تخطَّ إلى المحتوى
Nelum
قوانين بلجيكا

Arrêté du Gouvernement wallon relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit

صدر في 2010-07-01 · النص بتاريخ 2026-10-01

القانون العام والإرشادات الرسمية منشورة بوصفها أبحاثاً. ليست مشورة قانونية أو ضريبية أو مالية.

البحث نفسه مكتوب بالإنجليزية. العناوين والوسوم مترجمة؛ أما النتائج والاقتباسات فغير مترجمة.

عن هذا القانون

اللغة
French
النوع
لائحة
الدولة
بلجيكا · Wallonie
الموضوعات
Air and atmosphere
الكلمات المفتاحية
pollution control, noise pollution

أين تقرؤه

    لا يوجد رابط مصدر مسجل لهذا القانون.

النص

نص القانون نفسه، مادةً مادة، كما هو محفوظ. لكل مادة رابطها.

  1. 180e JAARGANG 180e ANNEEN. 249 DINSDAG 17 AUGUSTUS 2010 MARDI 17 AOUT 2010 INHOUD Wetten, decreten, ordonnanties en verordeningen Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken 29 JUNI 2007. — Gecoördineerde wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood. Officieuze coördinatie in het Duits, bl. 53259. Föderaler Öffentlicher Dienst Inneres 29. JUNI 2007 — Koordiniertes Gesetz zur Vereinheitlichung und Harmonisierung der im Rahmen der Gesetze über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod eingeführten Kapitalisierungssysteme. Inoffizielle Koordinierung in deutscher Sprache, S. 53259. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend worden verklaard : 1) de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector; 2) de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verlonings systeem in de sector, bl. 53261. SOMMAIRE Lois, décrets, ordonnances et règlements Service public fédéral Intérieur 29 JUIN 2007. — Loi coordonnée réalisant l’unification et l’harmoni sation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l’assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré. Coordination officieuse en langue allemande, p. 53259. Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoires : 1) la convention collective de travail du 3 juillet 2008, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, fixant le système de rémunération dans le secteur; 2) la convention collective de travail du 23 avril 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, modifiant la convention collective de travail du 3 juillet 2008 fixant le système de rémunération dans le secteur, p. 53261. 224 bladzijden/pages BELGISCH STAATSBLAD MONITEUR BELGE Publicatie overeenkomstig artikelen 472 tot 478 van de programmawet van 24 december 2002, gewijzigd door de artikelen 4 tot en met 8 van de wet houdende diverse bepalingen van 20 juli 2005. Le Moniteur belge peut être consulté à l’adresse : www.moniteur.be Bestuur van het Belgisch Staatsblad, Leuvenseweg 40-42, 1000 Brussel - Adviseur : A. Van Damme Gratis tel. nummer : 0800-98 809 Publication conforme aux articles 472 à 478 de la loi-programme du 24 décembre 2002, modifiés par les articles 4 à 8 de la loi portant des dispositions diverses du 20 juillet 2005. Dit Belgisch Staatsblad kan geconsulteerd worden op : www.staatsblad.be Direction du Moniteur belge, rue de Louvain 40-42, 1000 Bruxelles - Conseiller : A. Van Damme Numéro tél. gratuit : 0800-98 809 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend worden verklaard : a) de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden; b) de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden, bl. 53267. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek, betreffende het brugpensioen, bl. 53281. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten, bl. 53283. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten, bl. 53284. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten van de werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen van goederen vervoer ten lande voor rekening van derden en/of van goederen behandeling voor rekening van derden, bl. 53286. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 septem ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende vorming in de sector taxi’s en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, bl. 53291. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 septem ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de anciënniteitspremie voor de auto bestuurders tewerkgesteld in de sector taxi’s, bl. 53292. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging, bl. 53294. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedings nijverheid, betreffende het brugpensioen voor de bedienden in de voedingsnijverheid, bl. 53301. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 novem ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 3 van 5 novem ber 2003 tot bepaling van de bijdragen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsindustrie, bl. 53303. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de ecocheques, bl. 53305. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de deeltijdse arbeid, bl. 53308. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoires : a) la convention collective de travail du 24 juin 2008, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, relative aux conditions de travail et de rémunération; b) la convention collective de travail du 20 mai 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, modifiant la convention collective de travail du 24 juin 2008, relative aux conditions de travail et de rémunération, p. 53267. