is een commerciële radio-omroep die met een Luxemburgse zendvergunning Nederlandstalige radio-uitzendingen verzorgt die bestemd zijn voor de Vlaamse markt. Het radiosignaal wordt vanuit Luxemburg per satelliet verzonden naar de Vlaamse kabelmaatschappijen en is enkel via de kabel te beluisteren. De radio-omroep biedt zijn luisteraars naast een 24 uur ononderbroken muziekprogramma om het uur een journaal, evenals weer- en verkeersinformatie. Zowel de directie als de redactie hebben een redactiestatuut ondertekend. De muziekselectie richt zich tot een breed publiek en bestaat uit hits van de jaren ’80, actuele hoogvliegers en evergreens. Ongeveer 30 pct. van de muziek is van Vlaamse bodem. De onmogelijkheid om Radio Flandria via de ether te beluisteren vormt een aanzienlijke handicap. Kabelradio is immers aan diverse beperkingen onderworpen. Via de ether kan een veel ruimer publiek efficiënter worden bereikt. Radio Flandria wenst daarom haar radioprogramma’s ook via de ether uit te zenden. De aangevochten decretale bepalingen vormen daartoe een wezenlijke hinderpaal aangezien zij het onmogelijk maken voor landelijke commerciële radio-omroepen om via de ether uit te zenden. Particuliere radio’s die via de ether wensen te gaan moeten hun activiteiten beperken tot het grondgebied van een of een beperkt aantal aaneensluitende gemeenten of tot een stedelijke agglomeratie. In het huidige wetgevende kader bestaat de enige mogelijkheid om via de ether het ganse Vlaamse grondgebied te bestrijken dus erin een samenwerkingsverband van lokale en agglomeratieradio’s in het leven te roepen. Dit is evenwel noch commercieel, noch technisch een alternatief. De bestreden bepalingen zijn aldus, naar het oordeel van de eerste verzoekende partij, griefhoudend voor die partij. 7354 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.2.2. De b.v.b.a. Regie Flandria is een reclameregie die reclamezendtijd op Radio Flandria verkoopt aan adverteerders. Het wettelijk monopolie van de Vlaamse Radio- en Televisieomroep (V.R.T.) voor het aanbieden van landelijke commerciële radio via de ether, zoals in stand gehouden door de aangevochten decretale bepalingen, heeft een aanzienlijke weerslag op de afgeleide markt voor radioreclame in Vlaanderen. Tijdens het eerste semester van 1998 gingen aldus bijna 94 pct. van de Vlaamse investeringen in radioreclame naar de V.R.T.-radio’s. Het griefhoudend karakter van de bestreden bepalingen voor de tweede verzoekende partij, behoeft volgens haar dan ook geen betoog. A.2.3. De derde en de vierde verzoeker zijn zaakvoerders/bestuurders van de eerste en de tweede verzoekende partij. Ze ervaren volgens hen een evident nadeel ten gevolge van de decretale beperkingen voor de samenstelling van de raad van bestuur van particuliere radio’s. Voorts zijn zij als zaakvoerder/bestuurder volgens hen rechtstreeks betrokken door de bepalingen die de activiteitensfeer van de particuliere radio’s beperken of bepalen. A.2.4. De vijfde en de zesde verzoeker zijn inwoners van de Vlaamse Gemeenschap. Overeenkomstig het omroepdecreet moet elke inwoner van de Vlaamse Gemeenschap een particuliere radio kunnen beluisteren. Het omroepdecreet waarborgt evenwel geenszins dat verzoekers de radio van hun keuze kunnen beluisteren. Dit is naar hun oordeel des te meer grievend voor verzoekers, nu men kijk- en luistergeld oplegt ten gunste van een radio-omroep, die ook nog reclame uitzendt en die niet noodzakelijkerwijze de omroep van hun keuze is. A.2.5. Volgens de Vlaamse Regering doen de verzoekende partijen niet blijken van een belang. De verzoekers verwijten de bestreden decreetbepalingen dat zij het voor landelijke commerciële radio-omroepen onmogelijk maken om via de ether uit te zenden of van landelijke radio-omroep een monopolie voor de openbare omroep maken. Daarmee geven zij echter een verkeerde draagwijdte aan de bestreden bepalingen, die immers als zodanig geen verbod bevatten, laat staan een monopoliepositie in het leven roepen. Zij creëren daarentegen de mogelijkheid - of preciezer : zij laten de vanouds bestaande mogelijkheid bestaan - van particuliere radio-omroep, zij het dat die mogelijkheid beperkt is tot radio-omroep met een beperkte reikwijdte. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever zich niet eens heeft willen uitspreken over landelijke particuliere radio-omroep. In wezen beklagen de verzoekers zich dus over een leemte in de gecoördineerde omroepdecreten, die niet in landelijke particuliere radio-omroep voorzien. In essentie komen zij dus niet zozeer op tegen een nadeel dat zij ondervinden, maar tegen een voordeel dat anderen dan zijzelf genieten. Zij hebben daar geen belang bij (arrest nr. 38/91). Anderzijds zou de door de verzoekers gevraagde annulatie niet tot gevolg hebben dat zij voortaan landelijke commerciële radio-omroep mogen verzorgen, integendeel, zij zou alleen het status quo ante herstellen, dit wil zeggen de oorspronkelijke bepalingen van de gecoördineerde omroepdecreten, die evenmin in de mogelijkheid van landelijke particuliere radio-omroep voorzagen. Ook om die reden doen zij niet van een belang blijken (arrest nr. 43/94). Daartegen zal allicht worden aangevoerd dat de gevraagde vernietiging een nieuwe kans zou bieden op de vooralsnog niet-toegelaten landelijke radio-omroep via de ether. Zulks is evenwel volstrekt onrealistisch omdat, enerzijds, een vrij toegankelijke ether niet denkbaar is en, anderzijds, het ontnemen van frequenties van de openbare radio-omroep of aan de lokale radio-omroepen niet verantwoord zou zijn. A.2.6. De verzoekende partijen laten gelden dat, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, zij niet opkomen tegen een leemte in de gecoördineerde omroepdecreten, maar tegen beperkingen die het aangevochten decreet oplegt inzake de uitbating van particuliere radioactiviteiten via de ether. Het hoeft geen betoog dat de eerste tot en met de vierde verzoeker hierdoor rechtstreeks en ongunstig in hun rechtssituatie worden beı̈nvloed. De decretale beperkingen maken het hen immers onmogelijk om landelijke commerciële radioactiviteiten via de ether te ontwikkelen en aldus met gelijke wapens de strijd met de V.R.T.-radionetten aan te gaan op de Vlaamse markt voor radioreclame. De vijfde en de zesde verzoeker zijn rechtstreeks en ongunstig benadeeld door de aangevochten bepalingen, die hun mogelijkheid om het radioprogramma van hun keuze te beluisteren aanzienlijk beperken. Dat de gevorderde vernietiging de status quo ante zou herstellen, kan niet worden aangenomen. De Vlaamse Regering verliest kennelijk uit het oog dat verzoekers slechts de gedeeltelijke vernietiging van het aangevochten decreet vragen. Overigens houdt het Hof veeleer rekening met de omstandigheid dat de verzoeker door de vernietiging opnieuw kans maakt op een meer gunstige regeling (arresten nrs. 109/98 en 128/98). Ten gronde Eerste middel A.3.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « doordat, eerste onderdeel, de aangevochten decretale bepalingen particuliere radio’s, die via de ether uitzenden, verplichten om zich te beperken tot het grondgebied van één of meerdere gemeenten of tot het grondgebied van een agglomeratie terwijl de openbare omroep, de naamloze vennootschap naar publiek recht V.R.T., zich kan richten tot de ganse Vlaamse Gemeenschap; doordat, tweede onderdeel, de aangevochten decretale bepalingen particuliere radio’s, die via de ether uitzenden, verplichten om zich te beperken tot het grondgebied van één of meerdere gemeenten of tot het grondgebied van een agglomeratie terwijl aan kabelradio’s de vrijheid wordt gelaten om zich te richten tot de ganse Vlaamse Gemeenschap ». A.3.2. De verzoekende partijen laten, wat het eerste onderdeel betreft, gelden dat de V.R.T.-radio’s en de andere radio’s die via de ether uitzenden, behoren tot perfect vergelijkbare categorieën. De V.R.T. heeft de vorm aangenomen van een naamloze vennootschap en is gerechtigd mee te dingen naar de reclame-inkomsten uit de Vlaamse markt voor radioreclame. Het enige onderscheid tussen de V.R.T. en de particuliere radio’s bestaat in de openbare omroepopdracht van de V.R.T. Het verschil in behandeling tussen de openbare omroep en andere radio’s die via de ether uitzenden, kan niet worden verklaard door een objectief en redelijk verantwoord criterium. Het officiële uitgangspunt op grond waarvan de huidige regelgeving landelijke particuliere radio via de ether uitsluit, is het zogenaamde schaarsteargument. Die schaarste werd evenwel artificieel in het leven geroepen door een inefficiënt beheer van het beschikbare spectrum ten gevolge van de onverantwoorde toekenning van frequenties (14.5 MHz of drie vierden van het beschikbare spectrum) aan de V.R.T. door de Vlaamse Regering. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arrest van 24 november 1993 overigens reeds uitdrukkelijk gesteld dat het schaarsteargument niet langer kan worden aanvaard, gelet op de technologische vooruitgang van de laatste decennia. Juist vanwege van het feit dat in Vlaanderen geen rekening wordt gehouden met die technologische vooruitgang wordt de zogenaamde schaarste in stand gehouden. 7355BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Ook al zou men aanvaarden, quod non, dat er frequentieschaarste bestaat en dat de openbare omroepopdracht van de V.R.T. vereist dat hij in de hele Vlaamse Gemeenschap via de ether kan worden beluisterd, dan nog dient te worden opgemerkt dat in casu de aangewende middelen niet proportioneel zijn ten opzichte van het beoogde doel. Om de openbare omroepopdracht te verzekeren, is het allereerst niet nodig om alle beschikbare frequenties tussen 87.6 en 102.1 MHz voor te behouden aan de V.R.T.-radio’s. Europees commissaris Van Miert bevestigde in zijn schrijven van 4 maart 1997 dat de bandbreedte die wordt voorbehouden voor de V.R.T. niet in verhouding staat tot de doelstelling van algemeen belang. Voorts staat de doelstelling, het verzekeren van de openbare omroepopdracht, ook niet in verhouding tot het per definitie uitsluiten van landelijke particuliere radio’s. Er bestaan immers geen afdoende alternatieven voor de particuliere radio’s : noch het uitzenden via de kabel ten gevolge van de inherente beperkingen (immobiliteit, beperking van het aantal aansluitingen, niet-volledige dekking), noch het uitbouwen van een netwerk van lokale radio’s (ten gevolge van talrijke belangrijke hinderpalen, zoals het financiële aspect en de vereiste infrastructuur, de beperkingen inzake programmatie en beheer) stelt ze ertoe in staat hierin verandering te brengen. De andere aangewende middelen, namelijk de verplichte beperking van het maatschappelijk doel en de verplichte ligging van de maatschappelijke zetel en de productie- en zendinstallaties in het verzorgingsgebied van de radio, zijn niet alleen onredelijk maar tevens niet pertinent. Het valt immers niet in te zien hoe die beperkingen, opgelegd aan de particuliere radio’s, vereist zijn voor de verwezenlijking van de openbare omroepopdracht van de V.R.T. Uit die middelen blijkt nogmaals duidelijk de werkelijke politiek-economische bedoeling van de decreetgever : het etherradiomonopolie van de V.R.T. bestendigen. A.3.3. De verzoekende partijen laten, wat het tweede onderdeel betreft, gelden dat de bestreden bepalingen een fundamentele discriminatie invoeren tussen particuliere radio’s die via de ether uitzenden en die zulks maar mogen doen voor een beperkt verzorgingsgebied, en kabelradio’s die wel landelijk actief mogen zijn en dus niet gebonden zijn aan een beperkt verzorgingsgebied. Beide categorieën zijn privé-radio-omroepen zonder openbare omroepopdracht. Het enige verschil is het aangewende medium. De verschillende behandeling kan niet worden verantwoord door een redelijk en objectief criterium. Het schaarsteargument kan immers niet worden aangevoerd. A.3.4. De Vlaamse Regering van haar kant laat opmerken dat de verzoekers blijkbaar geen belangstelling hebben om als lokale radio of agglomeratieradio te worden erkend. Zij zijn dus niet het slachtoffer van de bij het eerste middel aangeklaagde beperking van het verzorgingsgebied, zodat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan belang. A.3.5. Wat de grond van de zaak betreft, doet de Vlaamse Regering opmerken dat de wetgever over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, zodat die beoordeling bij het Hof, dat een rechtmatigheidscontrole en geen opportuniteitscontrole uitoefent, slechts kan worden betwist indien zij kennelijk onredelijk zou zijn, dit wil zeggen wanneer het volgens een algemeen gedeelde rechtsovertuiging niet denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid een dergelijke appreciatie zou kunnen uitbrengen. De ongelijkheden van behandeling tussen de particuliere radio-omroep die via de ether uitzendt en de openbare radio-omroep, enerzijds, en tussen diezelfde lokale en agglomeratieradio’s en de particuliere kabelradio-omroep, anderzijds, komen neer op de beperking van de doorbraak van het overheidsmonopolie inzake radio-omroep tot lokale en agglomeratieradio-omroep, enerzijds, en kabelradio-omroep, anderzijds. De verantwoording van die beperkingen is dus meteen de verantwoording van de aangeklaagde ongelijke behandelingen, en bestaat uit drie onderdelen. In de eerste plaats is er de technische kwestie van de aan België en daarbinnen, aan de Vlaamse Gemeenschap, toekomende radiofrequenties. Wat de verzoekers ook mogen beweren, de technische evolutie van de jongste jaren heeft allicht meer ruimte gecreëerd, zij heeft het schaarsteprobleem, eigen aan de ether, niet opgeheven, zo blijkt onder meer uit de door Alcatel Telecom uitgevoerde studie in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap, waarin wordt gewezen op de verzadiging van de Vlaamse ether. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Vlaamse radio-omroepdecreten werd dat probleem bij herhaling onderstreept en het kwam spectaculair aan het licht toen de Franse Gemeenschap radio’s met een groter vermogen toestond. De verzadiging van de ether heeft tot gevolg dat particuliere, landelijke radio slechts mogelijk is indien frequenties worden ontnomen, hetzij aan de openbare omroep, hetzij aan de andere particuliere omroepen. De door verzoekers opgeworpen rechtsvraag heeft dus in wezen betrekking op de exclusieve allocatie van schaarse middelen aan de openbare omroep en de lokale en agglomeratieradio’s. Wat de openbare radio-omroep betreft, betekent het ontnemen van één groep frequenties dat slechts één particuliere landelijke radio-omroep mogelijk wordt. De vraag is dan hoe zulks kan worden verantwoord, vermits een nieuwe ongelijke behandeling ontstaat tussen één particuliere landelijke radio-omroep en alle andere particuliere radio-omroepen. Daardoor zou een privé-monopolie in het leven worden geroepen. In tegenstelling tot wat de verzoekers beweren, zijn openbare en privé-omroep niet perfect vergelijkbaar. In ieder geval is de ongelijke behandeling van de overheid en alle particulieren kennelijk meer verantwoord dan de ongelijke behandeling van één particulier ten opzichte van alle anderen. Zo ook is het monopolie van een particuliere televisieonderneming dat Europeesrechtelijk problemen heeft veroorzaakt, niet het openbaar televisieomroepmonopolie van destijds. In de tweede plaats vervult de openbare omroep een taak van algemeen belang, waartegen de behoefte aan of de belangen van louter commercieel geı̈nspireerde particuliere landelijke radio-omroep - a fortioriwanneer die zich uitdrukkelijk wil beperken tot « hits van de jaren ’80, actuele hoogvliegers en evergreens » - kennelijk niet opwegen. De openbare omroep is verplicht de groepen te bereiken die door geen enkele zender zouden worden aangesproken, en dit zijn om te beginnen de - minst talrijke - luisteraars van Radio 1 en Radio 3. Allicht zijn het die zenders waarop de privé-sector zijn oog heeft laten vallen, waarschijnlijk omdat hij aanneemt dat zij het gemakkelijkst kunnen worden prijsgegeven, maar het lijdt geen twijfel dat diezelfde privé-sector de luisteraars van die zenders niet zal overnemen. Anderzijds mag de openbare omroep niet worden verplicht zich tot de minst omvangrijke en daarom door de commerciële omroep verwaarloosde doelgroepen te beperken, aangezien de grootste doelgroepen dan verstoken zouden blijven van de openbare dienst die kennelijk niet door de privé-sector wordt vervuld. Wellicht is het juist dat de aan de V.R.T. toegewezen frequenties niet optimaal worden aangewend. Dit is evenwel het resultaat van een lange ontwikkeling die niet zonder meer ongedaan kan worden gemaakt, tenzij met enorme investeringen. Het is ook niet noodzakelijkerwijze mogelijk, aangezien het niet evident is dat de vereiste bouwvergunningen zullen kunnen worden verkregen. De optimalisatie zou in het beste geval ruimte creëren voor één landelijke commerciële omroep, zodat de enorme investering niet opweegt tegen de schamele opbrengst. 7356 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Wat de voorkeur voor lokale radio’s betreft, moet allereerst erop worden gewezen dat één landelijke particuliere radio slechts in het leven kan worden geroepen door vele lokale of agglomeratieradio’s op te offeren. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat het feitelijk verbod op particuliere radio-omroep niet zozeer werd afgeschaft omdat de technische ontwikkelingen de oprichting van dergelijke radio-omroepen mogelijk maakten, maar omdat daarmee aan een belangrijke maatschappelijke behoefte werd tegemoetgekomen : de ontwikkeling en begeleiding van het plaatselijk sociaal-cultureel weefsel, waarop de lokale radio’s enthousiast inspeelden. Voor de lokale vervulling van sociaal culturele functies bleek de openbare omroep minder geschikt. Van de ruimte die ontstond ten gevolge van de technische ontwikkelingen werd gebruik gemaakt om de complementariteit tussen de openbare en de particuliere omroep te vestigen : de eerste staat in de voor de landelijke en regionale radio, de tweede voor de plaatselijke behoeften. Dit neemt niet weg dat het bestreden decreet in de mogelijkheid voorziet dat lokale en agglomeratieradio’s vrijwillig gedeeltelijk afstand doen van hun lokaal statuut via de techniek van een samenwerkingsverband. Weliswaar is die samenwerking beperkt tot de informatiegaring, programma-aanmaak en reclamewerving, en is zij uitgesloten voor het minimale aandeel eigen programmatie, doch dit wordt opnieuw verantwoord door de sociaal-culturele doelstellingen. Ook hierom is de ongelijke behandeling van de lokale en agglomeratieradio’s niet disproportioneel : wat niet typisch lokaal is, mag landelijk. A.3.6. In tegenstelling tot de bewering van de Vlaamse Regering hebben de eerste tot de derde verzoeker wel degelijk belangstelling voor het statuut van particuliere radio, doch slechts voor zover de beperkingen die aan dat statuut verbonden zijn inzake de omvang van het verzorgingsgebied worden opgeheven. Het uitgangspunt van de Vlaamse Regering is onjuist aangezien (1) de frequentieschaarste op de F.M.-band in grote mate kunstmatig is en met name voortvloeit uit een inefficiënt beheer van het spectrum en (2) er op de F.M.-band ruimte voor landelijke commerciële radio kan worden gemaakt zonder dat dit ten koste van de openbare omroep of de lokale en agglomeratieradio’s moet gebeuren. De door de Vlaamse Regering aangehaalde zogenaamde Alcatel- studie werd terecht zeer fel bekritiseerd, onder meer door de Vlaamse Federatie van lokale radio’s, de vertegenwoordigers van « Broadcast Partners » en de ondervoorzitter van de Vereniging van Vlaamse Onafhankelijke Radio’s. De geringe waarde ervan blijkt ook uit de verklaringen in de parlementaire voorbereiding van de ingenieur die de studie maakte. De verwijzing naar de parlementaire voorbereiding in de jaren ’80 en begin van de jaren ’90 is volstrekt irrelevant, gelet op de technologische evolutie. Naast de reeds in het verzoekschrift aangehaalde pijnpunten inzake het inefficiënte beheer van de F.M.-band in Vlaanderen moet ook worden gewezen op onder meer de aanbeveling 412 van de sector radiocommunicaties van de Internationale Telecommunicatie-Unie, die in een frequentieafstand van 400 KHz ter bescherming van de uitzendingen tegen storingen voorziet, terwijl in Vlaanderen frequentieafstanden van 600 KHz worden gehanteerd en de V.R.T. zelf die afstand niet respecteert. Men moet ook rekening houden met moderne technieken zoals Near Single Frequency Networking en Single Frequency Networking, die bijvoorbeeld in Nederland worden toegepast. De vijf V.R.T.-radio’s zouden het op die manier met 10, maximaal 15 frequenties in plaats van de huidige 32 frequenties kunnen stellen. Uit de plannen van de V.R.T. om met een nieuw landelijk radionet te starten op de F.M.-band blijkt dat de technici van de V.R.T. zelf blijkbaar nog voldoende ruimte zien om een bijkomend landelijk radiostation in te voeren. Meerdere politieke partijen zijn van oordeel dat het schaarsteargument heden ten dage niet langer opgaat. Uit de frequentieplanning in Wallonië en in de buurlanden blijkt dat het anders kan en dat daardoor noch de taak van openbare omroep, noch het bestaan van de door de wetgever gewenste lokale radio’s in het gedrang komt. In ondergeschikte orde wijzen de verzoekers erop dat het loutere feit dat de Vlaamse Regering zelfs weigert om één landelijke commerciële radio toe te laten, waarvan ze de mogelijkheid expliciet erkent, duidelijk aangeeft dat het proportionaliteitsbeginsel in casu wordt geschonden. De redenering van de Vlaamse Regering is op dit punt volstrekt onjuist. De Vlaamse Regering kan vanzelfsprekend een onverantwoorde discriminatie niet handhaven door zich te verschuilen achter een eventuele nieuwe discriminatie die mogelijkerwijze zou kunnen ontstaan indien de eerste discriminatie ongedaan zou worden gemaakt. Het invullen van de beschikbare ruimte op de F.M.-band door één of een beperkt aantal landelijke commerciële radio’s kan perfect op een niet-discriminatoire wijze gebeuren, bijvoorbeeld via een gunningprocedure waarbij de kandidaten worden geselecteerd en de beschikbare frequenties worden toegewezen op grond van objectieve en redelijk verantwoorde criteria. Tweede middel A.4.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met de vrijheid van handel en nijverheid en met de artikelen 86 (oud) en 90, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag, « doordat de aangevochten decretale bepalingen, zonder redelijke en objectieve verantwoording, het wettelijk monopolie van de VRT op landelijke radio via de ether in stand houden, ten koste van de vrijheid van de particuliere radio’s om landelijke commerciële radioactiviteiten te ontplooien, zodat deze radio’s ook benadeeld worden in de mededinging met de VRT op de afgeleide markt voor radioreclame in Vlaanderen ». De verzoekende partijen laten gelden dat de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte regels van gelijkheid en niet-discriminatie toepasselijk zijn ten aanzien van alle rechten en vrijheden en zij bijgevolg ook toepasselijk zijn op de vrijheid van handel en nijverheid en het recht op vrije mededinging, die grondwettelijke waarde hebben gekregen. De aangevochten bepalingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 86 (oud) en 90, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag. Landelijke radio’s die via de ether uitzenden, worden uit de definitie van particuliere radio gesloten. Bijgevolg wordt het monopolie van de openbare omroep op de markt van de landelijke commerciële radio via de ether gehandhaafd, een situatie die in strijd is met artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag. De V.R.T. beschikt over een machtspositie op de relevante markt en hij zal onontkoombaar die macht misbruiken. Zulks is in strijd met het E.G.-Verdrag, zoals blijkt uit het ERT-arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 1991. Er dient ook te worden verwezen naar het arrest nr. 37/95 van het Arbitragehof. A.4.2. De Vlaamse Regering brengt hiertegen in dat de verzoekers noch argumenteren dat de bestreden bepalingen de vrijheid van handel beperken zonder dat daar enige noodzaak toe bestaat (arrest nr. 29/96), noch dat ze de vrijheid van handel beperken op een wijze die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel (arrest nr. 57/98). Bij de bespreking van het eerste middel heeft de Vlaamse Regering aangetoond dat de bestreden bepalingen een doel van algemeen belang dienen en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken. Het onderdeel van het middel dat naar de vrijheid van handel verwijst, is dan ook voor zover nodig weerlegd. A.4.3. Het is volgens de Vlaamse Regering niet geheel duidelijk hoe de samenhang tussen de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uitgedrukte gelijkheidsregel en de door de verzoekers aangevoerde E.G.-mededingingsregels moet worden begrepen. Het samen noemen van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet volstaat uiteraard niet als middel om de nietigheid te vragen van een decreet wegens de schending van het E.G.-Verdrag. Bovendien is ook de verwijzing naar de artikelen 86 (oud) en 90, lid 1, (oud) op zich onduidelijk en in elk geval onterecht. Artikel 90 (oud) is zelf een verwijzingsnorm. 7357BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Artikel 86 (oud) van zijn kant verbiedt het misbruik van machtspositie door een onderneming, voor zover de interstatelijke handel ongunstig wordt beı̈nvloed. Het misbruik kan onder meer bestaan in discriminatie en een Lid-Staat kan in strijd handelen met artikel 90, lid 1, (oud) door een onderneming met machtspositie in een positie te plaatsen waarin zij onontkoombaar misbruik van die machtspositie zal maken, bijvoorbeeld door andere ondernemin gen uit het ruilverkeer uit te sluiten of door afnemers te discrimineren. Een maatregel die in strijd is met artikel 90, lid 1, (oud) is echter niet per se in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Wat meer is, in het systeem van het Verdrag wordt een ongelijke behandeling van ondernemingen als principe aanvaard, aangezien artikel 90, lid 1, (oud) zonder meer uitgaat van het bestaan van ondernemingen, inzonderheid overheidsondernemingen, waaraan exclusieve of bijzondere rechten worden verleend. De verzoekers tonen niet aan dat de decreetgever of de Vlaamse Regering het gelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden door aan de V.R.T. bijzondere rechten te verlenen. Zij vergenoegen zich met een verwijzing naar een obiter dictum uit het arrest nr. 37/95. In die zaak had de verzoeker verwezen naar de artikelen 3, littera f) (oud), 86 (oud) en 90 (oud) E.G.-Verdrag, omdat ze Belgacom toestonden regelgevende bevoegdheden te behouden. De Vlaamse Regering veroorlooft zich op te merken dat die verwijzing onjuist is, nu artikel 90 (oud) geen betrekking heeft op de delegatie aan een onderneming van regelgevende bevoegdheden. Een dergelijke delegatie kan in strijd zijn met artikel 5 (oud), juncto artikel 85 (oud) of 86 (oud) van het E.G.-Verdrag. Ten slotte citeren verzoekers het arrest nr. 37/95 slechts gedeeltelijk. Met andere woorden, de in casu niet eens vastgestelde schending van het gelijkheidsbeginsel had enkel kunnen worden afgeleid uit een bijzondere bepaling van de Belgische wetgeving die (uitvoering gevend aan de specifieke Europese regelgeving inzake de liberalisatie van de telecommunicatiesector) op uitdrukkelijke wijze voorzag in de concurrentiegelijkheid tussen de publieke ondernemingen en de privé ondernemingen in de betrokken sector. Er moet bijgevolg worden besloten dat de verzoekers niet aantonen dat de decreetgever het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. A.4.4. In ondergeschikte orde, voor het geval dat het Hof toch van oordeel zou zijn dat het, in het kader van het tweede middel, de bestreden bepalingen kan toetsen aan artikel 90, lid 1, (oud) juncto artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag, wil de Vlaamse Regering het volgende laten opmerken. (i) De Vlaamse Regering ontkent niet dat de V.R.T. een onderneming is in de zin van genoemde bepalingen. (ii) De V.R.T. is een openbare onderneming waaraan de Vlaamse decreetgever een bijzonder statuut inzake radio heeft verleend. (iii) De Vlaamse decreetgever moet zich, op grond van artikel 90, lid 1, (oud) onthouden van alle maatregelen die in strijd zijn met de mededingingsregels, waaronder artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag. (iv) Artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag verbiedt, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig kan worden beı̈nvloed, het misbruik van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel ervan door een of meer ondernemingen. (v) Als overheidsonderne ming, belast met een taak van algemeen economisch belang, geniet de V.R.T. evenwel, in voorkomend geval, de uitzondering van artikel 90, lid 2, (oud) van het E.G.-Verdrag. Volgens die bepaling vallen ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, slechts onder de regels van het Verdrag, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beı̈nvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Gemeenschap. (vi) Ten slotte bepaalt artikel 90, lid 3, (oud) dat de Commissie waakt over de toepassing van dat artikel en, voor zover nodig, passende richtlijnen of beschikkingen tot de Lid-Staten richt. De Europese Commissie heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt door het aannemen van richtlijnen in de telecommunicatiesector, niet echter in de mediasector. Een bekende beschikking van de Commissie uit hoofde van die bepaling is de beschikking waarbij het aan V.T.M. verleende exclusieve recht voor commerciële televisie in Vlaanderen in strijd werd bevonden met artikel 90, lid 1, (oud) juncto artikel 52 (oud). Nu vaststaat dat de V.R.T. een openbare onderneming is in de zin van artikel 90, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag, erkent de Vlaamse Regering dat zij zich ten aanzien van de V.R.T. moet onthouden van maatregelen waardoor V.R.T. onontkoombaar misbruik zou maken van de machtspositie waarover zij eventueel zou beschikken. Opdat er in casu van een schending van artikel 90, lid 1, (oud) juncto artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag, sprake kan zijn, zouden de verzoekers achtereenvolgens moeten aantonen : (a) dat de handel tussen Lid-Staten ongunstig wordt beı̈nvloed; (b) dat de V.R.T. over een machtspositie beschikt op de relevante markt; (c) dat de V.R.T. van zijn machtspositie misbruik maakt; (d) dat het exclusief of bijzonder recht dat aan de V.R.T. is verleend, op onontkoombare wijze tot een dergelijk misbruik leidt. Indien verzoekers dat bewijs zouden leveren, dan nog zouden de aangevochten bepalingen verenigbaar zijn met het Verdrag indien (e) ze noodzakelijk zijn voor de publieke omroeptaak van de V.R.T. De verzoekende partijen slagen er niet in aan te tonen dat aan de voormelde eisen is voldaan. In ieder geval is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 90, lid 2, (oud) voldaan. A.4.5. Volgens de verzoekers staat het buiten kijf dat de bestreden bepalingen hun vrijheid van handel en nijverheid beperken. Zij worden immers gedwongen om, indien zij in Vlaanderen commerciële radioactiviteiten over de ether wensen te ontplooien, die activiteiten te beperken tot enkele aanpalende gemeenten of een stedelijke agglomeratie. De openbare omroep, de V.R.T., is daarentegen niet onderworpen aan soortgelijke beperkingen. De bestreden bepalingen leggen minstens meer verregaande beperkingen op aan de vrijheid van handel en nijverheid dan datgene wat de aangevoerde, grotendeels kunstmatige, frequentieschaarste kan verantwoorden, zodat het proportio naliteitsvereiste is geschonden. De vrijheid van handel en nijverheid omvat ook de vrijheid van mededinging. Een schending van de artikelen 86 (oud) en 90, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag maakt derhalve ook een schending van de vrijheid van handel en nijverheid uit. De samenhang tussen de artikelen 10 een 11 van de Grondwet en de artikelen 86 (oud) en 90, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag bestaat hierin dat de verzoekers door de bestreden bepalingen op een discriminerende wijze worden beroofd (in vergelijking met kabelradio’s en met de openbare omroep) van de vrijheid om effectief mee te dingen naar de reclame-inkomsten op de Vlaamse radiomarkt. Aan de vijf door de Vlaamse Regering aangehaalde voorwaarden om te kunnen spreken van een schending van artikel 90, lid 1, (oud) juncto artikel 86 (oud) van het E.G.-Verdrag is wel degelijk voldaan. De V.R.T. beschikt over een machtspositie op de relevante markt, namelijk die van landelijke radio-uitzendingen over de ether, nu hij over een monopolie op die markt beschikt. Aldus beschikt hij ook over een substantiële machtspositie op de markt van de radioreclame. De V.R.T. misbruikt die machtspositie, nu het bestaan van een ander exclusief recht op zichzelf reeds voldoende is om het misbruik aan te nemen. Het uitschakelen van elke concurrentie op de markt van de landelijke radioreclame over de ether moet als een misbruik worden beschouwd. Het monopolie van de V.R.T. voor landelijke commerciële radio over de ether kan de handel tussen de Lid-Staten ongunstig beı̈nvloeden. De Vlaamse radiomarkt is een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt en het monopolie van de openbare omroep kan de mededingingsstructuur in dit wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt aantasten, zodat dit op zich reeds resulteert in een beı̈nvloeding van de interstatelijke handel. Het verhindert ook buitenlandse ondernemingen zoals de eerste verzoekster om mee te dingen naar de budgetten van radioreclame. De aangevochten bepalingen zijn niet noodzakelijk voor de omroeptaak van de V.R.T. en zijn derhalve niet gedekt door artikel 90, lid 2, (oud) van het 7358 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE E.G.-Verdrag. Het Protocol betreffende het publieke omroepstelsel in de Lid-Staten bevestigt de regel van artikel 90, lid 2, (oud) van het E.G.-Verdrag. De financiering van de openbare omroep mag slechts afwijken van de mededingingsregels voor zover de verwezenlijking van de opdracht van de publieke dienst dit vereist. Het onttrekken van de V.R.T. aan bijna elke vorm van concurrentie op zowel de markt voor landelijke radio over de ether als op de markt voor landelijke radioreclame via de ether is geenszins noodzakelijk om de V.R.T. ertoe in staat te stellen zijn openbare omroepopdracht te vervullen. Er kan op de F.M.-band voldoende ruimte worden geschapen voor landelijke commerciële etherradio zonder de vijf landelijke radionetten van de V.R.T. in het gedrang te brengen. De V.R.T. beschikt over een minimale geı̈ndexeerde dotatie van niet minder dan 7,6 miljard frank en de Vlaamse overheid heeft zich in de beheersovereenkomst ertoe verbonden de dotatie van de openbare omroep te verhogen indien de reclame inkomsten lager zouden uitvallen ten gevolge van een wettelijke wijziging ervan. Tot slot rijst de vraag of Studio Brussel en Radio Donna tot de openbare omroepopdracht van de V.R.T. kunnen worden gerekend. Derde middel A.5.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 19 van de Grondwet, « doordat de aangevochten decretale bepalingen de vrijheid voor particuliere radio’s om radioprogramma’s via de ether door te geven aan de ganse Vlaamse Gemeenschap beknotten, terwijl geen gelijkaardige beperkingen werden opgelegd aan de openbare omroep, noch aan kabelradio’s ». De verzoekende partijen laten gelden dat de vrijheid van meningsuiting neergelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens tot de kern van de democratie moet worden gerekend. Het heeft een ruim toepassingsgebied, zowel wat de media als wat de verschillende fasen van de communicatie betreft. Het beschermt communicatieve handelingen, zoals de vrijheid om inlichtingen te garen en de ontvangstvrijheid. Het weigeren van een erkenning voor een landelijke particuliere radio via de ether is een ongeoorloofde inmenging van overheidswege die een inbreuk vormt op het recht van de luisteraars om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen en het recht van de radio’s om inlichtingen of denkbeelden door te geven via dat medium zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Er bestaat geen dwingende sociale noodzaak die deze inmenging rechtvaardigt. De decreetgever beroept zich op het schaarsteargument, wat niet valt onder een van de rechtvaardigingsgronden opgesomd in artikel 10.2, zo blijkt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de Lentia-zaak. De aangevochten beperking van de vrije meningsuiting werkt discriminerend aangezien zij enkel is opgelegd aan de particuliere radio’s die via de ether willen uitzenden en niet aan de V.R.T., noch aan de kabelradio’s. A.5.2. De Vlaamse Regering doet opmerken dat de verzoekers in wezen de grieven van het eerste middel opnieuw aanvoeren, zij het dat zij die ditmaal als een schending van de expressievrijheid ontwikkelen. Het middel is onontvankelijk omdat uit zijn ontwikkeling blijkt dat het in wezen is afgeleid uit de schending van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van dergelijke middelen. Ook in zoverre de verzoekers de aangevoerde schending van de vrijheid van meningsuiting verbinden aan een schending van het gelijkheidsbeginsel, is het middel onontvankelijk, aangezien dit slechts op artificiële wijze is gebeurd, kennelijk om de bevoegdheidsbeperkingen van het Hof te omzeilen. Overigens is de expressievrijheid niet onbeperkt. Te dezen is voldaan aan de door artikel 10.2 van het Europees Verdrag ter zake gestelde eisen, zoals werd uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel. Overigens is de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de Lentia-zaak veel minder radicaal dan de verzoekers beweren. Uit overweging 42 van dat arrest - waarin de actuele Vlaamse situatie aan de orde is - vloeit voort dat het middel van de verzoekers allicht pertinent ware geweest voor de regularisatie van de lokale radio’s in 1982, maar op dit ogenblik ongetwijfeld niet meer. A.5.3. De verzoekende partijen merken op dat, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, zij zich geenszins beperken tot het louter aanvechten van een schending van de vrijheid van meningsuiting als dusdanig. Waar zij uiteindelijk tegen opkomen is het feit dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting slechts gelden voor particuliere etherradio’s en niet voor de openbare omroep, noch voor de kabelradio’s, alhoewel voor die ongelijke behandeling geen objectieve en redelijk verantwoorde gronden voorhanden zijn. Gelet op het kunstmatige karakter van de frequentieschaarste kan die schaarste niet fungeren als objectieve en redelijke verantwoording voor de ongelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting van de particuliere etherradio’s. Die schaarste kan evenmin aan de basis liggen van de dringende sociale behoefte in een democratische samenleving waarvan sprake in artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Vlaamse Regering leest het arrest in de Lentia-zaak overigens verkeerd. Vierde middel A.6.1. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met de artikelen 52 (oud) en volgende van het E.G.-Verdrag, « doordat de aangevochten bepalingen inhouden dat enkel de VRT zich kan vestigen in België om landelijke radioactiviteiten via de ether uit te oefenen, zodat andere omroeporganisaties, waaronder particuliere radio’s, op discriminatoire wijze worden belemmerd in hun vrijheid om zich in België te vestigen teneinde dezelfde activiteiten uit te oefenen ». De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 52 (oud) van het E.G.-Verdrag de opheffing eist van de belemmeringen van de vrijheid van vestiging van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat. Het monopolie van de V.R.T. om voor geheel Vlaanderen bestemde radioreclame via de ether uit te zenden, sluit elke uit een andere Lid-Staat afkomstige omroeporganisatie uit die zich in Vlaanderen zou willen vestigen of een nevenvestiging oprichten, om over de ether voor geheel Vlaanderen bestemde radioreclameboodschappen uit te zenden. Er is onbetwistbaar sprake van een protectionistische doelstelling en een protectionistisch effect. Dergelijke verborgen vormen van discriminatie en protectionistische effecten zouden moeten worden aanvaard indien zij gerechtvaardigd blijken te zijn wegens dwingende redenen van algemeen belang, indien zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan hetgeen voor het bereiken van dat doel nodig is. Die rechtvaardigingsgronden zijn in casu echter niet aanwezig. A.6.2. De Vlaamse Regering merkt op dat de verzoekers de samenhang tussen de genoemde grondwettelijke bepalingen en artikel 52 (oud) van het E.G.-Verdrag niet toelichten. Het middel faalt bijgevolg reeds om die reden. De beschouwingen die de verzoekers aan de beweerde schending van artikel 52 (oud) van het E.G.-Verdrag wijden, zijn uiterst bondig en laten niet toe te vatten hoe de beweerde strijdigheid van de aangevochten bepalingen met artikel 52 (oud) moet worden begrepen. In elk geval staat vast dat de aangevochten bepalingen de vestiging van particuliere radio’s in Vlaanderen geenszins belemmeren. De verwijzing naar de V.T.M.-beschikking van de Europese Commissie is niet ernstig. De V.R.T. is immers een openbare omroep. Het middel is bijgevolg manifest ongegrond. 7359BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.6.3. Volgens de verzoekende partijen is het uitgangspunt van het middel de vaststelling dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging die voortvloeien uit de bestreden decretale bepalingen niet in gelijke mate gelden voor de openbare omroep en de particuliere radio’s. De verzoekers verzetten zich tegen het feit dat krachtens de aangevochten bepalingen enkel de V.R.T. in België landelijke omroepactiviteiten via de ether kan uitoefenen, terwijl particuliere radio’s via de ether op discriminatoire wijze worden belemmerd in hun vrijheid om zich in België te vestigen teneinde soortgelijke activiteiten uit te oefenen. Het is evident dat het monopolie van de V.R.T. om voor geheel Vlaanderen bestemde radioprogramma’s en reclame via de ether uit te zenden, alle buitenlandse ondernemingen uitsluit die zich in Vlaanderen zouden willen vestigen of een nevenvestiging willen oprichten om over de ether dezelfde dienst aan te bieden. De loutere vaststelling dat de V.R.T. een openbare omroep is, volstaat niet om de discriminatoire beperkingen van de vrijheid van vestiging te rechtvaardigen. De V.R.T. toont op geen enkele wijze aan dat het vervullen van de openbare omroepopdracht vereist dat andere omroepen zich niet in Vlaanderen zouden mogen vestigen om landelijke commerciële etherradio-activiteiten te ontwikkelen, noch dat die belemmering proportioneel is ten aanzien van die taak van algemeen belang. Vijfde middel A.7.1. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met de artikelen 59 (oud) en volgende van het E.G.-Verdrag, « doordat artikel 7 van het decreet van 7 juli 1998 inhoudt dat enkel particuliere radio’s die in de Vlaamse Gemeenschap gevestigd zijn, erkend kunnen worden om radioactiviteiten via de ether uit te oefenen, zodat buitenlandse ondernemingen op discriminatoire wijze worden belemmerd in hun vrijheid om dezelfde diensten te verstrekken in de Vlaamse Gemeenschap ». De verzoekende partijen voeren aan dat de principes van gelijkheid en niet-discriminatie inzake het vrij verkeer van diensten verbieden dat voor het verrichten van diensten in een Lid-Staat een onderscheid wordt gemaakt tussen de personen die gevestigd zijn in die Lid-Staat en de personen die in een andere Lid-Staat gevestigd zijn. Artikel 7 van het bestreden decreet schendt de voormelde regels aangezien het oplegt dat de maatschappelijke zetel en de productie-installaties van de particuliere radio moeten zijn gelegen in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, meer bepaald binnen het verzorgingsgebied van de radio waarvoor de erkenning wordt uitgereikt. Bijgevolg kunnen de ondernemingen die in een andere Lid-Staat van de Europese Unie gevestigd zijn, geen radioactiviteiten via de ether in Vlaanderen verrichten. Die schending van het principe van vrij verkeer van diensten kan niet worden gerechtvaardigd. De rechtvaardigingsgronden van artikel 56, lid 1, (oud) van het E.G.-Verdrag zijn limitatief. Het opleggen van de ligging lijkt te zijn ingegeven door het verlangen om de band van de radio met het verzorgingsgebied te verzekeren, een reden die niet in voormelde bepaling kan worden ingepast. Bovendien is het aangewende middel disproportioneel met het beoogde doel. De doelstelling kan immers worden bereikt door andere middelen, waarin overigens reeds ruimschoots wordt voorzien in het huidige wetgevende kader. A.7.2. De Vlaamse Regering wijst erop dat de verzoekers erkennen dat er van schending van artikel 59 (oud) slechts sprake kan zijn indien de bestreden maatregel niet gerechtvaardigd is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, maar betogen dat de bestreden bepaling geenszins een doelstelling van algemeen belang dient of dat, op zijn minst, het gekozen middel niet evenredig is aan het nagestreefde doel. De bestreden bepaling is, per definitie, enkel van toepassing op radio-omroepen die in Vlaanderen gevestigd zijn. Het decreet is uiteraard niet van toepassing op buiten Vlaanderen gevestigde omroepen, aangezien de Vlaamse overheid geen extraterritoriale bevoegdheid inzake omroep heeft. Het internationale ontvangstbereik van radio uitzendingen via de ether (en de verdeling van radiofrequenties) wordt vastgesteld overeenkomstig afspraken binnen de Internationale Telecommunicatie-Unie. Artikel 59 (oud) is enkel van toepassing op belemmeringen door de Lid-Staten van het grensoverschrijdend dienstenverkeer. Toch gaan de verzoekers ervan uit dat de bestreden bepaling onder het verbod van artikel 59 (oud) valt. Het middel is manifest ongegrond. A.7.3. Volgens de verzoekende partijen toont de Vlaamse Regering geenszins aan dat in casu de verplichting dat de maatschappelijke zetel en de productie-installaties van de particuliere radio moeten zijn gelegen in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, meer bepaald binnen het verzorgingsgebied van de radio, gerechtvaardigd is in het licht van de rechtvaardigingsgronden ontwikkeld onder de rule of reason. Het valt op dat de Vlaamse Regering niet betwist dat de maatregel in elk geval disproportioneel is met het beoogde doel, namelijk het verzekeren van een nauwe band van de radio met het verzorgingsgebied. Die doelstelling kan immers worden bereikt door andere middelen, waarin overigens reeds ruimschoots is voorzien in het huidige wetgevende kader. Het is voorts vaststaande rechtspraak dat een Lid-Staat niet in het algemeen mag verbieden dat bepaalde diensten door in andere Lid-Staten gevestigde ondernemingen worden verricht, omdat dit op de afschaffing van de vrijheid van dienstverrich ting zou neerkomen. Het is inderdaad zo dat de Vlaamse Regering geen extraterritoriale bevoegdheid inzake omroep heeft. Concreet betekent dit dat het decreet territoriaal enkel van toepassing is op omroepen waaraan in Vlaanderen frequenties werden toegewezen. Dit betekent echter geenszins dat de Vlaamse Regering niet meer bevoegd zou zijn voor een omroep waarvan de maatschappelijke zetel in een andere Lid-Staat gevestigd is. B Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de beperking van de particuliere radio-omroep tot lokale radio-omroep niet is ingevoerd door de bestreden bepalingen, doch door regelgeving waarvoor de termijn voor het instellen van een annulatieberoep ruimschoots is verstreken. Zij voegt eraan toe dat de decreetgever de bestaande beperkingen weliswaar heeft overgenomen in de bestreden bepalingen, maar dat hij op dit stuk geenszins blijk heeft gegeven van een nieuwe inoverwegingneming en dus hernieuwde beslissing. B.1.2. Wanneer de wetgever in een nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, verhindert die omstandigheid in beginsel niet, behoudens in geval van een loutere codificatie, dat tegen de overgenomen bepaling een beroep zou kunnen worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. De exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis kan niet worden aangenomen. B.2.1. De Vlaamse Regering betwist het belang van de verzoekende partijen bij de door hen gevorderde vernietiging. B.2.2. De bestreden bepalingen hebben betrekking op particuliere radio-omroepen die via de ether uitzenden. Binnen de Vlaamse Gemeenschap zijn de enige particuliere radio’s die toegelaten zijn, de lokale en agglomeratieradio’s. Om te kunnen worden erkend en het te blijven, moeten zij aan een reeks strikte voorwaarden voldoen. De bestreden bepalingen sluiten regionale en landelijke particuliere, inzonderheid commerciële, radio-omroepen uit. 7360 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.2.3. De eerste verzoekende partij, de vennootschap naar Luxemburgs recht s.a. Radio Flandria, is een commerciële radio-omroep die met een Luxemburgse zendvergunning Nederlandstalige radio-uitzendingen verzorgt die bestemd zijn voor de Vlaamse markt en die thans worden verspreid via de kabel. Zij wordt rechtstreeks en ongunstig geraakt door bepalingen die haar verhinderen haar programma’s via de ether uit te zenden voor gans de Vlaamse Gemeenschap. De tweede verzoekende partij, de b.v.b.a. Regie Flandria, is een reclameregie die reclamezendtijd op Radio Flandria verkoopt aan adverteerders. Zij wordt rechtstreeks en ongunstig in haar situatie geraakt door de bestreden bepalingen die haar verhinderen reclamezendtijd te verkopen voor gans de Vlaamse radioreclamemarkt. De derde en de vierde verzoekende partij, W. Van Aalst en J. Soer, worden in hun hoedanigheid van respectievelijk gedelegeerd bestuurder en bestuurder van de eerste verzoekende partij en zaakvoerders van de tweede verzoekende partij eveneens rechtstreeks en ongunstig in hun situatie geraakt, inzonderheid door de bepaling die hen verhindert lid van de raad van bestuur te zijn van andere rechtspersonen die particuliere radio’s beheren. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat een eventuele vernietiging bepalingen doet herleven die hen evenzeer of nog meer in hun mogelijkheden kunnen beperken dan de bestreden decreetsbepalingen. Zij verkrijgen niettemin een nieuwe kans om hun situatie gunstiger geregeld te zien. B.2.4. De vijfde en de zesde verzoekende partij, J. Otte en A. Vandenbrembt, beroepen zich op hun hoedanigheid van inwoners van de Vlaamse Gemeenschap. De bestreden bepalingen zouden hun mogelijkheid om het radioprogramma van hun keuze te beluisteren aanzienlijk beperken. De door hen bestreden bepalingen hebben slechts een onrechtstreekse weerslag op hun situatie. Aldus doen zij niet blijken van het rechtens vereiste belang. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het is ingesteld door de vijfde en de zesde verzoekende partij. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel B.3.1. In het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kritiseren de verzoekende partijen het verschil in behandeling dat door de bestreden bepalingen wordt ingesteld tussen, aan de ene kant, particuliere radio’s die via de ether uitzenden en die zich moeten beperken tot het grondgebied van een of meer gemeenten of tot het grondgebied van een agglomeratie en, aan de andere kant, de naamloze vennootschap naar publiek recht V.R.T. (Vlaamse Radio- en Televisieomroep) en de kabelradio’s, die zich kunnen richten tot de ganse Vlaamse Gemeenschap. B.3.2. Blijkens de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet strekt het ertoe, door een aantal wijzigingen in de bepalingen betreffende de lokale radio’s van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, een pragmatisch antwoord te geven op het probleem van de levensvatbaarheid van de lokale radio’s (Parl. St., Vlaams Parlement, 1997-1998, nr. 763/1, pp. 2 en 3). Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt tevens dat de decreetgever niet heeft willen afstappen van de vroeger gemaakte keuze om de landelijke radio via de ether voor te behouden aan de openbare omroep en om de kleinschalige lokale radio via de ether voor te behouden aan het particulier initiatief (Parl. St., Vlaams Parlement, 1997-1998, nr. 763/4, pp. 4, 18 en 19). B.3.3. De beoordeling van de plaats die ter zake van radio-uitzendingen via de ether behoort te worden toegekend aan het publiek dan wel het particulier initiatief maakt een opportuniteitsoordeel uit dat toekomt aan de bevoegde decreetgever. Het Hof zou zijn bevoegdheid te buiten gaan mocht het zijn beoordeling op dat punt in de plaats stellen van die keuze van de decreetgever. De toetsing door het Hof slaat evenwel op het objectieve karakter van het onderscheid, de overeenstemming van de maatregelen met het nagestreefde doel en het bestaan van een redelijk verband tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het verschil in behandeling tussen de vrije radio’s en de overheidsomroep berust op het objectieve criterium van het openbare of private karakter van de rechtspersoon die de radio-uitzendingen organiseert. Mede gelet op het beperkte aantal van de voor radio-uitzendingen binnen de betrokken Gemeenschap beschikbare frequenties en zelfs al zou kunnen worden aangenomen dat de beschikbare frequenties op een meer rationele wijze zouden kunnen worden aangewend, wordt het verschil in behandeling verantwoord door de specifieke opdracht van algemeen belang van de overheidsomroep, onder andere door het verzekeren van minimale informatie die voor alle geledingen in de samenleving bereikbaar is en niet is ingegeven door lucratieve overwegingen waarbij enkel de commercieel interessante doelgroepen worden aangesproken. B.3.4. Het verschil in behandeling tussen de publieke en de particuliere radio-omroepen die via de ether uitzenden is, wat het zendbereik betreft, - en onder voorbehoud van het onderzoek van de andere middelen - niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.3.5. De omstandigheid dat particuliere kabelradio-omroepen zich, in tegenstelling tot particuliere radio omroepen die via de ether uitzenden, kunnen richten tot de gehele Vlaamse Gemeenschap, kan niet tot een andere conclusie voeren. Het criterium van onderscheid voor dat verschil in behandeling is objectief en pertinent. Als medium verschilt de kabelradio immers wezenlijk van de etherradio, wat betreft de toegankelijkheid ervan voor zowel de luisteraars als de omroepen. De mogelijkheden van ontvangst zijn beperkter, want afhankelijk van de beschikbaarheid van kabelverbindingen en -aansluitingen en het aanbod van de kabelmaatschappijen. De mogelijkheden voor uitzending zijn afhankelijk van de uiteenlopende technische mogelijkheden van de onderscheiden kabelmaatschap pijen en het bereiken van de vereiste overeenkomsten tussen de radio-omroepen en de kabelmaatschappijen wat betreft de verspreiding van het signaal. Het verschil in behandeling inzake uitzendbereik tussen particuliere kabelradio-omroepen en particuliere etherradio-omroepen is niet onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Het toelaten van de mogelijkheid tot landelijke particuliere kabelradio’s schaadt, in tegenstelling tot wat het geval zou kunnen zijn met landelijke particuliere etherradio’s, het zendbereik van de lokale particuliere radio’s niet en beantwoordt dus aan de doelstelling die de decreetgever zich heeft gesteld. B.3.6. Het eerste middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel B.4.1. In het tweede middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de vrijheid van handel en nijverheid en met de artikelen 82 (ex artikel 86) en 86, lid 1, (ex artikel 90, lid 1) van het E.G.-Verdrag, kritiseren de verzoekende partijen het feit dat de aangevochten bepalingen zonder redelijke 7361BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE en objectieve verantwoording, het wettelijk monopolie van de V.R.T. op landelijke radio via de ether in stand houden, ten koste van de vrijheid van de particuliere radio’s om landelijke commerciële radioactiviteiten te ontplooien, zodat die radio’s ook worden benadeeld in de mededinging met de V.R.T. op de afgeleide markt voor radioreclame in Vlaanderen. B.4.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden, die door een instemmingsakte in de interne rechtsorde toepasselijk zijn gemaakt en die directe werking hebben. B.4.3. De artikelen 82 (ex artikel 86) en 86, leden 1 en 2, (ex artikel 90, leden 1 en 2) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, laatst gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, betreffen zodanige rechten en vrijheden. Artikel 82 van het E.G.-Verdrag legt verbod op aan een of meer ondernemingen om misbruik te maken van een machtspositie op de gemeenschappelijke markt of op een wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen Lid-Staten daardoor ongunstig wordt beı̈nvloed. Hoewel artikel 82 betrekking heeft op gedragingen van ondernemin gen en niet op wettelijke, bestuursrechtelijke en andere maatregelen van de Lid-Staten, heeft dat artikel voor de Lid-Staten wel tot gevolg dat zij geen maatregelen mogen nemen of handhaven welke de mededingingsregels hun nuttig effect kunnen ontnemen (Hof van Justitie, 16 november 1977, INNO, 13/77, Jur., 1977, 2155, r.o. 31 en 32; Hof van Justitie, 23 april 1991, Höfner en Elser, C-41/90, Jur., 1991, I-2017, r.o. 26; Hof van Justitie, 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jur., 1991, I-2960, r.o. 35; Hof van Justitie, 19 mei 1993, Corbeau, C-320/91, Jur., 1993, I-2567, r.o. 10 en 11). Krachtens artikel 86, lid 2, blijven ondernemingen, belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, aan de mededingingsregels onderworpen, zolang niet is aangetoond dat de toepassing van die bepalingen onverenigbaar is met de vervulling van hun bijzondere taak (Hof van Justitie, 30 april 1974, Sacchi, 155/73, Jur., 1974, 430, r.o. 14 en 15; Hof van Justitie, 3 oktober 1985, CBEM/CLT en IPB, 311/84, Jur., 1985, 3275, r.o. 17; Hof van Justitie, 23 april 1991, Höfner en Elser, C-41/90, Jur., 1991, I-2017, r.o. 24; Hof van Justitie, 18 juni 1991, ERT, C-260/89, Jur., 1991, I-2957-2961, r.o. 10 en 33). Niets in het Verdrag verzet zich ertegen dat de Lid-Staten om redenen van algemeen belang van niet-economische aard, uitzendingen van radio en televisie, met inbegrip van uitzendingen via de kabel, aan de mededinging onttrekken door een exclusief recht toe te kennen aan een of meer instellingen. Meer bepaald kunnen ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, aan de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag ontkomen, voor zover beperkingen van de mededinging van andere marktdeelnemers - of zelfs een uitsluiting van elke mededinging - noodzakelijk zijn om de vervulling van de hun toevertrouwde bijzondere taak te verzekeren (Hof van Justitie, 19 mei 1993, Corbeau, C-320/91, Jur., 1993, I-2533, r.o. 14; Hof van Justitie, 27 april 1994, Almelo, Jur. 1994, C-393/92, I-1520, r.o. 46). B.4.4. Te dezen moet worden aangenomen dat de keuze van de decreetgever om de landelijke etherradio voor te behouden aan de openbare omroep, ingegeven is door redenen van algemeen belang van niet-economische aard, inzonderheid het vrijwaren van de openbare radio-omroepopdracht zoals bepaald in de artikelen 8, 23, 27, 27bis, 27ter en 27quater van de op 25 januari 1995 gecoördineerde decreten betreffende de radio-omroep en de televisie en nader omschreven in de in artikel 16 van die decreten bedoelde beheersovereenkomst. De decreetgever oordeelde dat het, om de V.R.T. in staat te stellen die bijzondere taak van algemeen belang naar behoren te vervullen, noodzakelijk was mededinging vanwege landelijke commerciële etherradio’s uit te sluiten. Het blijkt niet dat die opvatting op een kennelijk onjuiste appreciatie steunt. In dit verband dient te worden gewezen op artikel 16 (het vroegere artikel 7D) van het Verdrag en inzonderheid op het Protocol nr. 32 van 2 oktober 1997 betreffende het publieke omroepstelsel in de Lid-Staten. B.4.5. Zo het juist is dat uit artikel 29 van de gecoördineerde decreten betreffende de radio-omroep en de televisie een verschil in behandeling volgt tussen de V.R.T. en de particuliere lokale radio’s inzake publiciteit, wordt zulks verantwoord in zoverre de V.R.T. over een monopolie beschikt inzake landelijke uitzendingen via de ether, en dat monopolie onverbrekelijk verbonden is met de hem toegekende taken van openbare dienst en van algemeen belang. B.4.6. De verzoekende partijen verwijzen ook naar de vrijheid van handel en nijverheid. De vrijheid van handel en nijverheid kan evenwel niet als een absolute vrijheid worden opgevat. De bevoegde wetgever kan ertoe worden gebracht - zij het in de economische sector dan wel in andere sectoren - de handelingsvrijheid van de betrokken personen of ondernemingen te beperken, wat noodzakelijkerwijze een weerslag zal hebben op de vrijheid van handel en nijverheid. De vrijheid van handel en nijverheid wordt maar geschonden indien de decreetgever die vrijheid zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking kennelijk onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel of aan dat beginsel op zodanige wijze afbreuk zou doen dat de economische unie erdoor in het gedrang komt. Uit de overwegingen uiteengezet in B.3.4 en B.4.4 volgt dat zulks te dezen niet het geval is. B.4.7. Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het derde middel B.5.1. In het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 19 van de Grondwet, kritiseren de verzoekende partijen het feit dat de aangevochten decretale bepalingen de vrijheid voor particuliere radio’s om radioprogramma’s via de ether door te geven aan de ganse Vlaamse Gemeenschap beknotten, terwijl geen soortgelijke beperkingen werden opgelegd aan de openbare omroep, noch aan kabelradio’s. B.5.2. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk, in zoverre een rechtstreekse schending wordt aangevoerd van het recht op vrije meningsuiting. Het middel is evenwel afgeleid uit de schending van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in samenhang met de vrijheid van meningsuiting. Het is derhalve ontvankelijk. B.5.3. De vrijheid van meningsuiting is een van de pijlers van een democratische samenleving. Het recht op vrijheid van meningsuiting omvat luidens artikel 10.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. De bestreden bepalingen beperken het recht van de verzoekende partijen om inlichtingen of denkbeelden door te geven. 