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 2 février 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et de la logistique, relative à la prépension, p. 53281. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 pour le personnel roulant des exploitants de la VVM, p. 53283. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 du personnel roulant des exploitants de la VVM, p. 53284. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 4 mai 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant l’intervention patronale dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers, p. 53286. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la formation dans le secteur des taxis et des services de location de voitures avec chauffeur, p. 53291. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant la prime d’ancienneté pour les chauffeurs occupés dans le secteur des taxis, p. 53292. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 10 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, relative au statut de la délégation syndicale, p. 53294. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 9 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés de l’industrie alimentaire, relative à la prépension pour les employés de l’industrie alimentaire, p. 53301. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 12 novembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, modifiant la conven tion collective de travail n° 3 du 5 novembre 2003 fixant les cotisations pour le régime de pension complémentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire, p. 53303. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative aux éco-chèques, p. 53305. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative au travail à temps partiel, p. 53308. 53254 BELGISCH STAATSBLAD − 17.08.2010 − MONITEUR BELGE 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 okto ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector, betreffende de deeltijdse arbeid en de minimale duur van de arbeidsprestaties, bl. 53312. 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 okto ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector, betreffende de kredieturen voor syndicale vorming, bl. 53313. 30 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot vaststelling, voor de onder nemingen met als activiteit het precisiegieten volgens de verloren was techniek, gelegen in de streek van het Centrum en die onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (PC 111) ressorteren, van de voorwaarden waaronder het gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de arbeids overeenkomst voor werklieden schorst, bl. 53315. Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid 22 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Corrigendum, bl. 53316. Federale Overheidsdienst Justitie 16 JULI 2010. — Koninklijk besluit houdende wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2009, bl. 53317. Gemeenschaps- en Gewestregeringen Vlaamse Gemeenschap Vlaamse overheid 16 JULI 2010. — Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs aan centra voor volwassenenonderwijs, bl. 53319. Waals Gewest Waalse Overheidsdienst 1 JULI 2010. — Besluit van de Waalse Regering betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder, bl. 53330. 10 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma 01 van organisatieafdeling 32 en pro gramma 02 van organisatieafdeling 15 van de algemene uitgaven begroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, bl. 53344. 11 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma 01 van organisatieafdeling 32 en pro gramma 03 van organisatieafdeling 16 van de algemene uitgaven begroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, bl. 53352. 18 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma’s 02, 04 en 15 van organisatieafdeling 18 en programma 01 van organisatieafdeling 32 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, bl. 53362. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au travail à temps partiel et à la durée minimale des prestations de travail, p. 53312. 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au crédit d’heures pour la formation syndicale, p. 53313. 30 JUILLET 2010. — Arrêté royal fixant, pour les entreprises de fonderie de précision suivant la technique de la cire perdue, situées dans la région du Centre et ressortissant à la commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique (CP 111), les condi tions dans lesquelles le manque de travail résultant de causes économiques suspend l’exécution du contrat de travail d’ouvriers, p. 53315. Service public fédéral Sécurité sociale 22 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’annexe de l’arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d’assurance obligatoire soins de santé et indemnités. Corrigendum, p. 53316. Service public fédéral Justice 16 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’article 3 de l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, modifié par l’arrêté royal du 30 décembre 2009, p. 53317. Gouvernements de Communauté et de Région Communauté flamande Autorité flamande 16 JUILLET 2010. — Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l’octroi d’un financement ou subventionnement complémentaire pour l’enseignement combiné à des centres d’éducation des adultes, p. 53320. Région wallonne Service public de Wallonie 1er JUILLET 2010. — Arrêté du Gouvernement wallon relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit, p. 53321. 