7362 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.5.4. Het recht op vrije meningsuiting is evenwel niet absoluut. Artikel 10.1, laatste zin, van het voormelde Verdrag bepaalt allereerst dat het artikel niet belet dat Staten radio-omroep, bioscoop- of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen. Het onderwerp en het doel van die bepaling moeten worden beschouwd in het licht van het volledige artikel 10, inzonderheid in het licht van artikel 10.2, waaraan de maatregelen van erkenning onderworpen blijven (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 28 maart 1990, Groppera Radio AG et autres c. Suisse, série A, n° 173, p. 24, § 61; 22 mei 1990, Autronic AG c. Suisse, série A, n° 178, p. 24, § 52; 24 november 1993, Informationsverein Lentia et autres, série A, n° 276, pp. 13 en 14, § 29). Artikel 10.1, laatste zin, strekt ertoe te preciseren dat de Staten, door een systeem van vergunningen, de radio-uitzendingen op hun grondgebied kunnen regelen, inzonderheid in zijn technische aspecten. Andere overwegingen kunnen eveneens leiden tot het toekennen of het weigeren van vergunningen, zoals overwegingen betreffende de aard en doelstellingen van een toekomstig station, de mogelijkheid om het in te schakelen op nationaal, regionaal of lokaal vlak, de rechten en noden van een gegeven publiek, en de verplichtingen die voortvloeien uit internationale juridische instrumenten (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 24 november 1993, Informations verein Lentia et autres, série A, n° 276, p. 15, § 32; 20 oktober 1997, Radio ABC c. Autriche, Recueil des arrêts et décisions, 1997-VI, p. 2199, § 33). Het door de decreetgever ingevoerde stelsel dat de landelijke en regionale etherradio in de Vlaamse Gemeenschap voorbehoudt aan de openbare omroep en de lokale en agglomeratieradio voorbehoudt aan het particulier initiatief, kan bijdragen tot de kwaliteit en verscheidenheid van de radio-uitzendingen en past derhalve in het bepaalde in artikel 10.1, derde zin. Nagegaan moet worden of het ook beantwoordt aan de andere door artikel 19 van de Grondwet en artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gestelde eisen. B.5.5. Ongeacht het gegeven dat eenieder ertoe is gehouden de grondwettelijk beschermde vrijheid van meningsuiting van anderen te eerbiedigen, volgt uit artikel 19 van de Grondwet in samenhang met artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties welke bij wet zijn vastgesteld en die in een democratische samenleving nodig zijn tot bescherming van de in bovenvermelde verdragsbepaling vermelde doelstellingen. B.5.6. De beperkingen zijn ingesteld door de decreetgever en streven, zoals gezegd in B.5.4, een geoorloofd doel na. De vraag is enkel nog of zij in een democratische samenleving nodig zijn. Zoals eerder uiteengezet (B.3.3) zijn de voor radio-uitzendingen in de Vlaamse Gemeenschap beschikbare frequenties niet onbeperkt. Het toelaten van particuliere landelijke en regionale etherradio, naast particuliere lokale en agglomeratieradio, zou onvermijdelijk tot gevolg hebben dat de voor de openbare radio-omroep beschikbare frequenties moeten worden herschikt. Hoewel een en ander thans tot de technische mogelijkheden zou behoren, zou zulks, zoals de Vlaamse Regering betoogt, aan de ene kant, niet zonder zeer belangrijke investeringen aan de zijde van de openbare omroep kunnen worden gerealiseerd, en zou zulks, aan de andere kant, slechts een beperkte ruimte creëren voor particuliere landelijke of regionale etherradio, gesteld dat men geen afbreuk zou willen doen aan de door de decreetgever nader omschreven en aan de publieke radio opgedragen openbare radio-omroepopdracht. Aldus kan worden aanvaard dat de uitsluiting van particuliere landelijke of regionale etherradio, terwijl particuliere lokale en agglomeratieradio, evenals particuliere landelijke kabelradio toegelaten is, beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke noodwendigheid en het aangewende middel niet onevenredig is met het beoogde doel. Van een ongeoorloofde en discriminatoire inbreuk op de vrijheid van meningsuiting is aldus geen sprake. B.5.7. Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het vierde middel B.6.1. In het vierde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 43 (ex artikel 52) en volgende van het E.G.-Verdrag, kritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen omdat die zouden inhouden dat enkel de V.R.T. zich in België kan vestigen om landelijke radioactiviteiten via de ether uit te oefenen. Zodoende zouden andere omroeporganisaties, waaronder particuliere radio’s, op discriminatoire wijze worden belemmerd in hun vrijheid om zich in België te vestigen teneinde dezelfde activiteiten uit te oefenen. B.6.2. Artikel 43 (ex artikel 52) van het E.G.-Verdrag, dat rechtstreeks toepasselijk is in de Lid-Staten, bepaalt dat beperkingen op de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verboden zijn. Dat verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan, alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 (ex artikel 58), overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. B.6.3. Artikel 43 vindt uitsluitend toepassing ten aanzien van natuurlijke en rechtspersonen die behoren tot een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap en op duurzame wijze werkzaamheden anders dan in loondienst wensen te verrichten in een andere Lid-Staat. Personen die een Lid-Staat niet verlaten en hun werkzaamheden niet uitoefenen in een andere Lid-Staat, vallen niet onder de werkingssfeer van de voormelde bepaling. Bijgevolg kunnen uitsluitend de eerste, de derde en de vierde verzoekende partij zich op die bepaling beroepen. Het middel is onontvankelijk in zoverre het wordt aangevoerd door de tweede verzoekende partij. B.6.4. De bestreden bepalingen beletten de verzoekende partijen geenszins zich in België, meer bepaald in de Vlaamse Gemeenschap, te vestigen om er daadwerkelijk een economische activiteit door middel van een vaste basis en voor onbepaalde tijd uit te oefenen. De bestreden bepalingen beletten daarentegen dat de verzoekende partijen zich in België vestigen teneinde er in de Vlaamse Gemeenschap landelijke radioactiviteiten via de ether uit te oefenen, doch het verbod dat soort activiteiten uit te oefenen, geldt zonder onderscheid naar nationaliteit, en is het gevolg van het feit dat de decreetgever ter zake een exclusief recht heeft toevertrouwd aan de openbare omroep, namelijk de V.R.T. Nu bij het onderzoek van het tweede middel is gebleken dat het toevertrouwen van dat uitsluitend recht verenigbaar is met artikel 86 van het E.G.-Verdrag, moet worden geoordeeld dat de daaruit noodzakelijkerwijze voortvloeiende beperkingen inzake markttoegang, niet op discriminatoire wijze afbreuk doen aan de vrijheid van vestiging. B.6.5. Het middel kan niet worden aangenomen. 7363BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Ten aanzien van het vijfde middel B.7.1. In het vijfde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 49 (ex artikel 59) en volgende van het E.G.-Verdrag, kritiseren de verzoekende partijen het feit dat ingevolge artikel 7 van het bestreden decreet enkel particuliere radio’s die in de Vlaamse Gemeenschap gevestigd zijn, kunnen worden erkend om radioactiviteiten via de ether uit te oefenen, zodat buitenlandse ondernemingen op discriminatoire wijze worden belemmerd in hun vrijheid om dezelfde diensten te verstrekken in de Vlaamse Gemeenschap. B.7.2. Overeenkomstig artikel 49 van het E.G.-Verdrag zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Gemeenschap in het kader van de erop volgende verdragsbepalingen verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-Staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat waarin degene is gevestigd ten behoeve van wie de dienst wordt verricht. Artikel 50, eerste alinea, van het E.G.-Verdrag beschouwt als diensten de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrij verkeer van goederen, kapitaal en personen op die dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. Blijkens artikel 50, tweede alinea, betreft het onder meer werkzaamheden van commerciële aard. De dienstverrichting moet niet noodzakelijk worden betaald door de personen voor wie zij wordt verricht, maar het moet wel gaan om diensten die hoofdzakelijk worden vergoed met privé-geld. Radio-uitzendingen, inzonderheid commerciële radio-uitzendingen, moeten bijgevolg worden beschouwd als diensten in de zin van het Verdrag. De artikelen 49 en volgende kunnen worden aangevoerd door de onderdanen der Lid-Staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat waarin degene is gevestigd ten behoeve van wie de dienst wordt verricht. Bijgevolg kunnen de eerste, de derde en de vierde verzoekende partij zich op die bepaling beroepen, terwijl zulks niet het geval is met de tweede verzoekende partij. Het middel is wat haar betreft niet ontvankelijk. B.7.3. De bestreden bepaling - artikel 32, 2°, van op 25 januari 1995 gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap betreffende de radio-omroep en de televisie - staat eraan in de weg dat een rechtspersoon met maatschappelijke zetel buiten het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, inzonderheid met een maatschappelijke zetel buiten het verzorgingsgebied van de radio waarvoor de erkenning wordt uitgereikt, kan worden erkend als lokale of als agglomeratieradio. Die bepaling impliceert dat in andere Lid-Staten gevestigde rechtspersonen niet in aanmerking komen voor die erkenning. De bestreden bepaling betreft aldus een door artikel 49 van het E.G.-Verdrag in beginsel verboden beperking op het vrij verrichten van diensten. B.7.4. Het verbod van artikel 49 van het E.G.-Verdrag is evenwel niet absoluut. Een Lid-Staat kan luidens artikel 55 van het E.G.-Verdrag beperkingen op het vrije dienstenverkeer, naar gelang van de herkomst van de dienst, instellen of handhaven op grond van de artikelen 45 of 46 van het E.G.-Verdrag. Artikel 46, lid 1, van het E.G.-Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 55, staat toe dat de Lid-Staten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor bepaalde diensten welke uit hoofde van onder meer de openbare orde gerechtvaardigd zijn. De particuliere radio’s zoals beoogd door de gecoördineerde decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, hebben tot taak een verscheidenheid van programma’s te brengen inzake informatie, cultuur en ontspanning, met de bedoeling binnen hun verzorgingsgebied de communicatie onder de bevolking te bevorderen (artikel 28). Zij vervullen onmiskenbaar een sociaal-culturele functie die complementair is aan die van de openbare landelijke en regionale omroep en dragen aldus bij tot het behoud van het pluralisme in de media. De bestreden bepaling, die, naast andere in artikel 32 vermelde erkenningvereisten, ertoe strekt het lokale karakter van de particuliere lokale en agglomeratieradio’s effectief te verzekeren door de verplichting van vestiging van de maatschappelijke zetel en de zendinstallaties binnen het verzorgingsgebied, past in het niet-economische doel dat de decreetgever zich heeft gesteld en is er niet mee onevenredig. Bijgevolg is voldaan aan de toepassingsvereisten van artikel 46, lid 1, van het E.G.-Verdrag. B.7.5. Het middel kan niet worden aangenomen. Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 2 februari 2000. De griffier, De voorzitter, L. Potoms. G. De Baets. COUR D’ARBITRAGE [C − 2000/21070]F. 2000 — 642 Arrêt n° 13/2000 du 2 février 2000 Numéro du rôle : 1590 En cause : le recours en annulation totale ou partielle des articles 5, 6 et 7 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 1998 modifiant les décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995, introduit par la société anonyme de droit luxembourgeois Radio Flandria et autres. La Cour d’arbitrage, composée des présidents G. De Baets et M. Melchior, et des juges H. Boel, E. Cerexhe, A. Arts, R. Henneuse et M. Bossuyt, assistée du greffier L. Potoms, présidée par le président G. De Baets, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet du recours Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 18 janvier 1999 et parvenue au greffe le 20 janvier 1999, la société anonyme de droit luxembourgeois Radio Flandria, dont le siège social est établi à L-2320 Luxembourg, boulevard de la Pétrusse 45/47, la s.p.r.l. Regie Flandria, dont le siège social est établi à 1930 Zaventem, Tuinwijkstraat 65, boı̂te 1, W. Van Aalst, demeurant à Londres (Royaume-Uni), Balham, Park Road 73, J. Soer, demeurant à Amsterdam (Pays-Bas), Prinsengracht 795, J. Otte, demeurant à 1930 Zaventem, Borreveldlaan 9, et A. Vandenbrembt, demeurant à 9190 Stekene, Kemzekedorp 8, ont introduit un recours en annulation totale ou partielle des articles 5, 6 et 7 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 1998 modifiant les décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995 (publié au Moniteur belge du 18 juillet 1998). 7364 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE II. La procédure Par ordonnance du 20 janvier 1999, le président en exercice a désigné les juges du siège conformément aux articles 58 et 59 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage. Les juges-rapporteurs ont estimé n’y avoir lieu de faire application des articles 71 ou 72 de la loi organique. Le recours a été notifié conformément à l’article 76 de la loi organique, par lettres recommandées à la poste le 2 février 1999. L’avis prescrit par l’article 74 de la loi organique a été publié au Moniteur belge du 13 février 1999. Le Gouvernement flamand, place des Martyrs 19, 1000 Bruxelles, a introduit un mémoire par lettre recommandée à la poste le 22 mars 1999. Ce mémoire a été notifié conformément à l’article 89 de la loi organique, par lettres recommandées à la poste les 8 et 13 avril 1999. Par ordonnance du 11 mai 1999, le président en exercice a prorogé de quinze jours le délai d’introduction d’un mémoire en réponse, à la suite de la demande des parties requérantes du 10 mai 1999. Cette ordonnance a été notifiée aux parties requérantes par lettres recommandées à la poste le 12 mai 1999. Les parties requérantes ont introduit un mémoire en réponse, par lettre recommandée à la poste le 28 mai 1999. Par ordonnance des 29 juin 1999 et 23 décembre 1999, la Cour a prorogé respectivement jusqu’aux 18 janvier 2000 et 18 juillet 2000 le délai dans lequel l’arrêt doit être rendu. Par ordonnance du 27 octobre 1999, le président en exercice a complété le siège par le juge M. Bossuyt. Par ordonnance du 27 octobre 1999, la Cour a déclaré l’affaire en état et fixé l’audience au 25 novembre 1999. Cette dernière ordonnance a été notifiée aux parties ainsi qu’à leurs avocats, par lettres recommandées à la poste le 28 octobre 1999. A l’audience publique du 25 novembre 1999 : — ont comparu : . Me C. Bossuyt loco Me P. Maeyaert et Me T. De Meese, avocats au barreau de Bruxelles, pour les parties requérantes; . Me P. Van Orshoven et Me J. Stuyck, avocats au barreau de Bruxelles, pour le Gouvernement flamand; — les juges-rapporteurs H. Boel et E. Cerexhe ont fait rapport; — les avocats précités ont été entendus; — l’affaire a été mise en délibéré. La procédure s’est déroulée conformément aux articles 62 et suivants de la loi organique, relatifs à l’emploi des langues devant la Cour. III. Objet des dispositions attaquées Les parties requérantes demandent l’annulation partielle des articles 5, 6 et 7 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 1998 modifiant les décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995. Ces dispositions énoncent : « Art. 5. L’article 29 des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995, est remplacé par ce qui suit : ‘ Article 29. Chaque habitant de la Communauté flamand doit être en mesure d’écouter une radio privée. Il y a deux types de radio privée : 1° la radio locale : cette radio s’adresse à une partie d’une commune, à une commune ou à un groupe limité de communes contiguës; 2° la radio d’agglomération : cette radio s’adresse à une agglomération urbaine, à savoir Anvers, Gand et la région bilingue de Bruxelles-Capitale. Les radios privées assurent leurs émissions par les ondes. Le Gouvernement flamand établit un plan de fréquences, l’approuve et fixe le nombre des radios locales et d’agglomération à agréer. Le ‘ Vlaams Commissariaat voor de Media ’ (Commissariat flamand aux Médias) octroie aux radios privées, sur base du plan de fréquences et du nombre à agréer, les agréments et les autorisations d’émission. L’autorisation, avec les paramètres qui y sont définis, détermine la zone de desserte d’une installation émettrice d’une radio privée. En déterminant les zones de desserte dans le plan de fréquences, il est tenu compte notamment d’indicateurs sociaux, économiques et culturels ainsi que des besoins spécifiques de groupes cibles. ’ En vue de l’optimalisation de la zone de desserte, le Vlaams Commissariaat voor de Media peut obliger les radios privées agréées de déplacer leur installation émettrice ou d’utiliser une installation émettrice commune. Les radios privées peuvent participer, au sein de la Communauté flamande, à des structures de coopération. [La collaboration est possible sur le plan de la collecte d’informations, de la réalisation des programmes et de la prospection d’annonceurs potentiels.] Pour la quote-part minimale de programmation propre, la coopération en matière d’information et de réalisation de programmes est exclue. ’ Art. 6. Dans l’article 32 des mêmes décrets, le 1° est remplacé par ce qui suit : ‘ 1° les radios privées doivent être constituées sous forme de personne morale. L’objet social de la personne morale se limitera à la réalisation de programmes de radio dans la zone de desserte attribuée. Les administrateurs n’exercent aucun mandat politique, ni un mandat d’administrateur d’une autre personne morale ou gérant une radio privée. Toute modification au conseil d’administration sera communiquée au Vlaams Commissariaat voor de Media. ’ Art. 7. Dans l’article 32 des mêmes décrets, le 2° est remplacé par ce qui suit : ‘ 2° le siège social ainsi que les installations de production et d’émission doivent être établis dans la région néerlandophone ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, plus particulièrement à l’intérieur de la zone de desserte de la radio pour laquelle un agrément a été accordé. Le déplacement des installations émettrices à l’intérieur de la zone de desserte de la radio pour laquelle un agrément a été accordé est autorisé dans la mesure où cela s’inscrit dans le plan de fréquences et après que l’autorisation d’émission ait été adoptée; ’ ». 7365BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE IV. En droit A – Quant à la recevabilité En ce qui concerne la recevabilité ratione temporis A.1.1. Les parties requérantes font valoir que le recours a été introduit dans les délais. A supposer même que les dispositions entreprises reprendraient partiellement des dispositions antérieures, littéralement ou quant à leur contenu quod non –, la requête serait encore recevable ratione temporis (arrêts nos 124/98, 37/98, 81/95). A.1.2. Le Gouvernement flamand conteste ce fait. La limitation de la radiodiffusion privée à la radiodiffusion locale n’a pas été instaurée par les dispositions décrétales entreprises, qui ne comportent rien de neuf dans ce domaine. La possibilité de radiodiffusion privée limitée à la radiodiffusion locale date de 1981-1982. Il est certain que la limitation introduite, d’une part, dans l’arrêté royal du 20 août 1981 et, d’autre part, dans le décret du 6 mai 1982, a été reprise dans les dispositions décrétales critiquées, mais le législateur décrétal n’a aucunement fait montre dans ce domaine d’une nouvelle prise en considération et, partant, d’une décision renouvelée. Il n’a au contraire pas voulu se prononcer sur les radios privées nationales. Au demeurant, il n’a fait que se conformer à des normes techniques préexistantes qui limitent la portée des radiodiffuseurs privés. Il s’ensuit qu’en réalité les requérants n’attaquent pas le décret du 7 juillet 1998 mais le décret du 6 mai 1982 et éventuellement le décret du 7 novembre 1990 ou l’arrêté du Gouvernement flamand du 25 janvier 1995, confirmé par le décret du 8 mars 1995. Le délai d’introduction d’un recours en annulation étant largement dépassé pour tous ces décrets, les recours sont irrecevables ratione temporis (cf. arrêt n° 81/93). A.1.3. A l’estime des parties requérantes, la référence à l’arrêt n° 81/93 est totalement abusive. Cet arrêt indique en effet clairement que lorsque, dans une législation nouvelle, le législateur reprend une disposition ancienne et s’en approprie ainsi le contenu, cette circonstance ne fait pas obstacle à ce qu’un recours puisse être introduit contre la disposition reprise, dans les six mois de sa publication. Ce n’est que lorsque le législateur se borne à confirmer la coordination de dispositions anciennes réalisée par le Roi, en n’ayant manifestement pas la volonté de légiférer à nouveau en la matière, qu’un recours en annulation est impossible. Le décret attaqué ne se limite aucunement à une simple confirmation de dispositions préexistantes. La volonté du législateur décrétal de légiférer à nouveau dans le paysage radiophonique flamand ne saurait en effet être sérieusement contestée. Un certain nombre de nouveautés sont clairement instaurées par rapport à l’ancienne réglementation, ce que confirment également les travaux préparatoires. En ce qui concerne l’intérêt A.2.1. La s.a. Radio Flandria est une société de droit luxembourgeois. Radio Flandria est une radio commerciale assurant, avec une autorisation d’émettre luxembourgeoise, des émissions radiophoniques en langue néerlandaise s’adressant au marché flamand. Le signal radio est transmis par satellite depuis le Luxembourg aux sociétés flamandes de distribution par câble et ne peut s’écouter que via le câble. Outre un programme musical ininterrompu de 24 heures, le radiodiffuseur présente à ses auditeurs un journal toutes les heures ainsi qu’un bulletin météo et un bulletin routier. Tant la direction que la rédaction ont signé un statut de rédaction. Visant un large public, la sélection musicale se compose de succès des années quatre-vingts, de succès actuels et d’airs toujours en vogue. Quelque 30 p.c. de la musique est de souche flamande. L’impossibilité d’écouter Radio Flandria par voie hertzienne constitue un handicap considérable, la radio câblée étant en effet soumise à diverses restrictions. Les ondes permettent de toucher plus efficacement un public beaucoup plus vaste. Radio Flandria souhaite dès lors émettre, elle aussi, sur les ondes. Les dispositions décrétales attaquées forment à cet égard un obstacle fondamental, en empêchant que des stations commerciales nationales n’émettent sur les ondes. Les stations privées désireuses d’émettre sur les ondes doivent restreindre leurs activités au territoire d’une commune ou d’un groupe limité de communes contiguës ou à une agglomération urbaine. Dans le contexte législatif actuel, la seule possibilité de couvrir l’ensemble du territoire flamand par voie hertzienne consiste dès lors à créer une structure de coopération regroupant des radios locales et d’agglomération. Ce qui n’est cependant pas une solution, ni sur le plan commercial, ni sur le plan technique. A l’estime de la première partie requérante, les dispositions entreprises lui sont donc préjudiciables. A.2.2. La s.p.r.l. Regie Flandria est une régie publicitaire qui commercialise auprès des annonceurs le temps d’antenne publicitaire de Radio Flandria. Le monopole légal de la « Vlaamse Radio- en Televisieomroep » (V.R.T.) en ce qui concerne l’offre de radiodiffusion commerciale nationale par voie hertzienne, tel qu’il a été maintenu par les dispositions décrétales attaquées, a des répercussions considérables, en termes de marché dérivé, pour la publicité radiodiffusée en Flandre. Au cours du premier semestre de 1998, près de 94 p.c. des investissements flamands dans la publicité radiodiffusée sont allés aux stations de la V.R.T. Pour la deuxième partie requérante, point n’est besoin de longs développements pour comprendre que les dispositions attaquées lui causent un préjudice. A.2.3. Les troisième et quatrième requérants sont gérants/administrateurs des première et deuxième parties requérantes. A leur estime, ils sont incontestablement lésés du fait des restrictions qu’imposent les dispositions décrétales en matière de composition du conseil d’administration des radios privées. Par ailleurs, en leur qualité d’administrateur/gérant, ils sont, à leurs dires, directement concernés par les dispositions qui définissent ou limitent le champ d’activités des radios privées. A.2.4. Les cinquième et sixième requérants sont des habitants de la Communauté flamande. Conformément au décret relatif à la radiodiffusion, chaque habitant de la Communauté flamande doit être en mesure d’écouter une radio privée. Toutefois, le décret relatif à la radiodiffusion ne garantit nullement que les requérants puissent écouter la station de leur choix. Les requérants s’en trouvent d’autant plus lésés, selon eux, qu’ils se voient imposer une redevance radio et télévision en faveur d’une station qui émet par ailleurs de la publicité et qui ne constitue pas nécessairement le poste de leur choix. A.2.5. Selon le Gouvernement flamand, les parties requérantes ne justifient pas d’un intérêt. Les requérants reprochent aux dispositions décrétales critiquées de ne pas permettre aux radiodiffuseurs commerciaux nationaux d’émettre sur les ondes ou de faire de la radiodiffusion nationale un monopole pour la radiodiffusion publique. Ce faisant, ils confèrent toutefois une portée erronée aux dispositions attaquées, lesquelles ne comportent effectivement aucune interdiction en tant que telle et ne créent a fortiori aucune position monopolistique. Elles offrent par contre la possibilité – ou plus précisément : elles laissent subsister la possibilité existant depuis fort longtemps – d’une radiodiffusion privée, bien que cette possibilité soit limitée à une radiodiffusion à portée restreinte. Il appert des travaux préparatoires que le législateur décrétal n’a même pas voulu se prononcer sur la radiodiffusion privée nationale. 7366 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE En substance, les requérants dénoncent donc une lacune dans les décrets coordonnés relatifs à la radiodiffusion, en ce que ceux-ci ne prévoient pas de radiodiffusion privée nationale. Fondamentalement, ils n’agissent donc pas tellement contre un préjudice qu’ils subissent mais contre une faveur dont bénéficient d’autres qu’eux-mêmes. Ils n’y ont pas d’intérêt (arrêt n° 38/91). Par ailleurs, l’annulation demandée par les requérants n’aurait pas pour effet qu’ils puissent dorénavant assurer une radiodiffusion commerciale nationale, mais ne ferait au contraire que rétablir le statu quo ante, c’est-à-dire les dispositions originaires des décrets coordonnés relatifs à la radiodiffusion, qui ne prévoyaient pas davantage la possibilité d’une radiodiffusion privée nationale. Pour cette raison également, ils ne justifient pas d’un intérêt (arrêt n° 43/94). On pourra sans doute opposer à cette argumentation que l’annulation demandée offrirait une nouvelle chance à la radiodiffusion nationale par voie hertzienne, pas encore autorisée aujourd’hui. Cette position est toutefois totalement irréaliste parce que, d’une part, un accès totalement libre aux ondes n’est pas pensable et que, d’autre part, la suppression de fréquences appartenant à la radiodiffusion publique ou aux radiodiffusions locales ne serait pas justifiée. A.2.6. Les parties requérantes font valoir que, contrairement à ce que prétend le Gouvernement flamand, elles n’agissent pas contre une lacune dans les décrets coordonnés relatifs à la radiodiffusion mais contre les restrictions qu’impose le décret attaqué en matière d’exploitation d’activités de radios privées diffusées sur les ondes. Point n’est besoin de démontrer que les quatre premiers requérants s’en trouvent directement et défavorablement affectés dans leur situation juridique. En effet, les restrictions décrétales ne leur permettent pas de développer des activités radiodiffusées commerciales sur les ondes et de lutter ainsi à armes égales avec les programmes radio de la V.R.T. sur le marché flamand de la publicité radio. Les cinquième et sixième requérants sont directement et défavorablement affectés par les dispositions entreprises, qui limitent sensiblement leurs possibilités d’écouter le programme radio de leur choix. L’argument selon lequel l’annulation demandée rétablirait le statu quo ante ne saurait être admis. Le Gouvernement flamand perd manifestement de vue que les requérantes ne demandent que l’annulation partielle du décret attaqué. Au demeurant, la Cour tient plutôt compte du fait que par suite de l’annulation, le requérant retrouve une chance de voir adopter une réglementation plus favorable (arrêts nos 109/98 et 128/98). Sur le fond Premier moyen A.3.1. Le premier moyen est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution, « en ce que, première branche, les dispositions décrétales entreprises imposent aux radios privées émettant par voie hertzienne de se limiter au territoire d’une ou de plusieurs communes, ou au territoire d’une agglomération, alors que la radiodiffusion publique, la société anonyme de droit public V.R.T., peut s’adresser à l’ensemble de la Communauté flamande; en ce que, deuxième branche, les dispositions décrétales entreprises imposent aux radios privées qui émettent sur les ondes de se limiter au territoire d’une ou de plusieurs communes ou au territoire d’une agglomération, alors que les radios câblées ont la liberté de s’adresser à l’ensemble de la Communauté flamande ». A.3.2. Les parties requérantes font valoir, en ce qui concerne la première branche, que les radios de la V.R.T. et les autres stations qui émettent sur les ondes appartiennent à des catégories parfaitement comparables. La V.R.T. a pris la forme d’une société anonyme et devient une concurrente pour l’obtention des revenus de la publicité provenant du marché flamand de la publicité radio. La seule distinction entre la V.R.T. et les radios privées se situe au niveau de la mission de radiodiffusion publique de la V.R.T. La différence de traitement entre la radio publique et les autres radios qui émettent sur les ondes ne peut trouver son explication dans un critère objectif, raisonnablement justifié. Le point de départ officiel sur la base duquel la réglementation actuelle exclut toute radio privée nationale diffusant par voie hertzienne est « l’argument de la rareté ». Cette rareté a toutefois été créée artificiellement par la gestion inefficace du spectre disponible par suite de l’attribution irresponsable de fréquences à la V.R.T. par le Gouvernement flamand (14.5 MHz soit les trois quarts du spectre disponible). La Cour européenne des droits de l’homme a d’ailleurs déjà déclaré expressément dans son arrêt du 24 novembre 1993 que l’argument de la rareté n’était plus acceptable, compte tenu des progrès technologiques de ces dernières décennies. Et c’est précisément parce que la Flandre ne prend pas non plus en compte ces progrès technologiques que la « rareté » évoquée se trouve maintenue. A supposer même que l’on admette, quod non, qu’existe une rareté des fréquences et que la mission de radio publique de la V.R.T. requière qu’elle puisse être captée par voie hertzienne dans l’ensemble de la Communauté flamande, il faudrait encore observer qu’en l’occurrence, les moyens mis en œuvre ne sont pas proportionnés à l’objectif poursuivi. Pour assurer la mission de radiodiffusion publique, il n’est d’abord nullement nécessaire de réserver toutes les fréquences disponibles entre 87.6 et 102.1 MHz aux radios de la V.R.T. Le commissaire européen Van Miert confirmait dans sa lettre du 4 mars 1997 que la largeur de bande réservée à la V.R.T. est disproportionnée par rapport à l’objectif d’intérêt public. Par ailleurs, l’objectif, à savoir assurer la mission de radiodiffusion publique, est également disproportionné par rapport à l’exclusion par principe de radios privées nationales. En effet, il n’existe pas de solutions de remplacement adéquates pour les radios privées : ni la transmission par câble avec les limitations qui y sont inhérentes (immobilité, limitation du nombre de raccordements, couverture non intégrale) ni la mise en place d’un réseau de radios locales (par suite de nombreux obstacles importants, comme l’aspect financier et l’infrastructure requise, les restrictions en matière de programmation et de gestion) ne leur permettent de modifier cet état de fait. Les autres moyens mis en œuvre, à savoir la limitation obligatoire de l’objet social, ainsi que la localisation obligatoire du siège social et des installations de production et d’émission dans la zone de desserte de la radio, non seulement ne sont pas raisonnables mais manquent également de pertinence. L’on comprend difficilement, en effet, en quoi ces restrictions qui s’imposent aux radios privées seraient indispensables à l’accomplissement de la mission de radiodiffusion publique de la V.R.T. Il ressort une fois de plus et très clairement de ces moyens où se situent les véritables intentions politico-économiques du législateur décrétal : renforcer le monopole de radio sur les ondes de la V.R.T. A.3.3. Les parties requérantes font valoir, en ce qui concerne la deuxième branche, que les dispositions attaquées instaurent une discrimination fondamentale entre les radios privées qui émettent sur les ondes et qui ne peuvent le faire que dans une zone de desserte limitée et les radios câblées qui peuvent être actives au niveau national et ne sont donc pas liées à une zone de desserte limitée. Il s’agit de deux catégories de radios privées n’ayant pas de mission de radiodiffusion publique. La seule distinction se situe au niveau du média utilisé. La différence de traitement ne peut se justifier par un critère raisonnable et objectif. En effet, l’argument de la rareté ne saurait être invoqué. A.3.4. Pour sa part, le Gouvernement flamand observe que les parties requérantes ne sont apparemment pas intéressées par un agrément comme radio locale ou comme radio d’agglomération. Elles ne sont donc pas victimes de la limitation de desserte dénoncée au premier moyen, en sorte que le moyen est irrecevable à défaut d’intérêt. 7367BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.3.5. S’agissant du fond de l’affaire, le Gouvernement flamand observe que le législateur dispose d’un vaste pouvoir d’appréciation discrétionnaire, en sorte que cette appréciation ne peut être mise en cause devant la Cour, qui exerce un contrôle de légalité et non d’opportunité, que si elle est manifestement déraisonnable, c’est-à-dire lorsque selon une opinion juridique communément admise, il n’est pas pensable qu’une autorité décidant raisonnablement puisse porter une telle appréciation. Les inégalités de traitement entre la radiodiffusion privée qui émet sur les ondes et la radiodiffusion publique, d’une part, et entre ces mêmes radios locales et d’agglomération et la radiodiffusion câblée privée, d’autre part, reviennent à limiter la percée du monopole public en matière de radiodiffusion aux seules radiodiffusions locale et d’agglomération, d’une part, et radiodiffusion câblée, d’autre part. La justification de ces restrictions est donc automatiquement la justification des traitements inégaux dénoncés et comporte trois parties. Il y a tout d’abord la question technique des fréquences radio revenant à la Belgique et, au sein de celle-ci, à la Communauté flamande. Quoi que puissent prétendre les requérants, même si l’évolution technique de ces dernières années a évidemment créé davantage d’espace, elle n’a pas supprimé le problème de la rareté propre aux ondes, comme le fait ressortir, entre autres, l’étude effectuée par Alcatel Telecom à la demande de la Communauté flamande, étude qui souligne la saturation des ondes flamandes. Lors des travaux préparatoires des décrets flamands relatifs à la radiodiffusion, ce problème a été souligné à plusieurs reprises et a été révélé de manière spectaculaire lorsque la Communauté française a autorisé des radios disposant d’une plus grande puissance. La saturation des ondes a pour effet qu’une radio nationale privée n’est possible que si des fréquences sont retirées soit au radiodiffuseur public soit aux autres radiodiffuseurs privés. La question de droit soulevée par les parties requérantes porte donc en substance sur l’attribution exclusive de moyens rares à la radiodiffusion publique et aux radios locales et d’agglomération. En ce qui concerne la radiodiffusion publique, la suppression d’un groupe de fréquences signifie qu’une seule radiodiffusion privée nationale est possible. La question se pose alors de savoir comment ce fait peut se justifier puisqu’une nouvelle inégalité de traitement apparaı̂t entre une seule radiodiffusion privée nationale et toutes les autres radiodiffusions privées. Un monopole privé serait ainsi créé. Contrairement à ce que prétendent les parties requérantes, les radiodiffusions publique et privée ne sont pas parfaitement comparables. En tout état de cause, le traitement inégal des radios publiques et de toutes les radios privées est manifestement davantage justifié que le traitement inégal d’une seule radio privée par rapport à toutes les autres. Ce qui explique que c’est le monopole d’une entreprise de télévision privée qui a causé des problèmes au niveau du droit européen et non pas le monopole de radiotélévision publique de l’époque. En deuxième lieu, la radiodiffusion publique accomplit une tâche d’intérêt général, face à laquelle le besoin ou les intérêts d’une radiodiffusion nationale privée d’inspiration purement commerciale – a fortiori lorsque celle-ci entend explicitement se limiter aux « hits des années quatre-vingts, aux succès actuels et de toujours » - ne font manifestement pas le poids. La radiodiffusion publique est obligée d’atteindre les groupes qui ne se sentent attirés par aucun émetteur, et il s’agit pour commencer des auditeurs – les moins nombreux – de Radio 1 et de Radio 3. Ce sont sans doute ces émetteurs qui ont intéressé le secteur privé, vraisemblablement parce que celui-ci part du principe que ce sont là ceux auxquels on peut le plus facilement renoncer, mais il ne fait aucun doute que ce même secteur privé ne reprendra pas les auditeurs de ces émetteurs. Par ailleurs, la radiodiffusion publique ne saurait être contrainte à se limiter aux groupes cibles les moins importants et, de ce fait, négligés par la radiodiffusion commerciale, puisque les plus grands groupes cibles seraient dans ce cas privés du service public qui n’est manifestement pas rempli par le secteur privé. Sans doute est-il exact que les fréquences attribuées à la V.R.T. ne sont pas utilisées de manière optimale. C’est là cependant le résultat d’une longue évolution qui ne peut plus être simplement mise à néant, à moins de consentir d’énormes investissements. Ce n’est pas non plus nécessairement possible, puisqu’il n’est pas certain que les permis de bâtir requis pourront être obtenus. Dans le meilleur des cas, l’optimalisation créerait de l’espace pour une radiodiffusion commerciale nationale, en sorte que l’énorme investissement ne fait pas le poids face au peu qu’il rapporte. Quant à la préférence pour les radios locales, il convient d’abord d’observer qu’une radio privée nationale unique ne peut être créée qu’en faisant le sacrifice de nombreuses radios locales ou d’agglomération. Il échet de relever ensuite que l’interdiction de fait frappant la radiodiffusion privée n’a pas tant été supprimée parce que les évolutions techniques permettaient la création de telles radios mais parce qu’on rencontrait ainsi un important besoin social : le développement et l’encadrement du tissu socio-culturel local, éléments sur lesquels les radios locales ont embrayé avec enthousiasme. En ce qui concerne l’exercice local de fonctions socio-culturelles, la radiodiffusion publique s’est avérée moins appropriée. Il a été fait usage de l’espace apparu à la suite des évolutions techniques pour asseoir la complémentarité entre la radiodiffusion publique et la radiodiffusion privée : la première se charge des radios nationale et régionales, la seconde des besoins locaux. Il n’en demeure pas moins que le décret attaqué prévoit la possibilité, pour les radios locales et d’agglomération, de renoncer librement en partie à leur statut local par le biais de la technique d’un accord de coopération. Sans doute cette coopération est-elle limitée à la collecte d’informations, à la programmation et à la prospection d’annonceurs potentiels et est-elle exclue pour la part minime de programmation propre, mais cela est à nouveau justifié par les objectifs socio-culturels. C’est pour cette raison aussi que le traitement inégal des radios locales et d’agglomération n’est pas disproportionné : ce qui n’est pas typiquement local peut être national. A.3.6. Contrairement à ce que soutient le Gouvernement flamand, les trois premières parties requérantes sont effectivement intéressées par le statut de radio privée, mais uniquement pour autant que soient supprimées les restrictions qui sont liées à ce statut en matière d’importance de la desserte. Le postulat du Gouvernement flamand est inexact étant donné (1) que la rareté des fréquences sur la bande F.M. est dans une large mesure artificielle et découle en l’occurrence d’une gestion inefficace du spectre et (2) que de l’espace peut être créé sur la bande F.M. pour une radio commerciale nationale, sans que cela doive se faire aux dépens de la radiodiffusion publique ou des radios locales et d’agglomération. L’étude dite d’Alcatel citée par le Gouvernement flamand a été très fortement critiquée, et à juste titre, entre autres, par la « Vlaamse Federatie van lokale radio’s », par les représentants de « Broadcast Partners » et par le vice-président de la « Vereniging van Vlaamse Onafhankelijke Radio’s ». La valeur limitée de cette étude ressort également des déclarations faites lors des travaux préparatoires par l’ingénieur qui l’a réalisée. La référence aux travaux préparatoires des années quatre-vingts et du début des années nonante est totalement dépourvue de pertinence, compte tenu de l’évolution technologique. A côté des points névralgiques déjà cités dans la requête concernant la gestion inefficace de la bande F.M. en Flandre, il faut également renvoyer, entre autres, à la recommandation 412 du secteur radiocommunications de l’Union internationale des télécommunications, qui prévoit une modulation de fréquence de 400 KHz pour protéger les émissions contre les parasites, alors qu’en Flandre on applique des modulations de fréquence de 600 KHz et que la V.R.T. elle-même ne respecte pas cette modulation de fréquence. Il faut également tenir compte de certaines techniques modernes comme le Near Single Frequency Networking et le Single Frequency Networking, appliquées, par exemple, aux Pays-Bas. Les cinq radios de la V.R.T. ne pourraient de la sorte disposer que de 10 ou au maximum de 15 fréquences au lieu des 32 fréquences actuelles. Il appert des plans de la V.R.T. visant à lancer un 7368 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE nouveau réseau radio national sur la bande F.M. que les techniciens de la V.R.T. eux-mêmes estiment manifestement qu’il y a encore suffisamment d’espace pour créer une station radio nationale supplémentaire. Plusieurs partis politiques estiment qu’à l’heure actuelle l’argument de la rareté ne résiste plus à l’analyse. Le planning des fréquences en Wallonie et dans les pays voisins fait apparaı̂tre qu’une autre approche est possible sans compromettre ni la tâche de la radiodiffusion publique ni l’existence des radios locales souhaitées par le législateur. En ordre subsidiaire, les parties requérantes soulignent que le simple fait que le Gouvernement flamand refuse même d’autoriser une seule radio commerciale nationale, dont elle reconnaı̂t explicitement la possibilité, indique clairement que le principe de proportionnalité est en l’espèce violé. Le raisonnement du Gouvernement flamand est totalement inexact sur ce point. Le Gouvernement flamand ne peut évidemment maintenir une discrimination injustifiée en s’abritant derrière une possible nouvelle discrimination qui pourrait peut-être apparaı̂tre si la première discrimination était mise à néant. Compléter l’espace disponible sur la bande F.M. par une seule ou par un nombre limité de radios commerciales nationales peut parfaitement se faire de manière non discriminatoire, par exemple par le biais d’une procédure d’agrément où les candidats sont sélectionnés et les fréquences disponibles attribuées sur la base de critères objectifs et raisonnablement justifiés. Deuxième moyen A.4.1. Le deuxième moyen est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution en combinaison avec la liberté de commerce et d’industrie ainsi qu’avec les articles 86 (ancien) et 90, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E., « en ce que les dispositions décrétales entreprises, sans justification raisonnable et objective, maintiennent le monopole légal de la V.R.T. dans le domaine de la radio nationale diffusant par voie hertzienne, au détriment de la liberté des radios privées de déployer des activités radiophoniques commerciales nationales, lésant ainsi ces radios dans leur concurrence avec la V.R.T. sur le marché dérivé de la publicité radio en Flandre ». Les parties requérantes font valoir que les règles d’égalité et de non-discrimination contenues aux articles 10 et 11 de la Constitution s’appliquent à tous les droits et à toutes les libertés et dès lors aussi à la liberté de commerce et d’industrie et au droit de la libre concurrence ayant acquis valeur de prescrit constitutionnel. Les dispositions attaquées violent les articles 10 et 11 de la Constitution, en combinaison avec les articles 86 (ancien) et 90, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E. Les radios nationales qui émettent sur les ondes se trouvent exclues de la définition de radio privée. C’est ainsi que se trouve maintenu le monopole de la radiodiffusion publique sur le marché des radios commerciales nationales diffusant par voie hertzienne, situation qui est contraire à l’article 86 (ancien) du Traité C.E. La V.R.T. occupe une position dominante sur le marché dont il s’agit et elle abusera inévitablement de cette position. Cela est contraire au Traité C.E., comme le fait apparaı̂tre l’arrêt ERT de la C.J.C.E. du 18 juin 1991. Il échet également de renvoyer à l’arrêt de la Cour d’arbitrage n° 37/95. A.4.2. Le Gouvernement flamand répond à cette argumentation que les parties requérantes ne font pas valoir que les dispositions entreprises limitent la liberté de commerce sans qu’existe une quelconque nécessité pour ce faire (arrêt n° 29/96), ni qu’elles limitent la liberté de commerce d’une manière qui est manifestement disproportionnée par rapport au but poursuivi (arrêt n° 57/98). Lors de l’examen du premier moyen, le Gouvernement flamand a démontré que les dispositions critiquées servent un but d’intérêt général et sont nécessaires pour atteindre ce but. La branche du moyen qui renvoie à la liberté de commerce est donc, pour autant que nécessaire, réfutée. A.4.3. On ne voit pas très clairement, selon le Gouvernement flamand, comment il faut comprendre la corrélation entre la règle d’égalité exprimée aux articles 10 et 11 de la Constitution et les règles de concurrence de la C.E. invoquées par les parties requérantes. Mentionner ces dispositions en même temps que les articles 10 et 11 de la Constitution ne suffit évidemment pas comme moyen permettant de demander l’annulation d’un décret pour cause de violation du Traité C.E. En outre, la référence aux articles 86 (ancien) et 90, paragraphe 1, (ancien) est également imprécise en soi et en tout état de cause abusive. L’article 90 (ancien) est lui-même une norme de référence. De son côté, l’article 86 (ancien) interdit l’abus d’une position dominante par une entreprise, pour autant que le commerce entre Etats membres en soit affecté. L’abus peut consister, entre autres, en une discrimination et un Etat membre peut agir en contradiction avec l’article 90, paragraphe 1, (ancien) en mettant une entreprise occupant une position dominante dans une situation où elle abusera inévitablement de cette position dominante, par exemple en excluant d’autres entreprises du courant des échanges économiques ou en discriminant des acheteurs. Une mesure qui est contraire à l’article 90, paragraphe 1, (ancien) n’est toutefois pas nécessairement contraire au principe d’égalité. Qui plus est, dans le système du Traité, un traitement inégal d’entreprises est admis comme principe, puisque l’article 90, paragraphe 1, (ancien) part sans plus de l’existence d’entreprises, en particulier d’entreprises publiques, auxquelles sont accordés des droits exclusifs ou particuliers. Les parties requérantes ne démontrent pas que le législateur décrétal ou le Gouvernement flamand aurait violé le principe d’égalité en accordant des droits particuliers à la V.R.T. Elles se contentent de renvoyer à un obiter dictum provenant de l’arrêt n° 37/95. Dans cette affaire, le requérant avait fait référence aux articles 3, littera f), (ancien), 86 (ancien) et 90 (ancien) du Traité C.E., au motif qu’ils permettaient à Belgacom de conserver des compétences réglementaires. Le Gouvernement flamand se permet d’observer que cette référence est inexacte dès lors que l’article 90 (ancien) ne porte pas sur la délégation de compétences réglementaires à une entreprise. Une telle délégation peut être contraire aux articles 5 (ancien) juncto 85 (ancien) ou 86 (ancien) du Traité C.E. Enfin, les parties requérantes ne citent que partiellement l’arrêt n° 37/95. En d’autres termes, la violation du principe d’égalité, pas même constatée en l’espèce, n’aurait pu être inférée que d’une disposition particulière de la législation belge, qui (mettant en œuvre la réglementation européenne spécifique en matière de libéralisation du secteur des télécommunications) prévoyait explicitement l’égalité de concurrence entre les entreprises publiques et les entreprises privées dans le secteur concerné. Il faut dès lors conclure que les parties requérantes ne démontrent pas que le législateur décrétal a violé le principe d’égalité. A.4.4. En ordre subsidiaire, pour le cas où la Cour estimerait malgré tout que, dans le cadre du deuxième moyen, elle peut contrôler les dispositions entreprises au regard de l’article 90, paragraphe 1, (ancien) juncto l’article 86 (ancien) du Traité C.E., le Gouvernement flamand souhaiterait observer ce qui suit. (i) Le Gouvernement flamand ne nie pas que la V.R.T. soit une entreprise au sens desdites dispositions. (ii) La V.R.T. est une entreprise publique à laquelle le législateur décrétal flamand a accordé un statut particulier en matière de radio. (iii) Sur la base de l’article 90, paragraphe 1, (ancien) le législateur décrétal flamand doit s’abstenir de toute mesure contraire aux règles de concurrence, parmi lesquelles l’article 86 (ancien) du Traité C.E. (iv) L’article 86 (ancien) du Traité C.E. interdit, dans la mesure où le commerce entre Etats membres est susceptible d’en être affecté, le fait pour une ou plusieurs entreprises d’exploiter de façon abusive une position dominante sur le marché commun ou dans une partie substantielle de celui-ci. (v) En tant qu’entreprise publique chargée d’une tâche d’intérêt économique général, la V.R.T. bénéficie cependant, le cas échéant, de l’exception de l’article 90, paragraphe 2, (ancien) du Traité C.E. Selon cette disposition, les entreprises chargées de la gestion de services d’intérêt économique général ou présentant le caractère d’un monopole fiscal sont soumises aux règles du Traité, notamment aux règles de concurrence, dans les limites où l’application de ces règles ne fait pas échec à l’accomplissement en droit ou en fait de la mission particulière qui leur a été impartie. Le 7369BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE développement des échanges ne doit pas être affecté dans une mesure contraire à l’intérêt de la Communauté. (vi) Enfin, l’article 90, paragraphe 3, (ancien) énonce que la Commission veille à l’application des dispositions de cet article et adresse, en tant que de besoin, les directives ou décisions appropriées aux Etats membres. La Commission européenne a fait usage de cette compétence en adoptant des directives dans le secteur des télécommunications, mais pas, cependant, dans le secteur des médias. Une décision importante de la Commission prise en vertu de cette disposition est celle qui a jugé contraire à l’article 90, paragraphe 1, (ancien) juncto l’article 52 (ancien) le droit exclusif de télévision commerciale accordé en Flandre à V.T.M. Dès lors qu’il est établi que la V.R.T. est une entreprise publique au sens de l’article 90, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E., le Gouvernement flamand reconnaı̂t qu’il doit s’abstenir à l’égard de la V.R.T. de mesures qui auraient pour effet que celle-ci abusera inévitablement de la position dominante dont elle disposerait éventuellement. Pour qu’il puisse être question en l’espèce d’une violation de l’article 90, paragraphe 1, (ancien) juncto l’article 86 (ancien) du Traité C.E., les requérants devraient successivement démontrer : (a) que le commerce entre les Etats membres est défavorablement affecté; (b) que la V.R.T. dispose d’une position dominante sur le marché dont il s’agit; (c) que la V.R.T. abuse de sa position dominante; (d) que le droit exclusif ou particulier qui a été accordé à la V.R.T. aboutit inévitablement à un tel abus. Si les parties requérantes pouvaient administrer cette preuve, les dispositions attaquées seraient malgré tout compatibles avec le Traité si (e) elles sont nécessaires à la tâche de radiodiffusion publique de la V.R.T. Les parties requérantes ne parviennent pas à démontrer qu’il est satisfait à ces exigences. En tout état de cause, les conditions d’application de l’article 90, paragraphe 2, (ancien) sont remplies. A.4.5. Selon les parties requérantes, il ne fait aucun doute que les dispositions attaquées limitent leur liberté de commerce et d’industrie. En effet, elle sont contraintes, si elles souhaitent déployer sur les ondes des activités radiophoniques commerciales en Flandre, de limiter ces activités à quelques communes avoisinantes ou à une agglomération urbaine. La radiodiffusion publique, la V.R.T., n’est, par contre, pas soumise à des restrictions analogues. Les dispositions litigieuses imposent pour le moins à la liberté de commerce et d’industrie des restrictions plus vastes que ce que peut justifier la rareté des fréquences, en grande partie artificielle, qui est invoquée, en sorte que l’exigence de proportionnalité a été violée. La liberté de commerce et d’industrie inclut également la liberté de concurrence. Une violation des arti cles 86 (ancien) et 90, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E. est dès lors également constitutive d’une violation de la liberté de commerce et d’industrie. La corrélation entre les articles 10 et 11 de la Constitution et les articles 86 (ancien) et 90, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E. réside dans le fait qu’à la suite des dispositions critiquées, les parties requérantes sont privées de manière discriminatoire (par comparaison avec les radios câblées et la radiodiffusion publique) de la liberté de concourir effectivement sur le marché radiophonique flamand en matière de revenus publicitaires. Il est bel et bien satisfait aux cinq conditions citées par le Gouvernement flamand pour que l’on puisse parler d’une violation de l’article 90, paragraphe 1, (ancien) juncto l’article 86 (ancien) du Traité C.E. La V.R.T. dispose d’une position dominante sur le marché concerné, à savoir celui des émissions radiophoniques nationales sur les ondes, dès lors qu’elle détient un monopole sur ce marché. Elle dispose donc également d’une position dominante substantielle sur le marché de la publicité radiophonique. La V.R.T. abuse de cette position dominante, puisque l’existence d’un autre droit exclusif est déjà suffisante en soi pour considérer qu’il y a abus. L’élimination de toute concurrence sur le marché de la publicité radiophonique nationale sur les ondes doit être considérée comme un abus. Le monopole de la V.R.T. en matière de radio commerciale nationale sur les ondes est susceptible d’affecter défavorablement le commerce entre les Etats membres. Le marché radiophonique flamand est une part essentielle du marché communautaire et le monopole de la radiodiffusion publique peut affecter la structure concurrentielle sur cette part essentielle du marché communautaire, en sorte que cela a déjà en soi pour effet d’influencer le commerce entre Etats membres. Le monopole empêche également des entreprises étrangères comme celle de la première partie requérante de faire concurrence en vue de l’obtention des budgets de publicité radio. Les dispositions attaquées ne sont pas nécessaires à la tâche de radiodiffusion de la V.R.T. et ne sont donc pas couvertes par l’article 90, paragraphe 2, (ancien) du Traité C.E. Le Protocole sur le système de radiodiffusion publique dans les Etats membres confirme la règle de l’article 90, paragraphe 2, (ancien) du Traité C.E. Le financement du service public de radiodiffusion ne peut déroger aux règles de la concurrence qu’aux fins de l’accomplissement de la mission de service public. Soustraire la V.R.T. à pratiquement toute forme de concurrence tant sur le marché de la radio nationale sur les ondes que sur celui de la publicité radiophonique nationale sur les ondes n’est aucunement nécessaire pour permettre à la V.R.T. d’accomplir sa mission de radiodiffusion publique. Il est possible de dégager suffisamment d’espace sur la bande F.M. pour les radios commerciales nationales diffusées sur les ondes sans compromettre les cinq programmes radiophoniques nationaux de la V.R.T. La V.R.T. dispose d’une dotation minimale indexée de pas moins de 7,6 milliards de francs et les autorités flamandes se sont engagées dans le contrat de gestion à augmenter la dotation de la radiodiffusion publique si les recettes publicitaires devaient être moins élevées par suite d’une modification législative y afférente. La question se pose enfin de savoir si « Studio Brussel » et « Radio Donna » peuvent être inclus dans la mission de radiodiffusion publique de la V.R.T. Troisième moyen A.5.1. Le troisième moyen est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution combinés avec la liberté d’expression garantie par l’article 10 de la Convention européenne des droits de l’homme et par l’article 19 de la Constitution, « en ce que les dispositions décrétales entreprises limitent la liberté des radios privées de diffuser par voie hertzienne des programmes radio destinés à l’ensemble de la Communauté flamande, alors que des restrictions semblables n’ont été imposées ni à la radiodiffusion publique, ni aux radios câblées ». Les parties requérantes font valoir que la liberté d’expression inscrite à l’article 10 de la Convention européenne des droits de l’homme doit être considérée comme faisant partie de l’essence même de la démocratie. Il a un champ d’application large, tant en ce qui concerne les médias qu’en ce qui concerne les diverses étapes de la communication. Il protège les actes relevant de la communication, comme la liberté de collecter des informations et la liberté de réception. Le refus d’un agrément pour une radio privée nationale diffusant par voie hertzienne est une ingérence illicite des autorités, constitutive d’une atteinte au droit, dans le chef des auditeurs, de recevoir des informations ou des idées et au droit, dans le chef des radios, de communiquer des informations et des idées par le biais de ce média sans ingérence d’autorités publiques et sans considération de frontières. Il n’existe aucune nécessité sociale impérative justifiant cette ingérence. Le législateur décrétal invoque l’argument de la rareté, lequel ne fait pas partie d’une des causes de justification énumérées à l’article 10.2, comme le fait apparaı̂tre l’arrêt de la Cour européenne des droits de l’homme dans l’affaire Lentia. La restriction contestée de la liberté d’expression a un effet discriminatoire dans la mesure où elle n’est imposée qu’aux radios privées désireuses d’émettre sur les ondes, mais pas à la V.R.T. ni aux radios câblées. 7370 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.5.2. Le Gouvernement flamand observe que les parties requérantes invoquent à nouveau en substance les griefs du premier moyen, avec cette différence qu’ils les développent cette fois en tant que violation de la liberté d’expression. Le moyen est irrecevable parce qu’il appert de ses développements qu’il a été pris en substance de la violation de la liberté d’expression. La Cour n’est pas compétente pour connaı̂tre de tels moyens. Même dans la mesure où les parties requérantes lient la violation dénoncée de la liberté d’expression à une violation du principe d’égalité, le moyen est irrecevable, puisque cette liaison ne s’est faite que de manière artificielle, manifestement pour contourner les limitations de la compétence de la Cour. Du reste, la liberté d’expression n’est pas illimitée. En l’espèce, il est satisfait aux exigences y relatives de l’article 10.2 de la Convention européenne, comme exposé lors de l’examen du premier moyen. Au demeurant, la décision de la Cour européenne des droits de l’homme dans l’affaire Lentia est beaucoup moins radicale que ce que soutiennent les parties requérantes. Il découle du considérant 42 de cet arrêt – où est évoquée la situation flamande actuelle – que le moyen des parties requérantes aurait éventuellement été pertinent pour la régularisation des radios locales en 1982 mais certainement plus à l’heure actuelle. A.5.3. Les parties requérantes observent que contrairement à ce que prétend le Gouvernement flamand, elles ne se limitent aucunement à attaquer simplement une violation de la liberté d’expression en tant que telle. Ce qu’elles attaquent, en définitive, c’est le fait que les restrictions mises à la liberté d’expression ne s’appliquent qu’aux radios privées diffusées sur les ondes et non pas à la radiodiffusion publique, ni aux radios câblées, bien qu’il n’existe aucune motif objectif et raisonnablement justifié pour ce traitement inégal. Compte tenu du caractère artificiel de la rareté des fréquences, cette rareté ne peut faire office de justification objective et raisonnable pour la restriction inégale de la liberté d’expression des radios privées diffusées sur les ondes. Cette rareté ne saurait davantage se trouver à la base de la nécessité sociale impérative dans une société démocratique dont il est question à l’article 10.2 de la Convention européenne des droits de l’homme, comme le fait apparaı̂tre la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme. Le Gouvernement flamand fait du reste une lecture erronée de l’arrêt dans l’affaire Lentia. Quatrième moyen A.6.1. Le quatrième moyen est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution combinés avec les articles 52 (ancien) et suivants du Traité C.E, « en ce que les dispositions entreprises impliquent que seule la V.R.T. peut s’établir en Belgique pour y exercer des activités de radiodiffusion nationale par voie hertzienne, si bien que les autres organismes de radiodiffusion, dont les radios privées, se trouvent entravés de manière discriminatoire dans leur liberté de s’établir en Belgique pour y exercer les mêmes activités. » Les parties requérantes font valoir que l’article 52 (ancien) du Traité C.E prescrit la suppression des restrictions à la liberté d’établissement des ressortissants d’un Etat membre dans le territoire d’un autre Etat membre. Le monopole de la V.R.T. pour émettre sur les ondes des publicités radiophoniques destinées à l’ensemble de la Flandre exclut tout organisme de radiodiffusion originaire d’un autre Etat membre qui voudrait s’établir en Flandre ou y créer une succursale afin d’émettre sur les ondes des messages publicitaires destinés à l’ensemble de la Flandre. Il existe incontestablement un objectif protectionniste et un effet protectionniste. Pareilles discriminations camouflées ou conséquences protectionnistes devraient être admises dans la mesure où elles s’avéreraient justifiées en raison de motifs contraignants d’intérêt général si elles sont de nature à assurer la réalisation de l’objectif poursuivi et ne vont pas au-delà de ce qui est nécessaire à la réalisation de celui-ci. Or, ces causes de justification font défaut en l’espèce. A.6.2. Le Gouvernement flamand observe que les parties requérantes ne fournissent pas d’explication sur la corrélation entre les dispositions constitutionnelles précitées et l’article 52 (ancien) du Traité C.E. Le moyen est donc déjà défectueux pour cette raison. Les considérations que les parties requérantes consacrent à la prétendue violation de l’article 52 (ancien) du Traité C.E. sont particulièrement succinctes et ne permettent pas de saisir comment doit se comprendre la prétendue contradiction des dispositions attaquées avec l’article 52 (ancien). En tout état de cause, il est acquis que les dispositions entreprises n’entravent aucunement l’établissement de radios privées en Flandre. La référence à la décision V.T.M. de la Commission européenne n’est pas sérieuse. La V.R.T. est en effet un service public de radiodiffusion. Le moyen est donc manifestement dépourvu de fondement. A.6.3. Selon les parties requérantes, le postulat du moyen est la constatation que les restrictions à la liberté d’établissement qui découlent des dispositions décrétales entreprises ne s’appliquent pas de manière égale à la radiodiffusion publique et aux radios privées. Les parties requérantes critiquent le fait qu’en vertu des dispositions attaquées, seule la V.R.T. peut exercer en Belgique des activités de radiodiffusion nationale par voie hertzienne, cependant que les radios privées diffusant par voie hertzienne sont entravées de manière discriminatoire dans leur liberté de s’établir en Belgique aux fins d’y exercer des activités analogues. Il est évident que le monopole de la V.R.T. pour émettre sur les ondes des programmes radiophoniques et de la publicité destinés à l’ensemble de la Flandre exclut toutes les entreprises étrangères qui voudraient s’établir en Flandre ou y créer une succursale afin d’offrir le même service sur les ondes. La simple constatation que la V.R.T. est une radiodiffusion publique ne suffit pas pour justifier les restrictions discriminatoires mises à la liberté d’établissement. La V.R.T. ne démontre en aucune manière que l’accomplissement de la mission de radiodiffusion publique requiert que d’autres radiodiffusions ne puissent pas s’établir en Flandre pour y déployer des activités radiophoniques commerciales nationales sur les ondes, ni que cette entrave est proportionnée à cette mission d’intérêt général. Cinquième moyen A.7.1. Le cinquième moyen est pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution combinés avec les articles 59 (ancien) et suivants du Traité C.E., « en ce que l’article 7 du décret du 7 juillet 1998 implique que seules les radios privées établies dans la Communauté flamande peuvent être reconnues pour exercer des activités radiophoniques par voie hertzienne, les entreprises étrangères se trouvant ainsi entravées de manière discriminatoire dans leur liberté de fournir les mêmes services dans la Communauté flamande ». Les parties requérantes font valoir que les principes d’égalité et de non-discrimination en matière de libre circulation des services s’opposent à ce que pour la prestation de services dans un Etat membre, une distinction soit faite entre les personnes établies dans cet Etat membre et celles établies dans un autre Etat membre. L’article 7 du décret attaqué viole les règles susmentionnées en imposant que le siège social et les installations de production des radios privées soient établis dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, plus particulièrement dans la zone de desserte de la radio pour laquelle l’agrément est accordé. Il s’ensuit que les entreprises établies dans un autre Etat membre de l’Union européenne ne peuvent exercer des activités radiophoniques par voie hertzienne en Flandre. Cette violation du principe de la libre circulation des services ne trouve pas de justification. Les causes de justification de l’article 56, paragraphe 1, (ancien) du Traité C.E. sont limitatives. L’imposition d’un lieu 7371BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE d’établissement semble s’inspirer du souci d’assurer le lien entre la radio et la zone qu’elle dessert, motivation qui n’est nullement prévue dans la disposition précitée. En outre, le moyen mis en œuvre est disproportionné par rapport à l’objectif poursuivi. Cet objectif peut en effet être assuré par d’autres moyens, d’ailleurs déjà largement prévus par le cadre législatif actuel. A.7.2. Le Gouvernement flamand souligne que les parties requérantes reconnaissent qu’il ne peut être question d’une violation de l’article 59 (ancien) que si la mesure attaquée n’est pas justifiée pour la réalisation d’un objectif d’intérêt général, mais soutiennent que la disposition entreprise ne sert aucunement un objectif d’intérêt général ou, pour le moins, que le moyen choisi n’est pas proportionné au but poursuivi. La disposition critiquée n’est, par définition, applicable qu’aux radiodiffusions établies en Flandre. Il va sans dire que le décret n’est pas applicable aux radiodiffusions établies en dehors de la Flandre, puisque l’autorité flamande ne possède pas de compétence extraterritoriale en matière de radiodiffusion. La portée internationale d’émissions radiophoniques sur les ondes (et la répartition des fréquences radiophoniques) est fixée conformément à des arrangements pris au sein de l’Union internationale des télécommunications. L’article 59 (ancien) n’est applicable qu’aux entraves mises par les Etats membres à la circulation transfrontalière des services. Les parties requérantes postulent néanmoins que la disposition attaquée relève de l’interdiction de l’article 59 (ancien). Le moyen est manifestement dépourvu de fondement. A.7.3. Selon les parties requérantes, le Gouvernement flamand ne démontre aucunement qu’en l’espèce l’exigence selon laquelle le siège social et les installations de production des radios privées doivent être situés dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, plus précisément à l’intérieur de la zone de desserte de la radio, se justifie à la lumière des causes de justification développées dans le cadre de la rule of reason. Il est manifeste que le Gouvernement flamand ne conteste pas que la mesure soit en tout état de cause disproportionnée au but visé, à savoir assurer un lien étroit entre la radio et la zone de desserte. Cet objectif peut en effet s’atteindre par d’autres moyens, d’ailleurs déjà largement prévus par le cadre législatif actuel. Une jurisprudence constante veut du reste qu’un Etat membre ne puisse généralement pas interdire que certains services soient effectués par des entreprises établies dans d’autres Etats membres, parce que cela reviendrait à supprimer le principe de la libre prestation de services. Il faut savoir en effet que le Gouvernement flamand n’a pas de compétence extraterritoriale en matière de radiodiffusion. Cela signifie concrètement que du point de vue territorial, le décret ne s’applique qu’aux radiodiffusions auxquelles des fréquences ont été attribuées en Flandre. Toutefois, cela ne veut absolument pas dire que le Gouvernement flamand ne serait plus compétent pour une radiodiffusion dont le siège social est établi dans un autre Etat membre. B – Quant à la recevabilité B.1.1. Le Gouvernement flamand soutient que le recours n’est pas recevable, parce que ce ne sont pas les dispositions attaquées qui ont limité la radiodiffusion privée à la radiodiffusion locale, mais bien une réglementation pour laquelle le délai d’introduction d’un recours en annulation est depuis longtemps dépassé. Et il ajoute que le législateur décrétal a certes repris les limitations existantes dans les dispositions attaquées, mais n’a nullement manifesté à ce propos la volonté de réexaminer cette question et donc de prendre une nouvelle décision. B.1.2. Lorsque, dans une législation nouvelle, le législateur reprend une disposition ancienne et s’en approprie ainsi le contenu, cette circonstance, en principe, ne fait pas obstacle, sauf dans l’hypothèse d’une simple codification, à ce qu’un recours puisse être introduit contre la disposition reprise, dans les six mois de sa publication. L’exception d’irrecevabilité ratione temporis ne peut être accueillie. B.2.1. Le Gouvernement flamand conteste l’intérêt des parties requérantes à l’annulation demandée par celles-ci. B.2.2. Les dispositions attaquées concernent les radios privées diffusant par voie hertzienne. Au sein de la Communauté flamande, les seules radios privées qui sont autorisées sont les radios locales et les radios d’agglomération. Pour obtenir leur agrément et conserver celui-ci, elles doivent remplir une série de conditions strictes. Les dispositions attaquées excluent les radios régionales et nationales privées, et en particulier les radios commerciales. B.2.3. La première partie requérante, la société anonyme de droit luxembourgeois Radio Flandria, est une radio commerciale produisant, en vertu d’une autorisation d’émission luxembourgeoise, des émissions radiophoniques en langue néerlandaise destinées au marché flamand et actuellement transmises par câble. Elle est directement et défavorablement affectée par des dispositions qui l’empêchent de diffuser ses programmes par voie hertzienne à destination de toute la Communauté flamande. La deuxième partie requérante, la s.p.r.l. Regie Flandria, est une régie publicitaire qui vend aux annonceurs du temps d’antenne publicitaire sur Radio Flandria. Elle est directement et défavorablement affectée dans sa situation par les dispositions attaquées qui l’empêchent de vendre du temps d’antenne publicitaire pour l’ensemble du marché flamand de la publicité radiodiffusée. Les troisième et quatrième requérants, W. Van Aalst et J. Soer, sont, en leurs qualités respectives d’administrateur délégué et d’administrateur de la première partie requérante et en leur qualité de gérants de la deuxième partie requérante, également affectés directement et défavorablement dans leur situation, en particulier par la disposition qui les empêche d’être membres du conseil d’administration d’autres personnes morales gérant des radios privées. Le fait qu’une annulation éventuelle rendrait vigueur à des dispositions qui limiteraient tout autant sinon davantage leurs possibilités que ne le font les dispositions décrétales attaquées n’y change rien. En effet, elles recouvrent néanmoins une chance de voir régir plus favorablement leur situation. B.2.4. Les cinquième et sixième parties requérantes, J. Otte et A. Vandenbrembt, invoquent leur qualité d’habitant de la Communauté flamande. Les dispositions attaquées limiteraient considérablement la possibilité d’écouter le programme radiophonique de leur choix. Les dispositions attaquées n’ont qu’un effet indirect sur la situation de ces parties requérantes. Celles-ci ne justifient donc pas de l’intérêt requis en droit. Le recours n’est pas recevable en tant qu’il est introduit par les cinquième et sixième parties requérantes. Quant au fond Sur le premier moyen B.3.1. Dans le premier moyen, pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution, les parties requérantes critiquent la différence de traitement qu’instaurent les dispositions attaquées entre, d’une part, les radios privées qui diffusent leurs programmes par voie hertzienne et doivent se limiter au territoire d’une ou de plusieurs communes ou au territoire d’une agglomération et, d’autre part, la société anonyme de droit public V.R.T. (« Vlaamse Radio- en Televisieomroep ») et les radios distribuées par câble, qui peuvent s’adresser à l’ensemble de la Communauté flamande. 7372 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.3.2. Selon les travaux préparatoires du décret attaqué, celui-ci, en apportant une série de modifications aux dispositions concernant les radios locales qui figurent dans les décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995, s’efforce de fournir une réponse pragmatique au problème de la viabilité des radios locales (Doc., Parlement flamand, 1997-1998, n° 763/1, pp. 2 et 3). Les travaux préparatoires du décret attaqué font également apparaı̂tre que le législateur décrétal n’a pas voulu s’écarter du choix fait antérieurement, qui consiste à réserver la radio nationale par voie hertzienne au service public de radiodiffusion et à réserver à l’initiative privée les radios locales par voie hertzienne de taille réduite (Doc., Parlement flamand, 1997-1998, n° 763/4, pp. 4, 18 et 19). B.3.3. S’agissant de la radiodiffusion par voie hertzienne, l’appréciation de la place qu’il convient d’accorder respectivement à l’initiative publique et à l’initiative privée constitue un jugement d’opportunité qui relève du législateur décrétal compétent. La Cour excéderait sa compétence si elle substituait sur ce point son appréciation au choix du législateur décrétal. Le contrôle exercé par la Cour porte toutefois sur le caractère objectif de la distinction, sur la conformité des mesures à l’objectif poursuivi et sur l’existence d’un rapport raisonnable entre les moyens utilisés et le but poursuivi. La différence de traitement entre les radios libres et la radio publique se fonde sur le critère objectif du caractère public ou privé de la personne morale qui organise les émissions radiophoniques. Compte tenu notamment du nombre limité de fréquences disponibles pour les émissions radiophoniques au sein de la Communauté concernée et à supposer même que les fréquences disponibles puissent être utilisées d’une manière plus rationnelle, la différence de traitement se justifie par la mission spécifique d’intérêt général de la radio publique, entre autres par la nécessité d’assurer une information minimale qui soit accessible à toutes les composantes de la société et qui ne soit pas dictée par des considérations d’ordre lucratif visant uniquement les groupes cibles présentant de l’intérêt du point de vue commercial. B.3.4. La différence de traitement entre les radios publiques et les radios privées qui émettent sur les ondes n’est pas, en ce qui concerne la portée d’émission – et sous réserve de l’examen des autres moyens –, contraire aux articles 10 et 11 de la Constitution. B.3.5. La circonstance que les radios privées diffusées par câble peuvent s’adresser à l’ensemble de la Communauté flamande, contrairement aux radios privées diffusées par voie hertzienne, ne saurait conduire à une autre conclusion. Le critère de distinction suivi pour cette différence de traitement est objectif et pertinent. En tant que média, la radio distribuée par le câble diffère en effet fondamentalement de la radio diffusée par voie hertzienne, en ce qui concerne son accessibilité, tant pour les auditeurs que pour les diffuseurs. Les possibilités de réception sont plus limitées, parce qu’elles dépendent de la disponibilité de liaisons par câble et de raccordements, ainsi que de l’offre des câblodistributeurs. Les possibilités d’émission dépendent des diverses possibilités techniques des différents câblodis tributeurs et de la conclusion des conventions nécessaires entre les radiodiffuseurs et les câblodistributeurs en ce qui concerne la diffusion du signal. La différence de traitement en matière de portée d’émission entre les radios privées distribuées par le câble et les radios privées diffusées par voie hertzienne n’est pas disproportionnée par rapport à l’objectif poursuivi. Le fait que l’on admet la possibilité de radios privées nationales distribuées par le câble ne porte, contrairement à ce qui pourrait être le cas pour la radiodiffusion privée par voie hertzienne, pas préjudice à la portée d’émission des radios privées locales et correspond donc à l’objectif que le législateur décrétal s’est assigné. B.3.6. Le premier moyen ne peut être admis. Sur le deuxième moyen B.4.1. Dans le second moyen, pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution combinés avec la liberté de commerce et d’industrie et avec les articles 82 (ancien article 86) et 86, paragraphe 1, (ancien article 90, paragraphe 1) du Traité C.E., les parties requérantes dénoncent le fait que les dispositions attaquées maintiennent, sans justification objective et raisonnable, le monopole légal de la V.R.T. en matière de radio nationale par voie hertzienne, au détriment de la liberté des radios privées de déployer une activité radiophonique commerciale nationale, de sorte que ces radios sont également défavorisées sur le plan de la concurrence qu’elles livrent à la V.R.T. sur le marché dérivé de la publicité radiodiffusée en Flandre. B.4.2. Les articles 10 et 11 de la Constitution ont une portée générale. Ils interdisent toute discrimination, quelle qu’en soit l’origine : les règles constitutionnelles de l’égalité et de la non-discrimination sont applicables à l’égard de tous les droits et de toutes les libertés, en ce compris ceux résultant des conventions internationales liant la Belgique, rendues applicables dans l’ordre juridique interne par un acte d’assentiment et ayant effet direct. B.4.3. Les articles 82 (ancien article 86) et 86, paragraphes 1 et 2 (ancien article 90, paragraphes 1 et 2), du Traité instituant la Communauté européenne, modifié en dernier lieu par le Traité d’Amsterdam du 2 octobre 1997, concernent de tels droits et libertés. L’article 82 du Traité C.E. interdit, dans la mesure où le commerce entre Etats membres est susceptible d’en être défavorablement affecté, le fait pour une ou plusieurs entreprises d’exploiter de façon abusive une position dominante sur le marché commun ou dans une partie substantielle de celui-ci. Bien qu’il vise les comportements des entreprises et non les mesures législatives, administratives et autres prises par les Etats membres, l’article 82 a cependant pour effet que les Etats membres ne peuvent pas prendre ou maintenir en vigueur des mesures susceptibles d’éliminer l’effet utile des règles de concurrence (Cour de justice, 16 novembre 1977, INNO, 13/77, Rec. C.J.C.E., 1977, pp. 2144-2145, considérants 31 et 32; Cour de justice, 23 avril 1991, Höfner et Elser, C-41/90, Rec. C.J.C.E., 1991, I-2017, considérant 26; Cour de justice, 18 juin 1991, ERT, C-260/89, Rec. C.J.C.E., 1991, I-2960, considérant 35; Cour de justice, 19 mai 1993, Corbeau, C-320/91, Rec. C.J.C.E., 1993, I-2567, considérants 10 et 11). En vertu de l’article 86, paragraphe 2, les entreprises chargées de la gestion d’un service d’intérêt économique général demeurent soumises aux règles de la concurrence, tant qu’il n’est pas démontré que lesdites interdictions sont incompatibles avec l’exercice de leur mission particulière (Cour de justice, 30 avril 1974, Sacchi, 155/73, Rec. C.J.C.E., 1974, p. 430, considérants 14 et 15; Cour de justice, 3 octobre 1985, CBEM/CLT et IPB, 311/94, Rec. C.J.C.E., 1985, p. 3275, considérant 17; Cour de justice, 23 avril 1991, Höfner et Elser, C-41/90, Rec. C.J.C.E., 1991, I-2017, considérant 24; Cour de justice, 18 juin 1991, ERT, C-260/89, Rec. C.J.C.E., 1991, I-2957-2961, considérants 10 et 33). 7373BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Rien dans le Traité ne s’oppose à ce que les Etats membres, pour des motifs d’intérêt général de nature non économique, soustraient les émissions de radiodiffusion et de télévision, y compris les émissions par câble, au jeu de la concurrence, en conférant un droit exclusif à un ou plusieurs établissements. Plus précisément, des entreprises chargées de la gestion de services d’intérêt économique général peuvent échapper à l’application des règles du Traité sur la concurrence, dans la mesure où des restrictions à la concurrence - voire une exclusion de toute concurrence - de la part d’autres opérateurs économiques sont nécessaires pour assurer l’accomplissement de la mission particulière qui leur a été impartie (Cour de justice, 19 mai 1993, Corbeau, C-320/91, Rec. C.J.C.E., 1993, I-2533, considérant 14; Cour de justice, 27 avril 1994, Almelo, Rec. C.J.C.E., 1994, C-393/92, I-1520, considérant 46). B.4.4. Il doit être admis en l’espèce que le choix du législateur décrétal de réserver la radiodiffusion nationale par voie hertzienne au service public de radiodiffusion est dicté par des motifs d’intérêt général de nature non économique et, en particulier, par la sauvegarde de la mission du service public de radiodiffusion, telle que celle-ci est fixée dans les articles 8, 23, 27, 27bis, 27ter et 27quater des décrets relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995, et telle qu’elle est définie plus explicitement dans le contrat de gestion visé à l’article 16 de ces décrets. Le législateur décrétal a considéré qu’il était nécessaire d’exclure toute concurrence de la part de radios commerciales nationales diffusées par voie hertzienne, afin de permettre à la V.R.T. d’accomplir correctement cette mission particulière d’intérêt général. Il n’apparaı̂t pas que cette conception se fonde sur une appréciation manifestement erronée. Il convient de renvoyer, sur ce point, à l’article 16 (ancien article 7D) du Traité et plus particulièrement au protocole n° 32 du 2 octobre 1997 sur le système de radiodiffusion publique dans les Etats membres. B.4.5. S’il est vrai qu’il découle de l’article 29 des décrets coordonnés relatifs à la radiodiffusion et à la télévision une différence de traitement entre la V.R.T. et les radios privées locales en ce qui concerne la publicité, cette différence de traitement se justifie dans la mesure où la V.R.T. dispose d’un monopole en ce qui concerne les émissions nationales sur les ondes, et que ce monopole est inséparablement lié aux missions de service public et d’intérêt général qui lui ont été confiées. B.4.6. Les parties requérantes se réfèrent également à la liberté de commerce et d’industrie. La liberté de commerce et d’industrie ne peut cependant être conçue comme une liberté absolue. Le législateur compétent peut être amené - que ce soit dans le secteur économique ou dans d’autres secteurs – à limiter la liberté d’action des personnes ou des entreprises concernées, ce qui aura nécessairement une incidence sur la liberté de commerce et d’industrie. La liberté de commerce et d’industrie ne serait violée que si le législateur décrétal limitait cette liberté sans qu’existe une quelconque nécessité pour ce faire ou si cette limitation était manifestement disproportionnée au but poursuivi ou portait atteinte à ce principe en manière telle que l’union économique serait compromise. Il résulte des considérations développées en B.3.4 et B.4.4 que ce n’est pas le cas en l’espèce. B.4.7. Le moyen ne peut être admis. Quant au troisième moyen B.5.1. Dans le troisième moyen, pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution lus conjointement avec la liberté d’expression garantie par l’article 10 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 19 de la Constitution, les parties requérantes critiquent le fait que les dispositions décrétales attaquées restreignent la liberté des radios privées de transmettre des programmes radiophoniques par voie hertzienne à toute la Communauté flamande, alors qu’il n’est imposé aucune restriction semblable au service public de radiodiffusion ou aux radios diffusées par le câble. B.5.2. Selon le Gouvernement flamand, le moyen n’est pas recevable en tant qu’il dénonce une violation directe du droit à la liberté d’expression. Le moyen est toutefois pris de la violation du principe d’égalité et de non-discrimination, combiné avec la liberté d’expression. Il est dès lors recevable. B.5.3. La liberté d’expression constitue l’un des fondements essentiels d’une société démocratique. Le droit à la liberté d’expression comprend, aux termes de l’article 10.1 de la Convention européenne des droits de l’homme, la liberté de recevoir ou de communiquer des informations ou des idées sans qu’il puisse y avoir ingérence d’autorités publiques et sans considération de frontière. Les dispositions attaquées limitent le droit des parties requérantes de communiquer des informations ou des idées. B.5.4. Le droit à la liberté d’expression n’est toutefois pas absolu. L’article 10.1, dernière phrase, de la Convention précitée dispose tout d’abord que cet article n’empêche pas les Etats de soumettre les entreprises de radiodiffusion, de cinéma ou de télévision à un régime d’autorisations. L’objet et le but de cette disposition doivent s’envisager dans le contexte de l’article 10 pris dans son ensemble et notamment au regard des conditions du paragraphe 2 auxquelles les mesures d’autorisation demeurent soumises (Cour eur. D.H., 28 mars 1990, Groppera Radio AG et autres c. Suisse, série A, n° 173, p. 24, § 61; 22 mai 1990, Autronic AG c. Suisse, série A, n° 178, p. 24, § 52; 24 novembre 1993, Informationsverein Lentia et autres, série A, n° 276, pp. 13 et 14, § 29). L’article 10.1, dernière phrase, tend à préciser que les Etats peuvent réglementer, par un système de licences, l’organisation de la radiodiffusion sur leur territoire, en particulier ses aspects techniques. D’autres considérations peuvent elles aussi conditionner l’octroi ou le refus d’une autorisation, parmi lesquelles celles qui concernent la nature et les objectifs d’une future station, ses possibilités d’insertion au niveau national, régional ou local, les droits et besoins d’un public donné ainsi que les obligations issues d’instruments juridiques internationaux (Cour eur. D.H., 24 novembre 1993, Informationsverein Lentia et autres, série A, n° 276, p. 15, § 32; 20 octobre 1997, Radio ABC c. Autriche, Recueil des arrêts et décisions, 1997-VI, p. 2199, § 33). Le système instauré par le législateur décrétal, qui réserve la radiodiffusion nationale et régionale par voie hertzienne dans la Communauté flamande au service public de radiodiffusion et la radiodiffusion locale et d’agglomération à l’initiative privée, peut contribuer à la qualité et à la diversité des émissions radiophoniques et cadre donc avec le prescrit de l’article 10.1, troisième phrase. Il convient de vérifier s’il remplit aussi les autres exigences inscrites à l’article 19 de la Constitution et à l’article 10.2 de la Convention européenne des droits de l’homme. B.5.5. Indépendamment du fait que chacun est tenu de respecter la liberté d’opinion d’autrui constitutionnellement protégée, il résulte de l’article 19 de la Constitution combiné avec l’article 10.2 de la Convention européenne des droits de l’homme que la liberté d’expression peut être soumise à certaines formalités, conditions, restrictions ou sanctions, prévues par la loi, qui constituent, dans une société démocratique, des mesures nécessaires à la protection des objectifs mentionnés dans les dispositions conventionnelles précitées. 7374 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.5.6. Les restrictions sont instaurées par le législateur décrétal et poursuivent, comme il est dit au B.5.4, un but légitime. Seule reste encore posée la question de leur nécessité dans une société démocratique. Ainsi qu’il a été exposé plus haut (B.3.3), les fréquences disponibles dans la Communauté flamande pour les émissions radiophoniques ne sont pas illimitées. Autoriser l’existence de radios privées nationales et régionales émettant par voie hertzienne à côté des radios privées locales et d’agglomération aurait inévitablement pour conséquence que les fréquences disponibles pour la radiodiffusion de service public devraient être réorganisées. Bien qu’elle semble aujourd’hui techniquement possible, une telle mesure nécessiterait, ainsi que le déclare le Gouvernement flamand, des investissements très importants de la part du service public de radiodiffusion et ne créerait qu’un espace limité pour des radios privées nationales ou régionales émettant par voie hertzienne, si l’on ne veut pas porter atteinte aux missions définies par le législateur décrétal et imposées au service public de radiodiffusion. Il peut dès lors être admis que l’interdiction de radios privées nationales ou régionales émettant par voie hertzienne, alors que sont autorisées les radios privées locales et d’agglomération et les radios privées nationales distribuées par câble, répond à une nécessité sociale impérieuse et que le moyen utilisé n’est pas disproportionné à l’objectif visé. On ne se trouve donc pas en présence d’une atteinte illicite et discriminatoire à la liberté d’expression. B.5.7. Le moyen ne peut être admis. Quant au quatrième moyen B.6.1. Dans le quatrième moyen, pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution lus conjointement avec les articles 43 (ancien article 52) et suivants du Traité C.E., les parties requérantes critiquent les dispositions attaquées parce qu’elles impliqueraient que seule la V.R.T. peut s’établir en Belgique pour exercer des activités de radiodiffusion nationale par voie hertzienne. Ainsi, d’autres organismes de radiodiffusion, parmi lesquels des radios privées, verraient entravée de façon discriminatoire leur liberté de s’établir en Belgique afin d’y exercer les mêmes activités. B.6.2. L’article 43 (ancien article 52) du Traité C.E., qui a effet direct dans les Etats membres, dispose que les restrictions à la liberté d’établissement des ressortissants d’un Etat membre dans le territoire d’un autre Etat membre sont interdites. Cette interdiction s’étend également à la création d’agences, de succursales ou de filiales, par les ressortissants d’un Etat membre établis sur le territoire d’un Etat membre. La liberté d’établissement comporte l’accès aux activités non salariées et leur exercice, ainsi que la constitution et la gestion d’entreprises, et notamment de sociétés au sens du deuxième alinéa de l’article 48 (ancien article 58), dans les conditions définies par la législation du pays d’établissement pour ses propres ressortissants, sous réserve des dispositions du chapitre relatif aux capitaux. B.6.3. L’article 43 s’applique exclusivement aux personnes physiques et morales qui ressortissent à un Etat membre de la Communauté européenne et souhaitent exercer de manière durable une activité autre que salariée, dans un autre Etat membre. Les personnes qui ne quittent pas un Etat membre et n’exercent pas leurs activités dans un autre Etat membre ne relèvent pas du champ d’application de la disposition précitée. Par conséquent, seules les première, troisième et quatrième parties requérantes peuvent invoquer cette disposition. Le moyen est irrecevable en tant qu’il est pris par la deuxième partie requérante. B.6.4. Les dispositions attaquées n’empêchent nullement les parties requérantes de s’établir en Belgique, et en particulier dans la Communauté flamande, en vue de l’exercice effectif d’une activité économique au moyen d’une installation stable et pour une durée indéterminée. Elles empêchent par contre les parties requérantes de s’établir en Belgique en vue d’y exercer des activités de radiodiffusion nationale par voie hertzienne dans la Communauté flamande, mais l’interdiction s’applique sans distinction de nationalité et est la conséquence du fait que le législateur décrétal a attribué un droit exclusif en la matière au service public de radiodiffusion, à savoir la V.R.T. Dès lors qu’il est apparu de l’examen du second moyen que l’attribution de ce droit exclusif est conforme à l’article 86 du Traité C.E., il y a lieu de considérer que les restrictions qui en résultent nécessairement en ce qui concerne l’accès au marché ne portent pas atteinte de manière discriminatoire à la liberté d’établissement. B.6.5. Le moyen ne peut être admis. Quant au cinquième moyen B.7.1. Dans le cinquième moyen, pris de la violation des articles 10 et 11 de la Constitution lus conjointement avec les articles 49 (ancien article 59) et suivants du Traité C.E., les parties requérantes critiquent le fait que, suite à l’article 7 du décret attaqué, seules les radios privées établies dans la Communauté flamande peuvent être agréées en vue d’exercer des activités de radiodiffusion par la voie hertzienne, de sorte que les entreprises étrangères voient entravées de manière discriminatoire leur liberté de fournir les mêmes services dans la Communauté flamande. B.7.2. Conformément à l’article 49 du Traité C.E., les restrictions à la libre prestation des services à l’intérieur de la Communauté européenne sont interdites, dans le cadre des dispositions du Traité qui suivent cet article, à l’égard des ressortissants des Etats membres établis dans un pays de la Communauté autre que celui du destinataire de la prestation. L’article 50, premier alinéa, du Traité C.E. considère comme services les prestations fournies normalement contre rémunération, dans la mesure où elles ne sont pas régies par les dispositions relatives à la libre circulation des marchandises, des capitaux et des personnes. Selon l’article 50, deuxième alinéa, il s’agit notamment des activités de caractère commercial. La prestation de service ne doit pas nécessairement être payée par les destinataires du service, mais il doit s’agir de services principalement payés par des fonds privés. Les émissions de radio, en particulier les émissions radiophoniques commerciales, doivent par conséquent être considérées comme des services au sens du Traité. Les articles 49 et suivants peuvent être invoqués par les ressortissants des Etats membres établis dans un pays de la Communauté autre que celui du destinataire de la prestation. Par conséquent, les première, troisième et quatrième parties requérantes peuvent invoquer cette disposition, cependant que la deuxième partie requérante ne le peut pas. Le moyen n’est pas recevable dans son chef. B.7.3. La disposition attaquée – l’article 32, 2°, des décrets de la Communauté flamande relatifs à la radiodiffusion et à la télévision, coordonnés le 25 janvier 1995 – empêche qu’une personne morale dont le siège social est établi en dehors de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, et en particulier celle dont le siège social est établi hors de la zone de desserte de la radio pour laquelle un agrément est accordé, puisse être agréée en tant que radio locale ou d’agglomération. Cette disposition implique que les personnes morales établies dans un autre Etat membre n’entrent pas en ligne de compte en vue de cet agrément. La disposition attaquée concerne donc une restriction, en principe prohibée par l’article 49 du Traité C.E., de la libre prestation de services. 7375BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.7.4. L’interdiction formulée à l’article 49 du Traité C.E. n’est toutefois pas absolue. En vertu de l’article 55 du Traité C.E., un Etat membre peut établir ou maintenir des restrictions à la libre circulation des services en fonction de la provenance du service, sur la base des articles 45 ou 46 du Traité C.E. L’article 46, paragraphe 1, du Traité C.E., lu conjointement avec l’article 55, autorise l’application par les Etats membres de dispositions législatives et administratives prévoyant un régime spécial pour certains services, justifiées notamment par des raisons d’ordre public. Les radios privées visées par les décrets coordonnés relatifs à la radiodiffusion et à la télévision ont pour mission de diffuser une diversité de programmes d’information, de culture et de divertissement dans le but de promouvoir la communication dans leur zone de réception (article 28). Elles remplissent indéniablement une fonction socioculturelle complémentaire à celle du service public national et régional de radiodiffusion et contribuent ainsi au maintien du pluralisme dans les médias. La disposition attaquée qui, à côté d’autres conditions d’agrément mentionnées à l’article 32, tend à garantir le caractère local effectif des radios privées locales et d’agglomération en imposant l’obligation d’établir le siège social et les installations d’émission à l’intérieur de la zone de desserte, cadre avec l’objectif non économique que le législateur décrétal entendait poursuivre et n’est pas disproportionnée à celui-ci. Il est par conséquent satisfait aux conditions d’application de l’article 46, paragraphe 1, du Traité C.E. B.7.5. Le moyen ne peut être admis. Par ces motifs, la Cour rejette le recours. Ainsi prononcé en langue néerlandaise, en langue française et en langue allemande, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, à l’audience publique du 2 février 2000. Le greffier, Le président, L. Potoms. G. De Baets. SCHIEDSHOF [C − 2000/21070]D. 2000 — 642 Urteil Nr. 13/2000 vom 2. Februar 2000 Geschäftsverzeichnisnummer 1590 In Sachen: Klage auf völlige oder teilweise Nichtigerklärung der Artikel 5, 6 und 7 des Dekrets der Flämischen Gemeinschaft vom 7. Juli 1998 zur Abänderung der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen, erhoben von der Gesellschaft luxemburgischen Rechts s.a. Radio Flandria und anderen. Der Schiedshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden G. De Baets und M. Melchior, und den Richtern H. Boel, E. Cerexhe, A. Arts, R. Henneuse und M. Bossuyt, unter Assistenz des Kanzlers L. Potoms, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden G. De Baets, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der Klage Mit einer Klageschrift, die dem Hof mit am 18. Januar 1999 bei der Post aufgegebenem Einschreibebrief zugesandt wurde und am 20. Januar 1999 in der Kanzlei eingegangen ist, erhoben die Gesellschaft luxemburgischen Rechts s.a. Radio Flandria, mit Gesellschaftssitz in L-2320 Luxemburg, boulevard de la Pétrusse 45/47, die Regie Flandria GmbH, mit Gesellschaftssitz in 1930 Zaventem, Tuinwijkstraat 65, Bk. 1, W. Van Aalst, wohnhaft in London (Vereinigtes Königreich), Balham, Park Road 73, J. Soer, wohnhaft in Amsterdam (Niederlande), Prinsengracht 795, J. Otte, wohnhaft in 1930 Zaventem, Borreveldlaan 9, und A. Vandenbrembt, wohnhaft in 9190 Stekene, Kemzekedorp 8, Klage auf völlige oder teilweise Nichtigerklärung der Artikel 5, 6 und 7 des Dekrets der Flämischen Gemeinschaft vom 7. Juli 1998 zur Abänderung der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen (veröffentlicht im Belgisches Staatsblatt vom 18. Juli 1998). II. Verfahren Durch Anordnung vom 20. Januar 1999 hat der amtierende Vorsitzende gemäß den Artikeln 58 und 59 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Schiedshof die Richter der Besetzung bestimmt. Die referierenden Richter haben Artikel 71 bzw. 72 des organisierenden Gesetzes im vorliegenden Fall nicht für anwendbar erachtet. Die Klage wurde gemäßArtikel 76 des organisierenden Gesetzes mit am 2. Februar 1999 bei der Post aufgegebenen Einschreibebriefen notifiziert. Die durch Artikel 74 des organisierenden Gesetzes vorgeschriebene Bekanntmachung erfolgte im Belgisches Staatsblatt vom 13. Februar 1999. Die Flämische Regierung, Martelaarsplein 19, 1000 Brüssel, hat mit am 22. März 1999 bei der Post aufgegebenem Einschreibebrief einen Schriftsatz eingereicht. Dieser Schriftsatz wurde gemäß Artikel 89 des organisierenden Gesetzes mit am 8. und 13. April 1999 bei der Post aufgegebenen Einschreibebriefen notifiziert. Durch Anordnung vom 11. Mai 1999 hat der amtierende Vorsitzende die für die Einreichung eines Erwiderungs schriftsatzes vorgesehene Frist auf Antrag der klagenden Parteien vom 10. Mai 1999 um fünfzehn Tage verlängert. Diese Anordnung wurde den klagenden Parteien mit am 12. Mai 1999 bei der Post aufgegebenen Einschreibe briefen notifiziert. Die klagenden Parteien haben mit am 28. Mai 1999 bei der Post aufgegebenem Einschreibebrief einen Erwiderungsschriftsatz eingereicht. Durch Anordnungen vom 29. Juni 1999 und 23. Dezember 1999 hat der Hof die für die Urteilsfällung vorgesehene Frist bis zum 18. Januar 2000 bzw. 18. Juli 2000 verlängert. DurchAnordnung vom 27. Oktober 1999 hat der amtierende Vorsitzende die Besetzung um den Richter M. Bossuyt ergänzt. 7376 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Durch Anordnung vom 27. Oktober 1999 hat der Hof die Rechtssache für verhandlungsreif erklärt und den Sitzungstermin auf den 25. November 1999 anberaumt. Diese Anordnung wurde den Parteien und deren Rechtsanwälten mit am 28. Oktober 1999 bei der Post aufgegebenen Einschreibebriefen notifiziert. Auf der öffentlichen Sitzung vom 25. November 1999 — erschienen . RÄin C. Bossuyt loco RA P. Maeyaert und RA T. De Meese, in Brüssel zugelassen, für die klagenden Parteien, . RA P. Van Orshoven und RA J. Stuyck, in Brüssel zugelassen, für die Flämische Regierung, — haben die referierenden Richter H. Boel und E. Cerexhe Bericht erstattet, — wurden die vorgenannten Rechtsanwälte angehört, — wurde die Rechtssache zur Beratung gestellt. Das Verfahren wurde gemäß den Artikeln 62 ff. des organisierenden Gesetzes, die sich auf den Sprachengebrauch vor dem Hof beziehen, geführt. III. Gegenstand der angefochtenen Bestimmungen Die klagenden Parteien fordern die teilweise Nichtigerklärung der Artikel 5, 6 und 7 des Dekrets der Flämischen Gemeinschaft vom 7. Juli 1998 zur Abänderung der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen. Diese Bestimmungen lauten: «Art. 5. Artikel 29 der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen wird durch den nachstehenden Text ersetzt: ’ Artikel 29. Jeder Einwohner der Flämischen Gemeinschaft muß einen privaten Rundfunksender hören können. Es gibt zwei Arten von privaten Rundfunksendern: 1 Lokalsender: dieser Rundfunk sendet für einen Teil einer Gemeinde, eine Gemeinde oder eine begrenzte Anzahl aneinandergrenzender Gemeinden; 2 Agglomerationssender: dieser Rundfunk sendet für einen städtischen Ballungsraum, nämlich Antwerpen, Gent und das zweisprachige Gebiet Brüssel-Hauptstadt. Private Rundfunksender strahlen über den Äther aus. Die Flämische Regierung stellt einen Frequenzplan auf, genehmigt ihn und legt die Zahl der Lokal- und Agglomerationssender, die zugelassen werden, fest. Auf der Grundlage des Frequenzplans und der zuzulassenden Anzahl erteilt das ″ Vlaams Commissariaat voor de Media ″ (Flämisches Kommissariat für Medien) den privaten Rundfunksendern auch die Sendegenehmigungen. Die Sendegenehmigung mit den darin festgelegten Parametern bestimmt das Einzugsgebiet einer Sendeanlage eines privaten Rundfunksenders. Bei der Festlegung der Versorgungsgebiete im Frequenzplan werden unter anderem soziale, wirtschaftliche und kulturelle Indikatoren sowie spezifische Bedürfnisse der Zielgruppen berücksichtigt. Das ″ Vlaams Commissariaat voor de Media ″ kann die zugelassenen privaten Rundfunksender im Hinblick auf eine Optimierung des Einzugsgebietes verpflichten, ihre Sendeanlagen zu verlagern oder eine gemeinsame Sendeanlage zu benutzen. Die privaten Rundfunksender können sich innerhalb der Flämischen Gemeinschaft einem Kooperationsverband anschließen. Eine Zusammenarbeit ist möglich auf der Ebene der Informationserfassung, der Programmgestaltung und der Werbeakquisition. Für den Mindestanteil des Eigenprogramms ist die Zusammenarbeit auf der Ebene der Informationserfassung und der Programmgestaltung ausgeschlossen. ’ Art. 6. In Artikel 32 derselben Dekrete wird 1 durch folgendes ersetzt: ’ 1° die privaten Rundfunksender müssen in Form einer Rechtsperson gegründet werden. Der Gesellschaftszweck der Rechtsperson beschränkt sich auf die Erstellung von Rundfunkprogrammen im zugeteilten Einzugsgebiet. Die Mitglieder des Verwaltungsrates dürfen kein politisches Mandat bekleiden und nicht Verwaltungsratsmitglieder einer anderen Rechtsperson sein, die einen privaten Rundfunksender führt. Jede Änderung im Verwaltungsrat der privaten Rundfunksender muß dem ″ Vlaams Commissariaat voor de Media ″ mitgeteilt werden. ’ Art. 7. In Artikel 32 derselben Dekrete wird 2 durch folgendes ersetzt: ’ 2° der Gesellschaftssitz sowie die Produktions- und Sendeanlagen müssen sich im niederländischen Sprachgebiet oder im zweisprachigen Gebiet Brüssel-Hauptstadt und insbesondere innerhalb des Einzugsgebietes des Rundfunk senders, für den eine Zulassung erteilt wurde, befinden. Die Verlagerung der Sendeanlagen innerhalb des Einzugsgebietes des Rundfunksenders, für den eine Zulassung erteilt wurde, ist erlaubt, insofern dies dem Frequenzplan entspricht und die Sendegenehmigung vorher angepaßt wurde; ’«. IV. In rechtlicher Beziehung A – In bezug auf die Zulässigkeit Was die Zulässigkeit ratione temporis betrifft A.1.1. Die klagenden Parteien machen geltend, die Klage sei rechtzeitig eingereicht worden. Selbst wenn die angefochtenen Bestimmungen zum Teil frühere Bestimmungen wörtlich oder inhaltlich übernehmen würden - quod non –, wäre die Klageschrift immer noch ratione temporis zulässig (Urteile Nrn. 124/98, 37/98, 81/95). A.1.2. Die Flämische Regierung ficht dies an. Die Beschränkung des Privatrundfunks auf lokale Rundfunksender sei nicht durch die angefochtenen Dekretsbestimmungen eingeführt worden, die diesbezüglich nichts Neues enthielten. Die Möglichkeit des auf Lokalsender beschränkten Privatrundfunks stamme aus den Jahren 1981-1982. Zwar sei die Beschränkung, die einerseits im königlichen Erlaß vom 20. August 1981 und andererseits im Dekret vom 6. Mai 1982 festgelegt worden sei, in die angefochtenen Dekretsbestimmungen übernommen worden, doch der Dekretgeber habe diesbezüglich keineswegs eine neue Erwägung und somit eine neue Entscheidung erkennen lassen. Im Gegenteil, er habe sich nicht über nationale private Rundfunksender äußern wollen. Außerdem habe er sich nur an vorher bestehende technische Normen gehalten, die den Sendebereich der privaten Rundfunksender beschränkten. Dies habe zur Folge, daß die Kläger in Wirklichkeit nicht das Dekret vom 7. Juli 1998 anfechten würden, sondern das Dekret vom 6. Mai 1982 und gegebenenfalls das Dekret vom 7. November 1990 oder den Erlaß der Flämischen Regierung vom 25. Januar 1995, der durch das Dekret vom 8. März 1995 bestätigt worden sei. In bezug auf all diese Dekrete sei die Frist zum Einreichen einer Nichtigkeitsklage bei weitem verstrichen, so daß die Klagen ratione temporis unzulässig seien (vgl. Urteil Nr. 81/93). 7377BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.1.3. Nach Darlegung der klagenden Parteien wird zu Unrecht auf das Urteil Nr. 81/93 verwiesen. Dieses Urteil besage nämlich deutlich, wenn der Gesetzgeber in eine neue Gesetzgebung eine vorherige Bestimmung übernehme und sich somit deren Inhalt aneigne, verhindere dieser Umstand nicht, daß gegen die übernommene Bestimmung innerhalb von sechs Monaten nach ihrer Veröffentlichung eine Klage eingereicht werden könne. Nur dann, wenn der Gesetzgeber sich darauf beschränke, eine durch den König vorgenommene Koordinierung von bestehenden Bestimmungen zu bestätigen, und der Gesetzgeber eindeutig nicht beabsichtige, in dem betreffenden Sachbereich erneut gesetzgeberisch tätig zu sein, sei eine Nichtigkeitsklage unmöglich. Das angefochtene Dekret beschränke sich keineswegs auf eine bloße Bestätigung von bereits früher bestehenden Bestimmungen. Der Wille des Dekretgebers, erneut in der flämischen Rundfunklandschaft gesetzgeberisch zu handeln, könne in der Tat nicht ernsthaft angefochten werden. Es seien eindeutig eine Reihe neuer Aspekte im Vergleich zur vorher bestehenden Regelung eingeführt worden, was auch durch die Vorarbeiten bestätigt werde. In bezug auf das Interesse A.2.1. Die s.a. Radio Flandria sei eine Gesellschaft luxemburgischen Rechts. Radio Flandria sei ein kommerzieller Rundfunksender, der mit einer luxemburgischen Sendegenehmigung Rundfunksendungen in niederländischer Sprache für den flämischen Markt durchführe. Das Rundfunksignal werde von Luxemburg aus per Satellit an die flämischen Kabelgesellschaften gesendet und sei nur über Kabel zu empfangen. Der Rundfunksender biete seinen Hörern neben einem ununterbrochenen Musikprogramm rund um die Uhr stündlich Nachrichten sowie Wetter- und Verkehrsinformationen. Sowohl die Direktion als auch die Redaktion hätten ein Redaktionsstatut unterschrieben. Die Musikauswahl richte sich an ein breites Publikum und bestehe aus Hits der achtziger Jahre, aktuellen Erfolgen und Evergreens. Etwa 30 % der Musik sei flämischstämmig. Die Unmöglichkeit, Radio Flandria über den Äther zu empfangen, stelle einen erheblichen Nachteil dar. Rundfunk im Kabel unterliege nämlich verschiedenen Beschränkun gen. Über den Äther könne ein viel breiteres Publikum effizienter erreicht werden. Radio Flandria wünsche seine Hörfunkprogramme daher auch über den Äther auszustrahlen. Die angefochtenen Dekretsbestimmungen bildeten hierbei ein erhebliches Hindernis, da sie es nationalen kommerziellen Rundfunksen dern unmöglich machten, über den Äther zu senden. Privatsender, die über den Äther zu senden wünschten, müßten ihre Tätigkeiten auf das Gebiet einer oder einer begrenzten Anzahl aneinandergrenzender Gemeinden oder auf einen städtischen Ballungsraum beschränken. Im heutigen gesetzlichen Rahmen bestehe die einzige Möglichkeit, über den Äther das gesamte flämische Gebiet zu erreichen, also darin, einen Kooperationsverband von Lokal- und Agglomerationsradios zu gründen. Dies sei jedoch weder kommerziell noch technisch eine Alternative. Die angefochtenen Bestimmungen seien also nach Einschätzung der ersten klagenden Partei nachteilig für diese Partei. A.2.2. Die Regie Flandria GmbH sei eine Werberegie, die Werbekunden Werbezeit auf Radio Flandria verkaufe. Das gesetzliche Monopol der «Vlaamse Radio- en Televisieomroep» (V.R.T.) zum Anbieten von nationalem kommerziellem Rundfunk über den Äther, so wie es durch die angefochtenen Dekretsbestimmungen aufrechterhalten werde, wirke sich erheblich auf den abgeleiteten Markt der Rundfunkwerbung in Flandern aus. Während des ersten Halbjahres 1998 seien so fast 94 % der flämischen Investitionen in Rundfunkwerbung an die V.R.T.-Sender geflossen. Die nachteilige Beschaffenheit der angefochtenen Bestimmungen für die zweite klagende Partei bedürfe nach ihrer Auffassung also keines besonderen Beweises. A.2.3. Der dritte und der vierte Kläger seien Geschäftsführer bzw. Verwaltungsratsmitglied der ersten und zweiten klagenden Partei. Sie erlitten nach ihrer Darstellung einen eindeutigen Nachteil durch die Dekretseinschränkungen bezüglich der Zusammensetzung des Verwaltungsrates der Privatsender. Außerdem seien sie als Geschäftsführer bzw. Verwaltungsratsmitglied nach ihrer Darstellung unmittelbar von den Bestimmungen betroffen, die den Tätigkeitsbe reich der Privatsender beschränkten oder festlegten. A.2.4. Der fünfte und der sechste Kläger seien Einwohner der Flämischen Gemeinschaft. Gemäß dem Rundfunkdekret müsse jeder Einwohner der Flämischen Gemeinschaft einen privaten Rundfunksender empfangen können. Das Rundfunkdekret gewährleiste jedoch keineswegs, daß die Kläger die Rundfunksendungen ihrer Wahl hören könnten. Dies sei nach ihrer Einschätzung um so nachteiliger für die Kläger, als man Fernseh- und Hörfunkgebühren zugunsten eines Rundfunksenders auferlege, der auch noch Werbung sende und der nicht notwendigerweise der Sender ihrer Wahl sei. A.2.5. Gemäß der Flämischen Regierung wiesen die klagenden Parteien kein Interesse nach. Die Kläger würden den angefochtenen Dekretsbestimmungen vorwerfen, sie machten es den nationalen kommerziellen Rundfunksendern unmöglich, über den Äther zu senden oder aus dem nationalen Rundfunksender ein Monopol für den öffentlich rechtlichen Rundfunk zu machen. Damit würden sie den angefochtenen Bestimmungen eine falsche Tragweite verleihen, auch wenn sie als solche kein Verbot enthielten oder gar eine Monopolposition schaffen würden. Sie würden hingegen die Möglichkeit schaffen - oder genauer gesagt: sie ließen die seit jeher bestehende Möglichkeit bestehen -, Privatsender zu betreiben, auch wenn diese Möglichkeit auf Sender mit begrenzter Reichweite beschränkt werde. Aus den Vorarbeiten gehe hervor, daß der Dekretgeber sich nicht einmal über nationale Privatsender habe äußern wollen. Im wesentlichen prangerten die Kläger also eine Lücke in den koordinierten Rundfunkdekreten an, die keine nationalen Privatsender vorsähen. Sie widersetzten sich also eigentlich nicht so sehr einem Nachteil, den sie erlitten, sondern einem Vorteil, den andere genössen. Daran hätten sie kein Interesse (Urteil Nr. 38/91). Andererseits würde die von den Klägern geforderte Nichtigerklärung nicht zur Folge haben, daß sie künftig einen nationalen kommerziellen Rundfunksender betreiben dürften, sondern im Gegenteil, sie würde lediglich den status quo ante wiederherstellen, das heißt die ursprünglichen Bestimmungen der koordinierten Rundfunkdekrete, die ebensowenig die Möglichkeit des nationalen Privatsenders vorgesehen hätten. Auch aus diesem Grunde wiesen sie kein Interesse nach (Urteil Nr. 43/94). Hierauf werde man vielleicht erwidern, daß die geforderte Nichtigerklärung eine neue Chance bieten würde für den bisher noch nicht erlaubten nationalen Rundfunk über den Äther. Dies sei jedoch absolut unrealistisch, da einerseits ein frei zugänglicher Äther nicht vorstellbar sei und andererseits das Wegnehmen von Frequenzen des öffentlich-rechtlichen Rundfunks oder von lokalen Rundfunksendern nicht gerechtfertigt sein würde. A.2.6. Die klagenden Parteien machen geltend, daß sie im Gegensatz zu den Behauptungen der Flämischen Regierung nicht gegen eine Lücke in koordinierten Rundfunkdekreten vorgingen, sondern gegen Einschränkungen, die das angefochtene Dekret im Bereich des Betreibens privater Rundfunktätigkeiten über den Äther auferlege. Es bedürfe keines Beweises, daß die ersten vier Kläger hierdurch in ihrer Rechtslage unmittelbar und nachteilig betroffen würden. Die Einschränkungen durch das Dekret machten es ihnen nämlich unmöglich, nationale kommerzielle Rundfunktä tigkeiten über den Äther zu entwickeln und so mit gleichen Waffen den Kampf gegen die V.R.T.-Rundfunknetze auf dem flämischen Markt der Rundfunkwerbung aufzunehmen. Der fünfte und der sechste Kläger würden unmittelbar und nachteilig von den angefochtenen Bestimmungen betroffen, die ihre Möglichkeit, das Rundfunkprogramm ihrer Wahl zu hören, erheblich einschränkten. Daß die geforderte Nichtigerklärung den status quo ante wiederherstellen 7378 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE würde, könne nicht angenommen werden. Die Flämische Regierung übersehe offensichtlich, daß die Kläger nur die teilweise Nichtigerklärung des angefochtenen Dekrets forderten. Im übrigen berücksichtige der Hof eher den Umstand, daß der Kläger durch die Nichtigerklärung erneut Aussichten auf eine günstigere Regelung habe (Urteile Nrn. 109/98 und 128/98). Zur Hauptsache Erster Klagegrund A.3.1. Der erste Klagegrund sei abgeleitet aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, «indem, erster Teil, die angefochtenen Dekretsbestimmungen private Rundfunksender, die über den Äther senden, verpflichten, sich auf das Gebiet einer oder mehrerer Gemeinden oder auf das Gebiet eines städtischen Ballungsraums zu beschränken, während der öffentlich-rechtliche Rundfunk, die Aktiengesellschaft öffentlichen Rechts V.R.T., sich an die gesamte Flämische Gemeinschaft wenden kann; indem, zweiter Teil, die angefochtenen Dekretsbestimmungen private Rundfunksender, die über den Äther senden, verpflichten, sich auf das Gebiet einer oder mehrerer Gemeinden oder auf das Gebiet eines städtischen Ballungsraums zu beschränken, während den Kabelsendern die Freiheit gewährt wird, sich an die gesamte Flämische Gemeinschaft zu wenden». A.3.2. Die klagenden Parteien machen, was den ersten Teil betrifft, geltend, daß die V.R.T.