10 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre le programme 01 de la division organique 32 et le programme 02 de la division organique 15 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, p. 53344. 11 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre le programme 01 de la division organique 32 et le programme 03 de la division organique 16 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, p. 53348. 18 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre les programmes 02, 04 et 15 de la division organique 18 et le programme 01 de la division organique 32 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, p. 53354. 53255BELGISCH STAATSBLAD − 17.08.2010 − MONITEUR BELGE Gemeinschafts- und Regionalregierungen Wallonische Region Öffentlicher Dienst der Wallonie 1. JULI 2010 — Erlass der Wallonischen Regierung über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm, S. 53325. 10. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen dem Programm 01 des Organisationsbereichs 32 und dem Programm 02 des Organisationsbereichs 15 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplans der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, S. 53339. 11. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen dem Programm 01 des Organisationsbereichs 32 und dem Programm 03 des Organisationsbereichs 16 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplans der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, S. 53350. 18. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen den Programmen 02, 04 und 15 des Organisationsbereichs 18 und dem Programm 01 des Organisationsbereichs 32 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, S. 53358. Andere besluiten Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Carrière Hoofdbestuur. Ontslag, bl. 53366. Federale Overheidsdienst Financiën Nationale Orden. Bevorderingen. Benoemingen, bl. 53366. Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Erkenning van de opleidingscentra, bl. 53369. — Mobiliteit en Verkeersveiligheid. Erkenning van de opleidingscentra, bl. 53370. Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg 30 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 maart 2008 tot benoeming van de leden van het algemeen beheersorgaan en van de bijzondere beheerscomités van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector, bl. 53370. Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen. Besluiten betref fende de leden van de paritaire comités, bl. 53371. Federale Overheidsdienst Justitie Rechterlijke Orde. Gerechtsdeurwaarders, bl. 53376. Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie 5 AUGUSTUS 2010. — Ministerieel besluit tot aanstelling van de ambtenaren die belast zijn met de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, bl. 53377. Gemeenschaps- en Gewestregeringen Vlaamse Gemeenschap Vlaamse overheid Onderwijs en Vorming Hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 1996 betreffende de afwijking inzake tewerkstelling van sommige personeelsleden van het Centraal Fonds, bl. 53377. Leefmilieu, Natuur en Energie 23 JULI 2010. — Beslissing van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt van 23 juli 2010 met betrekking tot het verlenen van toestemming aan de netbeheerder PBE om een beroep te doen op de werkmaatschappij Infrax CVBA, bl. 53377. Autres arrêtés Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopé ration au Développement Carrière de l’Administration centrale. Démission, p. 53366. Service public fédéral Finances Ordres nationaux. Promotions. Nominations, p. 53366. Service public fédéral Mobilité et Transports Mobilité et Sécurité routière. Agrément des centres de formation, p. 53369. — Mobilité et Sécurité routière. Agrément des centres de formation, p. 53370. Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale 30 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 10 mars 2008 nommant les membres de l’organe de gestion général et des comités de gestion spéciaux du Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant, p. 53370. Direction générale Relations collectives de travail. Arrêtés concer nant les membres des commissions paritaires, p. 53371. Service public fédéral Justice Ordre judiciaire. Huissier de justice, p. 53376. Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie 5 AOUT 2010. — Arrêté ministériel désignant les agents chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 30 juin 1994 relative au droit d’auteur et aux droits voisins, p. 53377. Gouvernements de Communauté et de Région 53256 BELGISCH STAATSBLAD − 17.08.2010 − MONITEUR BELGE Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Provincie Vlaams-Brabant. Provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, bl. 53378. Brussels Hoofdstedelijk Gewest Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Brussels Instituut voor Milieubeheer. Registratie betreffende dierlijke bijproducten, bl. 53387. Officiële berichten Grondwettelijk Hof Uittreksel uit het arrest nr. 58/2010 van 27 mei 2010, bl. 53389. Uittreksel uit het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010, bl. 53391. Uittreksel uit het arrest nr. 62/2010 van 27 mei 2010, bl. 53399. Uittreksel uit het arrest nr. 63/2010 van 27 mei 2010, bl. 53411. Uittreksel uit het arrest nr. 64/2010 van 27 mei 2010, bl. 53413. Uittreksel uit het arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010, bl. 53419. Uittreksel uit het arrest nr. 67/2010 van 2 juni 2010, bl. 53424. Uittreksel uit het arrest nr. 71/2010 van 23 juni 2010, bl. 53428. Uittreksel uit het arrest nr. 78/2010 van 23 juni 2010, bl. 53432. Uittreksel uit het arrest nr. 84/2010 van 8 juli 2010, bl. 53436. Verfassungsgerichtshof Auszug aus dem Urteil Nr. 58/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53390. Auszug aus dem Urteil Nr. 61/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53396. Auszug aus dem Urteil Nr. 62/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53407. Auszug aus dem Urteil Nr. 63/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53412. Auszug aus dem Urteil Nr. 64/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53417. Auszug aus dem Urteil Nr. 65/2010 vom 27. Mai 2010, S. 53421. Auszug aus dem Urteil Nr. 67/2010 vom 2. Juni 2010, S. 53425. Région wallonne Service public de Wallonie Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de la SA A. Stevens & C°, en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux, p. 53378. — Direction générale opéra tionnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de la SCRL Revert Bois, en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux, p. 53380. Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Agricon », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux, p. 53381. — Direction générale opéra tionnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Ste nofer », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux, p. 53383. — Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Stelimet », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux, p. 53384. — Direction générale opéra tionnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. Office wallon des déchets. Acte procédant à l’enregistrement de M. Ortega Y Dibiase, Steve, en qualité de collecteur et de transporteur de déchets autres que dangereux, p. 53386. Région de Bruxelles-Capitale Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale Institut bruxellois pour la Gestion de l’Environnement. Enregistre ment en matière de sous-produits animaux, p. 53387. Avis officiels Cour constitutionnelle Extrait de l’arrêt n° 58/2010 du 27 mai 2010, p. 53388. Extrait de l’arrêt n° 61/2010 du 27 mai 2010, p. 53394. Extrait de l’arrêt n° 62/2010 du 27 mai 2010, p. 53403. Extrait de l’arrêt n° 63/2010 du 27 mai 2010, p. 53411. Extrait de l’arrêt n° 64/2010 du 27 mai 2010, p. 53415. Extrait de l’arrêt n° 65/2010 du 27 mai 2010, p. 53420. Extrait de l’arrêt n° 67/2010 du 2 juin 2010, p. 53423. Extrait de l’arrêt n° 71/2010 du 23 juin 2010, p. 53426. Extrait de l’arrêt n° 78/2010 du 23 juin 2010, p. 53433. Extrait de l’arrêt n° 84/2010 du 8 juillet 2010, p. 53441. 53257BELGISCH STAATSBLAD − 17.08.2010 − MONITEUR BELGE Auszug aus dem Urteil Nr. 71/2010 vom 23. Juni 2010, S. 53430. Auszug aus dem Urteil Nr. 78/2010 vom 23. Juni 2010, S. 53434. Auszug aus dem Urteil Nr. 84/2010 vom 8. Juli 2010, S. 53446. SELOR. — Selectiebureau van de Federale Overheid Werving. Uitslag, bl. 53450. Federale Overheidsdienst Justitie Wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen. Bekendmaking, bl. 53451. — Wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen. Bekendmakingen, bl. 53451. Examens waarbij de licentiaten in het notariaat in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat zij in staat zijn de voorschriften van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken na te leven. Gewone zittijd van oktober 2010, bl. 53451. Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Bureau voor Normalisatie (NBN). Publicatie ter kritiek, bl. 53452. De Wettelijke Bekendmakingen en Verschillende Berichten wor den niet opgenomen in deze inhoudsopgave en bevinden zich van bl. 53453 tot bl. 53476. SELOR. — Bureau de Sélection de l’Administration fédérale Recrutement. Résultat, p. 53450. Service public fédéral Justice Loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms. Publication, p. 53451. — Loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms. Publications, p. 53451. Examens permettant aux licenciés en notariat de justifier qu’ils sont à même de se conformer aux dispositions de la loi sur l’emploi des langues en matière judiciaire. Session ordinaire d’octobre 2010, p. 53451. Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie Bureau de Normalisation (NBN). Enquête publique, p. 53452. Les Publications légales et Avis divers ne sont pas repris dans ce sommaire mais figurent aux pages 53453 à 53476. 53258 BELGISCH STAATSBLAD − 17.08.2010 − MONITEUR BELGE WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN [C − 2010/00469]N. 2010 — 2810 29 JUNI 2007. — Gecoördineerde wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood. — Officieuze coördinatie in het Duits De hierna volgende tekst is de officieuze coördinatie in het Duits van de wet tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtij dige dood, gecoördineerd op 29 juni 2007 (Belgisch Staatsblad van 24 juli 2007), zoals ze werd gewijzigd bij : de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 10 mei 2010). Deze officieuze coördinatie in het Duits is opgemaakt door de Centrale Dienst voor Duitse vertaling in Malmedy. FÖDERALER ÖFFENTLICHER DIENST INNERES [C − 2010/00469]D. 2010 — 2810 29. JUNI 2007 — Koordiniertes Gesetz zur Vereinheitlichung und Harmonisierung der im Rahmen der Gesetze über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod eingeführten Kapitalisierungssysteme Inoffizielle Koordinierung in deutscher Sprache Der folgende Text ist die inoffizielle Koordinierung in deutscher Sprache des am 29. Juni 2007 koordinierten Gesetzes zur Vereinheitlichung und Harmonisierung der im Rahmen der Gesetze über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod eingeführten Kapitalisierungssysteme, so wie es abgeändert worden ist durch: das Gesetz vom 28. April 2010 zur Festlegung verschiedener Bestimmungen. Diese inoffizielle Koordinierung in deutscher Sprache ist von der Zentralen Dienststelle für Deutsche Übersetzun gen in Malmedy erstellt worden. FÖDERALER ÖFFENTLICHER DIENST SOZIALE SICHERHEIT 29. JUNI 2007 — Koordiniertes Gesetz zur Vereinheitlichung und Harmonisierung der im Rahmen der Gesetze über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod eingeführten Kapitalisierungssysteme KAPITEL I - Pflichteinzahlungen Artikel 1 - Vorliegendes Kapitel findet Anwendung auf die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod, was die Pflichteinzahlungen auf das Konto jeden Lohnempfängers betrifft, wobei diese Versicherung insbesondere folgenden Bestimmungen unterlag: 1. Artikel 11 des Gesetzes vom 21. Juli 1844, das die differenzierten Rechte betrifft, 2. dem Gesetz vom 5. Juni 1911 über die Altersversorgung der Bergarbeiter, 3. dem Gesetz vom 10. Dezember 1924 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod, 4. dem Gesetz vom 30. Dezember 1924 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod von Bergarbeitern, 5. dem Gesetz vom 10. März 1925 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod von Angestellten, 6. dem Gesetz vom 18. Juni 1930 zur Revision des Gesetzes vom 10. März 1925 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod von Angestellten, 7. dem Gesetz vom 14. Juli 1930 zur Revision des Gesetzes vom 10. Dezember 1924 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod, abgeändert durch das Gesetz vom 20. Juli 1927, 8. dem Gesetz vom 1. August 1930 über die Ruhestandsregelung der Bergarbeiter, 9. dem Gesetz vom 6. Juli 1931, das die Seeleute betrifft, 10. dem Königlichen Erlass vom 24. Oktober 1936 zur Abänderung und Koordinierung der Satzung der Hilfs- und Unterstützungskasse für unter belgischer Flagge fahrende Seeleute, 11. dem Königlichen Erlass vom 25. August 1937 zur Koordinierung der Gesetze über die Ruhestandsregelung der Bergarbeiter, 12. dem Gesetz vom 15. Dezember 1937 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod, 13. dem Erlass des Regenten vom 12. September 1946 zur Koordinierung der Gesetze über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod, 14. dem Erlassgesetz vom 25. Februar 1947 zur Koordinierung und Abänderung der Gesetze über die Ruhestandsregelung der Bergarbeiter und der ihnen gleichgestellten Personen, SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR [C − 2010/00469]F. 2010 — 2810 29 JUIN 2007. — Loi coordonnée réalisant l’unification et l’harmoni sation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l’assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré. Coordination officieuse en langue allemande Le texte qui suit constitue la coordination officieuse en langue allemande de la loi réalisant l’unification et l’harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l’assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnée le 29 juin 2007 (Moniteur belge du 24 juillet 2007), telle qu’elle a été modifiée par : la loi du 28 avril 2010 portant des dispositions diverses (Moniteur belge du 10 mai 2010). Cette coordination officieuse en langue allemande a été établie par le Service central de traduction allemande à Malmedy. 