-Sender und die anderen Sender, die über den Äther ausstrahlten, zu perfekt vergleichbaren Kategorien gehörten. Die V.R.T. habe die Form einer Aktiengesellschaft angenommen und sei berechtigt, amWettbewerb um die Werbeeinkünfte aus dem flämischen Markt für Rundfunkwerbung teilzunehmen. Der einzige Unterschied zwischen der V.R.T. und den Privatsendern bestehe im öffentlichen Rundfunkauftrag der V.R.T. Der Behandlungsunterschied zwischen dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk und den anderen Sendern, die über den Äther ausstrahlten, könne nicht durch ein objektives und vernünftig gerechtfertigtes Kriterium erklärt werden. Der offizielle Ausgangspunkt, aufgrund dessen die heutige Regelung nationale Privatsender über den Äther ausschließe, sei das sogenannte «Knappheitsargument». Diese Knappheit sei jedoch künstlich geschaffen worden durch eine ineffiziente Verwaltung des verfügbaren Spektrums infolge der unverantwortlichen Zuteilung von Frequenzen (14.5 MHz oder drei Viertel des verfügbaren Spektrums) an die V.R.T. durch die Flämische Regierung. Der Europäische Gerichtshof für Menschenrechte habe in seinem Urteil vom 24. November 1993 im übrigen ausdrücklich festgehalten, daß das Knappheitsargument nicht mehr angenommen werden könne angesichts des technologischen Fortschritts der letzten Jahrzehnte. Gerade weil in Flandern diesem technologischen Fortschritt nicht Rechnung getragen würde, werde die sogenannte Knappheit aufrechterhalten. Auch wenn man annehmen würde, quod non, daß eine Frequenzknappheit bestehe und daß der öffentliche Rundfunkauftrag der V.R.T. es erfordere, daß sie in der gesamten Flämischen Gemeinschaft über den Äther empfangen werden könne, sei dennoch anzumerken, daß die angewandten Mittel im vorliegenden Fall nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel ständen. Um den öffentlichen Rundfunkauftrag zu erfüllen, sei es zunächst nicht notwendig, den Sendern der V.R.T. alle verfügbaren Frequenzen zwischen 87.6 und 102.1 MHz vorzubehalten. Europakommissar Van Miert habe in seinem Schreiben vom 4. März 1997 bestätigt, daß die der V.R.T. vorbehaltene Bandbreite nicht im Verhältnis zur Zielsetzung des öffentlichen Interesses stehe. Darüber hinaus stehe die Zielsetzung, nämlich die Gewährleistung des öffentlichen Rundfunkauftrags, nicht im Verhältnis zum grundsätzlichenAusschluß der nationalen Privatsender. Es gebe nämlich keine ausreichendenAlternativen für die Privatsender; weder das Senden über Kabel mit den damit verbundenen Einschränkungen (Immobilität, Begrenzung der Anzahl Anschlüsse, unvollständige Deckung) noch der Ausbau eines Netzes von Lokalsendern (infolge zahlreicher bedeutender Hindernisse, wie der finanzielle Aspekt und die erforderliche Infrastruktur, die Einschränkungen in bezug auf die Programmgestaltung und die Verwaltung) gestatteten es ihnen, diesen faktischen Zustand zu ändern. Die anderen angewandten Mittel, nämlich die zwingende Einschränkung des Gesellschaftszwecks sowie die zwingende Festlegung des Gesellschaftssitzes und der Produktions- und Sendeanlagen im Sendegebiet des Radios, seien nicht nur unvernünftig, sondern auch nicht sachdienlich. Es sei nämlich nicht einzusehen, inwiefern diese den Privatsendern auferlegten Einschränkungen für die Verwirklichung des öffentlichen Rundfunkauftrags der V.R.T. notwendig seien. Aus diesen angewandten Mitteln würden erneut die tatsächlichen politisch-wirtschaftlichen Absichten des Dekretgebers deutlich, nämlich das Rundfunkmonopol der V.R.T. über den Äther aufrechterhalten. A.3.3. Die klagenden Parteien machen in bezug auf den zweiten Teil geltend, daß die angefochtenen Bestimmungen eine grundsätzliche Diskriminierung zwischen Privatsendern, die über den Äther ausstrahlten und dies nur für ein beschränktes Sendegebiet tun dürften, und den Kabelsendern, die auf nationaler Ebene tätig sein dürften und somit nicht an ein beschränktes Sendegebiet gebunden seien, einführten. Bei beiden Kategorien handele es sich um private Rundfunksender ohne öffentlichen Rundfunkauftrag. Der einzige Unterschied sei das angewandte Medium. Für die unterschiedliche Behandlung gebe es kein vernünftiges und objektives Kriterium. DasArgument der Knappheit könne jedenfalls nicht geltend gemacht werden. A.3.4. Die Flämische Regierung merkt ihrerseits an, die Kläger hätten offensichtlich kein Interesse daran, als Lokal oder Agglomerationssender zugelassen zu werden. Sie seien somit nicht Opfer der im ersten Klagegrund angeprangerten Einschränkung des Sendegebietes, so daß der Klagegrund mangels Interesse unzulässig sei. A.3.5. Zur Hauptsache bemerkt die Flämische Regierung, der Gesetzgeber verfüge über eine umfassende Ermessensbefugnis, so daß diese Beurteilung vor dem Hof, der eine Rechtmäßigkeits- und nicht eine Opportunitäts kontrolle ausübe, nur dann angefochten werden könne, wenn sie offensichtlich unvernünftig sei, das heißt, wenn es gemäß einer allgemein angenommenen Rechtsüberzeugung nicht denkbar sei, daß eine vernünftig entscheidende Obrigkeit eine solche Beurteilung abgeben könnte. Die Behandlungsungleichheit zwischen dem über Äther ausstrahlenden Privatsender sowie dem öffentlich rechtlichen Rundfunk einerseits und diesen gleichen Lokal- und Agglomerationssendern und den privaten Kabelsendern andererseits laufe auf eine Begrenzung des Durchbruchs des öffentlichen Monopols in Sachen Rundfunk auf den Lokal- und Agglomerationssender einerseits und den Kabelsender andererseits hinaus. Die Rechtfertigung dieser Begrenzungen bilde somit gleichzeitig die Rechtfertigung für die angeprangerten ungleichen Behandlungen, und sie umfasse drei Teile. Zunächst gehe es um die technische Frage der Belgien und der innerhalb dieses Landes der Flämischen Gemeinschaft zustehenden Radiofrequenzen. Gleich, was die Kläger behaupten mögen, habe die technische Entwicklung der letzten Jahre selbstverständlich mehr Raum geschaffen, doch habe sie das Problem der Knappheit, das dem Äther eigen sei, nicht aufgehoben, so wie es unter anderem aus der von Alcatel Telecom im Auftrag der Flämischen Gemeinschaft durchgeführten Studie hervorgehe, in der auf die Sättigung des flämischen Äthers hingewiesen werde. Bei den Vorarbeiten zu den flämischen Rundfunkdekreten sei dieses Problem mehrfach hervorgehoben worden, und es sei auf spektakuläre Weise ans Licht gekommen, als die Französische Gemeinschaft 7379BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Rundfunksender mit einer größeren Leistung zugelassen habe. Die Sättigung des Äthers habe zur Folge, daß ein privater, nationaler Sender nur möglich sei, wenn entweder dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk oder aber den anderen Privatsendern Frequenzen entzogen würden. Die von den Klägern aufgeworfene Rechtsfrage beziehe sich somit im wesentlichen auf die exklusive Zuteilung von knappen Mitteln an den öffentlich-rechtlichen Rundfunk und an die Lokal- und Agglomerationssender. Was den öffentlich-rechtlichen Rundfunk betreffe, bedeute das Abnehmen einer Gruppe von Frequenzen, daß nur ein einziger nationaler Privatsender möglich werde. Dann stelle sich die Frage, wie dies zu rechtfertigen sei, da eine neue ungleiche Behandlung entstehe zwischen einem einzigen nationalen Privatsender und allen anderen Privatsen dern. Auf diese Weise würde man ein privates Monopol schaffen. Im Gegensatz zu den Behauptungen der Kläger seien der öffentlich-rechtliche und der private Rundfunk nicht vollständig vergleichbar. In jedem Fall sei die ungleiche Behandlung einer öffentlich-rechtlichen Einrichtung und aller privaten Einrichtungen eher zu rechtfertigen als die ungleiche Behandlung einer Privateinrichtung im Vergleich zu allen anderen. So entspreche auch das Monopol eines privaten Fernsehunternehmens, das europarechtliche Probleme verursacht habe, nicht dem damaligen öffentlichen Fernseh- und Rundfunkmonopol. Sodann erfülle der öffentlich-rechtliche Rundfunk eine Aufgabe öffentlichen Interesses, wogegen das Bedürfnis oder das Interesse von rein kommerziell geprägten nationalen Privatsendern – a fortiori, wenn diese sich ausdrücklich auf «Hits der achtziger Jahre, aktuelle Erfolge und Evergreens» beschränken wollten - nicht ins Gewicht falle. Der öffentlich-rechtliche Rundfunk sei verpflichtet, die Gruppen zu erreichen, die durch keinen einzigen Sender angesprochen würden, und dabei handele es sich zunächst um die – am wenigsten zahlreichen – Hörer von Radio 1 und von Radio 3. Natürlich habe der Privatsektor ein Auge auf diese Sender geworfen, wahrscheinlich weil er davon ausgehe, daß sie am ehesten aufgegeben werden könnten, doch es sei nicht daran zu zweifeln, daß derselbe Privatsektor die Hörer dieser Sender nicht übernehmen werde. Andererseits dürfe der öffentlich-rechtliche Rundfunk nicht verpflichtet werden, sich auf die geringste und deshalb vom kommerziellen Rundfunk vernachlässigte Zielgruppe zu beschränken, da der größten Zielgruppe in diesem Fall der öffentliche Dienst vorenthalten werde, der offensichtlich nicht durch den Privatsektor geleistet werde. Vielleicht sei es zutreffend, daß die der V.R.T. zugewiesenen Frequenzen nicht optimal genutzt würden. Dies sei jedoch das Ergebnis einer langen Entwicklung, die ohne immense Investitionen nicht ohne weiteres rückgängig gemacht werden könne. Dies sei auch nicht notwendigerweise möglich, da nicht sicher sei, ob man die erforderlichen Baugenehmigungen werde erhalten können. Die Optimierung würde bestenfalls Raum für einen einzigen nationalen kommerzielles Sender schaffen, so daß die enorme Investition den dürftigen Ertrag nicht aufwiege. Was den Vorzug für Lokalsender betreffe, müsse zunächst darauf hingewiesen werden, daß ein einziger nationaler Privatsender nur geschaffen werden könne, indem man viele Lokal- oder Agglomerationssender opfere. Sodann sei anzumerken, daß das faktische Verbot, das den Privatrundfunk treffe, nicht so sehr abgeschafft worden sei, weil die technischen Entwicklungen die Gründung solcher Rundfunksender ermöglicht hätten, sondern weil man damit einem wichtigen gesellschaftlichen Bedürfnis entsprochen habe, nämlich der Entwicklung und Betreuung des örtlichen sozio-kulturellen Gefüges, was die lokalen Sender mit Begeisterung aufgegriffen hätten. Für die Erfüllung von sozio-kulturellen Funktionen im örtlichen Rahmen habe sich der öffentlich-rechtliche Rundfunk als weniger geeignet erwiesen. Der infolge der technischen Entwicklungen entstandene Raum sei genutzt worden, um die Komplementarität zwischen dem öffentlich-rechtlichen und dem privaten Rundfunk zu festigen; der erstere sei zuständig für die nationalen und regionalen Sender, der letztere für den örtlichen Bedarf. Dennoch sei im angefochtenen Dekret die Möglichkeit vorgesehen, daß Lokal- undAgglomerationssender freiwillig teilweise auf ihr örtliches Statut verzichteten, und zwar durch die Methode eines Kooperationsabkommens. Zwar beschränke sich diese Zusammenarbeit auf die Informationserfassung, auf die Programmgestaltung und auf die Werbeakquisition und sei sie ausgeschlossen für den minimalen Anteil der eigenen Programmgestaltung, doch dies werde wiederum durch die sozio-kulturellen Zielsetzungen gerechtfertigt. Auch aus diesem Grund sei die ungleiche Behandlung der Lokal- und der Agglomera tionssender nicht unverhältnismäßig; was nicht typisch örtlich sei, könne national sein. A.3.6. Im Gegensatz zu der Behauptung der Flämischen Regierung hätten die ersten drei Kläger tatsächlich ein Interesse am Statut eines Privatsenders, jedoch nur insofern die Einschränkungen, die in bezug auf den Umfang des Sendegebietes mit diesem Statut verbunden seien, aufgehoben würden. Die Flämische Regierung gehe von einem falschen Standpunkt aus, da (1) die Frequenzknappheit auf dem FM-Band großenteils künstlich sei und sich namentlich aus einer ineffizienten Verwaltung des Spektrums ergebe und (2) auf dem FM-Band Raum für nationalen kommerziellen Rundfunk geschaffen werden könne, ohne daß dies auf Kosten des öffentlich-rechtlichen Rundfunks oder der Lokal- und Agglomerationssender geschehe. Die von der Flämischen Regierung zitierte sogenannte Alcatel-Studie sei zu Recht stark kritisiert worden, unter anderem durch die «Vlaamse Federatie van lokale radio’s», durch die Vertreter von «Broadcast Partners» und durch den Vizepräsidenten der «Vereniging van Vlaamse Onafhankelijke Radio’s». Der geringe Wert dieser Studie gehe auch aus den Erklärungen des Ingenieurs, der sie erstellt habe, während der Vorarbeiten hervor. Der Hinweis auf die Vorarbeiten der achtziger Jahre und des Beginns der neunziger Jahre sei vollkommen irrelevant angesichts der technischen Entwicklung. Neben den bereits in der Klageschrift angeführten neuralgischen Punkten in bezug auf die ineffiziente Verwaltung des FM-Bandes in Flandern müsse auch auf die Empfehlung 412 des Sektors «Radiokommu nikation» der Internationalen Fernmeldeunion verwiesen werden, die im Hinblick auf den Schutz der Sendungen vor Störungen einen Frequenzabstand von 400 kHz vorsehe, während in Flandern Frequenzabstände von 600 kHz angewandt würden und die V.R.T. selbst diesen Abstand nicht einhalte. Man müsse auch moderne Techniken berücksichtigen, wie das Near Single Frequency Networking und das Single Frequency Networking, die beispielsweise in den Niederlanden angewandt würden. Die fünf Sender der V.R.T. würden auf diese Weise mit nur 10 oder höchstens 15 Frequenzen statt der jetzigen 32 Frequenzen zurechtkommen. Aus den Plänen der V.R.T., ein neues nationales Rundfunknetz auf dem FM-Band ins Leben zu rufen, werde deutlich, daß die Techniker der V.R.T. selbst offensichtlich noch ausreichend Raum sähen, um einen zusätzlichen nationalen Sender einzuführen. Mehrere politische Parteien seien der Auffassung, daß das Argument der Knappheit heute nicht mehr haltbar sei. Die Frequenzplanung in Wallonien und in den Nachbarländern mache deutlich, daß eine andere Vorgehensweise möglich sei und daß dadurch weder die Aufgabe des öffentlich-rechtlichen Rundfunks noch die Existenz der vom Gesetzgeber gewünschten Lokalsender beeinträchtigt werde. Hilfsweise verweisen die Kläger darauf, daß die bloße Tatsache, daß die Flämische Regierung sich selbst weigere, einen einzigen nationalen kommerziellen Sender zuzulassen, dessen Möglichkeit sie ausdrücklich anerkenne, deutlich darauf hinweise, daß der Verhältnismäßigkeitsgrundsatz im vorliegenden Fall verletzt werde. Die Argumentation der Flämischen Regierung sei in diesem Punkt vollkommen falsch. Die Flämische Regierung könne selbstverständlich nicht eine ungerechtfertigte Diskriminierung aufrechterhalten, indem sie sich hinter einer eventuellen neuen Diskriminie rung verstecke, die möglicherweise entstehen könnte, wenn die erste Diskriminierung aufgehoben worden sei. Das 7380 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Ausfüllen des auf dem FM-Band verfügbaren Raums durch einen einzigen oder eine beschränkte Anzahl nationaler kommerzieller Sender könne problemlos auf nicht diskriminierende Weise geschehen, beispielsweise über ein Zulassungsverfahren, wobei die Bewerber ausgesucht und die verfügbaren Frequenzen aufgrund von objektiven und vernünftig gerechtfertigten Kriterien zugewiesen würden. Zweiter Klagegrund A.4.1. Der zweite Klagegrund sei abgeleitet aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit der Handels- und Gewerbefreiheit sowie mit den Artikeln 86 (alt) und 90 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags, «indem die angefochtenen Dekretsbestimmungen ohne vernünftige und objektive Rechtfertigung das gesetzliche Monopol der V.R.T. im Bereich des nationalen Rundfunks über den Äther aufrechterhalten, dies zum Nachteil der Freiheit der Privatsender, nationale kommerzielle Rundfunktätigkeiten zu entfalten, so daß diese Sender auch im Wettbewerb mit der V.R.T. auf dem abgeleiteten Markt der Rundfunkwerbung in Flandern benachteiligt werden». Die klagenden Parteien machen geltend, daß die in den Artikeln 10 und 11 der Verfassung vorgesehenen Regeln der Gleichheit und Nichtdiskriminierung auf alle Rechte und Freiheiten und somit auch auf die Freiheit von Handel und Gewerbe sowie das Recht auf freien Wettbewerb anwendbar seien, die einen verfassungsmäßigen Wert erhalten hätten. Die angefochtenen Bestimmungen verletzten die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 86 (alt) und 90 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags. Die nationalen Sender, die über den Äther ausstrahlten, würden von der Definition der Privatsender ausgeschlossen. Folglich werde das Monopol des öffentlich-rechtlichen Rundfunks auf dem Markt des nationalen, über den Äther ausstrahlenden kommerziellen Rundfunks aufrechterhalten, und diese Situation stehe imWiderspruch zuArtikel 86 (alt) des EG-Vertrags. Die V.R.T. verfüge über eine beherrschende Stellung auf dem entsprechenden Markt, und sie werde unweigerlich diese Stellung mißbrauchen. Dies stehe im Widerspruch zum EG-Vertrag, wie dies aus dem ERT-Urteil des Europäischen Gerichtshofes vom 18. Juni 1991 ersichtlich sei. Es sei ebenfalls auf das Urteil Nr. 37/95 des Schiedshofes zu verweisen. A.4.2. Die Flämische Regierung führt dagegen an, daß die Kläger weder argumentierten, daß die angefochtenen Bestimmungen die Handelsfreiheit einschränkten, ohne daß hierfür irgendeine Notwendigkeit bestehe (Urteil Nr. 29/96), noch daß sie die Handelsfreiheit auf eine Weise einschränkten, die offensichtlich nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel stehe (Urteil Nr. 57/98). Bei der Prüfung des ersten Klagegrundes habe die Flämische Regierung nachgewiesen, daß die angefochtenen Bestimmungen einer Zielsetzung des öffentlichen Interesses dienten und daß sie notwendig seien, um dieses Ziel zu erreichen. Der Teil des Klagegrundes, der auf die Handelsfreiheit verweise, sei somit auch, insofern dies erforderlich sei, widerlegt. A.4.3. Es sei nach Ansicht der Flämischen Regierung nicht ganz einzusehen, wie der Zusammenhang zwischen der in den Artikeln 10 und 11 der Verfassung ausgedrückten Gleichheitsregel mit den von den Klägern geltend gemachten EG-Wettbewerbsregeln zu verstehen sei. Das gemeinsame Erwähnen dieser Bestimmungen mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung reiche selbstverständlich nicht als Klagegrund aus, um die Nichtigkeit eines Dekrets wegen Verletzung des EG-Vertrags zu fordern. Im übrigen sei auch der Verweis auf die Artikel 86 (alt) und 90 Absatz 1 (alt) an sich unpräzise und in jedem Fall mißbräuchlich. Artikel 90 (alt) sei selbst eine Referenznorm. Artikel 86 (alt) seinerseits verbiete die mißbräuchliche Ausnutzung einer beherrschenden Stellung durch ein Unternehmen, soweit der Handel zwischen Mitgliedstaaten dadurch beeinträchtigt werde. Die mißbräuchliche Ausnutzung könne unter anderem in einer Diskriminierung bestehen, und ein Mitgliedstaat könne im Widerspruch zu Artikel 90Absatz 1 (alt) handeln, indem er ein Unternehmenmit einer beherrschenden Stellung in eine Situation bringe, in der es unweigerlich diese beherrschende Stellung mißbrauchen werde, indem es beispielsweise andere Unterneh men aus dem Verkehr des Wirtschaftsaustauschs ausschließe oder indem es Käufer diskriminiere. Eine Maßnahme, die im Widerspruch zu Artikel 90 Absatz 1 (alt) stehe, verstoße nicht per se gegen den Gleichheitsgrundsatz. Mehr noch, im System des EG-Vertrags werde eine ungleiche Behandlung von Unternehmen als Grundsatz angenommen, da Artikel 90 Absatz 1 (alt) ohne weiteres davon ausgehe, daß es Unternehmen gebe, insbesondere öffentlich-rechtliche Unternehmen, denen ausschließliche oder besondere Rechte verliehen würden. Die Kläger wiesen nicht nach, daß der Dekretgeber oder die Flämische Regierung gegen den Gleichheitsgrundsatz verstoßen hätte, indem er beziehungsweise sie der V.R.T. besondere Rechte verliehen habe. Sie begnügten sich mit einem Verweis auf ein obiter dictum aus dem Urteil Nr. 37/95. In dieser Rechtssache habe der Kläger auf die Artikel 3 Buchstabe f) (alt), 86 (alt) und 90 (alt) des EG-Vertrags verwiesen, da sie Belgacom erlaubt hätten, Normsetzungsbefugnisse zu behalten. Die Flämische Regierung erlaube sich die Anmerkung, daß dieser Verweis falsch sei, weil Artikel 90 (alt) sich nicht auf die Übertragung von Normsetzungsbefugnissen an ein Unternehmen beziehe. Eine solche Übertragung könne im Widerspruch zu Artikel 5 (alt) in Verbindung mit 85 (alt) oder 86 (alt) des EG-Vertrags stehen. Schließlich führten die Kläger das Urteil Nr. 37/95 nur teilweise an. Mit anderen Worten, der im vorliegenden Fall nicht einmal festgestellte Verstoß gegen den Gleichheitsgrundsatz habe nur aus einer besonderen Bestimmung der belgischen Gesetzgebung abgeleitet werden können, die (in Ausführung der spezifischen europäischen Regelung über die Liberalisierung des Telekommunikationssektors) ausdrücklich die Gleichheit des Wettbewerbs zwischen den öffentlich-rechtlichen Unternehmen und den Privatunternehmen im betreffenden Sektor vorgesehen habe. Folglich sei zu schlußfolgern, daß die Kläger nicht nachwiesen, daß der Dekretgeber gegen den Gleichheitsgrundsatz verstoßen habe. A.4.4. Hilfsweise möchte die Flämische Regierung für den Fall, daß der Hof dennoch den Standpunkt vertreten sollte, er könne im Rahmen des zweiten Klagegrundes die angefochtenen Bestimmungen anhand von Artikel 90 Absatz 1 (alt) in Verbindung mit Artikel 86 (alt) des EG-Vertrags prüfen, folgendes anmerken. (i) Die Flämische Regierung streite nicht ab, daß die V.R.T. ein Unternehmen im Sinne der obenerwähnten Bestimmungen sei. (ii) Die V.R.T. sei ein öffentlich-rechtliches Unternehmen, dem der flämische Dekretgeber ein besonderes Statut im Bereich des Rundfunks verliehen habe. (iii) Der flämische Dekretgeber müsse aufgrund von Artikel 90 Absatz 1 (alt) auf alle Maßnahmen verzichten, die gegen die Wettbewerbsregeln verstießen, darunter Artikel 86 (alt) des EG-Vertrags. (iv) Artikel 86 (alt) des EG-Vertrags untersage, insofern der Handel zwischen Mitgliedstaaten davon betroffen sein könnte, die mißbräuchliche Ausnutzung einer beherrschenden Stellung auf dem Gemeinsamen Markt oder auf einem wesentlichen Teil desselben durch ein oder mehrere Unternehmen. (v) Als öffentlich-rechtliches Unternehmen mit einem Auftrag des allgemeinen wirtschaftlichen Interesses gelange die V.R.T. jedoch gegebenenfalls in den Genuß der Ausnahme von Artikel 90 Absatz 2 (alt) des EG-Vertrags. Gemäß dieser Bestimmung gälten für Unternehmen, die mit Dienstleistungen von allgemeinem wirtschaftlichem Interesse betraut seien oder den Charakter eines Finanzmonopols hätten, nur die Vorschriften des Vertrags, insbesondere die Wettbewerbsregeln, soweit die Anwendung dieser Vorschriften nicht die Erfüllung der ihnen übertragenen besonderen Aufgabe rechtlich oder faktisch verhindere. Die Entwicklung des Handelsverkehrs dürfe nicht in einem Ausmaß beeinträchtigt werden, das dem Interesse der Gemeinschaft zuwiderlaufe. (vi) Schließlich besage Artikel 90 Absatz 3 (alt), daß die Kommission auf die Anwendung dieses Artikels achte und erforderlichenfalls geeignete Richtlinien oder Entscheidungen an die Mitgliedstaaten richte. 7381BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Die Europäische Kommission habe von dieser Zuständigkeit Gebrauch gemacht, indem sie Richtlinien im Telekommunikationssektor angenommen habe, jedoch nicht im Mediensektor. Eine bekannte Entscheidung der Kommission aufgrund dieser Bestimmung sei die Entscheidung, in der es geheißen habe, das der V.T.M. gewährte ausschließliche Recht für kommerzielles Fernsehen in Flandern stehe im Widerspruch zu Artikel 90 Absatz 1 (alt) in Verbindung mit Artikel 52 (alt). Da feststehe, daß die V.R.T. ein öffentlich-rechtliches Unternehmen im Sinne von Artikel 90 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags sei, sehe die Flämische Regierung ein, daß sie in bezug auf die V.R.T. auf Maßnahmen verzichten müsse, mit denen die V.R.T. unweigerlich die beherrschende Stellung, über die sie gegebenenfalls verfügen würde, mißbrauchen würde. Da es sich im vorliegenden Fall angeblich um einen Verstoß gegen Artikel 90 Absatz 1 (alt) in Verbindung mit Artikel 86 (alt) des EG-Vertrags handele, müßten die Kläger nacheinander nachweisen: (a) daß der Handel zwischen Mitgliedstaaten beeinträchtigt würde; (b) daß die V.R.T. über eine beherrschende Stellung auf dem relevanten Markt verfüge; (c) daß die V.R.T. ihre beherrschende Stellung mißbrauche; (d) daß das besondere oder ausschließliche Recht, das der V.R.T. gewährt worden sei, unweigerlich zu einem solchen Mißbrauch führe. Falls die Kläger diesen Beweis erbringen sollten, würden die angefochtenen Bestimmungen noch mit dem Vertrag vereinbar sein, wenn (e) sie für den öffentlichen Rundfunkauftrag der V.R.T. notwendig seien. Es gelinge den klagenden Parteien nicht, nachzuweisen, daß die obenerwähnten Bedingungen erfüllt seien. Jedenfalls seien die Anwendungsbedingungen von Artikel 90 Absatz 2 (alt) erfüllt. A.4.5. Nach Darlegung der Kläger stehe es außer Zweifel, daß die angefochtenen Bestimmungen ihre Handels- und Gewerbefreiheit einschränkten. Sie würden nämlich gezwungen, diese Tätigkeiten auf einige angrenzende Gemeinden oder einen städtischen Ballungsraum zu begrenzen, falls sie in Flandern kommerzielle Rundfunktätigkeiten über den Äther aufzunehmen wünschten. Der öffentlich-rechtliche Rundfunk V.R.T. unterliege hingegen nicht solchen Einschränkungen. Die angefochtenen Bestimmungen erlegten der Handels- und Gewerbefreiheit zumindest weiterge hende Einschränkungen auf, als das, was mit der geltend gemachten, großenteils künstlichen Frequenzknappheit zu rechtfertigen sei, so daß gegen das Erfordernis der Verhältnismäßigkeit verstoßen werde. Zur Freiheit von Handel und Gewerbe gehöre auch die Wettbewerbsfreiheit. Ein Verstoß gegen die Artikel 86 (alt) und 90 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags stelle daher auch einen Verstoß gegen die Handels- und Gewerbefreiheit dar. Der Zusammenhang zwischen den Artikeln 10 und 11 der Verfassung sowie den Artikeln 86 (alt) und 90 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags bestehe darin, daß die Kläger durch die angefochtenen Bestimmungen in diskriminierender Weise ihrer Freiheit beraubt würden (im Vergleich zu Kabelsendern und zum öffentlich-rechtlichen Rundfunk), sich tatsächlich am Wettbewerb um die Werbeeinnahmen auf dem flämischen Rundfunkmarkt zu beteiligen. Die fünf von der Flämischen Regierung angeführten Bedingungen, damit von einem Verstoß gegen Artikel 90 Absatz 1 (alt) in Verbindung mit Artikel 86 (alt) des EG-Vertrags die Rede sein könne, würden sehr wohl erfüllt. Die V.R.T. verfüge über eine beherrschende Stellung auf dem relevanten Markt, nämlich diejenige der nationalen Rundfunksendungen über den Äther, da sie ein Monopol auf diesem Markt besitze. Somit verfüge sie auch über eine substantielle beherrschende Stellung auf dem Markt für Rundfunkwerbung. Die V.R.T. mißbrauche diese beherr schende Stellung, da die Existenz eines anderen ausschließlichen Rechtes an sich bereits ausreiche, um vomMißbrauch auszugehen. Das Ausschalten jeglicher Konkurrenz auf dem Markt der nationalen Rundfunkwerbung über den Äther müsse als Mißbrauch betrachtet werden. Das Monopol der V.R.T. für nationalen kommerziellen Rundfunk über den Äther könne den Handel zwischen den Mitgliedstaaten beeinträchtigen. Der flämische Rundfunkmarkt sei ein wesentlicher Teil des Gemeinsamen Marktes, und das Monopol des öffentlich-rechtlichen Rundfunks könne die Wettbewerbsstruktur auf diesem wesentlichen Teil des Gemeinsamen Marktes beeinträchtigen, so daß dies an sich schon zu einer Beeinflussung des zwischenstaatlichen Handels führe. Es hindere auch ausländische Unternehmen, wie den ersten Kläger, daran, sich am Wettbewerb um die Etats der Rundfunkwerbung zu beteiligen. Die angefochtenen Bestimmungen seien nicht notwendig für den Rundfunkauftrag der V.R.T., und sie seien deshalb nicht gedeckt durch Artikel 90 Absatz 2 (alt) des EG-Vertrags. Das Protokoll über den öffentlich-rechtlichen Rundfunk in den Mitgliedstaaten bestätige die Regel von Artikel 90 Absatz 2 (alt) des EG-Vertrags. Die Finanzierung des öffentlich rechtlichen Rundfunks dürfe nur von denWettbewerbsregeln abweichen, insofern die Verwirklichung des Auftrags des öffentlichen Dienstes dies erfordere. Es sei in keiner Weise notwendig, die V.R.T. aus fast jeder Form des Wettbewerbs sowohl auf dem Markt des nationalen Rundfunks über den Äther als auch auf dem Markt der nationalen Rundfunkwerbung über den Äther auszuklammern, damit die V.R.T. die Möglichkeit habe, ihren öffentlichen Rundfunkauftrag zu erfüllen. Auf dem FM-Band könne ausreichend Raum für nationalen kommerziellen Rundfunk über den Äther geschaffen werden, ohne die fünf nationalen Rundfunknetze der V.R.T. zu gefährden. Die V.R.T. verfüge über eine indexgebundene Dotation von mindestens 7,6 Milliarden Franken, und die flämische Obrigkeit habe sich im Geschäftsführungsvertrag verpflichtet, die Dotation für den öffentlich-rechtlichen Rundfunk zu erhöhen, falls die Werbeeinnahmen infolge einer gesetzlichen Änderung niedriger ausfallen sollten. Schließlich stelle sich die Frage, ob «Studio Brussel» und «Radio Donna» zum öffentlichen Rundfunkauftrag der V.R.T. gezählt werden könnten. Dritter Klagegrund A.5.1. Der dritte Klagegrund sei abgeleitet aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit der Freiheit der Meinungsäußerung, die durch Artikel 10 der Europäischen Menschenrechtskonven tion und Artikel 19 der Verfassung gewährleistet werde, «indem die angefochtenen Dekretsbestimmungen die Freiheit von Privatsendern, Rundfunkprogramme über den Äther für die gesamte Flämische Gemeinschaft auszustrahlen, einschränken, während weder dem öffentlich rechtlichen Rundfunk noch den Kabelsendern gleichartige Einschränkungen auferlegt werden». Die klagenden Parteien machen geltend, daß die Freiheit der Meinungsäußerung, die in Artikel 10 der Europäischen Menschenrechtskonvention festgehalten sei, als Kernstück der Demokratie zu betrachten sei. Dieser Artikel habe einen weiten Anwendungsbereich, sowohl in bezug auf die Medien als auch in bezug auf die verschiedenen Phasen der Kommunikation. Er schütze kommunikative Handlungen, wie die Freiheit, Informationen zu erfassen, und die Freiheit des Empfangs. Die Verweigerung der Zulassung eines nationalen Privatsenders über den Äther sei ein unzulässiger Eingriff öffentlicher Behörden, der einen Verstoß gegen das Recht der Hörer, Nachrichten und Ideen zu empfangen, und gegen das Recht der Sender, Nachrichten oder Ideen über dieses Medium ohne Eingriffe öffentlicher Behörden und ohne Rücksicht auf Landesgrenzen zu vermitteln, darstelle. Es bestehe keine zwingende gesellschaftliche Notwendigkeit, mit der dieser Eingriff zu rechtfertigen sei. Der Dekretgeber berufe sich auf das Argument der Knappheit, das nicht zu einem der in Artikel 10 Absatz 2 aufgezählten Rechtfertigungsgründe gehöre, wie aus dem Urteil des Europäischen Gerichtshofes für Menschenrechte in der Sache Lentia hervorgehe. Die angefochtene Einschränkung der Freiheit der Meinungsäußerung wirke sich diskriminierend aus, da sie nur den Privatsendern auferlegt werde, die über den Äther ausstrahlen möchten, und nicht der V.R.T. oder den Kabelsendern. 7382 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE A.5.2. Die Flämische Regierung merkt an, daß die Kläger im wesentlichen die Beschwerden des ersten Klagegrundes wiederholten, auch wenn sie diese nun als einen Verstoß der Ausdrucksfreiheit darlegten. Der Klagegrund sei unzulässig, da aus seiner Darlegung hervorgehe, daß er im wesentlichen aus dem Verstoß gegen die Freiheit der Meinungsäußerung abgeleitet sei. Der Hof sei nicht zuständig, um über solche Klagegründe zu befinden. Auch insofern die Kläger den angeführten Verstoß gegen die Freiheit der Meinungsäußerung mit einem Verstoß gegen den Gleichheitsgrundsatz in Verbindung brächten, sei der Klagegrund unzulässig, da dies nur auf künstliche Weise geschehen sei, offensichtlich um die Einschränkung der Zuständigkeit des Hofes zu umgehen. Im übrigen sei die Ausdrucksfreiheit nicht unbegrenzt. Im vorliegenden Fall seien die diesbezüglichen Erfordernisse von Artikel 10 Absatz 2 der Europäischen Konvention erfüllt, so wie es bei der Behandlung des ersten Klagegrundes dargelegt worden sei. Darüber hinaus sei das Urteil des Europäischen Gerichtshofes für Menschenrechte in der Sache Lentia weit weniger radikal, als die Kläger vorgäben. Aus der Randnummer 42 dieses Urteils – in der es um die derzeitige Lage in Flandern gehe – gehe hervor, daß der Klagegrund der Kläger vielleicht vor der Regularisierung der Lokalsender im Jahr 1982 relevant gewesen wäre, doch jetzt ohne Zweifel nicht mehr. A.5.3. Die klagenden Parteien merken an, daß sie sich im Gegensatz zu den Behauptungen der Flämischen Regierung keineswegs auf das bloße Anfechten eines Verstoßes gegen die Freiheit der Meinungsäußerung als solche beschränkten. Letzten Endes wehrten sie sich dagegen, daß die Einschränkungen der Freiheit der Meinungsäußerung nur für Privatsender über den Äther und nicht für den öffentlich-rechtlichen Rundfunk und für die Kabelsender gelten würde, obwohl für diese ungleiche Behandlung keine objektiven und vernünftig gerechtfertigten Gründe beständen. Angesichts der künstlichen Beschaffenheit der Frequenzknappheit könne diese Knappheit nicht als objektive und vernünftige Rechtfertigung für die ungleiche Einschränkung der Freiheit der Meinungsäußerung der Privatsender über den Äther dienen. Diese Knappheit könne ebensowenig die Grundlage bilden für zwingende gesellschaftliche Bedürfnisse in einer demokratischen Gesellschaft, von denen in Artikel 10 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechts konvention die Rede sei, so wie es aus der Rechtsprechung des Europäischen Gerichtshofes für Menschenrechte hervorgehe. Die Flämische Regierung lege das Urteil in der Sache Lentia im übrigen falsch aus. Vierter Klagegrund A.6.1. Der vierte Klagegrund sei abgeleitet aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 52 (alt) ff. des EG-Vertrags, «indem die angefochtenen Bestimmungen beinhalten, daß nur die V.R.T. sich in Belgien niederlassen kann, um nationale Rundfunktätigkeiten über den Äther auszuüben, so daß andere Rundfunkorganisationen, darunter Privatsender, in diskriminierender Weise in ihrer Freiheit, sich in Belgien niederzulassen, um die gleichen Tätigkeiten auszuüben, behindert werden». Die klagenden Parteien führen an, daß Artikel 52 (alt) des EG-Vertrags die Aufhebung der Behinderungen der Freiheit der Niederlassung von Angehörigen eines Mitgliedstaates auf dem Gebiet eines anderen Mitgliedstaates verlange. Das Monopol der V.R.T., um für ganz Flandern Rundfunkwerbung über den Äther auszustrahlen, schließe alle aus anderenMitgliedstaaten stammenden Rundfunkorganisationen aus, die sich in Flandern niederlassen oder eine Zweigniederlassung einrichten wollten, um über den Äther für ganz Flandern bestimmte Werbebotschaften über den Rundfunk auszustrahlen. Es handele sich ohne jeden Zweifel um eine protektionistische Zielsetzung und eine protektionistische Wirkung. Solche verborgenen Formen der Diskriminierung und der protektionistischen Wirkung müßten angenommen werden, falls sie sich aus zwingenden Gründen des Gemeinwohls als gerechtfertigt erwiesen, falls sie geeignet seien, die Verwirklichung der Zielsetzung zu gewährleisten, und falls sie nicht über das zur Verwirklichung dieses Ziels Erforderliche hinausgingen. Diese Rechtfertigungsgründe lägen im vorliegenden Fall jedoch nicht vor. A.6.2. Die Flämische Regierung merkt an, daß die Kläger den Zusammenhang zwischen den obenangeführten Verfassungsbestimmungen und Artikel 52 (alt) des EG-Vertrags nicht erläuterten. Der Klagegrund sei folglich bereits aus diesem Grunde mangelhaft. Die Betrachtungen der Kläger zum vorgeblichen Verstoß gegen Artikel 52 (alt) des EG-Vertrags seien äußerst knapp und erlaubten es nicht, zu verstehen, wie der vorgebliche Widerspruch zwischen den angefochtenen Bestimmungen und Artikel 52 (alt) aufzufassen sei. Es stehe jedenfalls fest, daß die angefochtenen Bestimmungen die Niederlassung von Privatsendern in Flandern keineswegs behinderten. Der Hinweis auf die V.T.M.-Entscheidung der Europäischen Kommission sei nicht ernsthaft. Die V.R.T. sei nämlich ein öffentlich-rechtlicher Rundfunk. Der Klagegrund sei somit eindeutig unbegründet. A.6.3. Nach Darlegung der klagenden Parteien liegt dem Klagegrund die Feststellung zugrunde, daß die sich aus den angefochtenen Dekretsbestimmungen ergebenden Einschränkungen der Niederlassungsfreiheit nicht in gleichem Maße für den öffentlich-rechtlichen Rundfunk und die Privatsender gelten würden. Die Kläger bemängelten, daß aufgrund der angefochtenen Bestimmungen nur die V.R.T. in Belgien nationale Rundfunktätigkeiten über den Äther ausüben könne, während Privatsender über den Äther auf diskriminierende Weise in ihrer Freiheit, sich in Belgien niederzulassen, um gleichartige Tätigkeiten auszuüben, behindert würden. Es sei deutlich, daß das Monopol der V.R.T., für ganz Flandern bestimmte Rundfunkprogramme und Werbung über den Äther auszustrahlen, alle ausländischen Unternehmen ausschließe, die sich in Flandern niederlassen oder eine Zweigniederlassung einrichten möchten, um über den Äther den gleichen Dienst anzubieten. Die bloße Feststellung, daß die V.R.T. ein öffentlich-rechtlicher Rundfunk sei, genüge nicht, um die diskriminierenden Einschränkungen der Niederlassungsfreiheit zu rechtfertigen. Die V.R.T. weise keineswegs nach, daß die Erfüllung des öffentlichen Rundfunkauftrags es erfordere, daß andere Rundfunkeinrichtungen sich nicht in Flandern niederlassen dürften, um nationale kommerzielle Rundfunktätigkeiten über den Äther zu entfalten, oder daß diese Behinderung im Verhältnis zu dieser gemeinnützigen Aufgabe stehe. Fünfter Klagegrund A.7.1. Der fünfte Klagegrund sei abgeleitet aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 59 (alt) ff. des EG-Vertrags, «indemArtikel 7 des Dekrets vom 7. Juli 1998 beinhaltet, daß nur in der Flämischen Gemeinschaft niedergelassene Privatsender zugelassen werden können, um Rundfunktätigkeiten über den Äther auszuüben, so daß ausländische Unternehmen auf diskriminierende Weise in ihrer Freiheit behindert würden, die gleichen Dienste in der Flämischen Gemeinschaft anzubieten». 7383BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Die klagenden Parteien führen an, daß die Grundsätze der Gleichheit und Nichtdiskriminierung in bezug auf den freien Dienstleistungsverkehr es untersagten, für die Erbringung von Dienstleistungen in einem Mitgliedstaat zu unterscheiden zwischen den Personen, die in diesem Mitgliedstaat niedergelassen seien, und den Personen, die in einem anderen Mitgliedstaat niedergelassen seien. Artikel 7 des angefochtenen Dekrets verstoße gegen die obengenannten Regeln, da er vorschreibe, daß der Gesellschaftssitz und die Produktionsanlagen der Privatsender sich im niederländischen Sprachgebiet oder im zweisprachigen Gebiet Brüssel-Hauptstadt befinden müßten, genauer gesagt innerhalb des Einzugsgebietes, für das dem Sender die Zulassung erteilt werde. Folglich könnten die Unternehmen, die in einem anderen Mitgliedstaat der Europäischen Union ihren Sitz hätten, keine Rundfunktätigkeit über den Äther in Flandern ausüben. Dieser Verstoß gegen den Grundsatz des freien Dienstleistungsverkehrs sei nicht zu rechtfertigen. Die Rechtfertigungsgründe von Artikel 56 Absatz 1 (alt) des EG-Vertrags seien einschränkend. Das Vorschreiben des Niederlassungsortes scheine durch das Bestreben bedingt zu sein, die Verbindung des Senders mit dem Einzugsgebiet zu gewährleisten, doch dieser Grund lasse sich nicht in die obengenannte Bestimmung einfügen. Außerdem stehe das angewandte Mittel nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel. Die Zielsetzung könne nämlich durch andere Mittel erreicht werden, die im übrigen bereits weitgehend im bestehenden gesetzlichen Rahmen vorgesehen seien. A.7.2. Die Flämische Regierung merkt an, die Kläger würden anerkennen, daß nur von einem Verstoß gegen Artikel 59 (alt) die Rede sein könne, wenn die angefochtene Maßnahme nicht zur Verwirklichung einer gemeinnützigen Zielsetzung gerechtfertigt sei, doch sie behaupteten, die angefochtene Bestimmung diene keineswegs einer gemeinnützigen Zielsetzung oder das gewählte Mittel stehe zumindest nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel. Die angefochtene Bestimmung finde per definitionem nur Anwendung auf Rundfunksender, die in Flandern niedergelassen seien. Das Dekret finde selbstverständlich nicht Anwendung auf Rundfunksender mit Sitz außerhalb Flanderns, da die flämische Obrigkeit keine extraterritoriale Rechtsbefugnis bezüglich des Rundfunks besitze. Der internationale Empfangsbereich von Rundfunksendungen über den Äther (und die Verteilung von Rundfunkfrequen zen) werde gemäß Vereinbarungen innerhalb der Internationalen Fernmeldeunion festgelegt. Artikel 59 (alt) finde nur Anwendung auf Behinderungen des grenzüberschreitenden Dienstleistungsverkehrs durch Mitgliedstaaten. Die Kläger gingen jedoch davon aus, daß die angefochtene Bestimmung unter das Verbot von Artikel 59 (alt) falle. Der Klagegrund sei eindeutig unbegründet. A.7.3. Nach Darlegung der klagenden Parteien weise die Flämische Regierung keineswegs nach, daß im vorliegenden Fall die Verpflichtung, daß der Gesellschaftssitz und die Produktionsanlagen der Privatsender im niederländischen Sprachgebiet oder im zweisprachigen Gebiet Brüssel-Hauptstadt, genauer gesagt innerhalb des Einzugsgebiets des Senders, gelegen sein müßten, im Lichte der unter der rule of reason dargelegten Rechtfertigungs gründe gerechtfertigt sei. Es falle auf, daß die Flämische Regierung nicht anfechte, daß die Maßnahme in jedem Fall nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel stehe, nämlich der Gewährleistung eines engen Bezugs des Senders mit dem Einzugsgebiet. Diese Zielsetzung könne nämlich durch andere Mittel erreicht werden, die im übrigen bereits weitgehend im bestehenden rechtlichen Rahmen vorgesehen seien. Ferner dürfe einer ständigen Rechtsprechung zufolge ein Mitgliedstaat nicht allgemein verbieten, daß bestimmte Dienstleistungen durch Unternehmen mit Sitz in anderen Mitgliedstaaten erbracht würden, weil dies auf die Abschaffung der Dienstleistungsfreiheit hinauslaufen würde. Es sei in der Tat so, daß die Flämische Regierung keine extraterritoriale Rechtsbefugnis in bezug auf Rundfunk besitze. Dies bedeute konkret, daß das Dekret territorial nur Anwendung finde auf Sender, denen in Flandern Frequenzen zugeteilt worden seien. Dies bedeute jedoch keineswegs, daß die Flämische Regierung nicht mehr zuständig wäre, sobald ein Sender seinen Gesellschaftssitz in einem anderen Mitgliedstaat habe. B – In bezug auf die Zulässigkeit B.1.1. Die Flämische Regierung führt an, die Klage sei unzulässig, weil die Einschränkung des Privatrundfunks auf Lokalrundfunk nicht durch die angefochtenen Bestimmungen eingeführt worden sei, sondern durch eine Regelung, deren Frist zum Einreichen einer Nichtigkeitsklage seit langem abgelaufen sei. Zwar habe der Dekretgeber die bestehenden Einschränkungen in die angefochtenen Bestimmungen übernommen, doch er habe diesbezüglich keineswegs neue Erwägungen und somit eine neue Entscheidung erkennen lassen. B.1.2. Wenn der Gesetzgeber in eine neue Gesetzgebung eine alte Bestimmung einfügt und somit deren Inhalt übernimmt, verhindert dieser Umstand grundsätzlich nicht - außer im Falle einer bloßen Kodifikation -, daß gegen die übernommene Bestimmung innerhalb von sechs Monaten nach ihrer Bekanntmachung eine Klage eingereicht werden kann. Die Einrede der Unzulässigkeit ratione temporis kann nicht angenommen werden. B.2.1. Die Flämische Regierung ficht das Interesse der klagenden Parteien an der von ihnen geforderten Nichtigerklärung an. B.2.2. Die angefochtenen Bestimmungen beziehen sich auf Privatsender, die über den Äther ausstrahlen. Innerhalb der Flämischen Gemeinschaft sind nur Lokalsender und Agglomerationssender als Privatsender zugelassen. Um zugelassen werden zu können und zu bleiben, müssen sie eine Reihe strenger Bedingungen erfüllen. Die angefochtenen Bestimmungen schließen regionale und nationale private, insbesondere kommerzielle, Rundfunksender aus. B.2.3. Die erste klagende Partei, die Gesellschaft luxemburgischen Rechts s.a. Radio Flandria, ist ein kommerzieller Rundfunksender, der mit einer luxemburgischen Sendegenehmigung Rundfunksendungen in niederländischer Sprache durchführt, die für den flämischen Markt bestimmt sind und derzeit über Kabel verbreitet werden. Sie ist unmittelbar und in ungünstigem Sinne von den Bestimmungen betroffen, die sie daran hindern, ihre Programme für die gesamte Flämische Gemeinschaft über den Äther auszustrahlen. Die zweite klagende Partei, die Regie Flandria GmbH, ist eine Werberegie, die Werbekunden Werbezeit auf Radio Flandria verkauft. Sie ist in ihrer Lage unmittelbar und in ungünstigem Sinne von den angefochtenen Bestimmungen betroffen, die sie daran hindern, Werbezeit für den gesamten flämischen Markt der Rundfunkwerbung zu verkaufen. Die dritte und die vierte klagende Partei, W. Van Aalst und J. Soer, sind in ihrer Eigenschaft als geschäftsführendes Verwaltungsratsmitglied bzw. Verwaltungsratsmitglied der ersten klagenden Partei und Geschäftsführer der zweiten klagenden Partei ebenfalls in ihrer Lage unmittelbar und in ungünstigem Sinne betroffen, insbesondere durch die Bestimmung, die sie daran hindert, Mitglied des Verwaltungsrates anderer Rechtspersonen zu sein, die Privatsender führen. 7384 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Der Umstand, daß eine etwaige Nichtigerklärung Bestimmungen wieder einführt, die sie in ihren Möglichkeiten ebensosehr oder noch mehr einschränken können als die angefochtenen Dekretsbestimmungen, leistet dem keinen Abbruch. Sie erhalten nämlich trotzdem eine neue Chance, daß ihre Lage günstiger geregelt wird. B.2.4. Die fünfte und die sechste klagende Partei, J. Otte und A. Vandenbrembt, berufen sich auf ihre Eigenschaft als Einwohner der Flämischen Gemeinschaft. Die angefochtenen Bestimmungen würden ihre Möglichkeit, Rundfunk programme ihrer Wahl zu hören, erheblich einschränken. Die von ihnen angefochtenen Bestimmungen wirken sich nur indirekt auf ihre Lage aus. Somit weisen sie nicht das rechtlich erforderliche Interesse nach. Die Klage ist unzulässig, insofern sie durch die fünfte und die sechste klagende Partei eingereicht wurde. Zur Hauptsache Was den ersten Klagegrund betrifft B.3.1. Im ersten, aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung abgeleiteten Klagegrund bemängeln die klagenden Parteien den durch die angefochtenen Bestimmungen eingeführten Behandlungsunterschied zwischen einerseits Privatsendern, die über den Äther ausstrahlen und sich auf das Gebiet einer oder mehrerer Gemeinden oder auf das Gebiet einer Agglomeration beschränken müssen, und andererseits der Aktiengesellschaft öffentlichen Rechts V.R.T. (Vlaamse Radio- en Televisieomroep) und den Kabelsendern, die sich an die gesamte Flämische Gemeinschaft wenden können. B.3.2. Gemäß den Vorarbeiten zum angefochtenen Dekret dient dieses dazu, durch eine Reihe von Änderungen an den die Lokalsender betreffenden Bestimmungen der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen eine pragmatische Antwort auf das Problem der Lebensfähigkeit der Lokalsender zu erteilen (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 1997-1998, Nr. 763/1, SS. 2 und 3). Aus den Vorarbeiten zum angefochtenen Dekret geht ferner hervor, daß der Dekretgeber nicht von der früheren Entscheidung abweichen wollte, den nationalen Rundfunk über den Äther dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk vorzubehalten und den kleinräumigen lokalen Rundfunk über den Äther der Privatinitiative vorzubehalten (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 1997-1997, Nr. 763/4, SS. 4, 18 und 19). B.3.3. Die Beurteilung des Stellenwertes, der in bezug auf Rundfunksendungen über den Äther der öffentlichen oder der privaten Initiative zugeordnet werden soll, stellt ein Opportunitätsurteil dar, das dem zuständigen Dekretgeber obliegt. Der Hof würde seine Befugnis überschreiten, wenn er mit seiner Beurteilung dieses Punktes an die Stelle dieser Entscheidung des Dekretgebers treten würde. Die Prüfung des Hofes bezieht sich jedoch auf die objektive Beschaffenheit des Unterschieds, die Übereinstim mung der Maßnahmen mit dem angestrebten Ziel und dem Bestehen eines vernünftigen Zusammenhangs zwischen den angewandten Mitteln und dem angestrebten Ziel. Der Behandlungsunterschied zwischen den freien Radios und dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk beruht auf dem objektiven Kriterium der öffentlich-rechtlichen oder privaten Beschaffenheit der Rechtsperson, die die Rundfunksendungen organisiert. Unter anderem angesichts der begrenzten Anzahl der für Rundfunksendungen innerhalb der betreffenden Gemeinschaft verfügbaren Frequenzen und selbst in der Annahme, daß die verfügbaren Frequenzen auf rationellere Weise genutzt werden könnten, wird der Behandlungsunterschied durch den spezifischen gemeinnützigen Auftrag des öffentlich-rechtlichen Rundfunks gerechtfertigt, unter anderem durch die Gewährleistung einer Mindestinformation, die allen Teilen der Gesellschaft zugänglich ist, und er beruht nicht auf lukrativen Erwägungen, mit denen nur die kommerziell interessanten Zielgruppen angesprochen werden. B.3.4. Der Behandlungsunterschied zwischen den öffentlich-rechtlichen und den privaten Rundfunksendern, die über den Äther ausstrahlen, steht hinsichtlich des Sendegebietes - und vorbehaltlich der Prüfung der anderen Klagegründe - nicht im Widerspruch zu den Artikeln 10 und 11 der Verfassung. B.3.5. Der Umstand, daß private Kabelsender sich, im Gegensatz zu den über den Äther ausstrahlenden Privatsendern, an die gesamte Flämische Gemeinschaft wenden können, kann nicht zu einer anderen Schlußfolgerung führen. Das Unterscheidungskriterium für diesen Behandlungsunterschied ist objektiv und sachdienlich. Als Medium unterscheiden sich die Kabelsender nämlich wesentlich von den über den Äther ausstrahlenden Sendern hinsichtlich ihrer Zugänglichkeit sowohl für die Hörer als auch für die Sender. Die Möglichkeiten des Empfangs sind begrenzter, denn sie hängen von der Verfügbarkeit von Kabelverbindungen und -anschlüssen sowie vom Angebot der Kabelgesellschaften ab. Die Ausstrahlungsmöglichkeiten hängen von den unterschiedlichen technischen Möglichkeiten der einzelnen Kabelgesellschaften und der Erfüllung der erforderlichen Vereinbarungen zwischen den Rundfunksen dern und den Kabelgesellschaften in bezug auf die Verteilung des Signals ab. Der Behandlungsunterschied in bezug auf das Sendegebiet zwischen privaten Kabelsendern und privaten Sendern, die über den Äther ausstrahlen, ist hinsichtlich der Zielsetzung nicht unverhältnismäßig. Das Erlauben der Möglichkeit zu nationalen privaten Kabelsendern schadet, im Gegensatz zu dem, was mit nationalen Privatsendern, die über den Äther ausstrahlen, der Fall sein könnte, nicht dem Sendegebiet der privaten Lokalradios und entspricht somit der Zielsetzung, die der Dekretgeber sich selbst gesetzt hat. B.3.6. Der erste Klagegrund ist nicht annehmbar. Was den zweiten Klagegrund betrifft B.4.1. Im zweiten, aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit der Handels und Gewerbefreiheit sowie mit denArtikeln 82 (ex-Artikel 86) und 86Absatz 1 (ex-Artikel 90 Absatz 1) des EG-Vertrags abgeleiteten Klagegrund bemängeln die klagenden Parteien den Umstand, daß die angefochtenen Bestimmungen ohne vernünftige und objektive Rechtfertigung das gesetzliche Monopol der V.R.T. zum nationalen Rundfunk über den Äther aufrechterhalten, dies auf Kosten der Freiheit der Privatsender, nationale kommerzielle Rundfunktätigkeiten zu entfalten, so daß diese Sender auch im Wettbewerb mit der V.R.T. auf dem abgeleiteten Markt für Rundfunkwerbung in Flandern benachteiligt würden. 7385BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.4.2. Die Artikel 10 und 11 der Verfassung haben eine allgemeine Tragweite. Sie untersagen jegliche Diskriminierung, ungeachtet deren Ursprungs; die Verfassungsvorschriften der Gleichheit und des Diskriminierungs verbots gelten angesichts aller Rechte und aller Freiheiten, einschließlich derjenigen, die sich aus internationalen Verträgen ergeben, welche für Belgien verbindlich sind, durch einen Zustimmungsakt in der innerstaatlichen Rechtsordnung anwendbar gemacht wurden und direkte Wirkung haben. B.4.3. Die Artikel 82 (ex-Artikel 86) und 86 Absätze 1 und 2 (ex-Artikel 90 Absätze 1 und 2) des Vertrags zur Gründung der Europäischen Gemeinschaft, der zuletzt durch den Amsterdamer Vertrag vom 2. Oktober 1997 abgeändert wurde, betreffen solche Rechte und Freiheiten. Artikel 82 des EG-Vertrags verbietet die mißbräuchliche Ausnutzung einer beherrschenden Stellung auf dem Gemeinsamen Markt oder auf einem wesentlichen Teil desselben durch ein oder mehrere Unternehmen, soweit dies dazu führen kann, den Handel zwischen Mitgliedstaaten zu beeinträchtigen. Obwohl Artikel 82 sich auf das Verhalten von Unternehmen bezieht, nicht auf gesetzliche, verwaltungsrechtliche oder andere Maßnahmen der Mitgliedstaaten, hat dieser Artikel dennoch zur Folge, daß diese keine Maßnahmen ergreifen oder aufrechterhalten dürfen, die den Wettbewerbsvorschriften ihren Nutzen entziehen können (EuGH, 16. November 1977, INNO, 13/77, Slg. 1977, 2155, Randnrn. 31 und 32; EuGH, 23. April 1991, Höfner und Elser, C-41/90, Slg. 1991, I-2017, Randnr. 26; EuGH, 18. Juni 1991, ERT, C-260/89, Slg. 1991, I-2960, Randnr. 35; EuGH, 19. Mai 1993, Corbeau, C-320/91, Slg. 1993, I-2567, Randnrn. 10 und 11). Aufgrund von Artikel 86 Absatz 2 unterliegen Unternehmen, die mit Dienstleistungen von allgemeinem wirtschaftlichem Interesse betraut sind, weiterhin den Wettbewerbsregeln, solange nicht nachgewiesen ist, daß die Anwendung dieser Bestimmungen mit der Erfüllung der ihnen übertragenen besonderen Aufgabe unvereinbar ist (EuGH, 30. April 1974, Sacchi, 155/73, Slg. 1974, S. 430, Randnrn. 14 und 15; EuGH, 3. Oktober 1985, CBEM/CLT und IPB, 311/94, Slg. 1985, S. 3275, Randnr. 17; EuGH, 23. April 1991, Höfner und Elser, C-41/90, Slg. 1991, I-2017, Randnr. 24; EuGH, 18. Juni 1991, ERT, C-260/89, Slg. 1991, I-2957-2961, Randnrn. 10 und 33). Im Vertrag spricht nichts dagegen, daß die Mitgliedstaaten aus Gründen allgemeinen Interesses nicht wirtschaftlicher Art Rundfunk- und Fernsehsendungen, einschließlich Sendungen über Kabel, dem Wettbewerb entziehen, indem sie einer oder mehreren Einrichtungen ein ausschließliches Recht gewähren. Insbesondere können Unternehmen, die mit der Führung von Diensten allgemeinen wirtschaftlichen Interesses beauftragt sind, der Anwendung der Wettbewerbsregeln des Vertrags entgehen, insofern Einschränkungen des Wettbewerbs anderer Marktteilnehmer - oder gar der Ausschluß jeglichen Wettbewerbs - notwendig sind, um die Erfüllung der ihnen übertragenen besonderen Aufgabe zu gewährleisten (EuGH, 19. Mai 1993, Corbeau, C-320/91, Slg. 1993, I-2533, Randnr. 14; EuGH, 27. April 1991, Almelo, Slg. 1994, C-393/92, I-1520, Randnr. 46). B.4.4. Im vorliegenden Fall ist davon auszugehen, daß die Entscheidung des Dekretgebers, den nationalen Rundfunk über den Äther dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk vorzubehalten, auf Gründen des allgemeinen Interesses nicht wirtschaftlicher Art beruht, insbesondere der Gewährleistung des öffentlichen Rundfunkauftrags, so wie er in den Artikeln 8, 23, 27, 27bis, 27ter und 27quater der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen festgelegt und in dem in Artikel 16 dieser Dekrete vorgesehenen Geschäftsführungsvertrag beschrieben ist. Der Dekretgeber vertrat den Standpunkt, daß es, um es der V.R.T. zu ermöglichen, diesen besonderen gemeinnützigenAuftrag ordnungsgemäß auszuführen, notwendig war, denWettbewerb durch nationale kommerzielle Sender über den Äther auszuschließen. Es ist nicht ersichtlich, daß dieses Konzept auf einer eindeutig falschen Einschätzung beruht. In diesem Zusammenhang ist auf Artikel 16 (ex-Artikel 7 d) des Vertrags und insbesondere auf das Protokoll Nr. 32 vom 2. Oktober 1997 über den öffentlich-rechtlichen Rundfunk in den Mitgliedstaaten zu verweisen. B.4.5. Sollte es zutreffen, daß sich aus Artikel 29 der koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen ein Behandlungsunterschied zwischen der V.R.T. und den lokalen Privatsendern in bezug auf die Werbung ergibt, ist dies gerechtfertigt, insofern die V.R.T. über ein Monopol für nationale Sendungen über den Äther verfügt und dieses Monopol untrennbar mit den ihr erteilten Aufgaben des öffentlichen Dienstes und des allgemeinen Interesses verbunden ist. B.4.6. Die klagenden Parteien verweisen auch auf die Handels- und Gewerbefreiheit. Die Handels- und Gewerbefreiheit kann jedoch nicht als eine absolute Freiheit ausgelegt werden. Der zuständige Gesetzgeber kann dazu veranlaßt sein - sei es im Wirtschaftssektor oder in anderen Sektoren -, die Handlungsfreiheit der betroffenen Personen oder Unternehmen einzuschränken, was sich notwendigerweise auf die Handels- und Gewerbefreiheit auswirkt. Gegen die Handels- und Gewerbefreiheit würde nur verstoßen, falls der Dekretgeber diese Freiheit einschränken würde, ohne daß hierzu eine Notwendigkeit bestände, oder falls diese Einschränkung eindeutig nicht im Verhältnis zum angestrebten Ziel stände oder diesem Grundsatz in solcher Weise Abbruch leisten würde, daß die Wirtschaftsunion dadurch gefährdet würde. Aus den unter B.3.4 und B.4.4 dargelegten Erwägungen geht hervor, daß dies im vorliegenden Fall nicht zutrifft. B.4.7. Der Klagegrund ist nicht annehmbar. Was den dritten Klagegrund betrifft B.5.1. Im dritten Klagegrund, der aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit der durch Artikel 10 der Europäischen Menschenrechtskonvention und Artikel 19 der Verfassung gewährleisteten Freiheit der Meinungsäußerung abgeleitet ist, bemängeln die klagenden Parteien den Umstand, daß die angefochtenen Dekretsbestimmungen die Freiheit für Privatsender, Rundfunkprogramme über den Äther für die gesamte Flämische Gemeinschaft auszustrahlen, einschränkten, während dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk oder den Kabelsendern keine gleichartigen Einschränkungen auferlegt würden. B.5.2. Nach Darlegung der Flämischen Regierung sei der Klagegrund unzulässig, insofern ein unmittelbarer Verstoß gegen das Recht auf freie Meinungsäußerung angeführt werde. Der Klagegrund ist jedoch aus dem Verstoß gegen die Grundsätze der Gleichheit und Nichtdiskriminierung in Verbindung mit der Freiheit der Meinungsäußerung abgeleitet. Er ist daher zulässig. 7386 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.5.3. Die Freiheit der Meinungsäußerung ist eine der tragenden Säulen der demokratischen Gesellschaft. Das Recht auf Freiheit der Meinungsäußerung umfaßt gemäß Artikel 10 Absatz 1 der Europäischen Menschen rechtskonvention die Freiheit zum Empfang und zur Mitteilung von Nachrichten und Ideen ohne Eingriffe öffentlicher Behörden und ohne Rücksicht auf Landesgrenzen. Die angefochtenen Bestimmungen schränken das Recht der klagenden Parteien ein, Nachrichten oder Ideen mitzuteilen. B.5.4. Das Recht auf freie Meinungsäußerung ist jedoch nicht absolut. Artikel 10 Absatz 1 letzter Satz der obenerwähnten Konvention besagt zunächst, daß der Artikel nicht ausschließt, daß die Staaten Rundfunk-, Lichtspiel- oder Fernsehunternehmen einem Genehmigungsverfahren unterwerfen. Der Gegenstand und der Zweck dieser Bestimmung sind im Lichte des vollständigen Artikels 10 zu betrachten, insbesondere des Artikels 10 Absatz 2, dem die Zulassungsmaßnahmen weiterhin unterliegen (Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte, 28. März 1990, Groppera Radio AG et autres c. Suisse, Serie A, Nr. 173, S. 24, § 61; 22. Mai 1990, Autronic AG c. Suisse, Serie A, Nr. 178, S. 24, § 52; 24. November 1993, Informationsverein Lentia et autres, Serie A, Nr. 276, SS. 13 und 14, § 29). Artikel 10 Absatz 1 letzter Satz dient der Präzisierung, daß die Staaten durch ein Genehmigungsverfahren die Rundfunksendungen auf ihrem Gebiet regeln können, insbesondere deren technische Aspekte. Andere Überlegungen können ebenfalls zur Erteilung oder zur Verweigerung von Genehmigungen führen, wie Überlegungen bezüglich der Art und der Zielsetzungen einer künftigen Station, die Möglichkeit der Einfügung auf nationaler, regionaler oder lokaler Ebene, die Rechte und Bedürfnisse eines bestimmten Publikums und die sich aus internationalen Rechtsinstrumenten ergebenden Verpflichtungen (Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte, 14. November 1993, Informationsverein Lentia et autres, Serie A, Nr. 276, S. 15, § 32; 20. Oktober 1997, Radio ABC c. Autriche, Recueil des arrêts et décisions, 1997-VI, S. 2199, § 33). Das durch den Dekretgeber eingeführte System, das den nationalen und regionalen Rundfunk über den Äther in der Flämischen Gemeinschaft dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk und die Lokal- und Agglomerationssender der Privatinitiative vorbehält, kann zur Qualität und Vielfalt der Rundfunksendungen beitragen und entspricht folglich der Bestimmung von Artikel 10 Absatz 1 dritter Satz. Es ist zu prüfen, ob es auch den anderen, durch Artikel 19 der Verfassung und Artikel 10 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention vorgeschriebenen Bedingungen entspricht. B.5.5. Ungeachtet dessen, daß jeder verpflichtet ist, die verfassungsrechtlich geschützte Freiheit der Meinungs äußerung des anderen zu beachten, ergibt sich aus Artikel 19 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 10 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention, daß die Freiheit der Meinungsäußerung bestimmten Formvorschriften, Bedingungen, Einschränkungen oder Strafdrohungen unterworfen werden kann, wie sie vom Gesetz vorgeschrieben sind und in einer demokratischen Gesellschaft zum Schutz der in der obenerwähnten Vertragsbestimmung angeführten Zielsetzungen notwendig sind. B.5.6. Die Einschränkungen wurden durch den Dekretgeber eingeführt und dienen, wie unter B.5.4 dargelegt, einem zulässigen Ziel. Es stellt sich lediglich noch die Frage, ob sie in einer demokratischen Gesellschaft notwendig sind. Wie bereits oben dargelegt (B.3.3), stehen in der Flämischen Gemeinschaft keine unbegrenzten Frequenzen für Rundfunksendungen zur Verfügung. Die Zulassung von privaten nationalen und regionalen Sendern über den Äther neben privaten Lokal- und Agglomerationssendern würde unweigerlich zur Folge haben, daß die für den öffentlich-rechtlichen Rundfunk verfügbaren Frequenzen angepaßt werden müßten. Obwohl beides derzeit zu den technischen Möglichkeiten gehört, würde dies, wie die Flämische Regierung darlegt, einerseits nicht ohne sehr erhebliche Investitionen auf Seiten des öffentlich-rechtlichen Rundfunks zu verwirklichen sein und andererseits nur in begrenztem Maße Raum für nationale oder regionale Privatsender über den Äther schaffen, vorausgesetzt, man wollte den durch den Dekretgeber beschriebenen und dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk auferlegten öffentlichen Rundfunkauftrag nicht beeinträchtigen. Somit kann davon ausgegangen werden, daß der Ausschluß von nationalen oder regionalen Privatsendern über den Äther, während private Lokal- und Agglomerationssender sowie private nationale Kabelsender zugelassen sind, einer zwingenden gesellschaftlichen Notwendigkeit entspricht und das angewandte Mittel nicht unverhältnismäßig ist hinsichtlich des angestrebten Ziels. Von einem unzulässigen und diskriminierenden Verstoß gegen die Freiheit der Meinungsäußerung kann folglich nicht die Rede sein. B.5.7. Der Klagegrund ist nicht annehmbar. Was den vierten Klagegrund betrifft B.6.1. Im vierten Klagegrund, der aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 43 (ex-Artikel 52) ff. des EG-Vertrags abgeleitet ist, bemängeln die klagenden Parteien die angefochtenen Bestimmungen, weil diese angeblich beinhalten, daß nur die V.R.T. sich in Belgien niederlassen könne, um nationale Rundfunktätigkeiten über den Äther auszuüben. Auf diese Weise würden andere Rundfunkorganisationen, darunter Privatsender, auf diskriminierende Weise in ihrer Freiheit behindert, sich in Belgien niederzulassen, um die gleichen Tätigkeiten auszuüben. B.6.2. Artikel 43 (ex-Artikel 52) des EG-Vertrags, der unmittelbar in denMitgliedstaatenAnwendung findet, besagt, daß die Beschränkungen der freien Niederlassung von Staatsangehörigen eines Mitgliedstaats im Hoheitsgebiet eines anderen Mitgliedstaats verboten sind. Das gleiche gilt für Beschränkungen der Gründung von Agenturen, Zweigniederlassungen oder Tochtergesellschaften durch Angehörige eines Mitgliedstaats, die im Hoheitsgebiet eines Mitgliedstaats ansässig sind. Vorbehaltlich des Kapitels über den Kapitalverkehr umfaßt die Niederlassungsfreiheit die Aufnahme und Ausübung selbständiger Erwerbstätigkeiten sowie die Gründung und Leitung von Unternehmen, insbesondere von Gesellschaften im Sinne des Artikels 48 (ex-Artikel 58) Absatz 2, nach den Bestimmungen des Aufnahmestaats für seine eigenen Angehörigen. B.6.3. Artikel 43 findet ausschließlich Anwendung auf natürliche und juristische Personen, die Angehörige eines Mitgliedstaates der Europäischen Gemeinschaft sind und auf Dauer selbständige Erwerbstätigkeiten in einem anderen Mitgliedstaat auszuüben wünschen. Personen, die einen Mitgliedstaat nicht verlassen und ihre Tätigkeiten nicht in einem anderen Mitgliedstaat ausüben, fallen nicht in den Anwendungsbereich der obenerwähnten Bestimmung. Folglich können nur die erste, die dritte und die vierte klagende Partei sich auf diese Bestimmung berufen. Der Klagegrund ist unzulässig, insofern er von der zweiten klagenden Partei angeführt wird. 7387BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE B.6.4. Die angefochtenen Bestimmungen hindern die klagenden Parteien keineswegs daran, sich in Belgien, insbesondere in der Flämischen Gemeinschaft, niederzulassen, um dort tatsächlich eine Wirtschaftstätigkeit anhand einer festen Basis und für unbestimmte Dauer auszuüben. Die angefochtenen Bestimmungen verhindern hingegen, daß die klagenden Parteien sich in Belgien niederlassen, um in der Flämischen Gemeinschaft nationale Rundfunktätigkei ten über den Äther auszuüben, doch das Verbot zur Ausübung dieser Art von Tätigkeiten gilt ohne Unterschied ihrer Staatsangehörigkeit und ergibt sich aus der Tatsache, daß der Dekretgeber diesbezüglich dem öffentlich-rechtlichen Rundfunk, nämlich der V.R.T., ein ausschließliches Recht gewährt hat. Da bei der Prüfung des zweiten Klagegrundes deutlich geworden ist, daß die Gewährung dieses ausschließlichen Rechts mit Artikel 86 des EG-Vertrags vereinbar ist, muß davon ausgegangen werden, daß die sich notwendigerweise daraus ergebenden Einschränkungen hinsichtlich des Marktzugangs nicht in diskriminierender Weise die Niederlassungsfreiheit beeinträchtigen. B.6.5. Der Klagegrund ist nicht annehmbar. Was den fünften Klagegrund betrifft B.7.1. Im fünften Klagegrund, der aus dem Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 49 (ex-Artikel 59) ff. des EG-Vertrags abgeleitet ist, bemängeln die klagenden Parteien den Umstand, daß infolge von Artikel 7 des angefochtenen Dekrets nur Privatsender mit Sitz in der Flämischen Gemeinschaft zugelassen werden könnten, um Rundfunktätigkeiten über den Äther auszuüben, so daß ausländische Unternehmen auf diskriminierende Weise in ihrer Freiheit, die gleichen Dienste in der Flämischen Gemeinschaft zu erbringen, behindert würden. B.7.2. Laut Artikel 48 des EG-Vertrags sind nach Maßgabe der darauffolgenden Vertragsbestimmungen die Beschränkungen des freien Dienstleistungsverkehrs innerhalb der Europäischen Gemeinschaft für Angehörige der Mitgliedstaaten, die in einem anderen Staat der Gemeinschaft als demjenigen des Leistungsempfängers ansässig sind, verboten. Laut Artikel 50 Absatz 1 des EG-Vertrags sind Dienstleistungen im Sinne des Vertrags Leistungen, die in der Regel gegen Entgelt erbracht werden, soweit sie nicht den Vorschriften über den freien Waren- und Kapitalverkehr und über die Freizügigkeit der Personen unterliegen. Gemäß Artikel 50 Absatz 2 handelt es sich unter anderem um kaufmännische Tätigkeiten. Die Dienstleistung muß nicht notwendigerweise durch die Personen bezahlt werden, für die sie erbracht wird, aber es muß sich doch um Dienstleistungen handeln, die hauptsächlich mit privatem Geld entlohnt werden. Rundfunksendungen, insbesondere kommerzielle Rundfunksendungen, sind folglich als Dienstlei stungen im Sinne des Vertrags anzusehen. Die Artikel 49 ff. können von den Angehörigen der Mitgliedstaaten geltend gemacht werden, die in einem anderen Staat der Gemeinschaft als demjenigen des Leistungsempfängers ansässig sind. Folglich können die erste, die dritte und die vierte klagende Partei sich auf diese Bestimmung berufen, während dies nicht für die zweite klagende Partei zutrifft. In bezug auf die letztere ist der Klagegrund unzulässig. B.7.3. Die angefochtene Bestimmung – Artikel 32 2° der am 25. Januar 1995 koordinierten Dekrete der Flämischen Gemeinschaft über Rundfunk und Fernsehen – verhindert, daß eine Rechtsperson mit Gesellschaftssitz außerhalb des niederländischen Sprachgebietes oder des zweisprachigen Gebietes Brüssel-Hauptstadt, insbesondere mit Gesellschafts sitz außerhalb des Einzugsgebiets des Senders, für den die Zulassung erteilt wird, als Lokal- oder Agglomerations sender zugelassen werden kann. Diese Bestimmung beinhaltet, daß Rechtspersonen mit Sitz in anderen Mitgliedstaaten nicht für diese Zulassung in Frage kommen. Die angefochtene Bestimmung betrifft also eine durch Artikel 49 des EG-Vertrags grundsätzlich verbotene Einschränkung des freien Dienstleistungsverkehrs. B.7.4. Das Verbot von Artikel 49 des EG-Vertrags ist jedoch nicht absolut. Ein Mitgliedstaat kann gemäß Artikel 55 des EG-Vertrags Einschränkungen des freien Dienstleistungsverkehrs je nach der Herkunft der Dienstleistung einführen oder aufrechterhalten aufgrund der Artikel 45 oder 46 des EG-Vertrags. Artikel 46 Absatz 1 des EG-Vertrags, in Verbindung mit Artikel 55, erlaubt es den Mitgliedstaaten, Rechts- und Verwaltungsvorschriften anzuwenden, die eine Sonderregelung für bestimmte Dienstleistungen vorsehen und unter anderem aus Gründen der öffentlichen Ordnung gerechtfertigt sind. Die Privatsender im Sinne der koordinierten Dekrete über Rundfunk und Fernsehen haben die Aufgabe, eine Programmvielfalt in bezug auf Information, Kultur und Entspannung zu liefern mit dem Zweck, innerhalb ihres Einzugsgebietes die Kommunikation in der Bevölkerung zu fördern (Artikel 28). Sie erfüllen eindeutig eine sozio-kulturelle Funktion, die diejenige des öffentlich-rechtlichen nationalen und regionalen Rundfunks ergänzt, und tragen somit zum Erhalt des Pluralismus der Medien bei. Die angefochtene Bestimmung, die neben anderen, in Artikel 32 angeführten Zulassungsbedingungen dazu dient, den lokalen Charakter der privaten Lokal- und Agglomerationssender tatsächlich zu gewährleisten durch die Verpflichtung der Niederlassung des Gesellschaftssitzes und der Sendeanlagen innerhalb des Einzugsgebietes, fügt sich in die nicht wirtschaftliche Zielsetzung des Dekretgebers ein und ist somit nicht unverhältnismäßig. Folglich sind die Anwendungsbedingungen von Artikel 46 Absatz 1 des EG-Vertrags erfüllt. B.7.5. Der Klagegrund ist nicht annehmbar. Aus diesen Gründen: Der Hof weist die Klage zurück. Verkündet in niederländischer, französischer und deutscher Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Schiedshof, in der öffentlichen Sitzung vom 2. Februar 2000 Der Kanzler, Der Vorsitzende, L. Potoms. G. De Baets. 