53259BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 15. dem Gesetz vom 12. Juli 1957 über die Ruhestands- und Hinterbliebenenpension für Angestellte, 16. dem Gesetz vom 22. Februar 1960 zur Abänderung des Gesetzes vom 12. Juli 1957 über die Ruhestands- und Hinterbliebenenpension für Angestellte. Art. 2 - Das Landespensionsamt ist mit der Anwendung des vorliegenden Kapitels beauftragt. Art. 3 - Die Altersrente setzt am ersten Tag des Monats nach dem Monat ein, in dem der betreffende Lohnempfänger das Alter von fünfundsechzig beziehungsweise sechzig Jahren erreicht, je nachdem, ob es sich um einen Mann oder eine Frau handelt. Auf Ersuchen des Versicherten kann die Altersrente frühestens jeweils am ersten Tag des Monats nach einem Geburtstag, beginnend mit dem fünfundfünfzigsten Geburtstag, einsetzen. In diesem Fall wird die Rente gemäß den vom König festgelegten Tabellen herabgesetzt. Art. 4 - Der Betrag der Altersrente wird gemäß den in Artikel 1 erwähnten Gesetzen und Erlassen festgelegt. Wenn der Betrag der Altersrente in Anbetracht der Eröffnung des Rentenanspruchs in einem anderen Alter als fünfundsechzig Jahre für einen Mann beziehungsweise sechzig Jahre für eine Frau festgelegt worden ist, wird dieser Betrag gemäß den vom König festgelegten Tabellen im Verhältnis zu einer Eröffnung des Rentenanspruchs im Alter von fünfundsechzig Jahren für einen Mann beziehungsweise sechzig Jahren für eine Frau angepasst. Art. 5 - Bei Tod eines Mannes eröffnet die Versicherung Anspruch auf eine Witwenrente in Höhe von 40 Prozent der Altersrente; diese Rente setzt am ersten Tag des Sterbemonats ein. Bei Altersunterschied zwischen den Ehepartnern wird der Betrag der Witwenrente gemäß den vom König festgelegten Tabellen angepasst. Art. 6 - § 1 - Für Alters- und Witwenrenten, die vor dem 1. Januar 1970 eingesetzt haben, wird die Höhe des Beitrags des Staates weiter gemäß den in Artikel 1 erwähnten Gesetzen und Erlassen festgelegt. § 2 - Die in Artikel 3 beziehungsweise 5 erwähnten Renten werden ab dem Zeitpunkt ihres Einsetzens, sofern dieser Zeitpunkt vor dem 1. Januar 1994 liegt, um einen jährlichen Beitrag des Staates, der fünfzig Prozent ihres Jahresbetrags entspricht, erhöht. Was die Altersrente betrifft, liegt der Jahreshöchstbetrag des Staatsbeitrags bei 29,75 EUR, sofern diese Rente im Alter von fünfundsechzig Jahren einsetzt; wird sie vor Erreichen dieses Alters in Anspruch genommen, wird dieser Betrag gemäß den vom König festgelegten Tabellen herabgesetzt. Was die in Artikel 5 erwähnten Renten betrifft, liegt der Jahreshöchstbetrag des Staatsbeitrags bei 11,90 EUR. Bei Altersunterschied zwischen den Ehepartnern beziehungsweise zwischen dem Versicherten und dem angegebenen Begünstigten wird der Jahreshöchstbetrag dieses Beitrags gemäß den vom König festgelegten Tabellen angepasst. Art. 7 - Die aus der Anwendung der Artikel 3 bis 6 entstehenden Lasten werden bis zum 31. Dezember 2007 vom Landespensionsamt getragen. Art. 8 - § 1 - Die in vorliegendem Kapitel erwähnten Vorteile werden in gleichen monatlichen Zwölfteln erworben und vom Landespensionsamt ausgezahlt. Der König bestimmt Bedingungen, Modalitäten und Häufigkeit für die Auszahlung der Leistungen, die aus den Einzahlungen resultieren, die im Rahmen der in den koordinierten Gesetzen über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod geregelten freiwilligen Versicherung getätigt worden sind, und für die Auszahlung der in Absatz 1 erwähnten Vorteile, einschließlich des Staatsbeitrags. § 2 - Nachdem der Rentenbetrag gemäß den geltenden Bestimmungen festgelegt worden ist, wird der Betrag der zum ersten Mal frühestens am 1. Juli 1997 ausgezahlten Renten gemäß den Tabellen in der Anlage zu vorliegendem Gesetz bestimmt. § 3 - Renten, die tatsächlich und zum ersten Mal frühestens am 1. Januar 2001 einsetzen, werden ungeachtet anderslautender Bestimmungen durch eine Einmalauszahlung, die dem Barwert der Rente entspricht, ausgeschüttet. Art. 9 - [...] [Art. 9 aufgehoben durch Art. 131 des G. vom 28. April 2010 (B.S. vom 10. Mai 2010)] Art. 10 - Der König legt die Modalitäten für das Einreichen von Anträgen fest. KAPITEL II - Ergänzende und zusätzliche Einzahlungen Art. 11 - Vorliegendes Kapitel findet Anwendung: 1. auf die Verwaltung der ergänzenden Einzahlungen, die vor dem 1. Juli 1957 gemäß den Bestimmungen des Gesetzes vom 18. Juni 1930 über die Versicherung im Hinblick auf das Alter und den vorzeitigen Tod von Angestellten und zwischen dem 1. Juli 1957 und dem 31. Dezember 1959 gemäß Artikel 22 § 6 des Gesetzes vom 12. Juli 1957 über die Ruhestands- und Hinterbliebenenpension für Angestellte, wie eingefügt durch das Gesetz vom 18. Februar 1959, getätigt worden sind, 2. auf die Verwaltung der zusätzlichen Einzahlungen, die ab dem 1. Januar 1960 gemäß Artikel 22 § 6 des vorerwähnten Gesetzes vom 12. Juli 1957, wie er nach Abänderung durch das Gesetz vom 22. Februar 1960, aber vor Abänderung durch den Königlichen Erlass Nr. 50 vom 24. Oktober 1967 lautete, getätigt worden sind. Art. 12 - Die Deckungsrückstellungen für die am 1. Januar 1968 laufenden Versicherungen werden im Rahmen der in Artikel 11 erwähnten Verwaltung für den Aufbau der außergesetzlichen Vorteile verwendet, die in Artikel 22 des Gesetzes vom 12. Juli 1957 über die Ruhestands- und Hinterbliebenenpension für Angestellte, abgeändert durch den Königlichen Erlass Nr. 50 vom 24. Oktober 1967, vorgesehen sind. Art. 13 - Altersrenten, die vor dem 1. Januar 1968 im Rahmen der in Artikel 11 erwähnten Verwaltung eingesetzt haben, werden von der Einrichtung zur Verwaltung der vorerwähnten außergesetzlichen Vorteile ausgezahlt; die Deckungsrückstellungen für diese Renten werden gemäß den vom König festgelegten Tabellen berechnet. Witwenrenten, die vor dem 1. Januar 1968 im Rahmen der in Artikel 11 erwähnten Verwaltung eingesetzt haben, werden von der Einrichtung zur Verwaltung der vorerwähnten außergesetzlichen Vorteile ausgezahlt; die Deckungs rückstellungen im Verhältnis zu diesen Renten werden gemäß den vom König festgelegten Tabellen berechnet. 