7388 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST MINISTERE DE LA REGION WALLONNE [C − 2000/27100]F. 2000 — 643 2 MARS 2000. — Arrêté du Gouvernement wallon modifiant l’arrêté du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif à l’engagement d’agents contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés Le Gouvernement wallon, Vu la loi-programme du 30 décembre 1988, notamment l’article 96, § 2; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif à l’engagement d’agents contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, donné le 7 janvier 2000; Vu l’accord du Ministre du Budget, donné le 18 janvier 2000; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er, modifié par les lois du 4 juillet 1989 et du 4 août 1996; Vu l’urgence; Considérant que le présent arrêté doit entrer en vigueur le 1er janvier 2000 afin d’assurer la continuité des associations d’insertion socioprofessionnelle en leur permettant de conserver le personnel contractuel subventionné mis à leur disposition jusqu’au 31 décembre 1999; Sur la proposition du Ministre de l’Emploi, de la Formation et du Logement, Arrête : Article 1er. L’article 22, 1°, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif à l’engagement d’agents contractuels subventionnés auprès de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilés, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 23 décembre 1998 est modifié par la disposition suivante : « 1° le 31 décembre 2000, en ce qui concerne les associations d’insertion socioprofessionnelle visées à l’article 2, alinéa 1er, 7°, c); ». Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2000. Art. 3. Le Ministre de l’Emploi et de la Formation est chargé de l’exécution du présent arrêté. Namur, le 2 mars 2000. Le Ministre-Président, E. DI RUPO Le Ministre de l’Emploi, de la Formation et du Logement, M. DAERDEN ÜBERSETZUNG MINISTERIUM DER WALLONISCHEN REGION [C − 2000/27100]D. 2000 — 643 2. MÄRZ 2000 — Erlass der Wallonischen Regierung zur Abänderung des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 11. Mai 1995 über die Einstellung von bezuschussten Vertragspersonalmitgliedern bei bestimmten öffentlichen Behörden und gleichgestellten Arbeitgebern Die Wallonische Regierung, Aufgrund des Programmgesetzes vom 30. Dezember 1988, insbesondere des Artikels 96, § 2; Aufgrund des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 11. Mai 1995 über die Einstellung von bezuschussten Vertragspersonalmitgliedern bei bestimmten öffentlichen Behörden und gleichgestellten Arbeitgebern; Aufgrund des am 7. Januar 2000 abgegebenen Gutachtens der Finanzinspektion; Aufgrund des am 18. Januar 2000 abgegebenen Einverständnisses des Ministers des Haushalts; Aufgrund der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat, insbesondere des Artikels 3, § 1, in seiner durch die Gesetze vom 4. Juli 1989 und 4. August 1996 abgeänderten Fassung; Aufgrund der Dringlichkeit; 7389BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE In der Erwägung, dass der vorliegende Erlass am 1. Januar 2000 in Kraft treten muss, um die Kontinuität der Vereinigungen für die sozial-berufliche Eingliederung zu gewährleisten, indem diesen ermöglicht wird, das ihnen zur Verfügung gestellte bezuschusste Vertragspersonal bis zum 31. Dezember 1999 weiter zu beschäftigen; Auf Vorschlag des Ministers der Beschäftigung, der Ausbildung und des Wohnungswesens, Beschließt: Artikel 1 - Artikel 22, 1° des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 11. Mai 1995 über die Einstellung von bezuschussten Vertragspersonalmitgliedern bei bestimmten öffentlichen Behörden und gleichgestellten Arbeitgebern, abgeändert durch den Erlass der Wallonischen Regierung vom 23. Dezember 1998, wird durch folgende Bestimmung ersetzt: «1° am 31. Dezember 2000 für die in Artikel 2, Absatz 1, 7°, c) erwähnten Vereinigungen für die sozial-berufliche Eingliederung;» Art. 2 - Der vorliegende Erlass wird am 1. Januar 2000 wirksam. Art. 3 - Der Minister der Beschäftigung und der Ausbildung wird mit der Durchführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Namur, den 2. März 2000 Der Minister-Präsident, E. DI RUPO Der Minister der Beschäftigung, der Ausbildung und des Wohnungswesens, M. DAERDEN VERTALING MINISTERIE VAN HET WAALSE GEWEST [C − 2000/27100]N. 2000 — 643 2 MAART 2000. — Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers De Waalse Regering, Gelet op de programmawet van 30 december 1988, inzonderheid op artikel 96, § 2; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 januari 2000; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 18 januari 2000; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat dit besluit in werking moet treden op 1 januari 2000 om de voortzetting van de verenigingen voor sociale integratie en inschakeling in het arbeidsproces te verzekeren door de gesubsidieerde contractuelen te behouden die er tot 31 december 1999 tewerkgesteld zijn; Op de voordracht van de Minister van Tewerkstelling, Vorming en Huisvesting, Besluit : Artikel 1. Artikel 22 van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 23 december 1998, wordt als volgt gewijzigd : « 1° 31 december 2000, wat betreft de in artikel 2, eerste lid, 7°, c), bedoelde verenigingen voor sociale integratie en inschakeling in het arbeidsproces; ». Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2000. Art. 3. De Minister van Tewerkstelling en Vorming is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 2 maart 2000. De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Tewerkstelling, Vorming en Huisvesting, M. DAERDEN 7390 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE ANDERE BESLUITEN — AUTRES ARRETES DIENSTEN VAN DE EERSTE MINISTER [C − 2000/21102] Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën. — Konink lijke Bibliotheek van België. — Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. — Belgisch Instituut voor Ruimte Aëronomie. — Koninklijke Sterrenwacht van België. — Konink lijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. — Benoemingen Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën Bij koninklijk besluit van 14 januari 2000 wordt de heer Desmaele, Bernard G.E.Gh., attaché bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, met ingang van 1 augustus 1999 benoemd tot eerstaanwezend assistent bij dezelfde instelling. Koninklijke Bibliotheek van België Bij koninklijk besluit van 19 september 1999 wordt de heer Van Heesch, Johan A.A.M., assistent met mandaat bij de Koninklijke Bibliotheek van België, met ingang van 1 september 1999 bevestigd in rang A van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel en benoemd tot eerstaanwezend assistent bij dezelfde instelling. Bij koninklijk besluit van 4 februari 2000 wordt de heer De Vos, Willem Cl.J., eerstaanwezend assistent, hoofd van een afdeling bij de Koninklijke Bibliotheek van België, met ingang van 1 oktober 1999 bevorderd tot rang B van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel en benoemd tot werkleider bij dezelfde instelling. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen Bij koninklijk besluit van 27 september 1999 wordt de heer Leponce, Maurice H., assistent met mandaat bij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, met ingang van 1 september 1999 beves tigd in rang A van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschap pelijk personeel en benoemd tot eerstaanwezend assistent bij dezelfde instelling. Bij koninklijk besluit van 4 februari 2000 wordt de heer Jadin, Ivan H.E., doctor in de letteren en wijsbegeerte (richting : archeologie en kunstgeschiedenis), attaché met mandaat bij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, met ingang van 1 januari 2000 benoemd tot assistent bij dezelfde instelling voor de verdere duur van zijn mandaat. Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie Bij koninklijk besluit van 25 oktober 1999 wordt de heer Neefs, Eduard J., eerstaanwezend assistent bij het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie, met ingang van 1 augustus 1999 bevorderd tot rang B van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel en benoemd tot werkleider bij dezelfde instelling. SERVICES DU PREMIER MINISTRE [C − 2000/21102] Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces. — Bibliothèque royale de Belgique. — Institut royal des Sciences naturelles de Belgique. — Institut d’Aéronomie spatiale de Belgique. — Observatoire royal de Belgique. — Musées royaux d’Art et d’Histoire. — Nominations Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces Par arrêté royal du 14 janvier 2000, M. Desmaele, Bernard G.E.Gh., attaché aux Archives générales du Royaume et Archives de l’Etat dans les Provinces, est nommé au grade de premier assistant au même établissement à partir du 1er août 1999. Bibliothèque royale de Belgique Par arrêté royal du 19 septembre 1999, M. Van Heesch, Johan A.A.M., assistant sous mandat à la Bibliothèque royale de Belgique, est confirmé au rangAde la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de premier assistant au même établissement à partir du 1er septembre 1999. Par arrêté royal du 4 février 2000, M. De Vos, Willem Cl.J., premier assistant, chef de section à la Bibliothèque royale de Belgique, est promu au rang B de la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de chef de travaux au même établissement à partir du 1er octobre 1999. Institut royal des Sciences naturelles de Belgique Par arrêté royal du 27 septembre 1999, M. Leponce, Maurice H., assistant sous mandat à l’Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, est confirmé au rangAde la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de premier assistant au même établissement à partir du 1er septembre 1999. Par arrêté royal du 4 février 2000, M. Jadin, Ivan H.E., docteur en philosophie et lettres (orientation: histoire de l’art et archéologie), attaché sous mandat à l’Institut royal des Sciences naturelles de Belgique, est nommé au grade d’assistant au même établissement à partir du 1er janvier 2000 pour le reste de la durée de son mandat. Institut d’Aéronomie spatiale de Belgique Par arrêté royal du 25 octobre 1999, M. Neefs, Eduard J., premier assistant à l’Institut d’Aéronomie spatiale de Belgique, est promu au rang B de la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de chef de travaux au même établissement à partir du 1er août 1999. 7391BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Koninklijke Sterrenwacht van België Bij koninklijk besluit van 25 oktober 1999 wordt de heer Warnant, René J.Gh.R., eerstaanwezend assistent bij de Koninklijke Sterrenwacht van België, met ingang van 1 oktober 1999 bevorderd tot rang B van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel en benoemd tot werkleider bij dezelfde instelling. Bij koninklijk besluit van 25 oktober 1999 wordt de heer Van Hoolst, Tim M.K., eerstaanwezend assistent bij de Koninklijke Sterrenwacht van België, met ingang van 1 augustus 1999 bevorderd tot rang B van de wetenschappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel en benoemd tot werkleider bij dezelfde instelling. Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Bij koninklijk besluit van 4 februari 2000 wordt de heer Gubel, Eric J.K., hoofd van een afdeling bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, met ingang van 1 november 1999 voor zijn verdere loopbaan gelijkgesteld met ambtenaren die in rang B van de weten schappelijke loopbaan van het wetenschappelijk personeel zijn ingedeeld. Het beroep tot nietigverklaring van de voormelde akten met individuele strekking kan voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht binnen zestig dagen na deze bekendmaking. Het verzoekschrift dient bij ter post aangetekende brief aan de Raad van State (adres : Wetenschaps straat 33, 1040 Brussel) te worden toegezonden. * MINISTERIE VAN VERKEER EN INFRASTRUCTUUR [C − 2000/14054] 3 FEBRUARI 2000. — Koninklijk besluit houdende aanwijzing van de ambtenaren die belast zijn met de uitvoering van en de controle op de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de scheepvaart ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 3 mei 1999 tot regeling van de bevoegdheids verdeling ingevolge de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaart politie en de spoorwegpolitie in de federale politie, inzonderheid de artikelen 12 en 15; Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot wijziging en opheffing van diverse koninklijke besluiten met betrekking tot de gedeeltelijke overheveling van het korps van de zeevaartpolitie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur naar de federale politie; Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : — « de wet » : de wet van 3 mei 1999 tot regeling van de bevoegdheidsverdeling ingevolge de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de federale politie; — « het besluit » : het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot wijziging en opheffing van diverse koninklijke besluiten met betrekking tot de gedeeltelijke overheveling van het korps van de zeevaartpolitie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur naar de federale politie. Observatoire royal de Belgique Par arrêté royal du 25 octobre 1999, M. Warnant, René J.Gh.R., premier assistant à l’Observatoire royal de Belgique, est promu au rang B de la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de chef de travaux au même établissement à partir du 1er octobre 1999. Par arrêté royal du 25 octobre 1999, M. Van Hoolst, TimM.K., premier assistant à l’Observatoire royal de Belgique, est promu au rang B de la carrière scientifique du personnel scientifique et nommé au grade de chef de travaux au même établissement à partir du 1er août 1999. Musées royaux d’Art et d’Histoire Par arrêté royal du 4 février 2000, M. Gubel, Eric J.K., chef de section aux Musées royaux d’Art et d’Histoire, est assimilé à partir du 1er novembre 1999, pour sa carrière ultérieure, à des agents classés dans le rang B de la carrière scientifique du personnel scientifique. Le recours en annulation des actes précités à portée individuelle peut être soumis à la section d’administration du Conseil d’Etat endéans les soixante jours après cette publication. La requête doit être envoyée au Conseil d’Etat (adresse : rue de la Science 33, 1040 Bruxelles), sous pli recommandé à la poste. MINISTERE DES COMMUNICATIONS ET DE L’INFRASTRUCTURE [C − 2000/14054] 3 FEVRIER 2000. — Arrêté royal portant désignation des agents chargés de l’exécution et du contrôle des prescriptions légales et réglementaires concernant la navigation ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 3 mai 1999 organisant la répartition des compétences suite à l’intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la police fédérale, notamment les articles 12 et 15; Vu l’arrêté royal du 3 mai 1999 modifiant et abrogeant divers arrêtés royaux dans le cadre du transfert partiel du corps de la police maritime du Ministère des Communications et de l’Infrastructure à la police fédérale. Sur la proposition de Notre Ministre de la Mobilité et des Transports, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Pour l’application du présent arrêté, on entend par : — « la loi » : la loi du 3 mai 1999 organisant la répartition des compétences suite à l’intégration de la police maritime, de la police aéronautique et de la police des chemins de fer dans la police fédérale; — « l’ arrêté » : l’arrêté royal du 3 mai 1999 modifiant et abrogeant divers arrêtés royaux dans le cadre du transfert partiel du corps de la police maritime du Ministère des Communications et de l’Infrastruc ture à la police fédérale. 7392 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 12 en 15 van de wet zijn de volgende ambtenaren van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart : — de heer M. Joseph, directeur-generaal; — de heren J. Sas en J. Vander Poorten, adviseurs-generaal; — de herenM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur; — de heren P. Defevere en G. Lannoy, hoofdscheepvaartinspecteurs (dek); — de heren P. Claeyssens, B. Heylbroeck en M. Woolf, ingenieurs; — de heren J. Bouckenaere, H. Croo, W. Foncke, J. Lacquet, D. Van den Abeele, P. Van Lancker en A. Van Reusel, industrieel ingenieurs; — de heren F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux en W. Van der Auwera, scheepvaartinspecteurs (dek); — de heren H. Facon, J.P. Fol, J. Haeck, J. Pieters, V. Schaep, F. Sorel, G. Vandekerckhove, J. Van den Bergh en F. Van Gucht, scheepvaartin specteurs (machines); — de heerW. Dewaele enMevr. D. Vandermeeren, hoofdscheepvaart deskundigen; — de heren M. Bauwens, J. De Clerck, W. De Graeve, C. De Gryse, W. Gerris, Mevr. M. Meyns, de heren M. Strobbe, W. Vanderstraeten, D. Vanoverschelde, F. Van Lishout en Mevr. A.M. Van Passel, scheep vaartdeskundigen; — de heren D. Billiouw, L. Bruyn, R. Carlier, R. Danneels, R. De Blieck, T. De Block, J. De Winter, R. Dufait, J. Maelbrancke, H. Naert, A. Ocket, P. Reubens, D. Rouzee, Y. Rycx, E. Schaeken, T. Van de Wiele, H. Van Roey, L. Vanden Berghe, R. Vanden Hende, G. Vansieleghem, C. Verburgh, E. Vercammen, V. Verstraete en G. Week, hoofdscheepvaartcontroleurs; — de heer P. Aspeslagh, Mevr.en H. Beckers en G. Caset, de heren H. Beurms, J. Cauwberghs, C. Damman, R. Debeuckelaere, M. De Boodt, D. De Bruyne, D. Defraeye, J. De Jaegher, M. Demarest, D. Demey, J. De Prijck, F. Derijnck, G. Dermaut, M. Deschacht, D. Devry, R. Dewilde, D. Dubois, R. Everaert, C. Exelmans, D. Ghys, R. Gombert, H. Goossens, S. Hartleb, P. Hellebuyck, E. Hiele, D. Hinderijckx, P. Holthof, G. Hosten, J.M. Ketelers, D. Labbeke, P. Lagrou, D. Land schoot, D. Lauwereins, P. Lefevre, P. Lepere, F. Marlein, J.L. Meesters, J.Ph. Menz, J.P. Naessens, D. Proot, D. Rosseels, A. Schallier, J. Steeman, P. Thomas, P.T’Jaeckx, H. Urschel, F. Uyttendaele, F. Van Camp, D. Van den Bergh, Mevr. M. Van Hemelrijk, de heren F. Van Holder, J. Van Impe, J.P. Van Mullem, A. Van Thuynen, J. Vanbesien, H. Vanra felghem, G. Vanwelsenaere, H. Velleman, D. Vercnocke, A. Verhaeghe, J. Verheyen, J. Verhoest, R. Verhoosel, B. Vilain, J. Vleminckx, B. Wel vaert en Mevr. M. Willems, scheepvaartcontroleurs. Art. 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 23 van de wet zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 4. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 26, 28, 29 tot en met 35 van de wet zijn : — de heer M. Broucke, ingenieur-directeur; — de heren P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys en J. Seaux, scheepvaartinspecteurs (dek); Hun plaatsvervangers zijn de heren R. Danneels, R. Dufait, A. Ocket, T. Van de Wiele, H. Van Roey, G. Vansieleghem, V. Verstraete en G. Week, hoofdscheepvaartcontroleurs. Art. 5. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 37 en 39 van de wet zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 6. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 40 en 41 van de wet zijn : — de heer M. Broucke, ingenieur-directeur; — de heren P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys, en J. Seaux, scheepvaartinspecteurs (dek). Art. 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 12 et 15 de la loi sont les agents suivants de l’Administration des Affaires maritimes et de la Navigation : — M. M. Joseph, directeur-général; — MM. J. Sas et J. Vander Poorten, conseillers-généraux; —MM. M. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rompuy, ingénieurs-directeurs; —MM. P. Defevere et G. Lannoy, inspecteurs de la navigation en chef (pont); — MM. P. Claeyssens, B. Heylbroeck et M. Woolf, ingénieurs; — MM. J. Bouckenaere, H. Croo, W. Foncke, J. Lacquet, D. Van den Abeele, P. Van Lancker et A. Van Reusel, ingénieurs industriels; — MM. F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux et W. Van der Auwera, inspecteurs de la navigation (pont); — MM. H. Facon, J.P. Fol, J. Haeck, J. Pieters, V. Schaep, F. Sorel, G. Vandekerckhove, J. Van den Bergh et F. Van Gucht, inspecteurs de la navigation (machines); — M. W. Dewaele et Mme D. Vandermeeren, chefs-experts en navigation; — MM. M. Bauwens, J. De Clerck, W. De Graeve, C. De Gryse, W. Gerris, Mme M. Meyns, MM. M. Strobbe, W. Vanderstraeten, D. Vanoverschelde, F. Van Lishout et Mme A.M. Van Passel, experts en navigation; — MM. D. Billiouw, L. Bruyn, R. Carlier, R. Danneels, R. De Blieck, T. De Block, J. De Winter, R. Dufait, J. Maelbrancke, H. Naert, A. Ocket, P. Reubens, D. Rouzee, Y. Rycx, E. Schaeken, T. Van de Wiele, H. Van Roey, L. Vanden Berghe, R. Vanden Hende, G. Vansieleghem, C. Verburgh, E. Vercammen, V. Verstraete et G. Week, contrôleurs de la navigation en chef; — M. P. Aspeslagh, Mmes H. Beckers et G. Caset, MM. H. Beurms, J. Cauwberghs, C. Damman, R. Debeuckelaere, M. De Boodt, D. De Bruyne, D. Defraeye, J. De Jaegher, M. Demarest, D. Demey, J. De Prijck, F. Derijnck, G. Dermaut, M. Deschacht, D. Devry, R. Dewilde, D. Dubois, R. Everaert, C. Exelmans, D. Ghys, R. Gombert, H. Goossens, S. Hartleb, P. Hellebuyck, E. Hiele, D. Hinderijckx, P. Holthof, G. Hosten, J.M. Ketelers, D. Labbeke, P. Lagrou, D. Lands choot, D. Lauwereins, P. Lefevre, P. Lepere, F. Marlein, J.L. Meesters, J.Ph. Menz, J.P. Naessens, D. Proot, D. Rosseels, A. Schallier, J. Steeman, P. Thomas, P.T’Jaeckx, H. Urschel, F. Uyttendaele, F. Van Camp, D. Van den Bergh, Mme M. Van Hemelrijk, MM. F. Van Holder, J. Van Impe, J.P. Van Mullem, A. Van Thuynen, J. Vanbesien, H. Vanra felghem, G. Vanwelsenaere, H. Velleman, D. Vercnocke, A. Verhaeghe, J. Verheyen, J. Verhoest, R. Verhoosel, B. Vilain, J. Vleminckx, B. Wel vaert et Mme M. Willems, contrôleurs de la navigation. Art. 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 23 de la loi sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 4. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 26, 28, 29 jusque et y inclus 35 de la loi sont : — M. M. Broucke, ingénieur-directeur; —MM. P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys et J. Seaux, inspecteurs de la navigation (pont); Leurs suppléants sont MM. R. Danneels, R. Dufait, A. Ocket, T. Van de Wiele, H. Van Roey, G. Vansieleghem, V. Verstraete et G. Week, contrôleurs de la navigation en chef. Art. 5. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 37 et 39 de la loi sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 6. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 40 et 41 de la loi sont : — M. M. Broucke, ingénieur-directeur; —MM. P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys et J. Seaux, inspecteurs de la navigation (pont). 7393BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 7. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 46 van de wet zijn : — de heer M. Broucke, ingenieur-directeur; — de heer G. Lannoy, hoofdscheepvaartinspecteur (dek); — de heren F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux en W. Van der Auwera, scheepvaartinspecteurs (dek); — de heren H. Facon, J.P. Fol, J. Haeck, J. Pieters, V. Schaep, F. Sorel, G. Vandekerckhove, J. Van den Bergh en F. Van Gucht, scheepvaartin specteurs (machines). Art. 8. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 48 en 49 van de wet zijn : — de heer M. Broucke, ingenieur-directeur; — de heren P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys, en J. Seaux, scheepvaartinspecteurs (dek). Art. 9. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 51, 52 en 53 van de wet zijn de in artikel 4 van dit besluit opgesomde ambtenaren. Art. 10. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 54 van de wet zijn : — de heer M. Broucke, ingenieur-directeur; — de heren P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys, en J. Seaux, scheepvaartinspecteurs (dek). Art. 11. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 59 en 60 van de wet zijn : — de herenM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur. Art. 12. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 61 en 62 van de wet zijn : — de herenM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur; Hun plaatsvervangers zijn : — de heren J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, P. Janssen, W. Van der Auwera, scheepvaartinspecteurs (dek); — de heer B. Heylbroeck, ingenieur. Art. 13. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 63 van de wet zijn : — de herenM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur. Art. 14. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 64 tot en met 74 van de wet zijn : — de heren M. Broucke, R. De Lembre J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur; Hun plaatsvervangers zijn : — de heren J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, P. Janssen, W. Van der Auwera, scheepvaartinspecteurs (dek); Art. 15. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 75 van de wet zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 16. § 1. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de wet, zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 80, vierde lid, van de wet zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 12 van dit besluit. Art. 17. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 83 en 85 van de wet zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 12 van dit besluit. Art. 7. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 46 de la loi sont : — M. M. Broucke, ingénieur-directeur; — M. G. Lannoy, inspecteur de la navigation en chef (pont); — MM. F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux et W. Van der Auwera, inspecteurs de la navigation (pont); — MM. H. Facon, J.P. Fol, J. Haeck, J. Pieters, V. Schaep, F. Sorel, G. Vandekerckhove, J. Van den Bergh et F. Van Gucht, inspecteurs de la navigation (machines). Art. 8. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 48 et 49 de la loi sont : — M. M. Broucke, ingénieur-directeur; —MM. P. Busschaert,, D. Demaré, M. Ghys et J. Seaux, inspecteurs de la navigation (pont). Art. 9. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 51, 52 et 53 de la loi sont les agents mentionnés à l’article 4 de cet arrêté. Art. 10. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 54 de la loi sont : — M. M. Broucke, ingénieur-directeur; — Messieurs P. Busschaert, D. Demaré, M. Ghys et J. Seaux, inspecteurs de la navigation (pont). Art. 11. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 59 et 60 de la loi sont : — MM. M. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rompuy, ingénieurs-directeurs. Art. 12. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 61 et 62 de la loi sont : — MM. M. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rompuy, ingénieurs-directeurs; Leurs suppléants sont : — MM. J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, P. Janssen, W. Van der Auwera, inspecteurs de la navigation (pont); — M. B. Heylbroeck, ingénieur. Art. 13. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 63 de la loi sont : — MM. M. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rompuy, ingénieurs-directeurs. Art. 14. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 64 jusque et y inclus 74 de la loi sont : — MM. M. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rompuy, ingénieurs-directeurs; Leurs suppléants sont : — MM. J. Buytaert, M. Danneels, J. De Ketelaere, P. Janssen, W. Van der Auwera, inspecteurs de la navigation (pont); Art. 15. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 75 de la loi sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 16. § 1 Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 80, premier alinéa, de la loi, sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. § 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 80, quatrième alinéa, de la loi sont les agents mentionnés à l’article 12 de cet arrêté. Art. 17. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 83 et 85 de la loi sont les agents mentionnés à l’article 12 de cet arrêté. 7394 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 18. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 86 en 88 van de wet zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 19. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 89, 90 en 91 van de wet zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 12 van dit besluit. Art. 20. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 93, 94 en 96 van de wet zijn : — de herenM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx en F. Van Rom puy, ingenieurs-directeur. Art. 21. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van de wet zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 22. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 7 van het besluit zijn : — Mevr. D. Vandermeeren, hoofdscheepvaartdeskundige; — de heren D. Billiouw, T. De Block en H. Naert, hoofdscheepvaart controleurs; — de heren D. De Bruyne, F. Derijnck, C. Exelmans, D. Rosseels en D. Van den Bergh, scheepvaartcontroleurs. Art. 23. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in de artikelen 11 en 13 van het besluit zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 4 van dit besluit. Art. 24. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 16 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 25. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 17 van het besluit zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 4 van dit besluit. Art. 26. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 18 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 27. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 20 van het besluit zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 4 van dit besluit. Art. 28. § 1 De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 23 § 3 van het besluit zijn : — de heer G. Lannoy, hoofdscheepvaartinspecteur (dek); — de heren M. Broucke en J. Heynderickx, ingenieurs-directeur; Hun plaatsvervangers zijn : — de heren F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux, W. Van der Auwera, scheepvaartinspecteurs (dek); § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 23 § 11 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 29. § 1 De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 24 § 2 van het besluit zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 28 § 1 van dit besluit. § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 24 § 4 van het besluit zijn : — de heer G. Lannoy, hoofdscheepvaartinspecteur (dek); — de heren M. Broucke, J. Heynderickx, ingenieurs-directeur. § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 24 § 6 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 30. § 1 De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 25 § 2, 3, 4, 6 en 7 van het besluit zijn de ambtenaren opgesomd in artikel 28 § 1 van dit besluit. § 2. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 25 § 8 van het besluit zijn : — de heer G. Lannoy, hoofdscheepvaartinspecteur; — de heren M. Broucke, J. Heynderickx, ingenieurs-directeur. § 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 25 § 10 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 18. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 86 et 88 de la loi sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 19. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 89, 90 et 91 de la loi, sont les agents mentionnés à l’article 12 de cet arrêté. Art. 20. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 93, 94 et 96 de la loi sont : —MessieursM. Broucke, R. De Lembre, J. Heynderickx et F. Van Rom puy, ingénieurs-directeurs. Art. 21. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 97, 98 et 99 de la loi, sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 22. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 7 de l’ arrêté sont : — Mme D. Vandermeeren, chef-experte en navigation; — MM. D. Billiouw, T. De Block et H. Naert, contrôleurs de la navigation en chef; — MM. D. De Bruyne, F. Derijnck, C. Exelmans, D. Rosseels et D. Van den Bergh, contrôleurs de la navigation; Art. 23. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés aux articles 11 et 13 de l’arrêté sont les agents mentionnés à l’article 4 de cet arrêté. Art. 24. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 16 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 25. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 17 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 4 de cet arrêté. Art. 26. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 18 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 27. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 20 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 4 de cet arrêté. Art. 28. § 1 Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 23 § 3 de l’arrêté sont : — M. G. Lannoy, inspecteur de la navigation en chef (pont); — MM. M. Broucke et J. Heynderickx, ingénieurs-directeurs; Leurs suppléants sont : — MM. F. Bruyninckx, P. Busschaert, J. Buytaert, J. De Ketelaere, D. Demaré, M. Ghys, P. Janssen, J. Seaux, W. Van der Auwera, inspecteurs de la navigation (pont); § 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 23 § 11 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 29. § 1 Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 24 § 2 de l’arrêté sont les agents mentionnés à l’article 28 § 1 de cet arrêté. § 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 24 § 4 de l’arrêté sont : — M. G. Lannoy, inspecteur de la navigation en chef (pont); — MM. M. Broucke et J. Heynderickx, ingénieurs-directeurs. § 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 24 § 6 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 30. § 1 Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 25 § 2 de l’arrêté sont les agents mentionnés à l’article 28 § 1 de cet arrêté. § 2. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 25 § 8 de l’arrêté sont : — M. G. Lannoy, inspecteur de la navigation en chef (pont); — MM. M. Broucke et J. Heynderickx, ingénieurs-directeurs. § 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 25 § 10 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. 7395BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Art. 31. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 29 § 4 en 5 van het besluit zijn alle in artikel 2 van dit besluit genoemde ambtenaren. Art. 32. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren zoals bedoeld in artikel 30 § 1 van het besluit zijn : — de heren M. Broucke, R. De Lembre J. Heynderickx en F. Van Rom puy ingenieurs-directeur. Art. 33. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1999. Art. 34. Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 3 februari 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT [2000/14021] Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur Erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen De rijschool « Vriendenkring S.T.H.I.O. VZW » erkend onder het stamnummer 2107, heet vanaf 5 januari 2000 « Autorijschool Vrienden kring KTA/STIO VZW ». * MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU [C − 2000/22061] 17 JANUARI 2000. — Ministerieel besluit houdende erkenning van stagemeesters in de huisartsgeneeskunde De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 13 maart 1985, van 12 augustus 1985, van 13 juni 1986 en van 16 maart 1999, inzonderheid op artikel 39, § 2; Gelet op het ministerieel besluit van 26 november 1997 tot vaststel ling van de criteria voor erkenning van de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde, Besluit : Artikel 1. Onderstaande geneesheren worden erkend als stagemees ter in de huisartsgeneeskunde voor een termijn van twee jaar : Dr. Agneessens, J., Boortmeerbeek; Dr. Arnout, H., Loppem; Dr. Bauters, Y., Vlierzele; Dr. Ceulemans, A., Tessenderlo; Dr. Coene, M., Brugge; Dr. Deceulaer, F., Antwerpen; Dr. De Coninck, P., Erpe-Mere; Dr. Deforce, J.-P., Wingene; Dr. De Maeyer, H., Wuustwezel; Dr. De Pauw, W., Affligem; Dr. Dufour, P., Brussel; Dr. Duparque, A., Etalle; Dr. Geens, K., Opwijk; Dr. Glorieux, L., Kortrijk; Dr. Goyens, F., Tielt-Winge; Dr. Heytens, S., Destelbergen; Dr. Hoste, D., Kortrijk; Art. 31. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 29§ 4 et 5 de l’arrêté sont tous les agents mentionnés à l’article 2 de cet arrêté. Art. 32. Les agents chargés du contrôle de la navigation visés à l’article 30 § 1er de l’arrêté sont : — MM. M. Broucke, R. De Lembre J. Heynderickx et F. Van Rompuy ingenieurs-directeur. Art. 33. Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 1999. Art. 34. Notre Ministre de la Mobilité et des Transports est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 3 février 2000. ALBERT Par le Roi : La Ministre de la Mobilité et des Transports, Mme I. DURANT [2000/14021] Administration de la Circulation routière et de l’Infrastructure Agrément des écoles de conduite de véhicules à moteurs L’auto-école « Vriendenkring S.T.H.I.O.ASBL », agréée sous le numéro 2107 est dénommée depuis le 5 janvier 2000 « Autorijschool Vrienden kring KTA/STIO ASBL ». MINISTERE DES AFFAIRES SOCIALES, DE LA SANTE PUBLIQUE ET DE L’ENVIRONNEMENT [C − 2000/22061] 17 JANVIER 2000. — Arrêté ministériel portant l’agréation des maı̂tres de stage en médecine générale Le Ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Vu l’arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l’agréation des médecins spécialistes et des médecins généralistes modifié par les arrêtés royaux du 13 mars 1985, du 12 août 1985, du 13 juin 1986 et du 16 mars 1999, notamment l’article 39, § 2; Vu l’arrêté ministériel du 26 novembre 1997 déterminant les critères de l’agrément des maı̂tres de stage en médecine générale, Arrête : Article 1er. Les médecins mentionnés ci-après sont agréés en qualité de maı̂tres de stage en médecine générale pour une durée de deux ans : Dr Agneessens, J., Boortmeerbeek; Dr Arnout, H., Loppem; Dr Bauters, Y., Vlierzele; Dr Ceulemans, A., Tessenderlo; Dr Coene, M., Brugge; Dr Deceulaer, F., Antwerpen; Dr De Coninck, P., Erpe-Mere; Dr Deforce, J.-P., Wingene; Dr De Maeyer, H., Wuustwezel; Dr De Pauw, W., Affligem; Dr Dufour, P., Bruxelles; Dr Duparque, A., Etalle; Dr Geens, K., Opwijk; Dr Glorieux, L., Kortrijk; Dr Goyens, F., Tielt-Winge; Dr Heytens, S., Destelbergen; Dr Hoste, D., Kortrijk; 7396 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Dr. Huba, W., Gent; Dr. Jacob, W., Meulebeke; Dr. Jong, E., Antwerpen; Dr. Keijzer, J., La Louvière; Dr. Laarmans, P., Mechelen; Dr. Lejeune, S., Rendeux-Bas; Dr. Lurquin, G., Bree; Dr. Massa, G., Hoegaarden; Dr. Matthys, J., Wondelgem; Dr. Mertens, M., Beveren-Waas; Dr. Meyts, J.-M., Brussel; Dr. Nevejan, P., Hooglede; Dr. Pieraerts, P., Loppem-Zedelgem; Dr. Provoost, W., Vleteren; Dr. Roland, M., Brussel; Dr. Schatteman, E., Gent-Drongen; Dr. Schoolmeesters, B., Gelrode; Dr. Soetaert, D., Brakel; Dr. Stuyven, H., Leuven; Dr. Termote, L., Zulte; Dr. Vanbeveren, J., Woumen; Dr. Van Daele, P., Kuringen; Dr. Vandeput, I., Glabbeek; Dr. Van Elsen, Ph., Oelegem; Dr. Van Hauteghem, D., Oudenaarde; Dr. Van Imschoot, L., Wuustwezel; Dr. Vanlerberghe, W., Houthulst; Dr. Vanmechelen, P., Genk; Dr. Vanwelden, C., Laakdal; Dr. Verhoeven, W., Merksem; Dr. Vlaeminck, A., St. Andries. Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 20 december 1999. Brussel, 17 januari 2000. Mevr. M. AELVOET c [2000/22062] 17 JANUARI 2000. — Ministerieel besluit houdende de erkenning van ziekenhuisdiensten voor de opleiding van huisartsen De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 13 maart 1985, 8 augustus 1985 en van 13 juni 1986; Gelet op het ministerieel besluit van 26 november 1997 tot vaststel ling van de criteria voor de erkenning van de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde; Besluit : Artikel 1. Onderstaande ziekenhuisdiensten worden erkend voor de opleiding van huisartsen voor een termijn van twee jaar : — Geriatrie, « A.S.B.L. Magnolia », Brussel; — Urgentiegeneeskunde-Spoed, A.Z. Noord-Limburg, Lommel. Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 20 december 1999. Brussel, 17 januari 2000. Mevr. M. AELVOET Dr Huba, W., Gent; Dr Jacob, W., Meulebeke; Dr Jong, E., Antwerpen; Dr Keijzer, J., La Louvière; Dr Laarmans, P., Mechelen; Dr Lejeune, S., Rendeux-Bas; Dr Lurquin, G., Bree; Dr Massa, G., Hoegaarden; Dr Matthys, J., Wondelgem; Dr Mertens, M., Beveren-Waas; Dr Meyts, J.-M., Bruxelles; Dr Nevejan, P., Hooglede; Dr Pieraerts, P., Loppem-Zedelgem; Dr Provoost, W., Vleteren; Dr Roland, M., Bruxelles; Dr Schatteman, E., Gent-Drongen; Dr Schoolmeesters, B., Gelrode; Dr Soetaert, D., Brakel; Dr Stuyven, H., Leuven; Dr Termote, L., Zulte; Dr Vanbeveren, J., Woumen; Dr Van Daele, P., Kuringen; Dr Vandeput, I., Glabbeek; Dr Van Elsen, Ph., Oelegem; Dr Van Hauteghem, D., Oudenaarde; Dr Van Imschoot, L., Wuustwezel; Dr Vanlerberghe, W., Houthulst; Dr Vanmechelen, P., Genk; Dr Vanwelden, C., Laakdal; Dr Verhoeven, W., Merksem; Dr Vlaeminck, A., St. Andries. Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le 20 décembre 1999. Bruxelles, le 17 janvier 2000. Mme. M. AELVOET [2000/22062] 17 JANVIER 2000 Arrêté ministériel portant l’agréation des services hospitaliers pour la formation des médecins généralistes Le Ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l’Environnement Vu l’arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l’agréation des médecins spécialistes et des médecins généralistes modifié par les arrêtés royaux du 13 mars 1985, du 8 août 1985 et du 13 juin 1986; Vu l’arrêté ministériel du 26 novembre 1997 détermiant les critères de l’agrément des maîtres de stage en médecine générale; Arrête : Article 1er. Les services hospitaliers ci-après sont agréés pour la formation des médecins généralistes pour une durée de deux ans : — Gériatre, A.S.B.L. Magnolia, Bruxelles; — Urgences, « A.Z. Noord-Limburg », Lommel. Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le 20 decembre 1999. Bruxelles, le 17 janvier 2000. Mme M. AELVOET 7397BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [2000/22063] 17 JANUARI 2000. — Ministerieel besluit houdende de verlenging van de erkenning van stagemeesters in de huisartsgeneeskunde De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Gelet op koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 13 maart 1985, van 12 augustus 1985 en van 13 juni 1986; Gelet op het ministerieel besluit van 26 november 1997 tot vaststel ling van de criteria voor erkenning van de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde; Gelet op het ministerieel besluit van 12 december 1994 houdende de verlenging van de erkenning van stagemeesters in de huisartsgeneeskunde, Besluit : Artikel 1. De erkenning van onderstaande geneesheren als stage meester in de huisartsgeneeskunde wordt verlengd voor een termijn van vijf jaar met ingang van 22 november 1999 : Dr. Benrubi, M., Liège; Dr. Brutsaert, P., Bertem; Dr. De Meyere, M., Merelbeke; Dr. Geukens, J., Geel; Dr. Gevers, L., O.-L.-Vrouw-Waver; Dr. Lisaerde, J., Kessel-lo. Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 22 november 1999. Brussel, 17 januari 2000. Mevr. M. AELVOET * MINISTERIE VAN AMBTENARENZAKEN [2000/02020] Ontlasting Bij koninklijk besluit van 15 februari 2000, wordt Mevr. Mireille Deziron ontlast van de functies van kabinetschef bij het kabinet van de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen bij het verstrijken van 31 januari 2000. [2000/02019] Benoeming Bij koninklijk besluit van 15 februari 2000, wordt de heer Marc Van Hemelrijck, met ingang van 1 februari 2000, in de hoedanigheid van kabinetschef bij het kabinet van de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen benoemd. [2000/22063] 17 JANVIER 2000. — Arrêté ministériel portant la prolongation de l’agréation des maîtres de stage en médecine générale Le Ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l’Environnement, Vu l’arrêté royal du 21 avril 1983 fixant les modalités de l’agréation des médecins spécialistes et des médecins généralistes modifié par les arrêtés royaux du 13 mars 1985, du 12 août 1985 et du 13 juin 1986; Vu l’arrêté ministériel du 26 novembre 1997 déterminant les critères de l’agrément des maîtres de stage en médecine générale; Vu l’arrêté ministériel du 12 décembre 1994 portant la prolongation de l’agréation des maîtres de stage en médecine générale. Arrête : Article 1er. L’agréation des médecins ci-après en qualité de maîtres de stage en médecine générale est prolongée pour une durée de cinq ans à partir du 22 novembre 1999 : Dr Benrubi, M., Liège; Dr Brutsaert, P., Bertem; Dr De Meyere, M., Merelbeke; Dr Geukens, J., Geel; Dr Gevers, L., O.-L.-Vrouw-Waver; Dr Lisaerde, J., Kessel-lo. Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le 22 novembre 1999. Bruxelles, le 17 janvier 2000. Mme. M. AELVOET MINISTERE DE LA FONCTION PUBLIQUE [2000/02020] Décharge Par arrêté royal du 15 février 2000, Mme Mireille Deziron est déchargée des fonctions de chef de cabinet au cabinet du Ministre de la Fonction publique et de la Modernisation de l’administration à l’expiration de la journée du 31 janvier 2000. [2000/02019] Nomination Par arrêté royal du 15 février 2000, M. Marc Van Hemelrijck est nommé au cabinet du Ministre de la Fonction publique et de la Modernisation de l’administration en qualité de chef de cabinet à partir du 1er février 2000. 7398 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP [2000/35209] 14 JANUARI 2000. — Besluit van de Vlaamse regering houdende benoeming van de ondervoorzitter en de leden van de Raad van Bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, inzonderheid op artikel 31; Gelet op het advies van de Inspectie van Fianciën, gegeven op 30 november 1999; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 januari 2000 houdende goedkeuring van de gewijzigde statuten van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij; Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegen heden; Na braadslaging, Besluit : Artikel 1. § 1. Benoemd worden tot bestuurder van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij : 1° Mevr. Annick Vanhove; 2° Mevr. Francine Winters; 3° Mevr. Hilde Degezelle; 4° De heer Mark Van Leeuw; 5° De heer Herman Koppen; 6° De heer Willy De Saeger; 7° De heer Aloı̈s De Backer; 8° De heer Jos Geuens. § 2. Aan de heer Bennie Forier wordt met ingang van 1 september 1999 eervol ontslag verleend uit zijn mandaat als bestuurder van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Mevr. Tine Heyse wordt benoemd als bestuurder voor de resterende termijn van het mandaat van het lid dat zij vervangt. § 3. Aan de heer Carl Decaluwe wordt met ingang van 1 februari 2000 eervol ontslag verleend uit zijn mandaat als bestuurder en ondervoorzitter van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Mevr. Hilde Crevits wordt benoemd als bestuurder voor de resterende termijn van het mandaat van het lid dat zij vervangt. § 4. Aan de heer Antoine De Coninck wordt met ingang van 1 februari 2000 eervol ontslag verleend uit zijn mandaat als bestuurder van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Merv. Martine De Regge wordt benoemd als bestuurder voor de resterende termijn van het mandaat van het lid dat zij vervangt. Art. 2. De heer Willy De Saeger wordt benoemd tot vice-voorzitter van de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2000, met uitzondering van artikel 1, § 1, 5° en 6°, dat uitwerking heeft met ingang van 16 april 1997 en artikel 1, § 1, 7° en 8°, dat uitwerking heeft met ingang van 28 april 1999. Art. 4. De Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 14 januari 2000. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden, B. ANCIAUX 7399BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE TRADUCTION MINISTERE DE LA COMMUNAUTE FLAMANDE [2000/35209] 14 JANVIER 2000. — Arrêté du Gouvernement flamand portant nomination d’un vice-président et des membres du Conseil d’administration de la société flamande du Logement Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, notamment l’article 31; Vu l’avis l’inspection des Finances, donné le 30 novembre 1999; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2000 portant approbation des statuts modifiés de la Société flamande du Logement; Sur la proposition du Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, de la Politique urbaine, du Logement et des Affaires bruxelloises, Après délibération, Arrête : Article 1er. § 1er. Sont nommés administrateur de la Société flamande du logement : 1° Mme Annick Vanhove; 2° Mme Francine Winters; 3° Mme Hilde Degezelle; 4° M. Mark Van Leeuw; 5° M. Herman Koppen; 6° M. Willy De Saeger; 7° M. Aloı̈s De Backer; 8° M. Jos Geuens. § 2. A partir du 1er septembre 1999, il est accordé démission honorable à M. Bernie Forier de son mandat en tant qu’administrateur de la Société flamande du Logement. Mme Tine Heyse est nommé administrateur pour la durée restante du mandat du membre qu’elle remplace. § 3. A partir du 1er février 2000, il est accordé démission honorable à M. Carl Decaluwe de son mandat en tant qu’administrateur de la Société flamande du Logement. Mme Hilde Crevits est nommé administrateur pour la durée restante du mandat du membre qu’elle remplace. § 4. A partir du 1er février 2000, il est accordé démission honorable à M. Antoine De Coninck de son mandat en tant qu’administrateur de la Société flamande du Logement. Mme Martine De Regge est nommé administrateur pour la durée restante du mandat du membre qu’elle remplace. Art. 2. M. Willy De Saeger est nommé vice-président du conseil d’administration de la Société flamande du logement. Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er février 2000, à l’exception de l’article 1er, § 1er, 5° et 6° qui produit ses effets à partir du 16 avril 1997 et de l’article 1er, § 1er, 7° et 8° qui produit ses effets à partir du 28 avril 1999. Art. 4. Le Ministre flamand ayant le logement dans ses attributions, est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 14 janvier 2000. Le ministre-Président du Gouvernement flamand, P. DEWAEL Le Ministre flamand de la Culture, de la Jeunesse, de la Politique urbaine, du Logement et des Affaires bruxelloises, B. ANCIAUX REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST MINISTERE DE LA REGION WALLONNE [S − C − 2000/27095] Aménagement du territoire Par arrêté ministériel du 5 février 2000, M. Thierry Berthet, directeur à la Direction générale de l’Aménagement du Territoire, du Logement et du Patrimoine, direction du Brabant wallon, est remplacé en qualité de fonctionnaire délégué, par M. Christian Radelet, premier attaché, du 8 au 16 avril 2000. DINANT. — Un arrêté ministériel du 31 janvier 2000 approuve le plan communal d’aménagement dit « rue Saint-Jacques » à Dinant, révisant partiellement le plan communal d’aménagement n° 2, feuille B, approuvé par arrêté du Régent le 6 octobre 1947. GEER. — Un arrêté ministériel du 14 février 2000 approuve le nouveau règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Geer, tel qu’il a été adopté par la délibération du 8 novembre 1999 du conseil communal de Geer, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Geer. 7400 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE ITTRE. — Un arrêté ministériel du 5 février 2000 approuve le règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Ittre, tel qu’il a été adopté par la délibération du 28 septembre 1999 du conseil communal de Ittre, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Ittre. NIVELLES. — Un arrêté ministériel du 5 février 2000 approuve la modification de la composition de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Nivelles, telle qu’elle a été adoptée par la délibération du 28 septembre 1999 du conseil communal de Nivelles, conformément à l’article 11 du décret du 27 novembre 1997 modifié par décret du 6 mai 1999. La liste des membres de la Commission peut être consultée auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Nivelles. NIVELLES. — Un arrêté ministériel du 5 février 2000 approuve le règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Nivelles, tel qu’il a été adopté par la délibération du 28 septembre 1999 du conseil communal de Nivelles, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Nivelles. PEPINSTER. — Un arrêté ministériel du 15 février 2000 approuve le nouveau règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Pepinster, tel qu’il a été adopté par la délibération du 30 septembre 1999 du conseil communal de Pepinster, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Pepinster. PERWEZ. — Un arrêté ministériel du 14 février 2000 approuve le plan d’alignement n° 107 à Perwez, tel qu’il est contenu dans la délibération du 27 mars 1997 du conseil communal de Perwez et ses annexes. PLOMBIERES. — Un arrété ministériel du 15 février 2000 approuve le nouveau règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Plombières, tel qu’il a été adopté par la délibération du 5 octobre 1999 du conseil communal de Plombières, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Plombières. QUIEVRAIN. — Un arrété ministériel du 15 février 2000 approuve la composition de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Quiévrain, telle qu’elle a été adoptée par les délibérations des 28 janvier 1999 et 9 septembre 1999 du conseil communal de Quiévrain, conformément à l’article 7 du Code wallon de l’Aménagement du Territoire, de l’Urbanisme et du Patrimoine. La liste des membres de la Commission peut être consultée auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Quiévrain. WANZE. — Un arrêté ministériel du 14 février 2000 approuve la modification de la composition de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire de Wanze, telle qu’elle est contenue dans la délibération du conseil communal du 28 septembre 1999. La liste des membres de la Commission peut être consultée auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Wanze. WANZE. — Un arrêté ministériel du 14 février 2000 approuve le nouveau règlement d’ordre intérieur de la Commission consultative communale d’Aménagement du Territoire deWanze, tel qu’il est contenu dans la délibération du conseil communal du 28 septembre 1999. Le règlement peut être consulté auprès de la Division de l’Aménagement du Territoire et de l’Urbanisme, rue des Brigades d’Irlande 1, 5100 Jambes, et auprès de l’administration communale de Wanze. 7401BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [C − 2000/27091] Pouvoirs locaux Un arrêté ministériel du 8 février 2000 n’approuve pas la décision du 22 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Intercommunale namuroise de Services publics » décide de nommer M. Fernand René Gillard en qualité d’administrateur, en remplacement de M. Borsus, démissionnaire. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 annule la décision du 23 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale ordinaire des associés de la société coopérative « Association intercommunale pour la collecte et la destruction des immondices de la Région de Charleroi » a désigné en son point 2, les cinq membres du comité de surveillance de l’intercommunale, à savoir Mme Nicole Thioux et MM. Roger Curnel, Marc Parmentier, André Trigaut et Daniel Vanderzeypen. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision du 23 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale extraordinaire de la société coopérative « I.F.M. » modifie les articles 3, 9 et 22 des statuts. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision du 14 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « I.E.B.C. » modifie l’article 2 de l’annexe 2 des statuts. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision du 15 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « I.H.S. » modifie l’article 2 de l’annexe 2 des statuts. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision du 22 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Intercommunale namuroise de Services publics » modifie les articles 10 et 13 des statuts. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision du 20 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « I.F.H.O. » modifie l’article 2 de l’annexe 2 des statuts. Un arrêté ministériel du 9 février 2000 approuve la décision de proroger le terme de l’intercommunale pour 30 ans à dater du 1er janvier 2000 telle qu’adoptée par les associés de l’intercommunale « I.C.D.I. » en séance de l’assemblée générale ordinaire du 23 décembre 1999. Un arrêté ministériel du 10 février 2000 annule la décision du 20 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale ordinaire de la société coopérative à responsabilité limitée « Association intercommunale de soins et d’hospitalisation » approuve l’acquisition des actions représentatives du capital de la s.a. « Résidence Les Lilas ». Un arrêté ministériel du 10 février 2000 approuve le rajout de l’article 2bis aux statuts de la société coopérative « Intercommunale d’Etude et de Gestion » décidé par son assemblée générale extraordinaire du 23 décembre 1999. Un arrêté ministériel du 11 février 2000 approuve la décision du 14 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « Electrhainaut » complète l’annexe 2 des statuts. Un arrêté ministériel du 11 février 2000 approuve la décision du 16 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « I.H.G. » modifie l’article 2 de l’annexe 2 des statuts. Un arrêté ministériel du 11 février 2000 approuve la décision du 20 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de l’intercommunale « I.E.E.C.H. » modifie l’article 2 de l’annexe 2 des statuts. 7402 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Un arrêté ministériel du 14 février 2000 n’approuve pas la décision du 23 juin 1999 par laquelle l’assemblée générale des associés de la société « Intercommunale Bataille de Waterloo 1815 » approuve les comptes de l’exercice 1998. Un arrêté ministériel du 14 février 2000 approuve la décision du 30 juin 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Services promotion, initiatives de la province de Liège » entérine les comptes 1998 de l’intercommunale. Un arrêté ministériel du 15 février 2000 approuve la décision de l’assemblée générale des associés de la société coopérative « INATEL » du 17 décembre 1999 visée au point 3 du procès-verbal et relative à la nomination statutaire. Un arrêté ministériel du 15 février 2000 approuve les décisions de l’assemblée générale des associés de la société coopérative « IDEG » du 17 décembre 1999 visées aux points 2 et 3 du procès-verbal et relatives aux nominations statutaires. Un arrêté ministériel du 16 février 2000 approuve les décisions du 28 décembre 1999 par lesquelles l’assemblée générale extraordinaire de la société coopérative à responsabilité limitée « Centre hospitalier Peltzer-la-Tourelle » modifie les articles 18 et 29 des statuts de l’intercommunale. Un arrêté ministériel du 16 février 2000 approuve la décision du 28 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Association intercommunale des eaux du Condroz » modifie les articles 1, 3, 4, 12, 13, 19, 22, 23, 25, 33 et 34 des statuts. Un arrêté ministériel du 16 février 2000 approuve la décision du 28 décembre 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Intercommunale des eaux du Condroz » décide de nommer M. Philippe Sarlet en qualité d’administrateur représentant la commune de Somme-Leuze, en remplacement de M. Willy Borsus, démissionnaire. Un arrêté ministériel du 16 février 2000 approuve la décision du 30 juin 1999 par laquelle l’assemblée générale de la société coopérative « Association intercommunale d’œuvres médico-sociales des arrondissements d’Arlon et de Virton » entérine les comptes 1998 de l’intercommunale. Un arrêté ministériel du 21 février 2000 approuve la décision du 20 octobre 1999 par laquelle le conseil d’administration de la société coopérative « Société intercommunale d’aménagement et d’équipement économique de la Région Gedinne-Semois » décide d’octroyer, pour une durée d’une année renouvelable, des chèques-repas au personnel du service de collecte et de traitement des immondices. Un arrêté ministériel du 21 février 2000 approuve la décision du 18 octobre 1999 par laquelle le conseil d’administration de la société coopérative « Société intercommunale d’aménagement et d’équipement économique de l’Entre-Sambre et Meuse » décide d’octroyer, pour une durée d’une année renouvelable, des chèques-repas au personnel du service de collecte et de traitement des immondices. PROVINCE DE NAMUR. — Un arrêté ministériel du 10 février 2000 approuve la décision du conseil provincial de Namur du 17 décembre 1999 approuvant la deuxième modification budgétaire pour l’exercice 1999 de la régie provinciale « Château de Namur ». 7403BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE MINISTERE WALLON DE L’EQUIPEMENT ET DES TRANSPORTS [C − 2000/27090] 20 JANVIER 2000. — Arrêté ministériel organisant le transfert de gestion de terrains sis en rive gauche de la Sambre sur le territoire de la commune de Sambreville (ex-Auvelais) du Ministère wallon de l’Equipement et des Transports au Port autonome de Namur Le Ministre du Budget, de l’Equipement et des Travaux, Vu la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, modifiée par les lois du 8 août 1988, du 5 mai 1993 et du 16 juillet 1993, notamment l’article 6, § 1er, X, 2˚; Vu la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, notamment l’article 57, §§ 2 et 3; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 15 juillet 1999 fixant la répartition des compétences entre les Ministres et réglant la signature des actes du Gouvernement, notamment les articles 5 et 6; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 20 juillet 1999 portant règlement du fonctionnement du Gouvernement, notamment l’article 19; Vu la loi du 20 juin 1978 portant création du Port autonome de Namur et les statuts y annexés; Vu la délibération du conseil d’administration du Port autonome de Namur en date du 16 septembre 1998 sollicitant la remise en gestion des biens précités; Considérant qu’il y a lieu pour cause d’utilité publique de remettre en gestion au Port autonome de Namur lesdits biens, en vue de la création d’un point de chargement dans la nouvelle zone portuaire, Arrête : Article unique. Le Ministre du Budget, de l’Equipement et des Travaux publics concède au Port autonome de Namur, la gestion de terrains sis en rive gauche de la Sambre, tels que délimités sous teinte rouge au plan n˚ H3.1018.33 ci-annexé (*). Namur, le 20 janvier 2000. J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE (*) Le dossier et le plan peuvent être consultés au Ministère wallon de l’Equipement et des Transports – D.231, Direction des Voies hydrauliques de Charleroi. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST — REGION DE BRUXELLES-CAPITALE MINISTERIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST [C − 99/31551] Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Gemeentelijk Ontwikkelingsplan Basisdossier. — Goedkeuring KOEKELBERG. — Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 december 1999 wordt goedkeuring gehecht aan het basisdossier van het Gemeentelijk Ontwikkelingsplan van de gemeente Koekelberg. De goedkeuring gaat vergezeld van voorwaarden, overeenkomstig artikel 41 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. De volledige tekst van dit besluit kan worden ingekeken op aanvraag hetzij op het gemeentebestuur hetzij op het gewestelijk bestuur van ruimtelijke ordening en huisvesting. SINT-GILLIS. — Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Rege ring van 14 oktober 1999 wordt goedkeuring gehecht aan het basisdos sier van het Gemeentelijk Ontwikkelingsplan van de gemeente Sint Gillis. De goedkeuring gaat vergezeld van voorwaarden, overeenkomstig artikel 41 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. De volledige tekst van dit besluit kan worden ingekeken op aanvraag hetzij op het gemeentebestuur hetzij op het gewestelijk bestuur van ruimtelijke ordening en huisvesting. SINT-JOOST-TEN-NODE. — Het Gemeentelijk Ontwikkelingsplan van de gemeente Sint-Joost-ten-Node is goedgekeurd overeenkomstig artikel 41 lid 2 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. MINISTERE DE LA REGION DE BRUXELLES-CAPITALE [C − 99/31551] Administration de l’Aménagement du Territoire et du Logement Plan communal de développement Dossier de base. — Approbation KOEKELBERG. — Un arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 16 décembre 1999 approuve le dossier de base du Plan communal de développement de la commune de Koekelberg. L’approbation est assortie de conditions, conformément à l‘article 41 de l’ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l’urbanisme. Le texte complet de cet arrêté est consultable sur demande soit à l’administration communale, soit à l’administration régionale de l’amé nagement du territoire et du logement. SAINT-GILLES. — Un arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 octobre 1999 approuve le dossier de base du Plan communal de développement de la commune de Saint-Gilles. L’approbation est assortie de conditions, conformément à l‘article 41 de l’ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l’urbanisme. Le texte complet de cet arrêté est consultable sur demande soit à l’administration communale, soit à l’administration régionale de l’amé nagement du territoire et du logement. SAINT-JOSSE-TEN-NOODE. — Le dossier de base du Plan commu nal de développement de la commune de Saint-Josse-ten-Noode est approuvé en vertu de l’article 41, alinéa 2, de l’ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l’urbanisme. 7404 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE OFFICIELE BERICHTEN — AVIS OFFICIELS HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE [C − 2000/21143] De Hoge Raad voor de Justitie heeft op 26 februari 2000 zijn organen verkozen zoals hierna vermeld : het bureau is samengesteld uit Mevr. K. Kloeck en Mevr. E. Van den Broeck (Nederlandstalige leden) en Mevr. K. Gérard en dhr. J. Hamaide (Franstalige leden); de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie is samenge steld uit Mevr. E. Van den Broeck, voorzitter, dhr. J. Colpin, dhr. P. Del tour, dhr. A. De Nauw, Mevr. K. Desaegher, Mevr. A. Geuens, dhr. J. Herbots, dhr. F. Moeykens, dhr. L. Potoms, dhr. S. Raes, dhr. M. Rozie, Mevr. R. Vandenborne, Mevr. G. Van den Bossche en Mevr. M. Van Varenbergh; de Nederlandstalige advies- en onderzoekscommisse is samengesteld uit Mevr. K. Kloeck, voorzitter, dhr. C. Bevernage, dhr. A. Bloch, dhr. B. Bouckaert, dhr. G. Londers, dhr. W. Niewold, Mevr. H. Remans en dhr. F. Verhaeghe; de Franstalige benoemings- en aanwijzingscommissie is samengesteld uit dhr. J. Hamaide, voorzitter, Mevr. M. Castin, dhr. J.-F. Cats, Mevr. A. M. Degive, dhr. X. De Riemaecker, Mevr. J. Devreux, Mevr. P. Donny, dhr. J.-L. Franeau,Mevr. N. Jeanmart, Mevr. C.Malmendier, dhr. M. Preu mont, dhr. J.-P. Pruvot, dhr. J.-C. Scholsem en dhr. P. Vrebos; de Franstalige advies- en onderzoekscommissie is samengesteld uit Mevr. K. Gérard, voorzitter, Mevr. M.-F. Berrendorf, Mevr. F. Collard, dhr. A. Kaiser, Mevr. C. Pensis, dhr. F. Ringelheim, dhr. J.-C. Van Espen en Mevr. J. Windey; het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt bekleed achtereenvolgens door Mevr. K. Gérard (eerste jaar), Mevr. K. Kloeck (tweede jaar), dhr. J. Hamaide (derde jaar) en Mevr. E. Van den Broeck (vierde jaar); het voorzitterschap van het Nederlandstalige college wordt bekleed achtereenvolgens door Mevr. K. Kloeck (eerste twee jaar) en door Mevr. E. Van den Broeck (twee volgende jaren); het voorzitterschap van het Franstalige college wordt bekleed achtereen volgens door dhr. J. Hamaide (eerste twee jaar) en door Mevr. K. Gérard (twee volgende jaren). De zetel van de Hoge Raad voor de Justitie is voorlopig gevestigd te 1000 Brussel, Belliardstraat 62. * SELOR SELECTIEBUREAU VAN DE FEDERALE OVERHEID [C − 2000/08089] Werving van Nederlandstalige industriële ingenieurs (chemie) (m/v) voor het Ministerie van Landsverdediging Samenstelling van een wervingsreserve Vereiste diploma : diploma van industrieel ingenieur chemie. De functiebeschrijving en- vereisten en de selectieprocedure zijn gedetailleerd in het examenreglement dat u kan bekomen bij de diensten van SELOR. Jaarlijks bruto-beginsalaris : 1 008 089 BEF, reglementaire toelagen niet inbegrepen. Inschrijving : ten laatste op 21 maart 2000. LE CONSEIL SUPÉRIEUR DE LA JUSTICE [C − 2000/21143] Le 26 février 2000, le Conseil supérieur de la Justice a élu ses organes comme mentionné ci-après : le bureau est composé de Mme K. Gérard et M. J. Hamaide (membres francophones) et de Mme K. Kloeck et Mme E. Van den Broeck (membres néerlandophones); la commission de nomination et de désignation francophone est composée de M. J. Hamaide, président, Mme M. Castin, M. J.-F. Cats, Mme A. M. Degive, M. X. De Riemaecker, Mme J. Devreux, Mme P. Donny, M. J.-L. Franeau, Mme N. Jeanmart, Mme C. Malmendier, M. M. Preu mont, M. J.-P. Pruvot, M. J.-C. Scholsem et M. P. Vrebos; la commission d’avis et d’enquête francophone est composée de Mme K. Gérard, président, Mme M.-F. Berrendorf, Mme F. Collard, M. A. Kaiser, Mme C. Pensis, M. F. Ringelheim, M. J.-C. Van Espen et Mme J. Windey; la commission de nomination et de désignation néerlandophone est composée de Mme E. Van den Broeck, président, M. J. Colpin, M. P. Deltour, M. A. De Nauw, Mme K. Desaegher, Mme A. Geuens, M. J. Herbots, M. F. Moeykens, M. L. Potoms, M. S. Raes, M. M. Rozie, Mme R. Vandenborne, Mme G. Van den Bossche et Mme M. Van Varen bergh; la commission d’avis et d’enquête néerlandophone est composée de Mme K. Kloeck, président, M. C. Bevernage, M. A. Bloch, M. B. Bouc kaert, M. G. Londers, M. W. Niewold, Mme H. Remans et M. F. Verhae ghe; la présidence du Conseil supérieur est assurée successivement par Mme K. Gérard (première année), Mme K. Kloeck (deuxième année), M. J. Hamaide (troisième année) en Mme E. Van den Broeck (quatriè me année); la présidence du collège francophone est assurée successivement par Mme K. Kloeck (deux premières années) et par Mme E. Van den Broeck (deux années suivantes); la présidence du collège néerlandophone est assurée successivement par M. J. Hamaide (deux premières années) et par Mme K. Gérard (deux années suivantes). Le siège du Conseil supérieur de la Justice est établi provisoirement à 1000 Bruxelles, rue Belliard 62. SELOR BUREAU DE SELECTION DE L’ADMINISTRATION FEDERALE [C − 2000/08089] Recrutement d’ingénieurs industriels (chimie) (m/f), d’expression néerlandaise, pour le Ministère de la Défense nationale Constitution d’une réserve de recrutement Diplôme requis : diplôme d’ingénieur industriel chimie. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de l’examen que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR. Traitement annuel brut de début : 1 008 089 BEF, allocations régle mentaires non comprises. Inscription : au plus tard le 21 mars 2000. 7405BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE De inschrijving voor dit examen is gratis en kan per brief, telefoon, fax of via de Selor-website. SELOR, dienst « Werving Federale Overheid », Esplanadegebouw, Oratoriënberg 20, 1000 Brussel, tel. 070/66 66 20 (inschrijvingen), tel. 02/214 44 62 (inlichtingen), fax : 02/214 44 59, Selor-website : http ://www.selor.be U vermeldt naam, voornaam, geboortedatum, volledig adres, rijksregisternummer, het refertenummer ANG00004 en de benaming van het examen en tevens de correcte benaming van uw diploma. [C − 2000/08092] Werving van Nederlandstalige assistenten bij financiën (m/v) voor de diensten van de Douane en Accijnzen te Antwerpen. — Ministerie van Financiën. Samenstelling van een wervingsreserve. Toelaatbaarheidsvereisten : 1. Belg zijn; 2. Er zijn geen diploma’s vereist voor deelname aan de examenpro cedure. De functiebeschrijving en –vereisten en de selectieprocedure zijn gedetailleerd in het volledig examenreglement dat u kan bekomen bij de diensten van SELOR. De jaarlijkse wedde van een beginnend assistent situeert zich tussen 615 583 BEF en 802 197 BEF Inschrijving : ten laatste op 21 maart 2000. De inschrijving voor de selectieprocedure is gratis en kan per brief, SELOR, Dienst « Selecties Federale Overheid », Esplanadegebouw, Oratoriënberg 20, 1000 Brussel, telefoon (070/66 66 20), fax (02/214 44 59) of via de Selor-website (http://www.selor.be/) U vermeldt duidelijk uw naam, voornaam, volledig adres, geboorte datum, rijksregisternummer, de benaming en het refertenummer van het examen (refertenummer ANG00021). [C − 2000/08090] Werving van Nederlandstalige adjunct van de directeur (industrieel ingenieur bouwkunde of architect) (m/v) voor Toerisme Vlaande ren Er is thans 1 betrekking vacant. Vereiste diploma’s : diploma van industrieel ingenieur in de bouw kunde of van architect. Worden eveneens aanvaard de studenten die, tijdens het academie jaar 1999-2000, het laatste jaar van de studiën volgen voor het bekomen van het vereiste diploma. De geslaagden kunnen echter slechts worden aangeworven wanneer zij het vereiste diploma hebben behaald. De functiebeschrijving en –vereisten en de selectieprocedure zijn gedetailleerd in het examenreglement dat u kan bekomen bij de diensten van SELOR. Jaarlijkse bruto-beginsalaris : 1 072 720 BEF. Inschrijving : ten laatste op 21 maart 2000. De inschrijving voor de selectieprocedure is gratis en kan per brief, telefoon, fax of via de Selor-website. SELOR, Dienst « Selecties Vlaamse Gemeenschap », Esplanadegebouw, Oratoriënberg 20, 1000 Brussel, tel. 070/66 66 20 (inschrijvingen), tel. 02/214 44 61 (inlichtingen), fax : 02/214 44 59, Selor-website : http://www.selor.be U vermeldt naam, voornaam, geboortedatum, volledig adres, rijks registernummer, het refertenummer (ANV00010) en de benaming van het examen en tevens de correcte benaming van uw diploma. L’inscription à cet examen est gratuite et peut être effectuée par lettre, par téléphone, par fax ou via le Selor-website. SELOR, Service « Service Examens fédéraux », Quartier Esplanade, rue Montagne de l’Oratoire 20, 1000 Bruxelles, tél. : 070/66 66 20 (inscriptions), tél. 02/214 44 62 (renseignements), fax : 02/214 44 59, Selor-website : http ://www.selor.be Il faut clairement indiquer votre nom, prénom, adresse complète, date de naissance, numéro du registre national, ainsi que la dénomina tion et le numéro de référence de l’examen (à savoir : ANG00004) et la dénomination correcte de votre diplôme. [C − 2000/08092] Recrutement d’assistants des finances d’expression néerlandaise, (m/f), pour les services des Douanes et Accises à Anvers. — Ministère des Finances Constitution d’une réserve de recrutement. Conditions d’admissibilité : 1. être Belge; 2. aucun diplôme n’est requis pour pouvoir participer à la procédure d’examen. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de l’examen que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR. La rémunération annuelle d’un assistant débutant se situe entre 615 583 BEF et 802 197 BEF. Inscription : au plus tard le 21 mars 2000. L’inscription pour la procédure de sélection est gratuite et peut être effectuée par lettre, SELOR, « Sélections administration fédérale », Quartier Esplanade, rue Montagne de l’Oratoire 20, 1000 Bruxelles, par téléphone (070/66 66 20), par fax (02/214 44 59) ou via le website du Selor : http://www.selor.be Il faut clairement indiquer votre nom, prénom, adresse complète, date de naissance, numéro du registre national, ainsi que la dénomina tion et le numéro de référence de l’examen (à savoir : ANG00021). [C − 2000/08090] Recrutement d’adjoints du directeur (ingénieur industriel construc tion ou architecte) (m/f), d’expression néerlandaise, pour Toerisme Vlaanderen Il y a actuellement une place vancate. Diplômes requis : diplôme d’ingénieur industriel construction ou diplôme d’architecte. Sont également admis, les étudiants qui, au cours de l’année académique 1999-2000, suivent la dernière année des études conduisant à l’obtention du diplôme exigé. Toutefois les lauréats ne peuvent être engagés qu’après avoir obtenu le diplôme requis. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de l’examen que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR. Traitement annuel brut de début : 1 072 720 BEF. Inscription : au plus tard le 21 mars 2000. L’inscription à cet examen est gratuite et peut être effectuée par lettre, par téléphone, par fax ou via le Selor-website. SELOR, Service « Sélections Communauté flamande », Quartier de l’Esplanade, rue Montagne de l’Oratoire 20, 1000 Bruxelles, tél. 070/66 66 20 (inscrip tions), tél. 02/214 44 61 (renseignements), fax : 02/214 44 59, Selor website : http ://www.selor.be Il faut clairement indiquer votre nom, prénom, adresse complète, date de naissance, numéro du registre national, ainsi que la dénomina tion et le numéro de référence de l’examen (à savoir : ANV00010) et la dénomination correcte de votre diplôme. 7406 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE [C − 2000/08091] Werving van Nederlandstalige technici (m/v) voor de Diensten van de Vlaamse Regering (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Wetenschappelijke Instellingen) en sommige Vlaamse openbare instellingen Er is momenteel een groot aantal vacatures in de richting bouwkunde. Vereist diploma : één der volgende diploma’s of studiegetuigschrif ten, behaald in een technische richting : getuigschrift van hoger secundair onderwijs of getuigschrift uitgereikt na het slagen voor het zesde leerjaar van het secundair onderwijs met volledig leerplan of kwalificatiegetuigschrift van het zesde leerjaar of einddiploma van hogere secundaire technische leergangen. Worden eveneens aanvaard de studenten die, tijdens het school jaar 1999-2000, het laatste jaar van de studiën volgen voor het bekomen van het vereiste diploma. De geslaagden kunnen echter slechts worden aangeworven wanneer zij het vereiste diploma hebben behaald. Kandidatenmet een hoger gekwalificeerd diploma, zijn niet toegelaten. De functiebeschrijving en -vereisten en de selectieprocedure zijn gedetailleerd in het volledig examenreglement dat u kan bekomen bij de diensten van SELOR. Jaarlijks bruto-beginsalaris : 664 355 BEF. Inschrijving : ten laatste op 21 maart 2000. De inschrijving voor de selectieprocedure is gratis en kan per brief, telefoon, fax of via de Selor-website. SELOR, Dienst « Selecties Vlaamse Gemeenschap », Esplanadegebouw, Oratoriënberg 20, 1000 Brussel, tel. 070/66 66 20 (inschrijvingen), tel. 02/214 44 62 (inlichtingen), fax : 02/214 44 59, Selor-website : http://www.selor.be U vermeldt naam, voornaam, geboortedatum, volledig adres, rijks registernummer, het refertenummer (ANV00011) en de benaming van het examen en tevens de correcte benaming van uw diploma. * MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN, VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU [2000/22100] Arbeidsongevallen. — Overdrachten van portefeuille-wet Het is de naamloze vennootschap « A.S.G. arbeidsongevallen » toegelaten haar portefeuille-wet « Arbeidsongevallen » vanaf 1 januari 1999 aan de naamloze vennootschap « Winterthur Europe Assurances » over te dragen. Deze overdracht geldt ten aanzien van al de verzekerden en alle betrokken derden (artikel 54bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 18 van 6 december 1978). Het is de naamloze vennootschap « AXA-Belgium » toegalten haar protefeuille-wet « Arbeidsongevallen » vanaf 1 januari 1999 aan de naamloze vennootschap « Royale Belge 1994 » over te dragen. Deze overdracht geldt ten aanzien van al de verzekerden en alle betrokken derden (artikel 54bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 18 van 6 december 1978). [C − 2000/08091] Recrutement de techniciens (m/f), d’expression néerlandaise, pour les services du Gouvernement flamand (Ministère de la Communauté flamande et les institutions flamandes scientifiques) et certains établissements publics flamands Un grand nombre d’emploi est actuellement à conférer dans la spécialisation construction. Diplôme requis : un des diplômes suivants, délivrés dans une spécialisation technique : certificat d’enseignement secondaire supé rieur ou certificat délivré après la réussite de la sixième année de l’enseignement secondaire de plein exercice ou certificat de qualifica tion de la sixième année ou diplôme de cours secondaires supérieurs techniques. Sont également admis, les étudiants qui, au cours de l’année scolaire 1999-2000, suivent la dernière année des études conduisant à l’obtention du diplôme exigé. Les lauréats ne peuvent, toutefois, être appelés en service qu’après avoir produit le diplôme requis. Les candidats qui sont en possession d’un diplôme d’un niveau supérieur, ne sont pas admis. La description de la fonction ainsi que la procédure de sélection sont plus amplement détaillées dans le règlement complet de l’examen que vous pourrez obtenir auprès des services du SELOR. Traitement annuel brut de début : 664 355 BEF. Inscription : au plus tard le 21 mars 2000. L’inscription à cet examen est gratuite et peut être effectuée par lettre, par téléphone, par fax ou via le Selor-website. SELOR, Service « Sélections Communauté flamande », Quartier de l’Esplanade, rue montagne de l’Oratoire 20, 1000 Bruxelles, tél. 070/66 66 20 (inscrip tions), tél. 02/214 44 62 (renseignements), fax : 02/214 44 59, Selor website : http ://www.selor.be Il faut clairement indiquer votre nom, prénom, adresse complète, date de naissance, numéro du registre national, ainsi que la dénomina tion et le numéro de référence de l’examen (à savoir : ANV00011) et la dénomination correcte de votre diplôme. MINISTERE DES AFFAIRES SOCIALES, DE LA SANTE PUBLIQUE ET DE L’ENVIRONNEMENT [2000/22100] Accidents du travail. — Cessions du portefeuille-loi La société anonyme « ASG accident du travail » est autorisée à transférer son portefeuille-loi « Accidents du travail » à partir du 1er janvier 1999 à la société anonyme « Winterthur EuropeAssurances ». Cette cession est réalisée valablement à l’égard de tous les assurés et de tous les tiers intéressés (article 54bis de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, inséré par l’article 2 de l’arrêté royal n° 18 du 6 décembre 1978). La société anonyme « AXA-Belgium » est autorisée à transférer son portefeuille-loi « Accidents du travail » à partir du 1er janvier 1999 à la société anonyme « Royale Belge 1994 ». Cette cession est réalisée valablement à l’égard de tous les assurés et de tous les tiers intéressés (article 54bis de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, inséré par l’article 2 de l’arrêté royal n° 18 du 6 décembre 1978). 7407BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE WETTELIJKE BEKENDMAKINGEN EN VERSCHILLENDE BERICHTEN PUBLICATIONS LEGALES ET AVIS DIVERS Wetgevende Kamers — Chambres législatives BELGISCHE SENAAT [2000/19220] Plenaire vergaderingen Agenda Donderdag 16 maart 2000 a) ’s ochtends, te 10 uur : 1. Vragen om uitleg : a) van de heer Michel Barbeaux aan de Minister van Ambtenarenza ken en Modernisering van de openbare besturen, over « de voorstellen voor de modernisering van de openbare besturen »; b) van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken en aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, over « de rol van de niet gouvernementele organisaties in het Belgisch buitenlands beleid ». 2. Wetsontwerp houdende instemming met het Europees Handvest inzake lokale autonomie, gedaan te Straatsburg op 15 oktober 1985. 3. Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Russische Federatie tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en met het Protocol, ondertekend te Moskou op 16 juni 1995. 4. Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 2, § 1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (van Mevr. Anne-Marie Lizin c.s.). Toe te voegen : Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 6, § 3, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (van Mevr. Sabine de Bethune c.s.). 5. Wetsvoorstel tot uitbreiding van het BTW-tarief geldende voor de sierteelt tot de levering van planten en bloemen bij tuinaanleg (van de heer Ludwig Caluwé). 6. Artikel 81, derde lid, en artikel 79, eerste lid, van de Grondwet. Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor overdracht of beslag. b) ’s namiddags, te 15 uur : 1. Inoverwegingneming van voorstellen. 2. Mondelinge vragen. 3. Eventueel hervatting van de agenda van de ochtendvergadering. Vanaf 16 u. 30 m. : Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel. 4. Vragen om uitleg : a) van Mevr. Clotilde Nyssens aan de Minister van Justitie, over « de toepassing van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstel ling »; b) van de heer Alain Destexhe aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, over « zijn oriëntatienota betreffende de elektronische handel »; c) van de heer Olivier de Clippele aan de Minister van Landbouw en Middenstand, over « het getuigschrift van basiskennis van het bedrijfs beheer als vereiste tot nieuwe inschrijvingen in het handelsregister ». SENAT DE BELGIQUE [2000/19220] Séances plénières Ordre du jour Jeudi 16 mars 2000 a) le matin, à 10 heures : 1. Demandes d’explications : a) de M. Michel Barbeaux au Ministre de la Fonction publique et de la Modernisation de l’administration, sur « les propositions de moder nisation des administrations publiques »; b) de M. Vincent Van Quickenborne au Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères et au Secrétaire d’Etat à la Coopération au développement, sur « le rôle des organisations non gouvernemen tales dans la politique étrangère belge ». 2. Projet de loi portant assentiment à la Charte européenne de l’autonomie locale, fait à Strasbourg le 15 octobre 1985. 3. Projet de loi portant assentiment à la Convention entre le Gouvernement du Royaume de Belgique et le Gouvernement de la Fédération de Russie tendant à éviter les doubles impositions et à prévenir l’évasion fiscale en matière d’impôts sur le revenu et sur la fortune, et sur le Protocole, signés à Moscou le 16 juin 1995. 4. Proposition de loi modifiant l’article 2, § 1er, de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d’identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques (de Mme Anne-Marie Lizin et consorts). A joindre : Proposition de loi complétant l’article 6, § 3, de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d’identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques (de Mme Sabine de Bethune et consorts). 5. Proposition de loi étendant le taux de T.V.A. applicable à l’horticulture ornementale à la fourniture de plantes et de fleurs pour l’aménagement de jardins (de M. Ludwig Caluwé). 6. Article 81, alinéa 3, et article 79, alinéa 1er, de la Constitution. Projet de loi modifiant les articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire, en vue d’adapter la quotité non cessible ou non saisissable de rémunération. b) l’après-midi, à 15 heures : 1. Prise en considération de propositions. 2. Questions orales. 3. Eventuellement, reprise de l’ordre du jour de la séance plénière du matin. A partir de 16 h 30 m : Votes nominatifs sur l’ensemble des points à l’ordre du jour dont la discussion est terminée. 4. Demandes d’explications : a) de Mme Clotilde Nyssens au Ministre de la Justice, sur « l’appli cation de la loi relative à la libération conditionnelle »; b) de M. Alain Destexhe au Ministre de l’Economie et de la Recherche scientifique, sur « sa note d’orientation sur le commerce électronique »; c) de M. Olivier de Clippele au Ministre de l’Agriculture et des Classes moyennes, sur « l’exigence d’une attestation de connaissances de gestion de base pour les nouvelles inscriptions au registre de commerce ». 7408 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Gewestelijke instellingen — Institutions régionales VLAAMS PARLEMENT [S − C − 2000/35247] Plenaire vergaderingen Agenda Dinsdag 14 maart 2000 Van 14 uur af : Beleidsnota’s — Besprekingen. 1. Beleidsnota Werkgelegenheid 1999-2004, ingediend door de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 2. Beleidsnota Toerisme 1999-2004, ingediend door de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister vanWerkgelegenheid en Toerisme. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) Woensdag 15 maart 2000 Van 10 uur af : Eventueel : Voortzetting van de agenda van dinsdag 14 maart 2000. Van 14 uur af : Actuele (Regl. art. 82). Eventueel : Voortzetting van de agenda van de morgenvergadering. Van 16 uur af : Hoofdelijke stemmingen. 1. over de met redenen omklede moties : — van Mevr. Patricia Ceysens, de heer Guy Swennen, Mevr. Ria Van Den Heuvel en Mevr. Simonne Janssens Vanoppen tot besluit van de op 15 en 16 februari 2000 behandelde beleidsnota Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van Mevr. Sonja Becq, Mevr. Trees Merckx-Van Goey, Mevr. Riet Van Cleuvenbergen en Mevr. Ingrid Van Kessel tot besluit van de op 15 en 16 februari 2000 behandelde beleidsnota Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van Mevr. Marijke Dillen en de heren Felix Strackx en Wilfried Aers tot besluit van de op 15 en 16 februari 2000 behandelde beleidsnota Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 2. over de beleidsnota Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen 1999-2004, ingediend door Mevr. Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 3. over de met redenen omklede moties — van Mevr. Dominique Guns, de heer Tuur Van Wallendael, Mevr. Ann De Martelaer en de heer Dirk De Cock tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Vlaams Woonbeleid 1999-2004. (Gewestaangelegenheid.) — van Mevr. Veerle Heeren c.s. tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Vlaams Woonbeleid 1999-2000. (Gewestaangelegenheid.) 4. over de beleidsnota Vlaams Woonbeleid 1999-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gewestaangelegenheid.) 5. over de met redenen omklede moties : — van de heren Felix Strackx, Johan Demol en Julien Librecht tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Jeugd 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van de heren Marino Keulen, Darm Vandenbossche, Jos Stassen en Herman Lauwers tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Jeugd 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 6. over de beleidsnota Jeugd 199-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams rninister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 7409BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 7. over de met redenen omklede moties : — van de heren Dominiek Lootens-Stael, Johan Demol, Luk Van Nieuwenhuysen en Joris Van Hauthem tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Brusselse Aangelegenheden 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van Mevr. Brigitte Grouwels en de heer Walter Vandenbossche tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Brusselse Aangelegenheden 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van de heren Stefaan Platteau, Gilbert Bossuyt, Eloi Glorieux en Etienne Van Vaerenbergh tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Brusselse Aangelegenheden 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 8. over de beleidsnota Brusselse Aangelegenheden 1999-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 9. over de met redenen omklede moties : — van Mevr. Dominique Guns en de heren Tuur Van Wallendael, Dirk Holemans en Sven Gatz tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Stedenbeleid 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van de heer Bart De Smet c.s. tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Stedenbeleid 1999 2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 10. over de beleidsnota Stedenbeleid 1999-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 11. over de met redenen omklede moties : — van Mevr. Brigitte Grouwels c.s. tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota De Vlaamse Rand 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van de heren Stefaan Platteau, Leo Peeters, Eloi Glorieux en Etienne Van Vaerenbergh tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota De Vlaamse Rand 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 12. over de beleidsnota De Vlaamse Rand 1999-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 13. over de met redenen omklede moties : — van Mevr. Mieke Van Hecke, de heer Joachim Coens, Mevr. Riet Van Cleuvenbergen en de heer Luc Martens tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Cultuur 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van de heren Marino Keulen, Dany Vandenbossche, Jos Stassen en Herman Lauwers tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Cultuur 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van de heren Julien Librecht en Miel Verrijken tot besluit van de op 22 februari 2000 behandelde beleidsnota Cultuur 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 14. over de beleidsnota Cultuur 1999-2004, ingediend door de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 15. over de met redenen omklede moties : — van de heren Gilbert Van Baelen, André Van Nieuwkerke, Ludo Sannen en Kris Van Dijck tot besluit van de op 29 februari 2000 behandelde beleidsnota Onderwijs en Vorming 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van Mevr. Veerle Heeren en de heren Luc Martens, Jos De Meyer en Gilbert Vanleenhove tot besluit van de op 29 februari 2000 behandelde beleidsnota Onderwijs en Vorming 1999-2004. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 16. over de beleidsnota Onderwijs en Vorming 1999-2004, ingediend door Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming. (Gemeenschapsaangelegenheid.) 17. over de met redenen omklede moties : — van de heren Dirk Holemans, Robert Voorhamme, Chris Vandenbroeke en Gilbert Van Baelen tot besluit van de op 1 maart 2000 behandelde beleidsnota Wetenschaps- en Technologiebeleid 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van Mevr. Veerle Heeren en de heren Luc Van den Brande, Luc Martens, Jos De Meyer en Gilbert Vanleenhove tot besluit van de op 1 maart 2000 behandelde beleidsnota Wetenschaps- en Technologiebeleid 1999-2004. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 7410 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 18. over de beleidsnota Wetenschaps- en Technologiebeleid 1999-2004, ingediend door Mevr. Marleen Vander poorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, en de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 19. Eventueel : over de beleidsnota Werkgelegenheid 1999-2004, ingediend door de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 20. Eventueel : over de beleidsnota Toerisme 1999-2004, ingediend door de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) 21. over de motie van aanbeveling van de heer Jan Penris, Mevr. Marijke Dillen en de heren Luk Van Nieuwenhuysen en Joris Van Hauthem tot besluit van het op 23 februari 2000 in plenaire vergadering gehouden actualiteitsdebat over de impact van de federale beslissing inzake de luchthaven in Zaventem (Brussel-Nationaal). (Gewestaangelegenheid.) 22. over de met redenen omklede moties : — van de heer Luk Van Nieuwenhuysen tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Luk Van Nieuwenhuysen en Mevr. Mieke Van Hecke in commissie gehouden interpellaties tot de heer Patrick Dewael, minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden, over de positie van de bijzondere vertegenwoordiger van de minister-president voor het investeringsbeleid. (Gewestaangelegenheid.) — van Mevr. Mieke Van Hecke tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Luk Van Nieuwenhuysen en Mevr. Mieke Van Hecke in commissie gehouden interpellaties tot de heer Patrick Dewael, minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden, over de positie van de bijzondere vertegenwoordiger van de minister-president voor het investeringsbeleid. (Gewestaangelegenheid.) — van de heer Carl Decaluwe tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden, over de problematiek van de sociale kredietmaatschappijen in relatie tot sociale leningen van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en het Vlaams Woningfonds. (Gewestaangelegenheid.) — van de heren Dirk De Cock en Herman De Loor, Mevr. Dominique Guns en Mevr. Ann De Martelaer tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden, over de problematiek van de sociale kredietmaatschappijen in relatie tot sociale leningen van de Vlaamse Huisvestingsmaat schappij en het Vlaams Woningfonds. (Gewestaangelegenheid.) — van de heren Jef Van Looy en Luc Van den Brande tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Jef Van Looy in commissie gehouden interpellatie tot de heer Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, over de Kempense noord-zuid-as en de eventuele doorsnijding van beschermde landschappen. (Gewestaangelegenheid.) — van de heren Pieter Huybrechts, Jan Penris en Jean Geraerts tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Jef Van Looy in commissie gehouden interpellatie tot de heer Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie over de Kempense noord-zuid-as en de eventuele doorsnijding van beschermde landschappen. (Gewestaangelegenheid.) — van de heer Jan Laurys tot besluit van de op 17 februari 2000 door de heer Jan Laurys in commissie gehouden interpellatie tot de heer Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, over de stand van zaken met betrekking tot de realisatie van het gewestelijk expresnet (GEN) rond Brussel. (Gewestaangelegenheid.) — van de heer Frans Wymeersch tot besluit van de op 24 februari 2000 door de heer Frans Wymeersch in commissie gehouden interpellatie tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, over de eventuele afwerking van de ring rond Antwerpen, de verbinding Liefkenshoek-E17 en de mobiliteitsproblemen in dit verband. (Gewestaangelegenheid.) — van Mevr. Riet Van Cleuvenbergen en de heren Luc Martens en Gilbert Vanleenhove tot besluit van de op 24 februari 2000 door Mevr. Riet Van Cleuvenbergen in commissie gehouden interpellatie tot Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over de resultaten van de doorlichting van de opleidingen verpleegkunde. (Gewestaangelegenheid.) 7411BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE — van de heer John Taylor c.s. tot besluit van de op 28 februari 2000 door de heer John Taylor in commissie gehouden interpellatie tot de heer Patrick Dewael, minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden, over de naleving door de Vlaamse regering van de deontologische code van de Vlaamse volksvertegenwoordigers inzake dienstverlening aan de bevolking. (Gemeenschaps- en gewestaangelegenheden.) — van Mevr. Brigitte Grouwels en de heren Dirk De Cock, Julien Demeulenaere, Frans Ramon en André Van Nieuwkerke tot besluit van de op 2 maart 2000 door Mevr. Brigiue Grouwels in commissie gehouden interpellatie tot Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over het onderwijsvoorrangsbeleid in Brussel. (Gemeenschapsaangelegenheid.) — van de heren Dominiek Lootens-Stael, Luk Van Nieuwenhuysen en Julien Librecht tot besluit van de op 2 maart 2000 door Mevr. Brigiue Grouwels in commissie gehouden interpellatie tot Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over het onderwijsvoorrangsbeleid in Brussel. (Gemeenschapsaangelegenheid.) Hoofdelijke stemmingen kunnen ook na 17 uur worden gehouden. [S − C − 2000/35248] Openbare commissievergaderingen Agenda Maandag 13 maart 2000 Commissie voor Cultuur, Media en Sport (Antoon Van Dyckzaal, 2e verdieping) Te 14 uur : Voorstel van resolutie van de heer Chris Vandenbroeke betreffende de organisatie en het beheer van het archiefwezen. Benoeming van een verslaggever. Hoorzitting met deskundigen uit de sector. De commissie vergadert eveneens op donderdag 16 maart 2000, om 14 uur. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Buitenlandse en Europese Aangelegenheden (Jeroen Boschzaal, 2e verdieping) 1. Interpellatie van de heer Jan Laurys tot de heer Patrick Dewael, minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden, over het voorstel van de Vlaamse regering aan de Europese Commissie voor de afbakening van regionale steungebieden (ontwikkelingszones). 2. Gedachtenwisseling met de heer Patrick Dewael minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden, over de Wereldhandelsorganisatie in het licht van de top van Seattle. Benoeming van een verslaggever. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand (Jan Van Eyckzaal, 3e verdieping) Te 10 uur : Vragen om uitleg tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden : — van Mevr. Brigitte Grouwels over de bouw van een Nederlandstalig rusthuis in Neder-Over-Heembeek; — van de heer Walter Vandenbossche over het cultureel centrum Dilbeek. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Openbare Werken, Mobiliteit en Energie (Quinten Metsijszaal, 2e verdieping) Te 10 uur : 1. Interpellatie van de heer Joris Van Hauthem tot de heer Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, over de plannen voor de aanleg van een ring rond Asse. 2. Vragen om uitleg tot de heer Steve Stevaert, minister vice-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie : — van de heer Carl Decaluwe over het onderhoud van Vlaamse gewestwegen; — van de heer Carl Decaluwe over de organisatie van het openbaar vervoer tijdens Euro 2000; — van de heer Carl Decaluwe over de rol van De Lijn binnen het leerlingenvervoer; — van de heer Jacky Maes over de afbraak van Home Fabiola in Oostende; — van de heer Bart De Smet over het conflict van het Zeekanaal met het voorstadsnet Antwerpen in het algemeen en spoorlijn 52 in het bijzonder. 3. Voorstel van resolutie van de heren Felix Strackx en Luk Van Nieuwenhuysen betreffende het stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer. Benoeming van een verslaggever, bespreking en eventueel stemming. 7412 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Economie, Landbouw, Werkgelegenheid en Toerisme (Pieter Bruegelzaal, 3e verdieping) Te 13 u. 30 m. : 1. Vraag om uitleg van de heer Eddy Schuermans tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, over een beleid voor de luchtvaartindustrie in Vlaanderen. 2. Vraag om uitleg van Mevr. Isabel Vertriest tot Mevr. Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, over het aanschaffen van GMDSS-apparatuur in de visserij via de rederscentrale. 4. Interpellatie van de heer Eddy Schuermans tot de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme, over de samenwerking tussen de VDAB en een buitenlands uitzendbedrijf. 5. Vragen om uitleg tot de heer Renaat Landuyt, Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme : — van Mevr. Marijke Dillen over een terugvordering van subsidies voor werken aan het vakantie- en congrescentrum Sparrenduin; — van de heer Eddy Schuermans over een regionale ondersteuning voor logiesverstrekkende bedrijven. 6. Voorstel van decreet van de heren Jos Stassen en Jos Geysels houdende erkenning en subsidiëring van lokale werkgelegenheidscentra. Benoeming van een verslaggever, bespreking en eventueel stemming. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening (Peter Paul Rubenszaal, 2e verdieping) Te 10 uur : 1. Vragen om uitleg tot Mevr. Vera Dua, Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw : — van de heer Dirk De Cock over de preventie en verwerking van slibafval; — van de heer Paul Wille over de vrijstelling van de waterheffingen; — van de heer Carl Decaluwe over de vervuiling met zware metalen op de berm E17 te Rekkem-Menen; — van Mevr. Isabelle Vertriest over de OVAM-vergunning voor het gebruik van gips in bietenpulp. Te 11 uur : 2. Verzoekschrift van de heer Johan Dereymaeker c.s. betreffende de geplande verbrandingsoven te Drogenbos. Benoeming van verslaggevers. Hoorzitting. Te 14 uur : 3. Verzoekschrift van de heer Lode Lambrechts c.s. betreffende het horen van de v.z.w. Nationaal Komitee Weekendverblijven over de problematiek van de weekendverblijven. Voortzetting van de bespreking. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Stedelijk Beleid (Hans Memlingzaal, 2e verdieping) Te 10 u. 30 m. : 1. Vraag om uitleg van de heer Dirk Holemens tot de heer Johan Sauwens, Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, over het gratis aanbieden van een internetaansluiting door gemeenten aan hun inwoners. 2. Voorstel van decreet van de heer John Taylor c.s. houdende het afsluiten van een bestuursakkoord tussen de Vlaamse regering en de provincies, gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Benoeming van een verslaggever en bespreking. 3. Verzoekschrift van 25 november 1999 van de heer Antoon Despriet betreffende de verkoop van grond van de Vlaamse Gemeenschap aan de stad Oostende. Voortzetting van de bespreking. Te 14 uur : 4. Interpellaties tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden : — van Mevr. Sonja Becq over de werking van Vlabinvest; — van de heer Carl Decaluwe over de marginalisering van het huurdersbestand in de sociale-woningbouw en bepaalde sociale gevallen die niet kunnen worden opgevangen. 7413BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Donderdag 16 maart 2000 Commissie Cultuur, Media en Sport (Antoon Van Dyckzaal, 2e verdieping) Te 14 uur : Voorstel van decreet van de heren André Denys, Jozef Browaeys, Cis Schepens en Peter Gysbrechts houdende de voorwaarden voor deelneming aan wielerwedstrijden en wielerproeven. Hoorzitting met afgevaardigden van : — de Cel Medisch Verantwoorde Sportbeoefening van de Administratie Gezondheidszorg van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap; — het Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO) — de Vlaamse Wielerschool; — de Koninklijke Belgische Wielerbond (KBWB). Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gelijke Kansen (Jeroen Boschzaal, 2e verdieping) Te 14 uur : 1. Vragen om uitleg tot Mevr. Mieke Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen : — van de heer Luk Van Nieuwenhuysen over het al of niet verenigbaar zijn van een eventuele centrale tolkendienst voor OCMW’s met de taalwetgeving; — van de heer Luc Martens over het groot aantal zelfmoorden; — van Mevr. Ria Van Den Heuvel over dringende acties om het tekort aan verpleegkundigen te verhelpen; — van Mevr. Marijke Dillen over het preventief borstkankeronderzoek via de mammobiel; — van de heer Etienne Van Vaerenbergh over de inbreng van de Gemeenschappen in het vastleggen van een kader voor het gezondheidsbeleid; — van Mevr. Veerle Declercq over maatregelen voor de gemeenschapsinstellingen bijzondere jeugdbijstand; — van de heer Luc Martens over maatregelen om de erosie van het statuut van ziekenhuisapotheker te voorkomen. 2. Voorstel van decreet van Mevr. Patricia Ceysens c.s. houdende de inrichting van opvoedingsondersteuning. Benoeming van een verslaggever en toelichting. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid (Jan Van Eyckzaal, 3e verdieping) Te 14 u. 15 m. : 1. Interpellatie van de heer Luk Van Nieuwenhuysen tot Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over het afsluiten van een samenwerkingsakkoord met de Franse Gemeenschap inzake het onderwijs in de faciliteitengemeenten en het concurrentieel vervoer. 2. Vragen om uitleg tot Mevr. Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming : — van de heer Chris Vandenbroeke over de opvolging vanuit de Vlaamse regering van het dossier Magistratenschool; — van Mevr. Sonja Becq over het drugbeleid op school. Donderdag 16 maart 2000 Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting (Quinten Metsijszaal, 2e verdieping) Te 14 u. 30 m. : 1. Interpellaties tot de heer Patrick Dewael, minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Buitenlands Beleid en Europese Aangelegenheden : — van de heer Gilbert Bossuyt over de organisatie van de inning van de eigen belastingen; — van Mevr. Riet Van Cleuvenbergen over de wettelijkheid van de samenstelling van de Vlaamse adviesraden. Agendapunten 2 tot 5 aangebracht door de Subcommissie voor Financiën en Begroting : Boek van het Rekenhof 1999, 11e boek met opmerkingen en informatie, voorgelegd aan het Vlaams Parlement. 2. NV Aquafin : Gewestvergoeding voor het rendement eigen vermogen. Benoeming van een verslaggever en bespreking. 3. Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie voor Personen met een Handicap (VFSIPH). Rapport van het Rekenhof over de audit van de informatisering in het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap (VFSIPH). Voorstel van resolutie van de heren John Taylor, Stefaan Platteau, Herman De Reuse en Lucien Suykens, Mevr. Ann De Martelaer en de heer Chris Vandenbroeke betreffende aanbevelingen voor een efficiënt subsidiebeleid en -beheer in de gehandicaptensector van de Vlaamse Gemeenschap. Benoeming van een verslaggever en bespreking. 4. Uitvoering van de begroting 1998 : de rekeningen van de Openbare Psychiatrische Ziekenhuizen te Geel en te Rekem. Voorstel van resolutie van de heren John Taylor, Stefaan Platteau, Herrnan De Reuse, Lucien Suykens, Mevr. Ann De Martelaar en de heer Chris Vandenbroeke betreffende aanbevelingen met betrekking tot de financiële toestand van de Openbare Psychiatrische Ziekenhuizen van de Vlaamse Gemeenschap. Benoeming van een verslaggever en bespreking. 5. BLOSO : inkomsten van de sportcentra. Benoeming van een verslaggever en bespreking. 7414 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Verschillende berichten Avis divers Aankondigingen − Annonces VENNOOTSCHAPPEN − SOCIETES Bureau d’Etude fiscal, société anonyme, en liquidation, chaussée de Tournai 65, à 7520 Ramegnies (Chin) L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le mardi 21 mars 2000, à 11 heures. Ordre du jour : 1. Rapport des liquidateurs sur les comptes annuels clôturés au 31 décembre 1999. 2. Lecture et approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. Se conformer aux statuts pour le dépôt des titres. (5150) Les liquidateurs. Kineo Production, société anonyme, avenue Lavoisier 37, à 1300 Wavre L’assemblée générale ordinaire se tiendra le 21 mars 2000, à 14 heures, au siège social. — Ordre du jour : 1. Rapport de gestion. 2. Approbation des comptes annuels et comptes de résultats au 30 septembre 1999. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5151) Tendeur universel, société anonyme, boulevard de la Cambre 74, 1050 Bruxelles R.C. Bruxelles 307660 − T.V.A. 402.933.941 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 21 mars 2000, à 14 h 30 m. Ordre du jour : 1. Lecture et discussion des comptes annuels arrêtés au 31 décem bre 1999. 2. Approbation des comptes annuels et de l’affectation du résultat. 3. Décharge aux administrateurs. 4. Divers. (5152) Société immobilière Nisard-Invest, « Nisard-Invest », société anonyme, rue Nisard 6, 1170 Bruxelles R.C. Bruxelles 547865 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 20 mars 2000, à 15 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5153) Société du Blocus « Blocus », société anonyme, rue Nisard 6, 1170 Bruxelles R.C. Bruxelles 547868 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 20 mars 2000, à 17 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5154) Société de Cour-au-Mont « Cour-au-Mont », société anonyme, rue Nisard 6, 1170 Bruxelles R.C. Bruxelles 547866 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 20 mars 2000, à 16 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5155) Physiol, société anonyme, Parc scientifique du Sart-Tilman, allée des Noisetiers, 4031 Angleur R.C. Liège 153672 − T.V.A. 428.242.033 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 20 mars 2000, à 11 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. Pour assister à l’assemblée, dépôt des titres au siège social, cinq jours francs avant la réunion. (5156) P.M.D.S., société anonyme, chaussée de Mons 5, 1400 Nivelles R.C. Nivelles 70144 − T.V.A. 446.556.227 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 21 mars 2000, à 11 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. Pour assister à l’assemblée, se conformer aux statuts. (5157) J.C.J., société anonyme, avenue du Bois de Sapins 2, 1200 Bruxelles R.C. Bruxelles 575147 − T.V.A. 450.923.108 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 21 mars 2000, à 15 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. Se conformer aux statuts. (5158) 7415BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Immo Delvil, société anonyme, rue du Parc Industriel 27, 6900 Marche-en-Famenne R.C. Marche-en-Famenne 20343 − T.V.A. 463.929.422 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social, le 21 mars 2000, à 17 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5159) Hostellerie du Prieuré de Conques, société anonyme, rue de Conques 2, 6820 Florenville (Sainte-Cécile/Conques) MM. les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale ordinaire, qui se tiendra le lundi 20 mars 2000, à 11 heures, au siège social de la société. — Ordre du jour : rapport du conseil d’administra tion. Examen et approbation des comptes. Décharge à donner aux administrateurs. Divers. (5160) « De Smedt et Charlier », société anonyme, avenue des Arts 12, 1210 Saint-Josse-ten-Noode R.C. Bruxelles 336706 — NN 402.207.233 Assemblée générale ordinaire au siège social, le 21 mars 2000, à 17 heures. — Ordre du jour : 1. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 2. Affectation des résultats. 3. Décharge aux admi nistrateurs. 4. Divers. (5161) Croc’In, société anonyme, boulevard des Canadiens 116, 7711 Dottignies R.C. Tournai 58845 − T.V.A. 423.040.754 Les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale ordinaire du 20 mars 2000, à 10 heures, au siège social. Ordre du jour : 1. Rapport du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes au 31 décembre 1999. 3. Affectation du résultat. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. Les associés sont obligés de se conformer aux statuts. (5162) Carrosserie Piret-Wavre, société anonyme, chaussée de Namur 260, 1300 Wavre R.C. Nivelles 59072 − T.V.A. 431.490.642 L’assemblée générale ordinaire des actionnaires se tiendra le 20 mars 2000, à 14 heures, chez Olinessa Management S.A., Les Gottes 38, 1390 Grez-Doiceau. Ordre du jour : 1. Rapport du conseil d’administration. 2. Examen des comptes annuels au 31 septembre 1999. 3. Affectation du résultat. 4. Approbation des comptes annuels. 5. Décharge aux administrateurs. 6. Divers. Pour assister à l’assemblée générale, se conformer aux statuts. (5163) Ateliers mécaniques Emile Mockel fils S.C.A., Gulcherstrasse 31, 4700 Eupen R.C. Eupen 33918 − T.V.A. 411.953.456 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 21 mars 2000, à 18 heures. — Ordre du jour : 1. Discussion des comptes annuels arrêtés au 30 septembre 1999. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Décharge au gérant. 4. Emoluments. 5. Divers. (5164) Société agricole et forestière de la Franche Terre de Fagnolle, « Franche Terre », société anonyme, rue Nisard 6, 1170 Bruxelles R.C. Bruxelles 547867 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 20 mars 2000, à 18 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5165) Immobilière Hayoit, société anonyme, rue des Vaches 44, 7390 Quaregnon Registre des sociétés civiles ayant emprunté la forme commerciale, Mons, n° 589 NN 459.318.583 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 20 mars 2000, à 13 heures. — Ordre du jour : 1. Lecture du rapport de gestion. 2. Discussion des comptes annuels arrêtés au 30 septembre 1999. 3. Affectation des comptes annuels. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Emoluments. 6. Divers. (5166) Imopan, société civile sour forme anonyme, rue du Serment 56, 1070 Bruxelles R.C. Bruxelles 79 − T.V.A. 401.976.611 Assemblée générale ordinaire le 22 mars 2000, à 18 h 30 m, au siège social. — Ordre du jour : 1. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 2. Affectation du résultat. 3. Décharge aux membres du conseil d’administration. 4. Divers. (5167) Métal-Condroz, société anonyme, Grand-Rue 76, 4560 Ocquier R.C. Huy 25857 Convocation à l’assemblée générale ordinaire du 22 mars 2000, à 15 heures, au siège social. — Ordre du jour : 1. Approbation des comptes annuels et du compte de résultats arrêtés au 31 décembre 1999. 2. Rapports du conseil d’administration et du révi seur. 3. Décharge aux administrateurs et au réviseur. 4. Nominations et démissions. 5. Divers. (5168) 7416 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Guisse immobilière, société anonyme, rue de Waremme 48-50, à 4530 Villers-le-Bouillet R.C. Huy 32520 − T.V.A. 425.035.885 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 20 mars 2000, à 16 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5169) Olympe, société civile sous forme anonyme Registre des sociétés civiles ayant emprunté la forme commerciale, Bruxelles, n° 72 L’assemblée générale ordinaire se réunira le mardi 21 mars 2000, à 10 heures, au siège social, avenue Louise 573, à 1050 Bruxelles. — Ordre du jour : 1. Examen et approbation du rapport du conseil d’adminis tration concernant les comptes annuels clôturés au 31 décembre 1999. 2. Examen et approbation des comptes annuels clôturés au 31 décembre 1999. 3. Affectation du résultat. 4. Décharge des adminis trateurs de leur responsabilité personnelle pour l’exercice de leur mandat pendant l’exercice écoulé. 5. Divers. (5170) Horizon Investments, société anonyme, Sicav de droit belge en valeurs mobilières et liquidités, place Sainte-Gudule 19, 1000 Bruxelles R.C. Bruxelles 633642 Convocation L’assemblée générale ordinaire des actionnaires se réunira au siège de la société à Bruxelles, le mercredi 22 mars 2000, à 16 heures, aux fins d’entendre les rapports annuels du conseil d’administration et du commissaire-réviseur et d’adopter les propositions suivantes : 1. Approuver les comptes annuels arrêtés au 31 décembre 1999, présentant pour l’ensemble des compartiments un total au bilan de S 117 347 250,13 et un résultat bénéficiaire de S 11 745 977,47. 2. Approuver le report des autres soldes de résultat. 3. Donner décharge aux administrateurs et commissaire-réviseur de l’exercice de leur mandat jusqu’au 31 décembre 1999. Les actionnaires désireux d’assister à l’assemblée ou de s’y faire représenter sont invités à en informer la société de bourse Petercam S.A., à Bruxelles, place Sainte-Gudule 19, et, le cas échéant, à y déposer leurs titres au plus tard le vendredi 17 mars 2000. (5171) Bagot Bag, société anonyme, avenue Léon Debatty 18, 1070 Bruxelles R.C. Bruxelles 486423 MM. les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale extraordinaire de la société qui se réunira le 20 mars 2000, à 9 heures, en l’étude du notaire Michel Cornelis, à Anderlecht, avenue Clemen ceau 88, avec l’ordre du jour suivant : 1. Rapport justificatif du conseil d’administration sur la proposition de mise en liquidation de la société, auquel est joint un état résumant la situation active et passive de la société. 2. Rapport du réviseur d’entreprises sur cet état. 3. Dissolution et mise en liquidation de la société. 4. Nomination d’un ou plusieurs liquidateurs. 5. Pouvoirs à conférer au(x) liquidateur(s). 6. Fixation des émoluments du ou des liquidateur(s). 7. Décharge provisoire aux administrateurs et, le cas échéant, au commissaire. Au cas où l’assemblée convoquée pour le 20 mars ne réunirait pas le quorum suffisant, une deuxième assemblée avec le même ordre du jour se réunira le 20 avril 2000, à 11 h 30 m, et délibèrera valablement quel que soit le nombre de titres qui y seront représentés. Pour assister à l’assemblée générale, se conformer à l’article 26 des statuts. (5172) Le conseil d’administration. « S.A. Compagnie de Récupération », en abrégé « Coder », société anonyme, quai des Vicinaux 25, à 7500 Tournai L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le mardi 21 mars 2000, à 11 heures. Ordre du jour : 1. Lecture et approbation des comptes annuels clôturés au 31 décembre 1999. 2. Affectation du résultat. 3. Décharge aux adminis trateurs. Se conformer aux statuts pour le dépôt des titres. (5173) Le conseil d’administration. Credior, société anonyme, à 4800 Verviers R.C. Verviers 34406 L’assemblée générale ordinaire se réunira le 20 mars 2000, à 10 heurs, au siège social, rue des Martyrs 33, 4800 Verviers. Ordre du jour : 1. Rapports des administrateurs. 2. Approbation des bilan et compte de résultats. 3. Décharge à donner aux administrateurs. 4. Nominations statutaires. Pour assister à l’assemblée, se conformer aux statuts. (5174) P.E.B.A.T., société civile sous forme d’une société anonyme, Am Kiesel 15, 4700 Eupen Registre des sociétés civiles ayant emprunté la forme commerciale, Eupen, n° 119 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 21 mars 2000, à 18 heures. — Ordre du jour : 1. Approbation des comptes annuels. 2. Affectation des résultats. 3. Décharge aux adminis trateurs. 4. Divers. Dépôt des titres au siège social, cinq jours francs avant la réunion. (5175) Lendit-Lier, société anonyme, avenue Adolphe Lacomblé 59/61, 1030 Bruxelles R.C. Bruxelles 563001 — NN 407.912.318 Convocation MM. les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale extraordinaire qui se tiendra le 22 mars 2000, à 9 h 30 m, en l’étude de Me Denis Grégoire, à 4520 Moha (Wanze), rue de Bas-Oha 252A, en vue de délibérer sur l’ordre du jour suivant : 1. Rapports du conseil d’administration et du commissaire-réviseur, établis conformément à l’article 34, § 2, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, sur l’apport en nature ci-après prévu, sur les modes d’évaluation adoptés et sur la rémunération effectivement attribuée en contrepartie. 7417BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 2. Proposition d’augmenter le capital social à concurrence de vingt huit millions huit cent cinq mille cinq cent six francs (BEF 28 805 506) pour le porter de vingt-quatre millions cent soixante-cinq mille sept cent quatorze francs (BEF 24 165 714) à cinquante-deux millions neuf cent septante et un mille deux cent vingt francs (BEF 52 971 220) par la création de mille cent cinquante-deux (1 152) actions nouvelles jouis sant des mêmes droits et avantages que les actions existantes, sans mention de valeur nominale et qui participeront aux bénéfices à dater du 1er juin 2000. 3. Proposition de réalisation de l’apport. 4. Constatation de la réalisation effective de l’augmentation de capital. 5. Expression du capital social en euro. 6. Adaptation des statuts par remplacement de l’article 6, lequel sera libellé comme suit : « Le capital social est fixé à un million trois cent treize mille cent vingt-deux euro (S 1 313 122), soit cinquante-deux millions neuf cent septante et un mille deux cent vingt francs (BEF 52 971 220). Il est représenté par sept mille sept cent douze (7 712) actions sans mention de valeur nominale représentant chacune un sept mille sept cent douzième de l’avoir social, toutes entièrement libérées. » 7. Pouvoirs. Conformément à l’article 21 des statuts, le droit de participer à l’assemblée est subordonné soit à l’inscription de l’actionnaire au registre des actions nominatives, soit au dépôt, au plus tard trois jours ouvrables avant la date de l’assemblée, des actions au porteur au siège de la société. (5176) La S.A. Plantations de Dembia (Plantadem S.A.), société anonyme Siège social : chaussée de Louvain 710, 1030 Bruxelles R.C. Bruxelles 46089 MM. les actionnaires sont invités à assister à l’assemblée générale ordinaire qui se tiendra au siège administratif, chaussée de Louvain 88, à 1380 Lasne, le lundi 20 mars 2000, à 11 heures, avec l’ordre du jour suivant. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels au 30 septembre 1999. 3. Décharge à donner aux administrateurs. 4. Divers. Pour assister à cette assemblée, MM. les actionnaires sont priés de se conformer à l’article 24 des statuts. Le dépôt des titres ou des certificats d’inscriptions nominatives sera reçu jusqu’au 15 mars 2000 inclusivement, au siège social de la société. (5177) Le conseil d’administration. Simfil, société anonyme, chaussée de Courcelles 173, 6041 Gosselies R.C. Charleroi 177704 — NN 450.118.897 L’assemblée générale extraordinaire se réunira chez M. Oscar Lefevre, expert-comptable, rue de l’Energie 100, 6001 Marcinelle, le 22 mars 2000, à 18 h 30 m. — Ordre du jour : 1. Examen de la situation de l’actionariat. 2. Décharge éventuelle des administrateurs sortants. 3. Désignation de nouveaux administrateurs. (5178) Ateliers de Construction d’Ensival, société anonyme, rue Hodister 44, 4860 Pepinster (Wegnez) R.C. Verviers 1057 − T.V.A. 402.323.633 Les actionnaires sont invités à assister à l’assemblée générale statu taire au siège social à 4860 Pepinster (Wegnez), le 21 mars 2000, à 14 h 30 m. Ordre du jour : 1. Rapports du conseil d’administration et du commissaire-réviseur sur l’exercice social 1999. 2. Approbation du bilan et du compte de résultats et de la répartition. 3. Décharge aux administrateurs et commissaire-réviseur. 4. Divers. Article 27 des statuts : pour être admis à l’assemblée, les actionnaires doivent produire un certificat de dépôt de leurs titres au porteur, effectué cinq jours francs avant la réunion, au siège de la société à 4860 Pepinster (Wegnez), ou à la Générale de Banque, avenue du Chêne 116B, à Verviers (Heusy), ou à la Banque Bruxelles Lambert, place Verte, à Verviers, ou à la Banque Drèze, rue Xhavée 3, à Verviers, ou à la Banque Artesia, place Saint-Michel 30, à 4000 Liège. (5179) « Volcan Production », société anonyme, rue du Roton 28, 6000 Charleroi R.C. Charleroi 189530 − T.V.A. 459.862.152 Convocation à l’assemblée générale extraordinaire du 22 mars 2000 Les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale extraor dinaire qui se tiendra en l’étude du notaire Hubert Michel, à Charleroi, rue du Fort 24, le mercredi 22 mars 2000, à 10 heures. Ordre du jour : 1. Conversion du capital s’élevant à BEF 3 000 000 en S 74 368,0574. 2. Augmentation de capital à concurrence de S 37 131,9426, pour le porter de S 74 368,0574 à S 111 500, par la création de 1 498 actions nouvelles, du même type et jouissant des mêmes droits et avantages que les actions existantes, participant prorata temporis aux résultats de la société pour l’exercice en cours. Ces actions nouvelles seront émises chacune au pair comptable de S 24,7893. Ces actions nouvelles seront immédiatement souscrites en espèces et entièrement libérées à la souscription. Elles seront offertes par préférence aux actionnaires actuels de la société au prorata de la partie du capital représentée par leurs actions. 3. Fixation du délai de souscription des actions nouvelles. 4. Décision que si toutes les actions ne sont pas souscrites par l’exercice du droit de souscription préférentielle, les actions non sous crites pourront être souscrites par des tiers. 5. Modification des articles suivants des statuts pour les mettre en concordance avec la situation nouvelle de la société : article 5 : pour l’adapter au nouveau montant du capital; article 5bis : nouvel article à insérer relatant l’historique du capital; articles 6, 10, 20, 23, 30, 34, 35, 36 et 40 : pour y supprimer les références aux lois coordonnées sur les sociétés commerciales et les remplacer par des références à la loi ou aux dispositions légales; article 15 : pour supprimer la deuxième phrase du point A. 6. Pouvoirs à conférer à l’administrateur délégué pour faire cons tater, par acte authentique, la réalisation des souscriptions, l’augmen tation de capital, les modifications statutaires en résultant et, en général, pour exécuter les résolutions de l’assemblée générale au sujet de cette augmentation de capital. (5180) Le conseil d’administration. 7418 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Bourse industrielle de Belgique, société coopérative à responsabilité limitée, rue Duquesnoy 14, bte 5, 1000 Bruxelles R.C. Bruxelles 21717 — NN 403.204.848 MM. les actionnaires sont invités à assister à l’assemblée générale extraordinaire des associés qui aura lieu le 22 mars 2000, à 12 heures, au siège social de la société, avec l’ordre du jour suivant : a) En vue de la dissolution de la société coopérative à responsabilité limitée lecture : du rapport justificatif du conseil d’administration établi conformé ment à l’article 178bis des lois coordonnées sur les sociétés commer ciales et de l’état résumant la situation active et passive arrêté au 31 janvier 2000; du rapport et des conclusions de l’expert-comptable étant la S.P.R.L. Axas Consulting, ayant son siège social à Bruxelles, avenue Louise 486, bte 5, représentée par M. Buyar Kartal, expert-comptable. b) Dissolution de la société et mise en liquidation de la société. c) Nomination d’un liquidateur. d) Détermination des pouvoirs et émoluments du liquidateur. Les associés qui désirent assister à la réunion sont priés de se conformer aux dispositions statutaires. (5181) Le conseil d’administration. Menuiserie Martin Michel, société anonyme, sentier de la Taillette 68, 7340 Wasmes R.C. Mons 134544 − T.V.A. 457.382.219 L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social le 21 mars 2000, à 18 heures. Ordre du jour : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration. 2. Approbation des comptes annuels. 3. Affectation des résultats. 4. Décharge aux administrateurs. 5. Divers. (5182) Mazout Leruse, société anonyme, avenue de la Libération 33, 4920 Aywaille R.C. Liège 130518 − T.V.A. 418.291.021 MM. les actionnaires sont priés d’assister à une assemblée générale extraordinaire qui se tiendra en l’étude du notaire Lemoine, rue de Pavillonchamps 14, à 4920 Harzé (Aywaille), le lundi 20 mars 2000, à 14 heures. Ordre du jour : A. Modification de l’objet social. 1. Rapport du conseil d’administration. 2. Proposition de modifier le premier alinéa de l’article 3 des statuts par le texte suivant : « La société a pour objet le commerce de gros et de détail de produits pétroliers, phytopharmaceutiques et chimiques; le transport; l’installa tion, l’entretien et le dépannage de chauffage central. » B. Modifications aux statuts. a)Modification de l’article 4 des statuts pour le remplacer par le texte suivant : « La société est constituée pour une durée illimitée. » b) Modification du premier alinéa de l’article 26 des statuts pour le remplacer par le texte suivant : « L’assemblée générale annuelle se réunit le premier mardi du mois de décembre. » C. Augmentation de capital et adaptation du capital à l’euro. Augmentation de capital à concurrence de BEF 39 625 ou S 982,29 pour le porter de BEF 5 850 000 ou S 145 017,71 à BEF 5 889 625 ou S 146 000, par incorporation au capital d’une telle somme à prélever sur les réserves. Modification des articles 5 et 6 des statuts pour les mettre en concordance avec la situation nouvelle du capital et exposer l’histo rique de la formation du capital. Constatation de la réalisation effective de l’augmentation de capital. Pouvoirs à conférer au conseil d’administration pour l’exécution des résolutions à prendre sur les objets qui précèdent. Si le quorum des présences n’était pas atteint, une seconde assemblée est convoquée avec le même ordre du jour au même endroit le vendredi 31 mars, à 14 heures. Pour assister à l’assemblée, se conformer à l’article 28 des statuts. (5183) Le conseil d’administration. Immobilière de La Ferrée et Extensions, société anonyme L’assemblée générale ordinaire se réunira au siège social place Albert Ier 26, à Charleroi, le 20 mars 2000, à 11 heures. Ordre du jour : 1. Approbation des comptes annuels au 31 décembre 1999. 2. Décharge aux administrateurs. 3. Divers. (5184) Wulfsdonck Investment, société anonyme Siège social : avenue Herrmann-Debroux 40-42, 1160 Bruxelles R.C. Bruxelles 448204 Les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale ordinaire des actionnaires qui se tiendra le lundi 20 mars 2000, à 10 heures, au siège social, avenue Herrmann-Debroux 40-42, à 1160 Auderghem, avec pour ordre du jour : 1. Rapport du conseil d’administration sur l’exercice 1999. 2. Approbation des comptes statutaires et affectation du résultat au 31 décembre 1999. 3. Décharge à donner aux administrateurs. 4. Tenue des comptes annuels en euros à partir du 1er janvier 2000. 5. Conversion du capital social en euros pour le montant arrondi de S 1 488 000. Pour être admis ou se faire représenter à l’assemblée générale ordinaire, les actionnaires voudront bien se conformer à l’article 29 des statuts de la société en déposant leurs titres ou leurs certificats nominatifs avant le 15 mars 2000 au siège social de la société (de 10 à 12 heures) ou dans une banque du pays. (5185) André Zeevisgroothandel, naamloze vennootschap, Groenlandstraat 17, 8380 Zeebrugge H.R. Brugge 51424 — NN 418.105.830 De aandeelhouders worden uitgenodigd op de jaarvergadering die zal gehouden worden op de zetel van de vennootschap, op woensdag 22 maart 2000, om 16 uur, met navolgende agenda : 1. Jaarverslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring jaarrekening per 31 december 1999. 3. Bestemming resultaat. 4. Goedkeuring wedde bestuurders. 5. Kwij ting bestuurders. 6. Ontslag en benoeming. 7. Varia. (5186) 7419BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE « Aubreme Center », naamloze vennootschap, Aubremestraat 2, 1800 Vilvoorde H.R. Brussel 467456 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de buitengewone alge mene vergadering die gehouden wordt op het kantoor van notaris Jean-Luc Peêrs, te 1800 Vilvoorde, Van Helmontstraat 2, op 20 maart 2000, om 10 uur, met volgende agenda. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur in toepassing van artikel 178bis, § 1, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen; bij dat verslag wordt een staat van activa en passiva van de vennootschap gevoegd, die niet meer dan drie maanden vóór heden is vastgesteld. Verslag door de heer Peter Rijcken, accountant ingeschreven op het tableau van de externe accountants van het Instituut der Accountants, kantoorhoudend te Brasschaat, Lage Kaart 217, aangewezen door de raad van bestuur in toepassing van artikel 178bis, § 1, van de gecoör dineerde wetten op de handelsvennootschappen. 2. Vervroegde ontbinding en in vereffening stellen der vennoot schap. 3. Benoeming van één of meerdere vereffenaars. 4. Vaststelling dat de vereffening is beëindigd. 5. Afsluiting van de vereffening - machten. Om aan de vergadering te mogen deelnemen dienen de aandeelhou ders zich te schikken naar artikel 25 van de statuten. (5187) Spot-On, naamloze vennootschap, Sint-Bernardusstraat 116, 1060 Brussel H.R. Brussel 616173 − BTW 461.126.617 De aandeelhouders worden uitgenodigd op de buitengewone alge mene vergadering die zal plaatshebben op 20 maart 2000, om 10 u. 30 m., op het kantoor van notaris Edwin Van Laethem, te Elsene. Agenda : 1. Lezing, onderzoek en goedkeuring van het verslag door de raad van bestuur waarbij een omstandige verantwoording van de voorge stelde wijziging van het maatschappelijk doel wordt gegeven; bij dit verslag wordt een staat gevoegd van de activa en passiva van de vennootschap afgesloten op 31 december 1999. 2. Voorstel om artikel 3 van de statuten te wijzigen door toevoeging van de volgende alinea’s : « — Het aankopen van één of meerdere vaartuigen van ongeacht welk type, het onderhoud, herstel en renovatie ervan, te gebruiken zowel voor eigen noodwendigheden zoals voor kantoor-, berg-, ontvangstruimte, representatie en dergelijke meer, als met het oog op gehele of gedeeltelijke verhuring, pleziervaarten, events-organisatie, opleidingen, seminars, alsmede in ondergeschikte orde horeca- en cateringsactiviteiten in eigen beheer of door derden in onderaanneming georganiseerd. — Het ter beschikking stellen van personeel dat voor rekening van derden allerhande klusjes opknapt die zich niet situeren binnen een gereglementeerde aannemeningsactiviteit. » 3. Wijziging aan de statuten. 4. Coördinatie van de statuten. 5. Bijzondere volmachten voor het handelsregister. (5188) Petroleum Industrie Mechelen, naamloze vennootschap, Vondelstraat 23, 2800 Mechelen H.R. Mechelen 5306 Gewone algemene vergadering 20 maart 2000, te 18 uur, op de maat schappelijke zetel. — Dagorde : 1. Verslag bestuurders. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Aanwending van het resultaat. 4. Kwijting aan de bestuurders. 5. Varia. (5189) Agro-Fore, naamloze vennootschap, Stationsstraat 164, 3110 Rotselaar H.R. Leuven 91424 − BTW 433.906.635 Jaarvergadering op 21 maart 2000, om 15 uur, op de zetel. — Dagorde : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 1999. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de bestuurders. 5. Ontslag en benoeming van bestuur ders. 6. Allerlei. (5190) C.B.R.T., naamloze vennootschap, Ten Poele 33, 8430 Middelkerke H.R. Oostende 50151 − BTW 449.366.257 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de bestuurders. 5. Ontslag en benoeming. 6. Diversen. (5191) Chaudral, naamloze vennootschap, Stapelplein 40, bus 002, 9000 Gent H.R. Gent 139116 − BTW 426.319.453 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 21 maart 2000, te 14 uur. — Dagorde : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan bestuurders. 5. Varia. Zich schikken naar de statuten. (5192) Cosimo, naamloze vennootschap, te 9300 Aalst H.R. Aalst 53098 De jaarvergadering zal gehouden worden op 20 maart 2000, te 10 uur, te Aalst, Gentsesteenweg 10. —Agenda : Verslagen bestuurders. Goedkeuring jaar- en resultatenrekening op 31 december 1999. Bestem ming resultaat. Ontlastingen bestuurders. Zich schikken naar artikel 22 der statuten. (5193) Demiro, naamloze vennootschap, Spaarzaamheidstraat 33, 8400 Oostende H.R. Oostende 47233 − BTW 443.498.747 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de bestuurders. 5. Diversen. (5194) Dendrimo, naamloze vennootschap, Grote Markt 35, te 9200 Dendermonde H.R. Dendermonde 33328 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Verslag van bestuurders. 2. Goedkeuring der jaarrekeningen. 3. Aanwending van het resultaat. 4. Ontlasting aan bestuurders. 5. Statutaire benoemingen. (5195) 7420 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Devriendt, coöperatieve vennootschap op aandelen, Slijpesteenweg 41, 8433 Middelkerke H.R. Oostende 48188 − BTW 446.489.812 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag zaakvoerders. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de zaakvoerders. 5. Diversen. (5196) Drukkerij Boone-Roosens, naamloze vennootschap, Hemelstraat 2, 1651 Lot-Beersel H.R. Brussel 254023 − BTW 406.953.602 De jaarvergadering zal gehouden worden op 21 maart 2000, te 18 uur, op de zetel. — Agenda : Verslag bestuurders. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuur ders. Ontslag en statutaire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5197) Drukkerij Dils, naamloze vennootschap, Grote Steenweg 3, 2440 Geel H.R. Turnhout 44682 − BTW 418.914.096 Gewone algemene vergadering op 21 maart 2000, te 20 uur, op de maatschappelijke zetel. — Dagorde : Verslag bestuurders. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuur ders. Ontslag en statutaire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5198) Société Foncière Belge-Argentine, naamloze vennootschap H.R. Antwerpen 2657 Jaarvergadering op 20 maart 2000, om 10 uur, op de zetel, Mechel sesteenweg 203, te Antwerpen. — Agenda : 1. Goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 1999. 2. Kwijting aan de bestuurders. 3. Hernieuwing van mandaten van bestuurders. 4. Diversen. Zich schikken naar de statuten. (5199) Getra, naamloze vennootschap, Legebaan 135, 2560 Nijlen H.R. Mechelen 65084 − BTW 435.205.544 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 21 maart 2000, te 9 uur. Dagorde : 1. Verslag van de bestuurders. 2. Goedkeuring van de jaar rekeningen. 3. Aanwending van het resultaat. 4. Ontlasting aan de bestuurders. (5200) Goethals, C.V.A., Jonckhoflaan 29, 8430 Middelkerke H.R. Oostende 48118 − BTW 445.904.842 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag zaakvoerders. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de zaakvoerders. 5. Diversen. (5201) Industriehuis, naamloze vennootschap, Ninovestraat 106, 9600 Ronse H.R. Oudenaarde 2377 − BTW 400.224.770 Jaarvergadering op de maatschappelijke zetel, op 20 maart 2000, om 11 uur. — Dagorde : 1. Lezing van de jaarrekening op 31 december 1999 - verslag. 2. Goedkeuring van deze jaarrekening. 3. Aanwending van het resultaat. 4. Kwijting aan bestuurders. 5. Allerlei. Om te kunnen deelnemen aan de algemene vergadering moeten de aandeelhouders, overeenkomstig artikel 12 van de statuten, hun titels aan toonder neerleggen, ten laatste vijf dagen vóór de vergadering, op de zetel van Fortis Bank. (5202) Military Services, naamloze vennootschap, Keesinglaan 28, 2100 Deurne H.R. Antwerpen 322510 − BTW 460.406.738 De jaarvergadering zal gehouden worden op 21 maart 2000, te 18 uur, op de zetel. — Agenda : Verslag bestuurders en commissaris revisor. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuurders en commissaris-revisor. Ontslag en statutaire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5203) « MLV », naamloze vennootschap, Burchthof 8, 8580 Avelgem H.R. Kortrijk 129935 − BTW 450.395.744 Gezien een eerste buitengewone algemene vergadering niet geldig kon besluiten bij gebrek aan het wettelijk quorum, worden de aandeel houders verzocht een tweede buitengewone algemene vergadering bij te wonen die zal doorgaan op 21 maart 2000, om 18 uur, ten kantore van notaris Desmaricaux, met standplaats te Diksmuide. Agenda : 1. Wijzigen afsluitingsdatum boekjaar : afsluiting per 31 maart 2000. 2. Verplaatsing jaarvergadering naar de eerste zaterdag van de maand september. 3. Coördinatie statuten. (5204) De raad van bestuur. O. Goemaere & Cie, naamloze vennootschap, Wolstraat 23, 1000 Brussel H.R. Brussel 554414 − BTW 404.832.666 De aandeelhouders worden uitgenodigd op de gewone algemene vergadering, die zal plaatshebben ten burele van Gérard L. Vennoten, te Brussel, Louizalaan 523, achtste verdieping, op 21 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Verslag van de commissaris-revisor. 3. Goedkeuring van de jaarrekeningen en bestemming te geven aan het resultaat. 4. Ontlasting te verlenen aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 6. Benoemingen. Om geldig aanwezig of vertegenwoordigd te zijn dienen de aandeel houders hun aandelen neer te leggen op Bank Degroof, Nijverheids straat 44, te 1040 Brussel, tenminste vijf volle dagen vóór de vergade ring. (5205) Pycoma, naamloze vennootschap, te 9031 Drongen, H.R. Gent 153665 Jaarvergadering op 20 maart 2000, te Drongen, Baarleveldestraat 88, te 15 uur. — Dagorde : 1. Verslag van de bestuurders. 2. Goedkeuring der jaarrekening. 3. Aanwending van het resultaat. 4. Ontlasting aan de bestuurders. (5206) 7421BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE R.E.D., naamloze vennootschap, Eglantierlaan 3, 2020 Antwerpen H.R. Antwerpen 336260 − BTW 444.427.769 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel op 21 maart 2000, te 17 uur. — Dagorde : Verslag bestuurders. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuur ders. Ontslag en statutaire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5207) Schilde-Invest, naamloze vennootschap, Klein Waterstraat 51, 2970 Schilde H.R. Antwerpen 318392 − BTW 458.780.108 De jaarvergadering zal gehouden worden op 21 maart 2000, te 18 uur, op de zetel. — Agenda : Verslag bestuurders. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuurders. Ontslag en statutaire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5208) Société Générale Belge-Argentine, naamloze vennootschap H.R. Antwerpen 2658 Jaarvergadering op 20 maart 2000, om 11 uur, op de zetel, Mechel sesteenweg 203, te 2018 Antwerpen-1. — Agenda : 1. Goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 1999. 2. Kwijting aan de bestuurders. 3. Hernieuwing van mandaten van bestuurders. 4. Diversen. Zich schikken naar de statuten. (5209) The Waterbed Company, naamloze vennootschap, Boomsesteenweg 645, 2610 Wilrijk Jaarvergadering op 21 maart 2000, te 17 uur, op de maatschappelijke zetel. — 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Voorlezen en goedkeu ring jaarrekening. 3. Toewijzing van het resultaat. 4. Kwijting aan de raad van bestuur. 5. Verderzetting van de vennootschap. Zich schikken naar de statuten. (5210) Tiboline, naamloze vennootschap, Madoustraat 3, 8434 Middelkerke H.R. Veurne 33411 − BTW 445.772.705 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan bestuurders. 5. Varia. (5211) Unic Deevee, naamloze vennootschap, Sint-Jacobsnieuwstraat 119, te 9000 Gent Jaarvergadering d.d. 20 maart 2000, om 10 uur, op de maatschappe lijke zetel. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Voorlezen van en goedkeuring van de jaarrekening. 3. Toewijzing van het resultaat. 4. Kwijting aan de raad van bestuur. 5. Verderzetting van de vennootschap. (5212) Verbrugghe-Vandamme, coöperatieve vennootschap op aandelen, Beatrijslaan 19, 8870 Izegem H.R. Kortrijk 146850 — NN 449.532.246 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel, op 20 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Nazicht verslag zaakvoerders. 2. Goedkeuring van de jaarrekening. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting aan de zaakvoerders. 5. Diversen. (5213) Verholim, naamloze vennootschap, Koningsbaan 86, 2580 Putte (Beerzel) H.R. Mechelen 70469 − BTW 444.483.197 De jaarvergadering zal gehouden worden op de zetel op 21 maart 2000, te 17 uur. Agenda : Verslag bestuurders. Bestemming resultaat. Goedkeuring jaarrekening. Kwijting van bestuur aan bestuurders. Ontslag en statu taire benoemingen. Allerlei. De aandeelhouders dienen zich te schikken naar de statuten. (5214) Nagel Belgian Invest, naamloze vennootschap, Sterrenkundelaan 23, 1210 Brussel H.R. Brussel 567179 Bijeenroeping gewone algemene vergadering der aandeelhouders De aandeelhouders worden uitgenodigd op de gewone algemene vergadering die zal doorgaan op de maatschappelijke zetel, Sterrenkundelaan 23, te 1210 Brussel, op woensdag 22 maart 2000, om 9 u. 30 m., met de volgende agenda : 1. Beheersverslag van de raad van bestuur en verslag van de commissaris-revisor. 2. Goedkeuring van de geglobaliseerde jaarrekeningen. 3. Algemene vergaderingen per compartiment. 3.1. Compartiment Nagel Belgian Invest Actions. — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 3.2. Compartiment Nagel Belgian Invest Multifonds. — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 4. Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris revisor. 5. Statutaire benoemingen. Om deel te nemen aan de vergadering worden de aandeelhouders verzocht hun effecten aan te delen aan de loketten van de Bank Nagel mackers 1717 N.V., overeenkomstig artikel 19 en 20 van de statu ten. (5215) 7422 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Nagel Institutional Invest, naamloze vennootschap, Sterrenkundelaan 23, 1210 Brussel H.R. Brussel 562559 Bijeenroeping gewone algemene vergadering der aandeelhouders De aandeelhouders worden uitgenodigd op de gewone algemene vergadering die zal doorgaan op de maatschappelijke zetel, Sterrenkundelaan 23, te 1210 Brussel, op woensdag 22 maart 2000, om 10 u. 30 m., met de volgende agenda : 1. Beheersverslag van de raad van bestuur en verslag van de commissaris-revisor. 2. Goedkeuring van de geglobaliseerde jaarrekeningen. 3. Algemene vergadering per compartiment. 3.1. Compartiment N.I.I. « Medium Term ». — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 3.2. Compartiment N.I.I. « Variable Term ». — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 3.3. Compartiment N.I.I. « Money Market ». — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 3.4. Compartiment N.I.I. « European Equities ». — Goedkeuring van de jaarrekeningen van het compartiment. — Aanwending van het resultaat van het compartiment. — Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris-revisor. 4. Verlening van decharge aan de bestuurders en aan de commissaris revisor. 5. Statutaire benoemingen. Om deel te nemen aan de vergadering worden de aandeelhouders verzocht hun effecten aan te bieden aan de loketten van de Bank Nagelmackers N.V., overeenkomstig artikel 19 en 20 van de statu ten. (5216) Vade & Co, naamloze vennootschap, Arnaud Fraiteurlaan 28, 1050 Brussel H.R. Brussel 576955 − BTW 451.323.182 Jaarvergadering op 28 maart 2000, om 17 uur, op de maatschappe lijke zetel. — Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeu ring van de jaarrekening op 30 september 1999. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Decharge aan de bestuurders. 5. Diversen. Zich schikken naar de statuten. (5217) S.A. Denserco, société anonyme, rue du Foyer Schaerbeekois 105-107, à 1030 Bruxelles R.C. Bruxelles 466845 − T.V.A. 426.719.232 Assemblée générale ordinaire le 28 mars 2000, à 10 heures, au siège social. — Ordre du jour : 1. Rapport de gestion et du commissaire. 2. Approbation des comptes annuels et de résultats. 3. Décharge aux administrateurs et au commissaire. 4. Nominations statutaires. 5. Affec tation des bénéfices. 6. Divers. (5218) Finance, Industry and Services, en abrégé : « F.I.A.S. », société anonyme, rue général Leman 82, à 4432 Alleur R.C. Liège 171841 − T.V.A. 419.831.935 Assemblée générale extraordinaire le lundi 20 mars 2000, à 11 heures, en l’étude du notaire Yves Steenebruggen, avenue du Roi 177, à Forest. Ordre du jour : 1. Réduction du capital à concurrence de trente millions trente mille francs pour le ramener de soixante millions de francs à vingt neuf millions neuf cent septante mille francs par voie de remboursement à chacune des quatorze mille actions existantes sans mention de valeur nominale, de la somme de deux mille cent quarante-cinq francs, provenant du capital réellement libéré. La réduction du capital s’effectuera sans annulation d’action. Le remboursement décidé par l’assemblée ne sera effectué qu’en respectant les conditions prévues par l’article 72bis des lois coordonnées sur les sociétés commerciales. Le remboursement sera effectué au siège de la société aux dates que le conseil d’administration publiera dans la presse, à la condition que les actionnaires aient déposé le coupon numéro un des actions. 2. Modification de l’article cinq des statuts. 3. Modification de l’article six des statuts. 4. Pouvoirs à conférer à la gérance pour l’exécution des résolutions à prendre et pour la coordination des statuts. L’assemblée décidera de la réduction du capital en raison d’un excédent de liquidités par rapport aux besoins de la société. (5219) Dosimmo, société civile sous forme de société anonyme, rue de Stalle 70, 1180 Bruxelles NN 435.930.074 Assemblée générale ordinaire le mardi 28 mars 2000, à 17 heures, au siège social. — Ordre du jour : 1. Approbation de la date avancée de l’assemblée. 2. Examen du rapport de gestion. 3. Examen des comptes annuels arrêtés au 31 décembre 1999. 4. Affectation du résultat de l’execice. 5. Décharge aux administrateurs. 6. Nominations statutaires. 7. Divers. (5220) Nagel Institutional Invest, société anonyme, avenue de l’Astronomie 23, 1210 Bruxelles R.C. Bruxelles 562559 Convocation assemblée générale ordinaire des actionnaires Les actionnaires sont invités à assister à l’assemblée générale ordi naire qui se tiendra au siège social de la société, le mercredi 22 mars 2000, à 10 h 30 m, avec l’ordre du jour suivant : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration et rapport du commissaire-réviseur. 2. Approbation des comptes annuels globalisés. 3. Assemblées générales par compartiment. 3.1. Compartiment N.I.I. « Money Market ». — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 3.2. Compartiment N.I.I. « Medium Term ». — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 7423BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE 3.3. Compartiment N.I.I. « Variable Term ». — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 3.4. Compartiment N.I.I. « European Equities ». — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 4. Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 5. Nominations statutaires. Pour assister à l’assemblée, MM. les actionnaires sont priés de déposer leurs titres aux guichets de la Banque Nagelmackers 1747 S.A., en se conformant aux articles 19 et 20 des statuts. (5221) « Les Entreprises générales Henri Ruttiens et fils », société anonyme, rue Frédéric Pelletier 33-37, 1030 Schaerbeek R.C. Bruxelles 3029 − T.V.A. 402.099.048 Les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale extraor dinaire qui se tiendra le mercredi 29 mars 2000, à 10 heures, au siège de la société, rue Frédéric Pelletier 33-37, à Schaerbeek (1030 Bruxelles). Ordre du jour : 1. Examen de la situation patrimoniale de la société au regard des L.S.C.S. et décisions éventuelles quant à ce. 2. Rapport spécial du conseil d’administration et rapport du commissaire-réviseur désigné par le conseil d’administration. 3. Démission et nomination d’administrateurs. 4. Divers. Pour assister à cette assemblée les actionnaires sont priés de déposer leurs titres au porteur au siège social cinq jours francs avant l’assem blée. (5222) Le conseil d’administration. Nagel Belgian Invest, société anonyme, avenue de l’Astronomie 23, 1210 Bruxelles R.C. Bruxelles 567179 Convocation assemblée générale ordinaire des actionnaires Les actionnaires sont priés d’assister à l’assemblée générale ordinaire qui se tiendra au siège social de la société, le mercredi 22 mars 2000, à 9 h 30 m, avec l’ordre du jour suivant : 1. Rapport de gestion du conseil d’administration et du rapport du commissaire-réviseur. 2. Approbation des comptes annuels globalisés. 3. Assemblées générales par compartiment. 3.1. Compartiment Nagel Belgian Invest Actions. — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 3.2. Compartiment Nagel Belgian Invest Multifonds. — Approbation des comptes annuels du compartiment. — Affectation du résultat du compartiment. — Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 4. Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. 5. Nominations statutaires. Pour assister à l’assemblée, MM. les actionnaires sont priés de déposer leurs titres aux guichets de la Banque Nagelmackers 1747 S.A., en se conformant aux articles 19 et 20 des statuts. (5223) Cordius Allocation, société anonyme, Sicac de droit belge - O.P.C.V.M. avenue Livingstone 6, à 1000 Bruxelles R.C. Bruxelles 613510 Avis de convocation L’assemblée générale ordinaire des actionnaires de la Société se tiendra le mercredi 22 mars 2000, à 15 h 30 m, au siège social de la société à 1000 Bruxelles, avenue Livingstone 6 (1er étage), afin de délibérer et voter sur l’ordre du jour suivant : 1. Lecture des rapports du conseil d’administration et des commissaires-réviseurs. 2. Approbation des comptes annuels par compartiment actif au 31 décembre 1999, à savoir : ″Belgian Equities″, ″EMU Equities″, ″European Equities″, ″Belgian Bonds″, ″Euro Bonds″, ″European Bonds″, ″International Bonds″ et ″Mortgage Bonds″. Proposition de décision : l’assemblée approuve les comptes de l’exer cice clos le 31 décembre 1999. 3. Affectation des résultats de l’exercice clos le 31 décembre 1999. Proposition de décision : l’assemblée accepte la proposition du Conseil d’administrahon relative à l’affectation, pour chaque compar timent, des résultats de l’exercice clôturé le 31 octobre 1999. 4. Décharge aux administrateurs et aux commissaires-réviseurs par compartiment. Proposition de décision : l’assemblée donne décharge aux adminis trateurs et aux commissaires-réviseurs pour l’accomplissement de leur mandat jusqu’au 31 décembre 1999. 5. Augmentation du nombre des administrateurs. Proposition de décision : l’assemblée accepte la proposition du conseil d’administration d’augmenter le nombre des administrateurs de 5 à 6 et de désigner à cette fonction M. Baudouin Davister, domicilié chaussée de Charleroi 44, à 1360 Thorembais-Saint-Trond. La durée de ce mandat sera de quatre ans, c’est-à-dire jusqu’à l’issue de l’assemblée générale ordinaire de 2004. 6. Nomination du commissaire-réviseur. Proposition de décision : l’assemblée décide de procéder à la nomi nation de Deloitte & Touche en qualité de commissaire-réviseur, repré senté par M. Jos Vlaminckx. La durée de ce mandat sera de trois ans, c’est-à-dire jusqu’à l’issue de l’assemblée générale de 2003. 7. Divers. Pour être admis ou se faire représenter à l’assemblée générale, tout actionnaire doit effectuer le dépôt de ses titres au porteur, le 16 mars 2000 au plus tard, soit au siège social de la société, soit aux guichets des banques suivantes : Bacob Banque; Banque Artesia, où des formules de procuration sont disponibles. Les décisions de l’assemblée générale seront prises quel que soit le nombre de titres représentés à l’assemblée, à la majorité des voix. Chaque action confère de plein droit un nombre de voix propor tionnel à la partie du capital qu’elle représente, en comptant pour une voix l’action représentant la quotité la plus faible; il n’est pas tenu compte des fractions de voix. (5224) Le conseil d’administration. 7424 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Cordius Allocation, naamloze vennootschap, Bevek naar Belgisch recht - I.C.E.B. Livingstonelaan 6, 1000 Brussel H.R. Brussel 613510 Bijeenroepingsbericht De gewone algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap zal op woensdag 22 maart 2000, om 15 u. 30 m. plaatsvinden op de maatschappelijke zetel van de vennootschap, 1000 Brussel, Livingstonelaan 6 (1ste verdieping). Zij zal beraadslagen en stemmen over de volgende agenda : 1. Lezing van de verslagen van de raad van bestuur en van de commissaris-revisoren. 2. Goedkeuring van de jaarrekeningen per actief compartiment op 31 december 1999, wetende : ″Belgian Equities″, ″EMU Equities″, ″European Equities″, ″Belgian Bonds″, ″Euro Bonds″, ″European Bonds″, ″International Bonds″ en ″Mortgage Bonds″. Voorstel tot beslissing : de vergadering keurt de rekeningen goed afgesloten op 31 december 1999. 3. Toewijzing van de resultaten van het boekjaar afgesloten op 31 december 1999. Voorstel tot beslissing : de vergadering aanvaardt het voorstel van de raad van bestuur betreffende de toewijzing, voor ieder compartiment, van de resultaten van het per 31 december 1999 afgesloten boekjaar. 4. Vrijstelling te verlenen aan de bestuurders en de commissaris revisoren. Voorstel tot beslissing : de vergadering verleent kwijting aan de bestuurders en aan de commissaris-revisoren voor het vervullen van hun mandaat tot 31 december 1999. 5. Bekrachtiging van de toename van het aantal bestuurders. Voorstel tot beslissing : de vergadering aanvaardt het voorstel van de raad van bestuur om het aantal bestuurders van 5 naar 6 te laten toenemen. De heer Baudouin Davister, gedomicilieerd chaussée de Charleroi 44, 1360 Thorembais-Saint-Trond, werd verkozen om deze functie te vervullen. De duurtijd van het mandaat bedraagt 4 jaar en loopt ten einde bij de gewone algemene vergadering van 2004. 6. Benoeming van de commissaris-revisor. Voorstel tot beslissing : de vergadering beslist om Deloitte & Touche; vertegenwoordigd door de heer Jos Vlaminckx, als commissaris-revisor te benoemen. De duurtijd van het mandaat bedraagt 3 jaar en loopt ten einde bij de gewone algemene vergadering van 2003. 7. Diversen. Om aan de algemene vergadering te kunnen deelnemen of er zich te laten vertegenwoordigen dient elke aandeelhouder zijn aandelen aan toonder ten laatste op 16 maart 2000 neer te leggen, hetzij op de maat schappelijke zetel van de vennootschap, hetzij aan de loketten van de volgende banken; Bacob Bank; Artesia Bank, waar volmachtformulieren kunnen verkregen worden. De beslissingen van de algemene vergadering worden, ongeacht het aantal op de vergadering vertegenwoordigde aandelen, genomen met meerderheid van stemmen. Elk aandeel geeft recht op een aantal stemmen in evenredigheid met het gedeelte van het kapitaal dat zij vertegenwoordigt, met dien verstande dat het aandeel dat het laagste bedrag vertegenwoordigt voor één stem wordt aangerekend; er wordt geen rekening gehouden met fracties van stemmen. (5224) De raad van bestuur. Belfund, Sicav de droit belge - O.P.C.V.M. boulevard du Roi Albert II 30, 1000 Bruxelles R.C. Bruxelles 542556 Avis de convocation L’assemblée générale ordinaire des actionnaires de la société se tiendra le mercrédi 22 mars 2000, à 11 heures, au siège social de la S.A. Cordius Asset Management, avenue Livingstone 6, à 1000 Bruxelles, afin de délibérer et voter sur l’ordre du jour suivant : 1. Rapport du conseil d’administration. Proposition de décision : approbation du rapport. 2. Rapport du comrnissaire-réviseur. Proposition de décision : approbation du rapport. 3. Approbation des comptes annuels. Proposition de décision : l’assemblée approuve les comptes de l’exer cice clos le 31 décembre 1999. 4. Affectation des résultats. Proposition de décision : l’assemblée accepte la proposition du conseil d’administration d’affecter au capital de la société le résultat de l’exercice clos le 31 décembre 1999. 5. Décharge aux administrateurs et au commissaire-réviseur. Proposition de décision : l’assemblée donne décharge aux adminis trateurs et au commissaire-réviseur pour l’accomplissement de leur mandat jusqu’au 31 décembre 1999. 6. Renouvellement du mandat du commissaire-réviseur. Proposition de décision : l’assemblée décide de renouveler le mandat de Hoste, Rousselle & Associés en qualité de commissaire-réviseur, représenté par M. André Hoste, réviseur d’entreprises, pour un terme de trois ans, c’est-à-dire jusqu’à l’issue de l’assemblée statutaire de 2003. 7. Divers. Pour être admis ou se faire représenter à l’assemblée générale, tout actionnaire doit effectuer le dépôt de ses titres au porteur, le 16 mars 2000 au plus tard, soit au siège social de la société, soit aux guichets des établissements suivants : Banque Artesia; Crédit Communal de Belgique, où des formules de procuration sont disponibles. Les décisions de l’assemblée générale seront prises quel que soit le nombre de titres représentés à l’assemblée, à la majorité des voix. Chaque action confère de plein droit un nombre de voix propor tionnel à la partie du capital qu’elle représente, en comptant pour une voix l’action représentant la qualité la plus faible. (5225) Le conseil d’administration. Belfund, Bevek naar Belgisch recht - I.C.B.E. Koning Albert II laan 30, 1000 Brussel H.R. Brussel 542556 Bijeenroepingsbericht De gewone algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap zal op woensdag 22 maart 2000, om 11 uur, plaatsvinden op de maatschappelijke zetel van Cordius Asset Management N.V., Livingstonelaan 6, 1000 Brussel. Zij zal beraadslagen en stemmen over de volgende agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. Voorstel tot beslissing : goedkeuring van het verslag. 2. Verslag van de commissaris-revisor. Voorstel tot beslissing : goedkeuring van het verslag. 3. Goedkeuring van de jaarrekeningen. Voorstel tot beslissing : de vergadering keurt de rekeningen goed afgesloten op 31 december 1999. 4. Toewijzing van de resultaten. 7425BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Voorstel tot beslissing : de vergadering aanvaardt het voorstel van de raad van bestuur om het resultaat van het boekjaar afgesloten op 31 december 1999 bij het kapitaal van de vennootschap te voegen. 5. Decharge te verlenen aan de bestuurders en de commissaris revisor. Voorstel tot beslissing : de raad verleent ontlasting aan de bestuur ders en aan de commissaris-revisor voor het vervullen van hun mandaat tot 31 december 1999. 6. Hernieuwing van het mandaat van de commissaris-revisor. Voorstel tot beslissing : de vergadering beslist om het mandaat van Hoste, Rousselle &Associés als commissaris-revisor, vertegenwoordigd door de heer André Hoste, bedrijfsrevisor, voor een periode van drie jaar. Dit mandaat loopt ten einde bij de algemene vergadering van 2003. 7. Diversen. Om aan de algemene vergadering te kunnen deelnemen of er zich te laten vertegenwoordigen dient elke aandeelhouder zijn aandelen aan toonder ten laatste op 16 maart 2000 neer te leggen, hetzij op de maat schappelijke zetel van de Vennootschap, hetzij aan de loketten van : Artesia Bank; Gemeentekrediet van België, waar volmachtformulieren kunnen verkregen worden. De beslissingen van de algemene vergadering worden, ongeacht het aantal op de vergadering vertegenwoordigde aandelen, genomen met meerderheid van stemmen. Elk aandeel geeft recht op een aantal stemmen evenredigheid met het gedeelte van het kapitaal dat zij vertegenwoordigt, met dien verstande dat het aandeel dat het laagste bedrag vertegenwoordigt voor één stem wordt aangerekend. (5225) De raad van bestuur. Melexis, naamloze vennootschap, Rozendaalstraat 12, 8900 Ieper H.R. Ieper 31905 De aandeelhouders van de naamloze vennootschap Melexis worden verzocht aanwezig te zijn op de gewone jaarlijkse algemene vergade ring van aandeelhouders die zal gehouden worden op maandag 20 maart 2000, om 11 uur, op de maatschappelijke zetel van de vennoot schap, Rozendaalstraat 12, 8900 Ieper. Agenda en voorstellen van besluit : 1. Bespreking van het jaarverslag van de raad van bestuur en de jaarrekening over het boekjaar 1999. Voorstel tot besluit : De algemene vergadering keurt de jaarrekening per 31 december 1999 goed, met inbegrip van het jaarverslag en de voorgestelde resultaatsverdeling. 2. Bespreking van het verslag van de commissaris-revisor over de jaarrekening per 31 december 1999. 3. Verlenen van kwijting aan de bestuurders en de commissaris revisor voor de uitoefening van hun mandaat tijdens het boekjaar 1999. Voorstel tot besluit : De algemene vergadering verleent kwijting aan de bestuurders en de commissaris-revisor voor de uitoefening van hun mandaat tijdens het boekjaar 1999. 4. Hernieuwen van de bestuursmandaten. Voorstel tot besluit : De algemene vergadering stelt voor het mandaat van de huidige bestuurders, de heren Roland Duchâtelet, Rudi De Winter, Lucien Deschamphelaere, Simon Middelhoek en Brad Marshall en Mevr. Françoise Chombar, te verlengen voor een periode van één jaar. Om de algemene vergadering bij te wonen worden de aandeelhou ders verzocht zich te schikken naar de bepalingen van artikel 28 en 29 van de statuten. De aandeelhouders die deze vergadering wensen bij te wonen worden verzocht contact op te nemen met hun bank die het bewijs van blokkering van aandelen zal bezorgen aan Artesia Bank N.V., Koning Albert II-laan 30, te 1000 Brussel. Artesia Bank N.V. zal het bewijs van blokkering ontvangen uiterlijk op dinsdag 14 maart 2000. Aandeelhouders die wensen te stemmen bij volmacht kunnen de vereiste documenten bekomen op de maatschappelijke zetel van de vennootschap, Rozendaalstraat 12, 8900 Ieper. De volmachten zullen op de maatschappelijke zetel ontvangen worden tot dinsdag 14 maart 2000. (5226) De raad van bestuur. « Huktra », naamloze vennootschap, te Brugge (8380 Zeebrugge), Koggenstraat 12 H.R. Brugge 49596 − BTW 416.297.472 De aandeelhouders worden verzocht de buitengewone algemene vergadering bij te wonen, die zal plaatshebben te Brugge, Lauwers straat 27, in het kantoor van notaris Henry Van Caillie, op dinsdag 21 maart 2000, om 11 uur, met volgende agenda : 1. Kapitaalvermindering met BEF 10 000 000 om het te brengen van BEF 15 000 000 op BEF 5 000 000, zonder vernietiging van titels. Deze kapitaalvermindering is te verwezenlijken door uitkering op ieder aandeel van een som van BEF 13 333 uit te betalen overeenkomstig de beschikkingen van de artikels 72 en 72bis van de vennootschappenwet. Deze kapitaalvermindering is te boeken op het fiscaal werkelijk volge storte kapitaal. 2. Aanpassing van het kapitaal aan de euro door a) verhoging van het kapitaal met BEF 42 488 om het te brengen op BEF 5 042 488, door inlijving bij het kapitaal van een bedrag van BEF 42 488, dat zal worden afgenomen van de reserves van de vennootschap, zonder creatie van nieuwe aandelen; b) vaststelling dat het kapitaal voortaan zal uitge drukt worden in euro en EURO 125 000 zal bedragen, en vertegenwoor digd is door 750 aandelen zonder aanduiding van nominale waarde en aanpassing van artikel 5 van de statuten. 3. Machtiging aan de raad van bestuur tot uitvoering van de beslis singen genomen door de algemene vergadering. Om deze vergadering bij te wonen of om er zich te laten vertegen woordigen moeten de aandeelhouders zich schikken naar de voor schriften van de statuten. (5227) De raad van bestuur. « Axy », naamloze vennootschap, te 2560 Kessel, Beemdweg 1 H.R. Mechelen 71027 − BTW 445.720.542 De aandeelhouders worden verzocht de buitengewone algemene vergadering bij te wonen die zal gehouden worden ter studie van notaris Patrick Van den Weghe, te Leuven (Kessel-Lo), op 23 maart 2000, te 11 uur, en die zal beslissen over volgende agenda : 1. Naamsverandering. 2. Omzetting kapitaal in euro. 3. Varia en coördinatie der statuten. (5228) D’Amazoni Euro States, société anonyme, rue Bois Mastrade 19, à 1380 Lasne R.C. Nivelles 87933 − T.V.A. 464.245.562 Assemblée générale extraordinaire le 20 mars 2000, à 19 heures, au siège social de la société Bucofim, rue du Melkriek 96, à Uccle. — Ordre du jour : 1. Examen de la situation de la société. 2. Examen des actions en cours ou à prendre. 3. Entérinement de la démission de MM. Michel Delodder et Jacques Van Calck de leur poste d’adminis trateur et décharge. 4. Nominations d’un nouveau conseil d’adminis tration. 5. Dissolution éventuelle de la société et, en pareil cas, nomi nation d’un liquidateur. 6. Divers. Pour assister à l’assemblée, se conformer aux statuts. (5274) 7426 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Atoven, naamloze vennootschap, Herenthoutseweg 192, 2200 Herentals H.R. Turnhout 66860 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de jaarvergadering, die zal gehouden worden op 24 maart 2000, te 9.30 uur, ten maatschappe lijke zetel. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening afgesloten op 31 decem ber 1999. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting te verlenen aan de bestuurders. 5. Rondvraag. De aandeelhouders worden verzocht zich te schikken naar de bepalingen van de statuten. (71056) Can Man, naamloze vennootschap, Ruidenbergstraat 6, 8610 Kortemark (Handzame) H.R. Oostende 45425 — BTW 438.248.572 De aandeelhouders worden uitgenodigd op de gewone algemene vergadering, die zal gehouden worden op 22 maart 2000, om 14 uur, op de zetel van de vennootschap. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur; 2. Goedkeuring van de jaarrekening per 30 september 1999; 3. Bestemming van het resultaat; 4. Kwijting aan de bestuurders; 5. Rondvraag. Om deel te nemen aan de vergadering, gelieve zich te schikken naar de statutaire voorschriften. (71057) Conrep, naamloze vennootschap, Fazantenstraat 13, 1850 Grimbergen Gezien het quorum niet bereikt werd, wordt een tweede jaarverga dering gehouden op de zetel, op 21 maart 2000, te 15 uur. — Dagorde : 1. Verslag raad van bestuur; 2. Goedkeuring jaarrekening per 30 september 1999; 3. Bestemming resultaat; 4. Kwijting bestuurders; 5. Varia. Zich schikken naar de statuten. (71058) D.I.L., naamloze vennootschap, Lange Nieuwstraat 27, 2000 Antwerpen NN 427.186.713 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de algemene vergade ring van 22 maart 2000, om 14 uur, ten maatschappelijke zetel. Agenda : 1. Jaarverslag raad van bestuur. 2. Bespreking jaarrekening per 30 september 1999. 3. Goedkeuring jaarrekening per 30 september 1999. 4. Kwijting aan de bestuurders. 5. Varia. (71059) Immo-Emergo, naamloze vennootschap, Terbekehofdreef 50-52, 2610 Wilrijk H.R. Antwerpen 322741 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de jaarvergadering, ten maatschappelijke zetel, op 21 maart 2000, te 20 uur. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening afgesloten op 30 sep tember 1999. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting te verlenen aan de bestuurders. 5. Ontslag en benoeming van bestuurders. 6. Rondvraag. Om toegelaten te worden tot de vergadering dienen de aandeelhou ders zich te schikken naar de statuten. (71060) Glassco, naamloze vennootschap, Wolfstee 12-1, 2200 Herentals H.R. Turnhout 58069 — NN 431.455.604 De aandeelhouders van de Naamloze Vennootschap Glassco worden verzocht een buitengewone algemene vergadering bij te wonen, die zal gehouden worden op dinsdag 21 maart 2000, om 16 uur, ten kantore van notaris Paul Schotte, te Mechelen, Van Benedenlaan 54-56, met volgende agenda : 1. Wijziging boekjaar om het te laten lopen van 1/11 tot en met 31/10 van elk jaar. Bij wijze van uitzondering zal het huidig boekjaar verlengd worden tot 31/10/2001. 2. Wijziging datum jaarvergadering naar de laatste donderdag van de maand april om 18 uur. 3. Verslag van de raad van bestuur houdende toelichting van het voorstel tot ontbinding van de vennootschap met hieraan toegevoegd een staat van activa en passiva. 4. Verslag van de bedrijfsrevisor over voormelde staat van activa en passiva. 5. Invereffeningstelling van de vennootschap. 6. Aanstelling van vereffenaar en bepaling van de machten van vereffenaar. 7. Machtiging tot coördinatie van de statuten. 8. Volmachten. De aandeelhouders die de vergadering wensen bij te wonen, worden verzocht zich te schikken naar de bepalingen van de statuten. (71061) De raad van bestuur. Immo-Marhem, société anonyme, Marhemstraat 7, 7711 Dottignies R.C. Tournai 76195 Les actionnaires sont invités d’assister à l’assemblée générale annuelle, qui sera tenue le 25 mars 2000, à 11 heures, au siège social. Ordre du jour : 1. Rapport du Conseil d’Administration. 2. Lecture et approbation des comptes annuels de l’année 1999. 3. Affectation du résultat. 4. Donner décharge aux administrateurs. 5. Divers. Les actionnaires sont demandés de se conformer aux règlements des statuts. (71062) 7427BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Etablissementen Matton, naamloze vennootschap, Industrieterrein Neerhonderd 9, 9230 Wetteren H.R. Dendermonde 38652 — BTW 401.904.949 De algemene vergadering zal worden gehouden op de maatschap pelijke zetel, op 20 maart 2000, om 14 uur, met als agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur; 2. Verslag van de commissaris-revisor; 3. Goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 1999; 4. Bestem ming van het resultaat; 5. Kwijting aan de bestuurders en de commissaris-revisor; 6. Ontslagnemingen en benoemingen; 7. Varia. De aandeelhouders worden verzocht zich te schikken naar de bepalingen van de statuten. (71063) Immo Pami, naamloze vennootschap, Bosschaert de Bouwellei 32, 2900 Schoten H.R. Antwerpen 288469 — NN 446.594.928 De aandeelhouders worden verzocht de gewone algemene vergade ring te willen bijwonen, die zal gehouden worden op donderdag 23 maart 2000, te 20 uur, op de maatschappelijke zetel. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening 1999. 3. Aanwending van de resultaten. 4. Kwijting aan bestuurders en afgevaardigde bestuurder voor hun mandaat 1999. 5. Rondvraag. (71064) Paverma, naamloze vennootschap, Markt 58, 9240 Zele H.R. Dendermonde 47662 — BTW 448.460.197 Jaarvergadering ten maatschappelijke zetel, op 21 maart 2000, om 18 uur. Agenda : 1. Verslag raad van bestuur. 2. Goedkeuring jaarrekening. 3. Bestemming resultaat. 4. Kwijting bestuurders. 5. Rondvraag. Zich schikken naar de statuten. (71065) De Sneppe, naamloze vennootschap, Kortrijkstraat 11, 8550 Zwevegem H.R. Kortrijk 127590 — BTW 448.056.361 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot het bijwonen van de jaarvergadering, op 24 maart 2000, om 11 uur, op de zetel van de vennootschap. Agenda : 1. Goedkeuring van de jaarrekening per 31 december 1999; 2. Kwijting aan de bestuurders. Om toegelaten te worden tot de vergadering, gelieve zich te schikken naar de statuten. (71066) Terbassenwei, naamloze vennootschap, Brouwerijstraat 14, 8680 Koekelare H.R. Oostende 28177 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de jaarvergadering, die zal gehouden worden op 20 maart 2000, te 20 uur, ten maatschappe lijke zetel. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur; 2. Goedkeuring van de jaar rekening afgesloten op 31 december 1999; 3. Bestemming van het resultaat; 4. Kwijting te verlenen aan de bestuurders; 5. Rondvraag. De aandeelhouders worden verzocht zich te schikken naar de bepalingen van de statuten. (71067) Tradecc, naamloze vennootschap, Terbekehofdreef 50-52, 2610 Wilrijk H.R. Antwerpen 280688 — BTW 442.368.005 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de jaarvergadering, ten maatschappelijke zetel, op 21 maart 2000, te 18 uur. Agenda : 1. Verslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening afgesloten op 30 sep tember 1999. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting te verlenen aan de bestuurders. 5. Ontslag en benoeming van bestuurders. 6. Rondvraag. De aandeelhouders worden verzocht zich te schikken naar de statuten. (71068) Houtimport Frans Trap & zoon, naamloze vennootschap, steenweg op Mechelen 156, 1800 Vilvoorde H.R. Brussel 297827 — BTW 400.705.218 De aandeelhouders worden uitgenodigd tot de jaarvergadering, die zal doorgaan op de maatschappelijke zetel, op vrijdag 24 maart 2000, te 14 uur. Agenda : 1. Jaarverslag van de raad van bestuur. 2. Goedkeuring van de jaarrekening afgesloten op 31 december. 3. Bestemming van het resultaat. 4. Kwijting te verlenen aan de bestuurders. 5. Rondvraag. (71069) V.D.-Invest, naamloze vennootschap, Hofstraat 138 - Flat 101, 9100 Sint-Niklaas H.R. Sint-Niklaas 50650 — NN 443.267.432 De aandeelhouders worden verzocht de algemene vergadering te willen bijwonen, die zal gehouden worden op maandag 20 maart 2000, om 10 uur, op de zetel van de vennootschap, met als agenda : 1. Goedkeuring van de jaarrekening op 31 december 1999; 2. Kwijting aan de bestuurders; 3. Benoeming bestuurders; 4. Rondvraag. Om toegelaten te worden tot de vergadering, dienen de aandeelhou ders zich te schikken naar de bepalingen van de statuten. (71070) 7428 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Bovam, naamloze vennootschap, Vlierbeekstraat 27, 3052 Blanden H.R. Leuven 75328 — NN 437.551.261 De aandeelhouders worden uitgenodigd op de buitengewone alge mene vergadering van 20 maart 2000, om 18 uur, Sint-Niklaasberg 5, 3200 Aarschot. Agenda : Kapitaalverhoging. (71071) Kluishof, naamloze vennootschap, Prekerijdreef 4, 9190 Stekene H.R. Sint-Niklaas 47305 — NN 438.004.191 Oproeping buitengewone algemene vergadering Aangezien een 1ste verg., bijeengeroepen voor 29/2/2000, niet geldig kon besluiten bij gebrek aan het wettelijk quorum, worden de aandeel houders verzocht een 2de buitengew. alg. verg. bij te wonen, die geldig zal kunnen besluiten ongeacht het aantal vertegenwoordigde aandelen, op woensdag 22 maart 2000, om 9.30 uur, op het kantoor van notaris Wim Verstraeten, te 9120 Beveren, Kerkstraat 78, met de volgende agenda : Uitbreiding van het doel van de vennootschap met volgende tekst : « De vennootschap heeft als doel, zowel in België als in het buiten land, alle verrichtingen die, algemeen genomen, op een of andere wijze verband houden met : — alle mogelijke advies- en/of dienstenfuncties op het vlak van de algemene bouwwerkzaamheden; — het aannemen, het bouwen, het verbouwen en verhandelen van woningen en andere gebouwen en alle activiteiten nodig voor het volledig afwerken van hoger vermelde bouwwerken, eventueel zelfs tot en met het stadium « sleutel op de deur »; — de algemene bouwonderneming, de aanneming van alle private en openbare werken, de groot- en kleinhandel in bouwmaterialen, materieel en machines met betrekking tot de bouwnijverheid; — consultancy, opleiding, technische expertise en bijstand op voor noemd(e) gebied(en); — het geven van advies en verstrekken van diensten met betrekking tot de organisatie en het beheer van bedrijven die op dit (die) domein(en) actief zijn, de vertegenwoordiging en het optreden als commercieel tussenpersoon.’ Aanpassing van artikel 4 van de statuten. Zich gedragen naar de statuten. (71072) Bouwbedrijf W. Van Rymenant, naamloze vennootschap, Antwerpsesteenweg 427, 2500 Lier H.R. Mechelen 6099 — BTW 404.062.111 Buitengewone algemene vergadering op 20 maart 2000, om 18 uur, op de maatschappelijke zetel. — Dagorde : 1. Eventuele verklaringen m.b.t. art. 60 der S.W.H.V. 2. Verslag raad van bestuur. 3 Goedkeuring jaarrekening per 31 december 1999. 4. Bestemming resultaat. 5. Kwij ting bestuurders. 6. Ontslag en benoeming bestuurders. 7. Diversen. Zich richten naar de statuten. (71073) Openbare Besturen en Technisch Onderwijs Administrations publiques et Enseignement technique OPENSTAANDE BETREKKINGEN − PLACES VACANTES Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn van Landen Het O.C.M.W. van Landen gaat over tot de aanwerving van een O.C.M.W.-secretaris in statutair verband. Dit ambt is te begeven zowel voor mannelijke als vrouwelijke kandidaten. De eigenhandig geschreven kandidaturen vergezeld van een curriculum vitae en een kopie van het vereiste diploma dienen per aangetekend schrijven uiterlijk op 31 maart 2000 toe te komen bij de voorzitter van het O.C.M.W., de heer Rudi Debras, O. Huysecomlaan 2, te 3400 Landen. Geslaagde kandidaten worden opgenomen in een wervingsreserve voor de periode van drie jaar, ingaande vanaf de datum van het proces verbaal van afsluiting van het laatste examengedeelte. De volledige aanwervingsvoorwaarden, het examenprogramma en bijkomende inlichtingen kunnen bekomen worden bij het O.C.M.W. bestuur (011/88 02 00). (4300) Stad Aarschot Het college van burgemeester en schepenen schrijft gedurende de volgende maanden examens uit voor volgende betrekkingen, die te begeven zijn bij aanwerving : Niveau A in statutair verband. Cultuurfunctionaris A1-A3 : de functiehouder is verantwoordelijk voor meerdere sectoren van de programmatie en de werking van het cultureel centrum « Het Gasthuis » en is houder van een universitair diploma of HO2C zoals bepaald in het decreet d.d. 24 juli 1991 betref fende de erkenning en subsidiëring van de Nederlandstalige culturele centra en heeft minimum twee jaar nuttige ervaring in de culturele sector. Conservator A1-A2 : de functiehouder is verantwoordelijk voor het beheer van het stedelijk museum voor heemkunde en folklore en is houder van een universitair diploma geschiedenis, kunstgeschiedenis of archeologie. De kandidaat dient het bewijs te leveren van zijn/haar deskundigheid aan de hand van museale ervaring of publicaties die te maken hebben met de verzameling zelf en/of beheer ervan. Niveau B (B1-B3) in statutair verband. Diensthoofd ruimtelijke ordening (2e oproep) : de functiehouder is verantwoordelijk voor de stedelijke commissie ruimtelijke ordening, het afleveren van stedenbouwkundige attesten en vergunningen, huis vesting en voor de opmaak van diverse inventarissen en is houder van een diploma van graduaat bouwkunde (HOKT/HO1C) en heeft een aanvullende opleiding stedenbouw en ruimtelijke ordening gevolgd of zal deze opleiding met gunstig gevolg volgen tijdens de proefperiode. Niveau C (C1-C3) in statutair verband. Houder zijn van een diploma hoger secundair onderwijs of secundair onderwijs van de derde graad. Administratief medewerker sport : de functiehouder staat in voor de administratieve ondersteuning van de sportdienst : informatieverstrek king, verhuring en facturatie, briefwisseling en diverse secretariaats taken. Administratief medewerker leefmilieu : de functiehouder staat in voor de administratieve ondersteuning van de dienst leefmilieu : voorbereiding van vergunningsdossiers, informatieverstrekking, afle veren van attesten en documenten, loketfunctie en diverse secreta riaatstaken. 7429BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Technisch medewerker leefmilieu : de functiehouder staat in voor de controle op de naleving van vergunningen, onderzoek van milieu klachten, leefmilieu-onderzoek en levert ondersteuning bij de techni sche aspecten van het milieubeleid. Administratief medewerker brandweer : de functiehouder staat in voor de administratieve ondersteuning van de brandweer : verslagen en notulenbeheer, bestellingen, informatieverstrekking, afleveren van attesten en documenten en diverse secretariaatstaken. Administratief medewerker ruimtelijke ordening en stedenbouw (half-time) : de functiehouder levert volgende prestaties : informatie verstrekking, behandeling bouwaanvragen, aflevering attesten en diverse secretariaatstaken. Niveau D (D1-D3) in statutair verband. Houder zijn van een diploma lager secundair onderwijs of secundair onderwijs van de tweede graad. Administratief assistent politie : de functiehouder zorgt voor admi nistratieve ondersteuning : beheer van strafregister, briefwisseling, P.V. administratie, informatieverstrekking en algemeen secretariaatswerk. Administratief assistent technische uitvoeringsdienst : de functie houder zorgt voor administratieve ondersteuning : werkopdrachten voorbereiden, behandeling klachten, informatieverstrekking en alge meen secretariaatswerk. Administratief assistent openbare werken en verkeer D1-D2 (gesub sidieerd contractueel) : de functiehouder zorgt voor administratieve ondersteuning : afleveren van attesten, briefwisseling, informatiever strekking en algemeen secretariaatswerk. Voor gesubsidieerd contrac tueel moet men wel zes maanden volledig uitkeringsgerechtigd werk loos zijn. De algemene aanwervingsvoorwaarden voor al deze examens zijn : 1. Een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. 2. De burgerlijke en politieke rechten genieten. 3. Aan de dienstplichtwetten voldoen. 4. Lichamelijke geschikt zijn. 5. Burger zijn van de Europese Unie (de betrekkingen van niveau A zijn uitsluitend voorbehouden aan kandidaten met de Belgische natio naliteit). 6. De leeftijd van 18 jaar bereikt hebben op de datum van de afsluiting der kandidaturen. 7. In het bezit zijn van een diploma zoals vermeld bij elk van de beschreven functies. Kandidaten die menen over een gelijkgesteld diploma te beschikken moeten dit staven. 8. Slagen voor een aanwervingsexamen. De volledige toelatings- en aanwervingsvoorwaarden kunnen samen met de functiebeschrijving en het examenprogramma aangevraagd worden op het departement openbaar ambt, dienst personeel, Ten Drossaarde 1, te 3200 Aarschot of op tel. 016/55 03 22. De kandidaturen dienen uiterlijk op 31 maart 2000 ingediend te worden, per aangetekend schrijven, vergezeld van een voor eenslui dend verklaard afschrift van uw diploma en van een attest van goed zedelijk gedrag dat niet ouder mag zijn dan drie maanden voorafgaand aan de uiterste inschrijvingsdatum, t.a.v. college van burgemeester en schepenen, Ten Drossaarde 1, te 3200 Aarschot. Per betrekking dient er een sollicitatiebrief ingediend te worden met de duidelijke vermelding van de betrekking waarvoor men zich kandidaat stelt. (5229) Het stadsbestuur Aarschot schrijft examens uit voor 15 betrekkingen van brandweerman vrijwilliger bij de vrijwilligers brandweerdienst van Aarschot. Deze betrekkingen zijn te begeven bij aanwerving. De algemene aanwervingsvoorwaarden zijn : 1. Onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie. 2. Wonen in Aarschot of in een zone rond Aarschot, die toelaat dat hij binnen de 15 minuten na oproep de kazerne kan bereiken. Deze voorwaarde moet slechts uiterlijk zes maanden na het einde van de stage worden vervuld. 3. Minstens 18 jaar oud zijn bij de eerste aanwerving in een brandweerdienst. 4. Minstens 1,60 m groot zijn. 5. Van goed zedelijk gedrag zijn. 6. In regel zijn met de militiewetgeving, op datum vastgesteld als einddatum voor het indienen van de kandidaturen. 7. Medisch geschikt zijn voor de dienst en daana slagen in een lichamelijke proef. Het geneeskundig onderzoek en de proeven inzake lichamelijke geschiktheid zijn eliminerend en gaan elke andere selectie proef vooraf. De volledige aanwervingsvoorwaarden kunnen worden aange vraagd op het departement openbaar ambt, dienst personeel, Ten Drossaarde 1, te 3200 Aarschot of op het tel. 016/55 03 26. Infoavond in de kazerne (Boudewijnlaan 4) op 15 maart 2000, om 19 uur. Sportproeven voorzien op zaterdag 8 april 2000. De kandidaturen moeten rechtstreeks en schriftelijk gericht worden aan de burgemeester van de stad Aarschot, Ten Drossaarde 1, te 3200 Aarschot, en dienen uiterlijk op vrijdag 24 maart 2000 toe te komen, aangetekend of door afgifte tegen ontvangstbewijs en verge zeld van uw curriculum vitae en een attest van goed gedrag en zeden dat niet ouder mag zijn dan drie maanden voorafgaand aan de uiterste inschrijvingsdatum, met op de omslag de vermelding « Kandidatuur vrijwillig brandweerman brandweerkorps stad Aarschot. (5230) Gemeente Liedekerke Het gemeentebestuur van Liedekerke legt een wervingsreserve (m/v) aan voor : Diensthoofd financiële dienst (A1-A3). Aanwervingsvoorwaarden. Houder zijn van een diploma : Universitair onderwijs : economische wetenschappen, handelsinge nieur, handelsingenieur in de beleidsinformatica, toegepaste economi sche wetenschappen. Hoger onderwijs van twee cycli : handelsingenieur, licentiaat in handelswetenschappen. Slagen in een aanwervingsexamen. Cultuurfunctionaris (A1-A3). Aanwervingsvoorwaarden. Universitair diploma van licentiaat communicatiewetenschappen, politieke en sociale wetenschappen, politieke wetenschappen, socio logie, pedagogische wetenschappen, psychologie, sociale en culturele agogiek, sociale en culturele antropologie, Afrikaanse talen en culturen, arabistiek en islamkunde, archeologie, geschiedenis, kunstgeschie denis, musicologie, oosterse talen en culturen, letterkunde, taal- en letterkunde Germaanse talen, taal- en letterkunde Latijn en Grieks, taal- en letterkunde Romaanse talen, cultuurwetenschappen, vergelij kende cultuurwetenschappen, wijsbegeerte, oudheidkunde. diploma van licentiaat van de toegepaste taalkunde : vertaler; toege paste taalkunde : tolk. Slagen in een aanwervingsexamen. Dienstverantwoordelijke bevolking (B1-B3). Aanwervingsvoorwaarden. Houder zijn van een diploma van hetzij pedagogisch hoger onder wijs, hetzij sociaal hoger onderwijs van het korte type of een diploma van het hoger onderwijs van 1 cylus, hetzij studiegebied handelswe tenschappen en bedrijfskunde, hetzij studiegebied onderwijs, hetzij studiegebied sociaal agogisch werk. De regenten in een technische richting worden hier evenwel uitgesloten. Slagen in een aanwervingsexamen. Informaticus (B1-B3). Aanwervingsvoorwarden. Houder zijn van een diploma van het economisch hoger onderwijs van het korte type of een diploma van het hoger onderwijs van 1 cyclus studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde in de volgende studierichting : toegepaste informatica. Slagen in een aanwervingsexamen. Administratief medewerker (C1-C3). Aanwervingsvoorwaarden. Houder zijn van een diploma van het algemeen hoger secundair onderwijs. Slagen in een aanwervingsexamen. 7430 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Technisch medewerker (C1-C3). Specialisatie GIS, ruimtelijke ordening, openbare waren, milieu. Aanwervingsvoorwaarden. Houder zijn van een diploma van het algemeen hoger secundair onderwijs of houder zijn van een diploma van het technisch hoger secundair onderwijs in de sectoren hout en bouw, mechanica en elektriciteit, land- en tuinbouw, wetenschappen en chemie. Slagen in een aanwervingsexamen. Wervingsreserve. Er wordt een wervingsreserve aangelegd voor statutaire en contrac tuele betrekkingen met een geldigheidsduur van twee jaar. Inschrijvingsformulier en bijkomende inlichtingen zijn te beko men op tel. 053/64 55 73 of fax. 053/64 55 09 of e-mail : frans.schouppe@publilink.be. Kandidaatstelling uiterlijk vrijdag 24 maart 2000. (5231) Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn van Deinze Het O.C.M.W. van Deinze gaat over tot de aanwerving van : 1 voltijds contractueel kwaliteitscoördinator (universitair niveau, A1-weddeschaal). Het betreft een projectcontract van bepaalde duur (drie jaar) in het tijdelijk kader. Hoofddoel van de functie : ontwikkelen, toepassen en opvolgen van een kwaliteitssysteem voor de verschillende O.C.M.W.-rusthuis diensten (samenwerking tussen de O.C.M.W.’s van Deinze, De Pinte, Lochristi en Nazareth). Geïnteresseerden kunnen een informatiebundel opvragen bij de personeelsdienst (Himpe, Petra) van het O.C.M.W.-Deinze, Gentpoort straat 41, te 9800 Deinze, of telefonisch op het nr. 09/386 54 01 (elke werkdag tussen 9 en 11 u. 30 m. en tussen 14 en 16 u. 30 m.). De informatienota bevat alle gegevens over de functie-inhoud en aanwervingsvoorwaarden. De kandidaturen worden ingewacht tegen uiterlijk 19 april 2000. (5233) Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn vanMaasmechelen Het O.C.M.W.-Maasmechelen gaat over tot aanwerving in vast dienstverband van : 1 technisch assistent (m/v) voor 38 uren per week. Functie-inhoud : Organiseren en beheren van het magazijn van de technische dienst en er mee voor instaan dat het cliënteel en het personeel van het O.C.M.W. kunnen gebruik maken van verzorgde en veilige infrastruc tuur, accomodatie en materiaal. Vereist diploma : lager secundair onderwijs of gelijkgesteld. 1 technisch medewerker-controleur (m/v) voor 38 uren per week. Functie-inhoud : Het organiseren van de werkzaamheden van de technische dienst en begeleiden van de medewerkers teneinde te zorgen voor een verzorgde en veilige infrastructuur en accommodatie voor cliënteel en personeel van het O.C.M.W. Vereist diploma : technisch secundair onderwijs of gelijkgesteld. Bijkomende aanwervingsvoorwaarden voor beide functies : Houder zijn van een rijbewijs B, met medische schifting. Slagen in aanwervingsexamen. Indienen van de kandidatuur : Indien één van deze functies je aanspreekt en indien je voldoet aan het gestelde profiel verwachten wij jouw sollicitatiebrief samen met je curriculum vitae en een door de gemeente afgestempeld afschrift van je diploma bij Mevr. de voorzitter van het O.C.M.W., Langstraat 31, 3630 Maasmechelen, uiterlijk op vrijdag 31 maart 2000, vóór 12 uur. De sollicitatiebrieven met curriculum vitae dienen aangetekend te worden verstuurd. Op telefonisch verzoek wordt u een functiebeschrijving en functie profiel toegezonden. Voor verdere informatie kunt u terecht bij Maurice Bemong, dienst hoofd personeelsbeleid, tel. 089/76 17 32. (5234) Ville de Verviers Constitution d’une réserve de recrutement : Attaché(e)s spécifiques; Informaticien(ne)s. Age minimum : 23 ans. Date limite pour le dépôt des candidatures : 31 mars 2000. Pour tous renseignements : bureau du personnel-gestion, hôtel de Ville, annexe, place du Marché 55, 4800 Verviers, tél. 087/32 52 58. (5232) Universiteit Antwerpen Zelfstandig academisch personeel (Z.A.P.) De volgende opdracht is vacant met ingang van 1 oktober 2000 : Faculteit wetenschappen (RUCA-campus), departement wiskunde informatica. Onderwijs : onderwijsprofiel gericht op de computerarchitectuur en operating systems, verband houdende met volgende opleidingsonder delen : Computerarchitectuur I (2e kan. informatica 30 u. T + 30 u. P); Computerarchitectuur II (1e lic. informatica 15 u. T + 15 u. P); Uitbatingssystemen (2e kan. informatica 30 u. T + 30 u. P); Uitbatingssystemen (2e kan. wiskunde-informatica 30 u. T + 30 u. P); Project programmeren (1e kan. informatica 45 u. P); Systeemsoftware (2e graad HIBI 20 u. T + 20 u. P). Onderzoek : de voorkeur gaat uit naar onderwerpen op het gebied van de ontwikkeling van toepassingsgerichte systemen, met inbegrip van hardware/software interfacing, gedistribueerde applicaties en protocollen en bijhorende programmeertechnieken en -talen. Het aanvullend (t.t.z. complementair maar toch synergetisch) karakter t.o.v. het bestaand onderzoek aan de UA wordt nagestreefd. Dienstverlening : verwacht wordt een belangrijke bijdrage in het onderhouden van contacten met industrie en bedrijven, geïnteresseerd in samenwerking op het gebied van applicatie- en systeemontwikke ling. Vereisten : diploma van doctor in de wetenschappen, groep informa tica of doctor in de toegepaste wetenschappen, groep computerweten schappen, het diploma geaggregeerde voor het hoger onderwijs strekt tot aanbeveling. Het betreft een voltijdse tijdelijke aanstelling voor een hernieuwbare periode van drie jaar, in een nader te bepalen graad van het Z.A.P. Kandidaturen, vergezeld van uitgebreid curriculum vitae en de vereiste bekwaamheidsbewijzen, dienen toe te komen bij prof. dr. Walter Decleir, rector van het RUCA, Groenenborgerlaan 171, 2020 Antwerpen, uiterlijk op 27 april 2000, te 17 uur. (5275) 7431BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Gerechtelijke akten en uittreksels uit vonnissen Actes judiciaires et extraits de jugements Bekendmaking gedaan overeenkomstig artikel 490 van het Strafwetboek Publication faite en exécution de l’article 490 du Code pénal Misdrijven die verband houden met de staat van faillissement Infractions liées à l’état de faillite Cour d’appel de Liège Extrait d’arrêt - sixième chambre correctionnelle Notice n° 523/98. Arrêt n° 354/99. Par arrêt contradictoire du 26 mai 1999, En cause : Le Ministère public, appelant, Contre : 742 Mathieu, Guy André, cafetier-restaurateur, né à Saint-Supplet (Meurthe-et-Moselle-France) le 11 juin 1951, sans domicile ni résidence connus, demeurant actuellement Lotissement ″La Croix″ 12, à F-97.455 Baie Mahault (Guadeloupe-France), Prévenu, appelant, Sur l’appel d’un jugement du tribunal correctionnel d’Arlon rendu le 10 septembre 1998, La Cour, du chef de : Notice : 70.01.301/94, à Weyler, dans le courant du mois de décembre 1993, sciemment émis un chèque ou tout autre titre assimilé au chèque bancaire par la loi du 1er mars 1961, sans provision préalable, suffisante et disponible, en l’espèce émis le chèque numéro 42.2152 d’un montant de 9 000 francs français; Notice : 75.A.25.3/94, comme auteur ou coauteur, entre le 4 janvier 1993 et le 24 mars 1994, étant dirigeant de droit ou de fait, en l’espèce administrateur de la S.C. ″Arlon Cuisine″ déclarée en faillite par jugement du tribunal de commerce d’Arlon en date du 24 mars 1994 : dans l’intention de retarder la déclaration de faillite, fait des achats pour revendre au-dessous du cours ou s’être livré à des emprunts, circulations d’effets et autres moyens ruineux de se procurer des fonds, en l’espèce notamment, en rédigeant divers chèques sans provisions : un chèque numéro 22.2157 de 40 342 francs belges, tiré sur le ″Crédit Général″, le 12 janvier 1994 au profit de la S.N.C.B; un chèque numéro 42.2187 de 11 781,89 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ à une date indéterminée en 1994 au profit des Etablissements Fournier; un chèque numéro 12.2177 de 26 449,67 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ en février 1994 au profit des Etablissements Fournier; un chèque numéro 62.2175 de 56 080,6 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ le 3 mars 1994 au profit des Etablissements Fournier; un chèque numéro 32.2186 de 53 0524,4 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ le 8 mars 1994 au profit des Etablissements Fournier; un chèque numéro 52.2181 de 31 722,51 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ le 7 mars 1994 au profit des Etablissements Fournier; un chèque numéro 42.2152 de 9 000 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ en décembre 1993 au profit de Colin, Alexandre; un chèque numéro 52.2160 de 5 000 francs français, tiré sur le ″Crédit Général″ le 25 février 1994 au profit du garage ″Auto Metz Nord″; en accumulant un passif auprès des créanciers publics (T.V.A., contributions, etc.); dans l’intention de retarder la déclaration de faillite, payé ou favorisé un créancier au préjudice de la masse en l’espèce les établissements Fournier et M. Degodenne; dans l’intention de retarder la déclaration de faillite, omis de faire l’aveu dans le mois de la cessation de ses paiements tels que prescrit par l’article 9 de la loi sur les faillites; entre le 24 mars 1993 et 2 juin 1994, sans empêchement légitime, omis d’exécuter les obligations prescrites par l’article 53 de la loi sur les faillites, en l’espèce de se rendre à toutes les convocations leur faites soit par le juge, soit par le curateur; comme auteur ou coauteur, entre le 4 janvier 1993 et le 24 mars 1994, étant dirigeant de droit ou de fait, en l’espèce administrateur de la S.C. ″Arlon Cuisine″ déclarée en faillite par jugement du tribunal du commerce d’Arlon en date du 24 mars 1994, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, soustrait en tout ou en partie des livres ou documents visés au chapitre 1er de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises; avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, d’avoir commis des faux en écritures authentiques et publiques, en écritures de commerce, de banque ou en écritures privées, soit par fausses signa tures, soit par contrefaçon ou altération d’écritures ou de signatures, soit par fabrication de conventions, dispositions, obligations ou décharges, ou par leur insertion après coup dans les actes, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que ces actes avaient pour objet de recevoir ou de constater, en l’espèce en effaçant ou altérant le contenu de la comptabilité; et avec intention frauduleuse ou à dessein de nuire, d’avoir fait usage desdits actes faux ou pièces fausses, les sachant faux; étant dirigeant de droit ou de fait, en l’espèce administrateur de la S.C. ″Arlon Cuisine″ déclarée en faillite par jugement du tribunal du commerce d’Arlon en date du 24 mars 1994, avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, détourné ou dissimulé une partie de l’objet en l’espèce notamment du numéraire pour un montant indé terminé (plus ou moins 9 millions en ce compris les acomptes détournés pour un montant indéterminé), un ordinateur pour projection de cuisines en perspective, et une Renault express; A une date indéterminée de 1991, 1992 et 1993, comme auteur ou coauteur, d’avoir frauduleusement soit détourné, soit dissipé au préju dice de la S.C. ″Arlon Cuisines″ des effets, deniers, marchandises, billets, quittances, écrits de toute nature contenant ou opérant obliga tion ou décharges et qui leur avait été remis à la condition de les rendre ou d’en faire un usage ou un emploi déterminé, en l’espèce diverses fournitures ayant servi à équiper des appartements à Briey et sa maison personnelle; Aune date indéterminée de 1991 ou 1992, comme auteur ou coauteur, d’avoir frauduleusement soit détourné, soit dissipé au préjudice d’autrui des effets, deniers, marchandises, billets, quittances, écrits de toute nature contenant ou opérant obligation ou décharges et qui leur avait été remis à la condition de les rendre ou d’en faire un usage ou un emploi déterminé, en l’espèce des éléments de cuisine, des meubles de salle de bain, une cuisine équipée et du numéraire (salaire de Mme Constant) au préjudice de la S.C. ″Arlon Cuisines″; Comme auteur ou coauteur, à de nombreuses reprises, entre le 1er janvier 1991 et le 24 mars 1994, et notamment le 15 février 1994 (facture Burnet), le 8 février 1994 (facture Flock), le 14 février 1994 (facture Deom), le 23 février 1994 (facture Graff), avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, d’avoir commis des faux en écritures authentiques et publiques, en écritures de commerce, de banque ou en écritures privées, soit par fausses signatures, soit par contrefaçon ou altération d’écritures ou de signatures, soit par fabrication de conven tions, dispositions, obligations ou décharges, ou par leur insertion après coup dans les actes, soit par addition ou altération de clauses, de déclarations ou de faits que ces actes avaient pour objet de recevoir ou de constater, en l’espèce en rédigeant des factures mentionnant un prix inférieur au prix réellement payé et avec la même intention frauduleuse ou le même dessein nuire, d’avoir fait usage desdits actes ou pièces faux, les sachant faux; 7432 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Comme auteur ou coauteur, à diverses reprises, fin 1993 et début 1994, dans le but de s’approprier une chose appartenant à autrui, s’être fait remettre ou délivrer des fonds meubles, obligations, quittances, décharges soit en faisant usage de faux noms ou de fausses qualités, soit en employant des manœuvres frauduleuses pour persuader l’exis tence de fausses entreprises, d’un pouvoir ou d’un crédit imaginaire, pour faire naı̂tre l’espérance ou la crainte d’un succès, d’un accident ou de tout autre événement chimérique ou pour abuser autrement de la confiance ou de la crédulité, en l’espèce, 40 000 francs belges au préjudice de Gérard, Emmanuel; 75 000 francs belges au préjudice de Bernardy, Yvon; 150 000 francs belges au préjudice de Linck, Mathias; 48 000 francs belges au préjudice de Mangili, Françoise; 80 000 francs belges au préjudice de Collignon, Christian; 12 000 francs belges au préjudice de Scauflaire, Romain; 128 000 francs belges au préjudice de Ottaviani; 80 000 francs belges au préjudice de De Jesus Diabinho, Maria; 48 000 francs belges au préjudice de Eisen-Krier, Yassa; 142 000 francs belges au préjudice de De Winter, Jean; 21 000 francs belges au préjudice de Jungblut, Jean; 40 000 francs belges au préjudice de Dos Santos Carreira, Garcia; Comme auteur ou coauteur, entre le 29 décembre 1988 et le 24 mars 1994, sciemment et avec intention frauduleuse d’avoir contre venu aux articles 3 et 4 de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises pour ne pas avoir inscrit de manière fidèle et complète dans le livre-journal, les opéra tions comptables : Condamne : à une peine de quinze mois d’emprisonnement principal avec un sursis de trois ans pour la moitié et à une amende de cent cinquante francs, majorée de 1 490 décimes, ainsi portée à 22 500 francs ou huit jours d’emprisonnement subsidiaire; à verser une somme de 10 francs portée à 2 000 francs (loi du 1er août 1985); au paiement d’une indemnité de 1 000 francs (arrêté royal du 23 décembre 1993); à payer les frais d’instance liquidés à 5 857 francs et les frais d’appel qui le concernent liquidés à 3 151 francs. Ordonne la publication par extrait du présent arrêt auMoniteur belge, aux frais du prévenu, dans les formes et selon les modalités de l’article 490 du Code pénal; Ordonne la restitution des objets saisis à leurs légitimes propriétaires. Par arrêt du 17 novembre 1999, la Cour de Cassation casse l’arrêt attaqué en tant qu’il condamne chacun des demandeurs à l’interdiction prévue par l’article 1er de l’arrêt royal n° 22 du 24 octobre 1934 modifié par l’article 3 de la loi du 2 juin 1998 pour une durée de dix ans; Rejette les pourvois pour le surplus. Dit n’y avoir lieu à renvoi. Liège, le lundi 13 décembre 1999. Pour extrait conforme délivré à M. le receveur des amendes, et Mme le procureur général, (signé) J. Thirifays, greffier-chef de service. (5235) Bekendmaking gedaan overeenkomstig artikel 488bis e, § 1 van het Burgerlijk Wetboek Publication faite en exécution de l’article 488bis e, § 1er du Code civil Aanstelling voorlopig bewindvoerder Désignation d’administrateur provisoire Vredegerecht van het eerste kanton Gent Gelet op het verzoekschrift d.d. 8 februari 2000 ter griffie neergelegd, werd bij beschikking van de vrederechter van het eerste kanton Gent, verleend op 25 februari 2000, Lagaert, Steve, ongehuwd, geboren te Wetteren op 14 mei 1979, verblijvende OC Br. Ebergiste, afdeling Sint Juliaan, Stropkaai 38, te 9000 Gent, niet in staat verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : de heer Lagaert, Reginald, arbeider, wonende te 9090 Melle, Vijverwegel 24. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) J. Iter beke. (61680) Vredegerecht van het kanton Kontich Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Kontich, verleend op 22 februari 2000, werd Meerbergen, Stephania, geboren te Westerlo op 24 november 1914, verblijvende Home Compostella, Doolweg 6, te 2150 Borsbeek, gedomicilieerd te 2530 Boechout, Oude Steenweg 37, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Vermeylen, Marcel, bediende, Provinciesteenweg 221, 2530 Boechout. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Lily Herbots. (61681) Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Kontich, verleend op 29 februari 2000, werd Lysens, Emile, verblijvende te 2530 Boechout, R.V.T. Sint-Mathildis, Sportveldlaan 25, niet in staat verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Lysens, Anne Marie, Damhertenlaan 32, 2610 Wilrijk. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Lily Herbots. (61682) Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Kontich, verleend op 2 maart 2000, werd Beenens, Francisca, geboren te Hemiksem op 16 januari 1914, verblijvende R.V.T. Cantershof, René Verbeecklaan 5, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : De Vooght, Eduard, leraar, Tweebunder 24, 2650 Edegem. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Lily Herbots. (61683) Vredegerecht van het tweede kanton Leuven Bij beschikking van de vrederechter van het tweede kanton Leuven, verleend op 6 maart 2000, werd Luyckx, Florentina, geboren te Korbeek-Lo op 20 april 1913, gedomicilieerd en verblijvende PGC, Vlamingenstraat 3, 3000 Leuven, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopige bewindvoerder : De Schryver, Andreas, advocaat, Sint-Lambertusstraat 16, 3001 Leuven (Heverlee). Leuven, 6 maart 2000. Voor eensluidend afschrift : de adjunct-griffier, (get.) Veronique Verbist. (61684) 7433BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Vredegerecht van het tweede kanton Oostende Bij beschikking van de vrederechter van het tweede kanton Oost ende, verleend op 2 maart 2000, werd Tanghe, Wendy, geboren op 29 januari 1981, wonende te 8400 Oostende, Blauwkasteelstraat 64, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder, haar broer : de heer Tanghe, Stefaan, wonende te 8400 Oostende, Waterwerkstraat 24. Oostende, 3 maart 2000. De griffier, (get.) Vanheste, René. (61685) Vredegerecht van het kanton Oudenaarde Beschikking d.d. 2 maart 2000, verklaart Verroken, Clementina Maria, geboren te Berchem op 27 augustus 1914, gepensioneerde, weduwe, wonende te 9700 Oudenaarde, Meerspoort 30, opgenomen in de instel ling R.V.T., (K.13), Meerspoort 30, te 9700 Oudenaarde, niet in staat zelf haar goederen te beheren. Voegt toe als voorlopig bewindvoerder : Devenyns, Firmin, wonende te 9700 Oudenaarde, Koestraat 50. Oudenaarde, 6 maart 2000. De hoofdgriffier, (get.) De Borle, Lea. (61686) Vredegerecht van het kanton Tielt Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Tielt, verleend op 24 februari 2000, werd De Buck, Roger, geboren te Brugge op 4 januari 1944, gehuwd, wonende te 8750 Wingene (Zwevezele), Stamp kotmolenstraat 3, verblijvende Dagcentrum De Kim, Kortrijkse straat 58, te 8850 Ardooie, niet in staat verklaard zelf zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Godderis, Jeannette, huishoudster, wonende te 8750 Wingene (Zwevezele), Stampkotmolenstraat 3. Tielt, 6 maart 2000. De eerstaanwezend adjunct-griffier, (get.) Strosse, Hilda. (61687) Vredegerecht van het kanton Veurne Bij beschikking d.d. 24 februari 2000 van de vrederechter van het kanton Veurne, wordt Haelewyck, Camiel, geboren te Moerbeke-Waas op 4 april 1935, wonende te 8660 De Panne, Visserslaan 32, niet in staat verklaard zelf zijn goederen te beheren en wordt als voorlopig bewind voerder toegevoegd : Lemaire, Jeanne, wonende te 8660 De Panne, Visserslaan 32. Veurne, 6 maart 2000. De eerstaanwezend adjunct-griffier, (get.) Lagrou, Monique. (61688) Vredegerecht van het kanton Vilvoorde Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Vilvoorde van 2 maart 2000, verleend op het verzoekschrift alhier neergelegd op 17 februari 2000, werd Mevr. Damas, Diane, geboren te Oostende op 19 oktober 1958, ongehuwd, wonende en verblijvende in de home Riet dijk, te 1800 Vilvoorde, Bolwerkstraat 7, niet in staat verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoer der : Mevr. Damas, Sonia, geboren te Vilvoorde op 7 mei 1948, echtgenote van de heer Calderon, Damian, wonende te 3140 Keer bergen, Kastanjeweg 3. De hoofdgriffier, (get.) H. Hendrikx. (61689) Vredegerecht van het kanton Wervik Beschikking d.d. 29 februari 2000, verklaart Vandensteene, Alphon sine Philomene Flore Joseph, geboren te Wervik op 8 oktober 1912, gepensioneerde, wonende te 8940 Geluwe, Lage Meers 10, niet in staat zelf haar goederen te beheren. Voegt toe als voorlopig bewindvoerder : Vancanneyt, Leo Albertus Benedictus Maria Joseph, geboren te Ardooie op 15 maart 1917, gepensioneerd, gehuwd, wonende te 8940 Geluwe, Lage Meers 10. Wervik, 6 maart 2000. De hoofdgriffier, (get.) Deleu, Dirk. (61690) Vredegerecht van het kanton Wolvertem Bij beschikking van 28 februari 2000 van de vrederechter van het kanton Wolvertem, werd Mevr. Thérèse Wilmain, geboren te Brussel op 19 november 1921, wonende te 1780 Wemmel, Kaasmarkt 30, niet in staat is verklaard haar goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoerder : Mevr. Eliane Vandooren, wonende te 1780 Wemmel, J. Bogemansstraat 233. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) N. De Donder. (61691) Bij beschikking van 18 februari 2000 van de vrederechter van het kanton Wolvertem, werd de heer Bart Casteur, geboren op 6 september 1969, wonende te 1770 Liedekerke, Verlorenkoststraat 14, doch verblijvende in het Sint-Alexiusinstituut, Grimbergse steenweg 40, te 1850 Grimbergen, niet in staat is verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewind voerder : Mevr. Annick Casteur, wonende te 9470 Denderleeuw, Opgeëistestraat 12. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) N. De Donder. (61692) Justice de paix du canton d’Anderlecht Par ordonnance du juge de paix du second canton d’Anderlecht en date du 29 février 2000, la nommée Mme Marie Casteleyn, épouse Albert Droesbeke, née le 2 février 1919, domiciliée à Molenbeek-Saint Jean, boulevard Mettewie 1, mais résidant actuellement à la Fondation pour la psychogériatrie, chaussée de Gand 1050, à Berchem-Sainte Agathe, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Eric Dierickx, avocat et juge de paix suppléant, dont les bureaux sont établis à Anderlecht, rue Georges Moreau 160, et ce à dater du dépôt de la requête, soit le 14 janvier 2000. Pour extrait conforme : la greffière, (signé) Jeanny Bellemans. (61693) Par ordonnance du juge de paix du second canton d’Anderlecht en date du 29 février 2000, le nommé M. Albert Droesbeke, époux de Mme Marie Casteleyn, né le 3 août 1915, domicilié à Molenbeek-Saint Jean, boulevard Mettewie 1, mais résidant actuellement à la Fondation pour la psychogériatrie, chaussée de Gand 1050, à Berchem-Sainte Agathe, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvu d’un administrateur provisoire, étant : Me Eric Dierickx, avocat et juge de paix suppléant, dont les bureaux sont établis à Anderlecht, rue Georges Moreau 160, et ce à dater du dépôt de la requête, soit le 14 janvier 2000. Pour extrait conforme : la greffière, (signé) Jeanny Bellemans. (61694) 7434 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Justice de paix du second canton de Charleroi Par ordonnance du juge de paix du second canton de Charleroi en date du 6 mars 2000, la nommée Dujardin, Germaine, née à Couillet le 2 février 1914, domiciliée à Marcinelle, rue de l’Ange 29/43, résidant actuellement à Charleroi, Clinique Notre-Dame, a été déclarée inca pable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provi soire, étant : Sintucci, Gilberto, technicien, domicilié à Marcinelle, rue de l’Ange 29/11. Pour extrait certifié conforme : le greffier adjoint principal, (signé) M.P. Dumay. (61695) Justice de paix du canton de Gosselies Par ordonnance du juge de paix du canton de Gosselies en date du 11 février 2000, la nommée Sandra Carlini, épouse de Jean-Claude Bassoulet, née le 15 septembre 1972 à Tubize, domiciliée à 6041 Gosse lies, rue Gay 4, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Benoît Demanet, avocat à Gembloux, avenue des Combattants 38, en remplacement de Me John Jaumain. Pour extrait certifié conforme : le greffier en chef, (signé) Catherine Cleda. (61696) Justice de paix du troisième canton de Liège Suite à la requête déposée le 8 février 2000, par ordonnance du juge de paix du troisième canton de Liège rendue le 22 février 2000, Mme Kempeneers, Gislaine, née le 14 juillet 1949 à Liège, domiciliée boulevard Sainte-Beuve 50, à 4000 Liège, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire en la personne de Me Chignesse, Anne-Cécile, avocat, domiciliée rue du Général Bertrand 25, à 4000 Liège. Pour extrait conforme : le rédacteur délégué greffier adjoint, (signé) Defays, Hannelore. (61697) Justice de paix du troisième canton de Schaerbeek Par ordonnance de M. le juge de paix du troisième canton de Schaer beek, en date du 25 février 2000, la nomméeAnnie De Moté, née à Uccle le 16 novembre 1942, domiciliée et résidant à Schaerbeek, rue Van Hammée 24, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Yvan Tournay, avocat à 1160 Bruxelles, boulevard du Souverain 144/33. Pour extrait certifié conforme : le greffier en chef, (signé) Christiane Vanden Wijngaert. (61698) Justice de paix du canton d’Uccle Par ordonnance du juge de paix de complément du canton d’Uccle en date du 3 mars 2000, en suite de la requête déposée le 9 février 2000, Mme Jacqueline Froment, née le 15 mars 1908, domiciliée à 1180 Uccle, rue du Ham 38A, a été déclarée incapable de gérer ses biens et a été pourvue d’un administrateur provisoire, étant : Me Yvan Boels, avocat, ayant son cabinet à 1060 Bruxelles, rue de Suisse 15. Pour extrait conforme : le greffier en chef, (signé) Pascal Goies. (61699) Mainlevée d’administration provisoire Opheffing voorlopig bewind Vredegerecht van het achtste kanton Brussel Bij beschikking van de vrederechter van het achtste kanton Brussel, d.d. 6 maart 2000, werd ambtshalve een einde gesteld aan het mandaat van de heer Van den Abbeele, Claude, technicus, Rufin Pennéstraat 48, 9400 Ninove, die bij beschikking van de vrederechter van dit kanton, d.d. 26 augustus 1999 aangesteld werd als voorlopig bewindvoerder over : de heer Van den Abbeele, Camile Frans, geboren te Wichelen op 9 januari 1915, Romeinsesteenweg 743 (Rusthuis Romana), 1020 Brussel, overleden te Brussel op 26 februari 2000. Voor eensluidend uittreksel : de hoofdgriffier, (get.) Alfons Philips. (61700) Justice de paix du second canton d’Anderlecht Par ordonnance du juge de paix du second canton d’Anderlecht, en date du 6 mars 2000, il a été mis fin au mandat de Me Paule Van Den Bossche, avocate, dont les bureaux sont établis à Anderlecht, place de la Résistance 18, administrateur provisoire de M. Stanislaw Szablewski, né le 24 mars 1910 à Oporov (Pologne), domicilié à Molenbeek-Saint Jean, rue des Quatres-Vents 116, ayant résidé à l’Hôpital Erasme, route de Lennik 808, à Anderlecht, ce dernier étant décédé à Anderlecht le 11 février 2000. Pour extrait conforme : la greffière, (signé) Jeanny Bellemans. (61701) Par ordonnance du juge de paix du second canton d’Anderlecht, en date du 2 mars 2000, il a été mis fin au mandat de Mme Nicole Denis, domiciliée à 2970 Schilde, Kampdreef 26, administrateur provisoire de son père, M. Joseph Denis, veuf de Coppens, Elisabeth, né le 29 mars 1910 à Ixelles, domicilié avenue du Comté de Jette 1, ayant résidé à l’Hôpital Français Reine Elisabeth, avenue Josse Goffin 180, à Berchem-Sainte-Agathe, venant du Home Paloke, rue Paloke 40, à Molenbeek-Saint-Jean, ce dernier étant décédé à Jette le 29 décembre 1999. Pour extrait conforme : la greffière, (signé) Jeanny Bellemans. (61702) Justice de paix du huitième canton de Bruxelles Par ordonnance du juge de paix du huitième canton de Bruxelles, rendue en date du 6 mars 2000, il a été mis fin au mandat de Me Van Damme-Valvekens, Carine, avocate, domiciliée rue de Livourne 45, 1050 Bruxelles, en sa qualité d’administratrice provisoire de : M. Furne mont, Marc Joseph Ghislain, né à Schaltin le 4 octobre 1906, résidant en dernier lieu à 1080 Bruxelles, rue du Korenbeek 108, décédé le 9 octobre 1999 à Molenbeek-Saint-Jean. Pour extrait certifié conforme : le greffier en chef, (signé) Alfons Philips. (61703) Justice de paix du canton de Hamoir Par ordonnance du juge de paix du canton de Hamoir, rendue le 6 mars 2000, a été levée la mesure d’administration provisoire prise par ordonnance du 17 août 1999, à l’égard de Mme Thoumsin, Marie, domiciliée rue Champs Pille 75, à 4460 Grâce-Hollogne, résidant Maison de repos « Jolis Bois », rue G. Bérotte à Saint-Georges, cette personne étant décédée à Seraing le 11 janvier 2000, il a été mis fin, en conséquence, à la mission de son administrateur provisoire, à savoir : Me Michel Brisbois, avocat, route du Val 11, à 4560 Clavier. Pour extrait certifié conforme : le greffier en chef délégué, (signé) Simon, Maryse. (61704) 7435BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Justice de paix du second canton de Huy Par ordonnance rendue le 6 mars 2000, M. le juge de paix du second canton de Huy, constate que son ordonnance du 9 juin 1999, désignant Me Hervé Jamar, avocat à 4280 Hannut, rue Albert Ier 130, en qualité d’administrateur provisoire à : Gilen, Louis Lambert, Belge, né le 26 avril 1915 à Corswarem, retraité, veuf, domicilié rue de l’Eglise 31, à 4317 Faimes, résidant au home Grandgagnage, place M. Grandga gnage 10, à 4530 Vaux-et-Borset, cesse de produire ses effets, cette personne étant décédée à Waremme le 24 décembre 1999. Pour extrait conforme : le greffier adjoint-délégué, (signé) Duchaine, Marie-Christine. (61705) Justice de paix du deuxième canton de Liège Par ordonnance du juge de paix du deuxième canton de Liège, du 6 mars 2000, il a été constaté que la mesure d’administration provisoire prise par ordonnance du 22 juillet 1998, a pris fin suite au décès de Mme François, Maria, Belge, née le 16 août 1898 à Liège, veuve, domiciliée rue Dartois 33, 4000 Liège, il a été mis fin, en conséquence, après dépôt d’un rapport de gestion, à la mission de son administrateur provisoire, M. l’avocat Dabin, Pierre, avocat, domicilié rue des Ixel lois 1, 4000 Liège. Pour extrait conforme : le greffier, (signé) Gillis, Monique. (61706) Remplacement d’administrateur provisoire Vervanging voorlopig bewindvoerder Vredegerecht van het kanton Tienen Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Tienen, verleend op 25 februari 2000, werd Vanhove, Bertrand, geboren te Glabbeek op 28 april 1940, verblijvend in de Psychiatrische Kliniek der Broeders Alexianen, te 3300 Tienen, Liefdestraat 10, niet in staat verklaard zijn goederen te beheren en kreeg toegevoegd als voorlopig bewindvoer der : Vanham, Nicole, wonende te 3300 Tienen, Grote Bergstraat 25. Bij beschikking van de vrederechter van het kanton Tienen, verleend op 2 maart 2000, werd Vanham, Nicole, in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder over Vanhove, Bertrand, vervangen door : Goossens, Willem, advocaat, met kantoor te 3300 Tienen, Kabbeek vest 70. Tienen, 6 maart 2000. Voor eensluidend uittreksel : de griffier, (get.) Hilda Rons mans. (61707) Justice de paix du canton d’Aubel Par ordonnance de M. le juge de paix du canton d’Aubel en date du 1er mars 2000, Me Lucie Gerardy, avocate, domiciliée à 4880 Aubel, rue de la Station 47, a été déchargée de sa fonction d’administrateur provisoire de la nommée : Noel, Marie, épouse de Veeschkens, Laurent, née à Aubel le 22 octobre 1919, domiciliée et résidant à la maison de repos « La Kan », à 4880Aubel, rue Kan 79, cette dernière étant pourvue d’un nouvel administrateur provisoire en la personne de M. Veesch kens, Laurent, époux de Noel, Marie, domicilié et résidant à la Maison de repos « La Kan », à 4880 Aubel, rue Kan 79. Pour extrait certifié conforme : le greffier en chef délégué, (signé) Myriam Deblond, épouse Alfred Sieberath. (61708) Bekendmaking voorgeschreven bij artikel 793 van het Burgerlijk Wetboek Publication prescrite par l’article 793 du Code civil Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving Acceptation sous bénéfice d’inventaire Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde Heden, 30 september 1999, voor ons, Paul Van der Hauwaert, griffier hoofd van dienst bij de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, is ter griffie verschenen : Mr. Ann Eeckhout, advocaat met kantoor te Zwalm, Zwalmlaan 8/1, handelend ingevolge onderhandse volmacht haar gegeven te Deux Acren op 13 september 1999, door : Felix, Robert Henri, geboren te Lessen op 25 oktober 1962, wonende te Deux-Acren, Chapelle Saint-Pierre 22; in zijn hoedanigheid van vader, wettige voogd over de persoon en de goederen van zijn minderjarig met hem inwonend kind Evelyne Madeleine Frieda, geboren te Zottegem op 30 november 1986, hiertoe gemachtigd bij beslissing van de familieraad, gehouden onder het voorzitterschap van de vrederechter van het kanton Zottegem, d.d. 11 februari 1999. Welke comparant ons verklaart, namens haar opdrachtgever te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving, de nalatenschap van wijlen Van Gansbeke, Willy Alphonse, geboren te Nederename op 18 december 1928, laatst wonende te 9620 Zottegem, Kleine Meer laan 31, en overleden te Zottegem op 15 april 1998. Ten einde deze wordt keuze van woonst gedaan ten kantore van Mr. M. Sobrie, notaris te Zwalm, er kantoorhoudend aan de Noord laan 50. De voormelde akte volmacht wordt aan onderhavige akte gehecht. Een eensluidend verklaard afschrift van de voormelde beslissing van de familieraad wordt aan onderhavige akte gehecht. Waarvan akte, opgemaakt op plaats en datum zoals voormeld en na voorlezing ondertekend door de comparant en ons, Paul Van der Hauwaert, griffier-hoofd van dienst. W.g. A. Eeckout; P. Van der Hauwaert. Oudenaarde, 30 september 1999. Voor eensluidend verklaard afschrift : de griffier-hoofd van dienst, (get.) P. Van der Hauwaert. (5236) Tribunal de première instance de Bruxelles Suivant acte n° 00-432, passé au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles le 6 mars 2000 : Mme Coppieters ’t Wallant, Marie Dominique, avocat à 1050 Bruxelles, avenue du Pesage 61, bte 18, agissant en sa qualité de mandataire en vertu de deux procurations sous seing privé : la première datée du 23 février 2000 et donnée par M. Vohy, Martial Robert Fernand, né à Etterbeek le 15 mai 1955, domicilié à 1330 Rixen sart, rue de la Chapelle 7; la deuxième datée du 22 février 2000 et donnée par M. Moerens, Marcel-Henry, avocat à 1050 Bruxelles, avenue du Pesage 61, bte 18, agissant en sa qualité de tuteur datif de M. Demanet, Guy, né à Ixelles le 4 janvier 1940, domicilié à Ixelles, Home Résidence Mimosa, rue de la Brasserie 43-45, a déclaré, agissant comme acté ci-dessus, accepter sous bénéfice d’inventaire la succession de M. Demanet, Daniel Werner, né à Uccle le 9 août 1931, de son vivant domicilié à Forest, rue Edouard Branly 6, et décédé le 4 janvier 2000 à Bruxelles. 7436 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Les créanciers et légataires sont invités à faire connaître, par avis recommandé, leurs droits dans un délai de trois mois à compter de la présente insertion à M. Van Halteren, Thierry, notaire à 1000 Bruxelles, rue de l’Association 30. Bruxelles, 6 mars 2000. Le greffier, (signé) Aerts, Vera. (5237) Suivant acte n° 00-436, passé au greffe du tribunal de première instance de Bruxelles, le 6 mars 2000 : 1. Mme Amrani, Zohra, domiciliée à 1080 Bruxelles (Molenbeek Saint-Jean), rue de l’Intendant 85/1; 2. Mme Bou Azza, Fatima Zohra, domiciliée à 1601 Sint-Pieters Leeuw, Meerweg 8, agissant : sub 1) en son nom personnel; en sa qualité de mère et tutrice légale de son enfant mineur : Bou Azza, Billal, né à Bruxelles le 4 novembre 1983; en sa qualité de mandataire en vertu de deux procurations sous seing privé : la première datée du 23 février 2000 et donnée par M. Bou Azza, Rachid, domicilié à 1080 Bruxelles (Molenbeek-Saint-Jean), rue de l’Intendant 85/3; la deuxième datée du 22 février 2000 et donnée par M. Bou Azza, Yassine, domicilié à 1080 Bruxelles (Molenbeek-Saint-Jean), rue de l’Intendant 85/1, sub 2) en son nom personnel, ont déclaré, accepter sous bénéfice d’inventaire la succession de M. Bou Azza, Ahmed, né à Douar Bouhout (Maroc) en 1943, de son vivant domicilié à Molenbeek-Saint-Jean, rue de l’Intendant 85/1, et décédé le 8 mars 1999 à Anderlecht. Les créanciers et légataires sont invités à faire connaître, par avis recommandé, leurs droits dans un délai de trois mois à compter de la présente insertion à M. Borremans, Stephan, notaire à 1030 Bruxelles, avenue du Diamant 138. Bruxelles, le 6 mars 2000. Le greffier, (signé) Aerts, Vera. (5238) Faillissement − Faillite Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 29 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd, op dagvaarding, het faillissement uitgesproken van de B.V.B.A. Candy Toys, met zetel te 1800 Vilvoorde, Mechelse steenweg 277, H.R. Brussel A 1043382, BTW 456.948.390, en met als voornaamste handelsactiviteit : import en export van speelgoed. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Joan Dubaere, advocaat te 1070 Brussel, Ninoofse steenweg 643. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vordering te doen op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, op niveau 01, van het gerechtsgebouw. De curator, (get.) Joan Dubaere. (Pro deo) (5239) Bij vonnis d.d. 29 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd, op dagvaarding, het faillissement uitgesproken van de E.B.V.B.A. Transport général de Marchandises-TGM, met zetel te 1730 Asse, Brusselsesteenweg 414/C, H.R. Brussel 607663, BTW 458.834.447, en met als voornaamste handelsactiviteit : algemeen transport. Curator : Mr. Joan Dubaere, advocaat te 1070 Brussel, Ninoofse steenweg 643. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vordering te doen op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, op niveau 01, van het gerechtsgebouw. De curator, (get.) Joan Dubaere. (Pro deo) (5240) Bij vonnis d.d. 29 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd, op dagvaarding, het faillissement uitgesproken van de B.V.B.A. Graumenz Transports, met zetel te 1730 Asse, Brusselse steenweg 414, H.R. Brussel B 627160, BTW 464.030.677, en met als voornaamste handelsactiviteit : transport van goederen. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Joan Dubaere, advocaat te 1070 Brussel, Ninoofse steenweg 643. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vordering te doen op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, op niveau 01, van het gerechtsgebouw. De curator, (get.) Joan Dubaere. (Pro deo) (5241) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 du tribunal de commerce de Bruxelles a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.A. Promas, ayant son siège à 1081 Bruxelles, rue de la Basilique 384, bte 35, R.C. Bruxelles 531119, T.V.A. 440.205.893, et avec comme activité principale : des opérations commerciales et financières à l’intérieur du pays et à l’étranger. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Joan Dubaere, avocat à Bruxelles, chaussée de Ninove 643. Les créanciers sont invités à déposer au greffe du tribunal de commerce de Bruxelles, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, la déclaration de leurs créances dans les trente jours à compter de la date de faillite. La clôture du procès-verbal de vérification des créances aura lieu le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, situé au niveau 01, du palais de justice. Le curateur, (signé) Joan Dubaere. (Pro deo) (5242) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 29 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel werd, op dagvaarding, het faillissement uitgesproken van de N.V. Promas, met zetel te 1081 Brussel, Basiliekstraat 384, bus 35, H.R. Brussel 531119, BTW 440.205.893, en met als voornaamste handels activiteit : handelsverrichtingen en financiële verrichtingen in binnen en buitenland. 7437BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Joan Dubaere, advocaat te 1070 Brussel, Ninoofse steenweg 643. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vordering te doen op de griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, op niveau 01, van het gerechtsgebouw. De curator, (get.) Joan Dubaere. (Pro deo) (5242) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.P.R.L. Rova, dont le siège social est sis à 1020 Bruxelles, avenue Mutsaard 37, ayant comme activité commerciale des produits chimiques, R.C. Bruxelles 635162, T.V.A. 466.546.541. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Duerinck, Nadine, rue Père de Deken 9, 1040 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, endéans le délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, du tribunal de commerce de précité. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) N. Duerinck. (Pro deo) (5245) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis van 29 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaarding, het faillissement van de B.V.B.A. Rova, met zetel te 1020 Brussel, Mutsardlaan 37, H.R. Brussel 635162, BTW 466.546.541, met als handelsactiviteit : chemische producten. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Duerinck, Nadine, Pater de Dekenstraat 9, 1040 Brussel. De schuldeisers dienen hun verklaring van schuldvorderingen te doen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis ter griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, van voormelde rechtbank van koophandel. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) N. Duerinck. (Pro deo) (5245) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la E.S.P.R.L. Quick Shop, dont le siège social est sis à 1050 Bruxelles, chaussée de Wavre 55, ayant comme activité commer ciale nettoyage, réparation et teinture de vêtements, R.C. Bruxelles 542071, T.V.A. 442.750.461. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Duerinck, Nadine, rue Père de Deken 9, 1040 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, endéans le délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, du tribunal de commerce de précité. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) N. Duerinck. (Pro deo) (5243) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis van 29 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaarding, het faillissement van de E.B.V.B.A. Quick Shop, met zetel te 1050 Brussel, Waversesteenweg 55, H.R. Brussel 542071, BTW 442.750.461, met als handelsactiviteit : reinigen, herstellen, verven van kleding. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Duerinck, Nadine, Pater de Dekenstraat 9, 1040 Brussel. De schuldeisers dienen hun verklaring van schuldvorderingen te doen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis ter griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, van voormelde rechtbank van koophandel. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) N. Duerinck. (Pro deo) (5243) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.P.R.L. Media Invest, dont le siège social est sis à 1030 Bruxelles, avenue Emile Max 145, ayant comme activité commer ciale la production de manifestations artistiques, R.C. Bruxelles 574818, T.V.A. 451.333.179. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Duerinck, Nadine, rue Père de Deken 9, 1040 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, endéans le délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, du tribunal de commerce de précité. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) N. Duerinck. (Pro deo) (5244) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis van 29 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaarding, het faillissement van de B.V.B.A. Media Invest, met zetel te 1030 Brussel, Emile Maxlaan 145, H.R. Brussel 574818, BTW 451.333.179, met als handelsactiviteit : productie van artistieke manifestaties. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Duerinck, Nadine, Pater de Dekenstraat 9, 1040 Brussel. 7438 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE De schuldeisers dienen hun verklaring van schuldvorderingen te doen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis ter griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, van voormelde rechtbank van koophandel. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) N. Duerinck. (Pro deo) (5244) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.P.R.L. Faro, dont le siège social est sis à 1600 Sint Pieters-Leeuw, Brusselbaan 182, ayant comme activité commerciale exploitation commerce horeca, R.C. Bruxelles 627504, T.V.A. 463.809.062. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Duerinck, Nadine, rue Père de Deken 9, 1040 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, endéans le délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, du tribunal de commerce de précité. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) N. Duerinck. (Pro deo) (5246) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis van 29 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaarding, het faillissement van de B.V.B.A. Faro, met zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Brusselbaan 182, H.R. Brussel 627504, BTW 463.809.062, met als handelsactiviteit : uitbating horecazaak. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Duerinck, Nadine, Pater de Dekenstraat 9, 1040 Brussel. De schuldeisers dienen hun verklaring van schuldvorderingen te doen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis ter griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, van voormelde rechtbank van koophandel. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) N. Duerinck. (Pro deo) (5246) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 29 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.P.R.L. Sas Computers, dont le siège social est sis à 1840 Londerzeel, Dorpstraat 18A, ayant comme activité commerciale importation/exportation matériel ordinateurs, R.C. Bruxelles A16218, T.V.A. 464.145.295. Juge-commissaire : M. P. Deschuyffeleer. Curateur : Me Duerinck, Nadine, rue Père de Deken 9, 1040 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, endéans le délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle G, du tribunal de commerce de précité. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) N. Duerinck. (Pro deo) (5247) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis van 29 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaarding, het faillissement van de B.V.B.A. Sas Computers, met zetel te 1840 Londerzeel, Dorpstraat 18a, H.R. Brussel A16218, BTW 464.145.295, met als handelsactiviteit : import en export automatiseringsapparatuur. Rechter-commissaris : de heer P. Deschuyffeleer. Curator : Mr. Duerinck, Nadine, Pater de Dekenstraat 9, 1040 Brussel. De schuldeisers dienen hun verklaring van schuldvorderingen te doen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis ter griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel, justitiepaleis, Poelaertplein, 1000 Brussel. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal G, van voormelde rechtbank van koophandel. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) N. Duerinck. (Pro deo) (5247) Tribunal de commerce Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Ozgur, rue de l’Aqueduc 53, à 1060 Bruxelles, R.C. Bruxelles 629107, T.V.A. inconnue. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5248) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Ozgur, Aquaduct straat 53, te 1060 Brussel, H.R. Brussel 629107, BTW onbekend. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5248) 7439BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Mona House, rue Pierre-Victor Jacobs 30, à 1080 Bruxelles, R.C. Bruxelles 576627, T.V.A. inconnue. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5249) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Mona House, Pierre Victor Jacobsstraat 30, te 1080 Brussel, H.R. Brussel 576627, BTW onbe kend. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5249) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. New Body World, rue du Doyenné 30, à 1180 Bruxelles, R.C. Bruxelles 502289, T.V.A. 433.273.363. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5250) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. New Body World, Dekenijstraat 30, te 1180 Brussel, H.R. Brussel 502289, BTW 433.273.363. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5250) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Tonitex, avenue Edouard Benes 111, à 1080 Bruxelles, R.C. Bruxelles 619819, T.V.A. inconnue. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5251) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Tonitex, Edouard Beneslaan 111, te 1080 Brussel, H.R. Brussel 619819, BTW onbekend. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5251) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Belgisys, rue Picard 69, à 1080 Bruxelles, R.C. Bruxelles 566454, T.V.A. inconnue. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5252) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Belgisys, Picard straat 69, te 1080 Brussel, H.R. Brussel 566454, BTW onbekend. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5252) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Rubiscope, rue de la Victoire 72, à 1060 Saint Gilles, R.C. Bruxelles 591453, T.V.A. inconnue. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5253) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Rubiscope, Overwinningsstraat 72, te 1060 Sint-Gillis, H.R. Brussel 591453, BTW onbekend. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5253) 7440 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 23 février 2000, a été clôturée pour absence d’actif la faillite de la S.P.R.L. Ravena, chaussée de Louvain 229, à 1030 Bruxelles, R.C. Bruxelles 552045, T.V.A. 445.344.222. Faillite déclarée le 6 décembre 1999. Le tribunal dit que la partie faillie n’est pas excusable. Le jugement met fin à la mission du curateur et emporte la décharge de la liquidation. Le curateur, (signé) Me J.-P. Davreux. (Pro deo) (5254) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 23 februari 2000 werd bij gebreke aan actief het fail lissement afgesloten verklaard van de B.V.B.A. Ravena, Leuvense steenweg 229, te 1030 Brussel, H.R. Brussel 552045, BTW 445.344.222. Faillissement uitgesproken op 6 december 1999. De rechtbank heeft de gefailleerde niet verschoonbaar verklaard. Het vonnis stelt een einde aan de taak van de curator en verleent de decharge van de vereffening. De curator, (get.) Mr. J.-P. Davreux. (Pro deo) (5254) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la SNC Haulotte & Partners, avenue de Mai 290, 1200 Bruxelles, R.C. Bruxelles 614390, T.V.A. 460.848.681, activité : import - export. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5255) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaar ding, het faillissement van VOF Haulotte & Partners, Meilaan 290, 1200 Brussel, H.R. Brussel 614390, BTW 460.848.681, activiteit : import export. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5255) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur aveu, la faillite de la S.P.R.L. Holiday’s Concept & Travel, avenue Louise 216, 1050 Bruxelles, R.C. Bruxelles 630969, T.V.A. 465.122.027, activité : intermédiaire commercial. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5256) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op beken tenis, het faillissement van B.V.B.A. Holiday’s Concept & Travel, Loui zalaan 216, 1050 Brussel, H.R. Brussel 630969, BTW 465.122.027, activi teit : tussenhandelaar. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5256) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.A. Run A Car, rue de la Brasserie 140, 1050 Bruxelles, R.C. Bruxelles 518292, T.V.A. 437.240.960, activité : location de voitures. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5257) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaar ding, het faillissement van N.V. Run A Car, Brouwerijstraat 140, 1050 Brussel, H.R. Brussel 518292, BTW 437.240.960, activiteit : wagen verhuur. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. 7441BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5257) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.A. Alassi, rue de la Brasserie 140, 1050 Bruxelles, R.C. Bruxelles 486315, T.V.A. 428.717.432, activité : location de biens immobiliers. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5258) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaar ding, het faillissement van N.V. Alassi, Brouwerijstraat 140, 1050 Brussel, H.R. Brussel 486315, BTW 428.717.432, activiteit : verhuur van onroerend goed. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5258) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.A. International Cap Trading, rue Dautzenberg 43, 1050 Bruxelles, R.C. Bruxelles 562196, T.V.A. 447.061.914, activité : import & export de voitures. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5259) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaar ding, het faillissement van N.V. International Cap Trading, Dautzen bergstraat 43, 1050 Brussel, H.R. Brussel 562196, BTW 447.061.914, activiteit : import & export van wagens. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5259) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement du 28 février 2000 a été déclarée ouverte, sur citation, la faillite de la S.P.R.L. Caves Nicholas Bohmal, rue du Page 29, 1050 Bruxelles, R.C. Bruxelles 546978, T.V.A. 444.520.316, activité : commerce de gros de boissons. Juge-commissaire : M. Jean-Pierre Jansens. Curateur : Me Pol A. Massart, avenue du Général De Gaulle 51, bte 1, à 1050 Bruxelles. Les créanciers doivent produire leurs créances au greffe du tribunal de commerce, palais de justice, place Poelaert, à 1000 Bruxelles, dans un délai de trente jours à dater du prononcé du jugement. Clôture du procès-verbal de vérification des créances : le mercredi 12 avril 2000, à 14 heures, à la salle A. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) P.A. Massart. (Pro deo) (5260) Rechtbank van koophandel te Brussel Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd geopend verklaard, op dagvaar ding, het faillissement van B.V.B.A. Caves Nicholas Bohmal, Edel knaapstraat 29, 1050 Brussel, H.R. Brussel 546978, BTW 444.520.316, activiteit : groothandel van dranken. Rechter-commissaris : de heer Jean-Pierre Jansens. Curator : Mr. Pol A. Massart, Generaal De Gaullelaan 51, bus 1, te 1050 Brussel. De schuldeisers worden uitgenodigd de verklaring van hun schuld vorderingen te doen ter griffie van de rechtbank van koophandel, gerechtsgebouw, Poelaertplein, te 1000 Brussel, binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het vonnis. Sluiting van het proces-verbaal van nazicht der schuldvorderingen : op woensdag 12 april 2000, te 14 uur, in zaal A. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) P.A. Massart. (Pro deo) (5260) 7442 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de la S.P.R.L. Est-Ouest Consult, rue Belliard 23a, 1040 Bruxelles, a été clôturée pour cause d’absence totale d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie non excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5261) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de B.V.B.A. Est-Ouest Consult, Belliardstraat 23a, 1040 Brussel, afgesloten bij gebrek aan actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde niet verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5261) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de la S.P.R.L. Sinatex, chaussée de Wavre 1574, 1160 Bruxelles, a été clôturée pour cause d’absence totale d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie non excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5262) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de B.V.B.A. Sinatex, steenweg op Waver 1574, 1160 Brussel, afgesloten bij gebrek aan actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde niet verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5262) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de la S.A. Contacts, rue Max Weller 6, 1190 Bruxelles, a été clôturée pour cause d’absence totale d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie non excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5263) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de N.V. Contacts, Max Wellerstraat 6, 1190 Brussel, afgesloten bij gebrek aan actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde niet verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5263) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de M. Goossens, Didier, né le 6 mars 1963, quai aux Foins 13, 1000 Bruxelles, T.V.A. 534.311.632, a été clôturée pour cause d’insuffisance d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5264) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de heer Goossens, Didier, geboren op 6 maart 1963, Hooienkaai 13, 1000 Brussel, BTW 534.311.632, afgesloten wegens ontoereikend actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5264) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de la S.P.R.L. Prestige et Associés, place du Châtelain 30, 1050 Bruxelles, a été clôturée pour cause d’insuffisance d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie non excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5265) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de B.V.B.A. Prestige et Associés, Slotvloogdplaats 30, 1050 Brussel, afgesloten wegens ontoereikend actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde niet verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5265) Tribunal de commerce de Bruxelles Par jugement prononcé le 23 février 2000, la faillite de la S.P.R.L. ACP Graphics, rue Sneessens 1, 1040 Bruxelles, a été clôturée pour cause d’insuffisance d’actif. Le tribunal a déclaré la faillie non excusable. Pour extrait conforme : le curateur, (signé) J.-M. Derick. (Pro deo) (5266) Rechtbank van koophandel te Brussel Door vonnis uitgesproken op 23 februari 2000 werd het faillissement van de B.V.B.A. ACP Graphics, Sneessensstraat 1, 1040 Brussel, afge sloten wegens ontoereikend actief. De rechtbank verklaarde dat de gefailleerde niet verschoonbaar was. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) J.-M. Derick. (Pro deo) (5266) 7443BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE Tribunal de commerce d’Arlon Par jugement rendu le 2 mars 2000, le tribunal de commerce d’Arlon a déclaré en faillite la S.A. Megalux, rue du Berceau d’Or 9, à 6792 Aubange (Battincourt), R.C. Arlon 20852. Cessation des paiements : 8 novembre 1999. Juge-commissaire : M. le juge consulaire Y. Janson. Curateur : Me C. Baudine, avocat à Arlon, rue G. Kurth 75. Déclaration des créances au greffe du tribunal de commerce d’Arlon, centre judiciaire, 1er étage, place Schalbert, à 6700 Arlon, avant le 2 avril 2000. Clôture du procès-verbal de vérification des créances en l’auditoire du tribunal le 26 avril 2000, à 9 heures. Gratuité de la procédure. Pour extrait conforme : (signé) C. Baudine, curateur. (Pro deo) (5267) Par jugement rendu le 2 mars 2000, le tribunal de commerce d’Arlon a déclaré en faillite la S.P.R.L. Meubles Maxime, domicilié à ou ayant son siège à 6700 Frassem (Arlon), rue Belle Vue 1, à 6792 Aubange (Battincourt), R.C. Arlon 23326. Cessation des paiements : 17 janvier 2000. Juge-commissaire : M. le juge consulaire Y. Janson. Curateur : Me C. Baudine, avocat à Arlon, rue G. Kurth 75. Déclaration des créances au greffe du tribunal de commerce d’Arlon, centre judiciaire, 1er étage, place Schalbert, à 6700 Arlon, avant le 2 avril 2000. Clôture du procès-verbal de vérification des créances en l’auditoire du tribunal le 26 avril 2000, à 9 heures. Gratuité de la procédure. Pour extrait conforme : (signé) C. Baudine, curateur. (Pro deo) (5268) Tribunal de commerce de Nivelles Par jugement du tribunal de commerce de Nivelles du 23 février 2000, le tribunal de commerce de Nivelles a prononcé la clôture, après liquidation et avec excusabilité de la faillite ouverte par jugement du 21 avril 1997 de M. Marc Miles, né à Braine-le-Château le 6 mai 1952, qui exerçait à titre principal un commerce de négociant en boissons sous la dénomination « Sogedrinks », actuellement domicilié à Marbais, rue Ruffin 70, R.C. Nivelles 70903, T.V.A. 785.041.685. (Signé) Luc Goethals, curateur. (Pro deo) (5269) Rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas Bij vonnis van 3 maart 2000 werd het faillissement open verklaard, op bekentenis, E.D.P. Assist B.V.B.A., ontwikkeling van software, maat schappelijke zetel te 9100 Sint-Niklaas, Prins Boudewijnlaan 97, H.R. Sint-Niklaas 53807, BTW 425.735.374. Staking van de betalingen vastgesteld op 3 maart 2000. Indienen van de schuldvorderingen : vóór 3 april 2000, ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, gerechtsgebouw, Kazernestraat 12, 9100 Sint-Niklaas. Nazicht van de schuldvorderingen : op 12 april 2000, te 15 uur. Rechter-commissaris : de heer Herman De Cuyper. Curator : (get.) Mr. Marc Schoenmaekers, advocaat, kantoorhou dende te 9100 Sint-Niklaas, Pr. Jos. Charlottelaan 71. (Get.) M. Schoenmaekers, advocaat. (5270) Rechtbank van koophandel te Mechelen Bij vonnis d.d. 28 februari 2000 werd, op dagvaarding, het faillis sement open verklaard van de B.V.B.A. Sandimar, sanitair, met maat schappelijke zetel te 2500 Lier, Antwerpsesteenweg 16, H.R. Mechelen 67013, BTW 438.460.685, en werd als curator aangesteld Mr. Betty De Neef, advocaat te 2800 Mechelen, Fr. de Merodestraat 49. Bij vonnis d.d. 6 maart 2000 werd Mr. Betty De Neef voormeld ontlast van haar mandaat van curator in het faillissement B.V.B.A. Sandimar, en werd zij als curator vervangen door Mr. Eric Van hoogenbemt, advocaat te 2800 Mechelen, Hombeeksesteenweg 62. Datum staking van betaling : 28 februari 2000. Rechter-commissaris : de heer H. Verbruggen, rechter in handels zaken. Curator : Mr. Eric Van hoogenbemt, advocaat te 2800 Mechelen, Hombeeksesteenweg 62. Indienen van de schuldvorderingen : vóór 30 maart 2000, ter griffie van de rechtbank van koophandel, Voochtstraat 7, te 2800 Mechelen. Proces-verbaal van nazicht van de schuldvorderingen : 10 april 2000, om 9 uur, op de rechtbank van koophandel te Mechelen. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) Mr. Eric Van hoogenbemt. (Pro deo) (5271) Bij vonnis d.d. 6 maart 2000 werd, op bekentenis, het faillissement open verklaard van de B.V.B.A. Yilmaz, verbruiksalon, met maatschap pelijke zetel te 2800 Mechelen, Sint-Katelijnestraat 100, H.R. Mechelen 83123, BTW 462.795.611. Datum staking van betaling : 6 maart 2000. Rechter-commissaris : de heer H. Verbruggen, rechter in handels zaken. Curator : Mr. Eric Van hoogenbemt, advocaat te 2800 Mechelen, Hombeeksesteenweg 62. Indienen van de schuldvorderingen : vóór 5 april 2000, ter griffie van de rechtbank van koophandel, Voochtstraat 7, te 2800 Mechelen. Proces-verbaal van nazicht van de schuldvorderingen : 17 april 2000, om 9 uur, op de rechtbank van koophandel te Mechelen. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) Mr. Eric Van hoogenbemt. (Pro deo) (5272) Bij vonnis gewezen door de rechtbank van koophandel te Mechelen, op 6 maart 2000, werd het faillissement van de N.V. Metex, in veref fening (voorheen N.V. Honimex), met zetel te Lier, Leuvensevest 3, H.R. Mechelen X/9365, gesloten. De gefailleerde werd niet verschoonbaar verklaard. Voor eensluidend uittreksel : de curator, (get.) Willy Vets. (5273) Belgisch Staatsblad, Leuvenseweg 40-42, 1000 Brussel. − Moniteur belge, rue de Louvain 40-42, 1000 Bruxelles. Adviseur/conseiller : A. VAN DAMME 7444 BELGISCH STAATSBLAD — 11.03.2000 — MONITEUR BELGE