53260 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 14 - Für Renten, die den laufenden, gemäß den Bestimmungen von Artikel 12 umgewandelten Versicherun gen entsprechen, und in Artikel 13 erwähnte Alters- und Witwenrenten wird davon ausgegangen, dass sie in Ausführung von Artikel 22 des Gesetzes vom 12. Juli 1957, abgeändert durch den Königlichen Erlass Nr. 50 vom 24. Oktober 1967, gebildet worden sind. Art. 15 - Der König legt die Modalitäten für die Ausführung des vorliegenden Kapitels fest. ANLAGE — Tabellen für die Anpassung der auszuzahlenden Rente an eine höhere Lebenserwartung I. Männer Alter Alter Wert Neuer Wert Verhältnis 55 14,4189 22,10147 65,24% 56 14,0966 21,71739 64,91% 57 13,7716 21,32222 64,59% 58 13,4443 20,91584 64,28% 59 13,1142 20,49817 63,98% 60 12,7814 20,06922 63,69% 61 12,4223 19,62894 63,29% 62 12,0622 19,17740 62,90% 63 11,7016 18,71469 62,63% 64 11,3409 18,24098 62,17% 65 und älter 10,9809 17,75649 61,84% II. Frauen und Witwen Alter Alter Wert Neuer Wert Verhältnis 55 und jünger 15,0577 17,71855 84,97% 56 14,7022 17,42557 84,37% 57 14,3426 17,12495 83,75% 58 13,9772 16,81676 83,11% 59 13,6066 16,50107 82,46% 60 13,2313 16,17800 81,79% 61 12,8525 15,84771 81,10% 62 12,4696 15,51038 80,40% 63 12,0838 15,18623 79,68% 64 11,6958 14,81559 78,94% 65 und älter 11,5063 14,45857 78,20% * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2010/12174]N. 2010 — 2811 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend worden verklaard : 1) de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire lenin gen, sparen en kapitalisatie, tot vaststelling van het verlonings systeem in de sector; 2) de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2010/12174]F. 2010 — 2811 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoires : 1) la convention collective de travail du 3 juillet 2008, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécai res, d’épargne et de capitalisation, fixant le système de rémunéra tion dans le secteur; 2) la convention collective de travail du 23 avril 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécai res, d’épargne et de capitalisation, modifiant la convention collec tive de travail du 3 juillet 2008 fixant le système de rémunération dans le secteur (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; 53261BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie; Op de voordracht van De Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend worden verklaard : 1) de als bijlage 1 overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector; 2) de als bijlage 2 overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage 1 Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie Collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 Vaststelling van het verloningssysteem in de sector (Overeenkomst geregistreerd op 25 juli 2008 onder het nummer 88952/CO/308) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten in uitvoering van artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 2007 betreffende loonbeleid en heeft de bedoeling om een nieuw baremiek verloningssysteem uit te werken dat op 1 januari 2009 in werking zal treden. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers welke tot het bevoegdheidsgebied van het paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie behoren en dit toepassingsgebied is hetzelfde als dat van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 februari 1979 tot vaststelling van de arbeids- en loonvoorwaarden. HOOFDSTUK II. — Verloningssysteem Sectie 1. — Ervaringsbarema Art. 2. De minimum maandlonen van toepassing op de in artikel 1 bedoelde personeelsleden, worden op 1 januari 2009 vastgesteld volgens het bij deze collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen ervaringsbarema. Dit ervaringsbarema bepaalt de minimumlonen in elke categorie van het uitvoerend personeel en inspecteurs volgens de ervaring die de werknemer heeft. Het ervaringsbarema zal in bijlage aan deze overeenkomst worden gevoegd. Sectie 2. — Aanvangslonen Art. 3. § 1. De aanvangslonen zijn de lonen die in het ervarings barema worden voorzien voor ″0″ ervaringsjaren. § 2. Voor de categorieën 1 tot 4 van het uitvoerend personeel wordt het aanvangsloon vastgesteld op niveau ″3″ van de ervaringsbarema, rekening houdend met een voltooide opleiding van het niveau ″bachelor″. Vu la demande de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Sont rendues obligatoires : 1) la convention collective de travail du 3 juillet 2008, reprise en annexe 1ère, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, fixant le système de rémunération dans le secteur; 2) la convention collective de travail du 23 avril 2009, reprise en annexe 2, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, modifiant la convention collective de travail du 3 juillet 2008 fixant le système de rémunération dans le secteur. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe 1re Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation Convention collective de travail du 3 juillet 2008 Fixation du système de rémunération dans le secteur (Convention enregistrée le 25 juillet 2008 sous le numéro 88952/CO/308) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail est conclue en exécution de l’article 6 de la convention collective de travail du 28 juin 2007 visant la politique salariale et a pour objectif de réaliser un nouveau système barémique de rémunération entrant en vigueur le 1er janvier 2009. Cette convention collective de travail est d’application pour les employeurs et les travailleurs des entreprises relevant de la compétence de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation et son champ d’application est identique à celui visé par la convention collective de travail du 20 février 1979 relative aux conditions de travail et de rémunération. CHAPITRE II. — Système de rémunération Section 1re. — Barème d’expérience Art. 2. Les rémunérations mensuelles minimums applicables aux membres du personnel visés à l’article 1er sont fixées selon le barème d’expérience repris dans la présente convention collective de travail. Ce barème d’expérience détermine les rémunérations minimums dans chaque catégorie de personnel d’exécution ou d’inspecteurs en fonction de l’expérience du travailleur. Le barème d’expérience sera joint en annexe de la présente conven tion. Section 2. — Rémunérations de départ Art. 3. § 1er. Les rémunérations de départ sont les rémunérations prévues dans le barème d’expérience pour ″0″ année d’expérience. § 2. Pour les catégories 1 à 4 du personnel d’exécution, la rémunération de départ est fixée au niveau ″3″ du barème d’expérience en tenant compte d’une formation réussie de niveau ″bachelor″. 53262 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Indien de werknemer niet over een dergelijke opleiding beschikt, is het ervaringsniveau ″0″ van toepassing. § 3. Voor de categorieën inspecteurs wordt het aanvangsloon vastgesteld op minimum niveau ″4″ van het ervaringsbarema, rekening houdend met een voltooide opleiding van het niveau ″master″. Indien de werknemer niet over een dergelijke opleiding beschikt, wordt niveau ″3″ toegepast als de opleiding van het niveau ″bachelor″ is, zoniet is het ervaringsniveau ″0″ van toepassing. Indien het behaalde masterdiploma normaal een langere studiepe riode dan 4 jaren betreft, wordt daar eveneens rekening mee gehouden en wel zo dat elk bijkomend afgewerkt opleidingsjaar recht geeft op een bijkomend ervaringsjaar, met een maximum van 7 jaren. § 4. Voor werknemers die geen houder zijn van een bachelor- of masterdiploma, wordt beroepsopleiding die aanleiding geeft tot een diploma en/of een getuigschrift in aanmerking genomen voor de aanrekening van ervaringsjaren en dit met een maximum van 3 jaar. § 5. Voor de aanrekening van ervaringsjaren is geen cumul mogelijk tussen studieperiodes en andere ervaringsperiodes. § 6. In geval een werknemer bij de aanwerving al over ervaring beschikt, kan deze volgens de bepalingen van artikel 5 in aanmerking worden genomen. Sectie 3. — De evolutie van de lonen in functie van de ervaring Art. 4. Vanaf het aanvangsloon verhogen de minimum maandlonen naar gelang de ervaring van de werknemer toeneemt, en volgens het schema dat in de ervaringsbarema is bepaald. Art. 5. § 1. Onder ″ervaring″ wordt verstaan : de uitoefening van de beroepsactiviteit bij de werkgever waar hij wordt aangeworven. Voor de toekenning van ervaringsjaren wordt geen onderscheid gemaakt tussen voltijdse of deeltijdse prestaties. § 2. Wordt met ervaring, zoals bedoeld in § 1, gelijkgesteld : de beroepservaring verworven in een andere onderneming; elke ervaring in een professioneel milieu (zoals zelfstandige, statutair ambtenaar, interim en stage); ervaring opgedaan in vrijwilligerswerk met een maximum van vijf jaren. § 3. Volgende schorsingen van de arbeidsovereenkomst bij de huidige werkgever welke gepaard gaan met een vervangingsinkomen, worden gelijkgesteld met beroepservaring zoals bedoeld in § 1 : a) de periodes van deeltijdse schorsing wegens tijdskrediet, thema tische verloven en arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in de wetge ving terzake; b) de periodes van voltijdse schorsing wegens, ziekte, arbeidsongeval en beroepsziekte, zoals bedoeld in de wetgeving terzake; c) de periodes van voltijdse schorsing wegens thematische verloven inclusief tijdskrediet om thematische redenen, zoals bedoeld in de wetgeving terzake, met een maximum van 3 jaar; d) de andere periodes van voltijdse schorsing wegens tijdskrediet met een maximum van 1 jaar. § 4. De periodes van uitkeringsgerechtigde werkloosheid worden gelijkgesteld met beroepservaring met een maximum van 3 jaren. § 5. Voor de aanrekening van professionele ervaring mag geen enkele gelijkstellingsperiode gecumuleerd worden met een periode van beroeps activiteit of met een andere gelijkstellingsperiode. Art. 6. De toekenning van de loonsverhogingen volgens de ervarings barema is afhankelijk van het feit dat de beroepservaring met twaalf maanden toegenomen is sedert de aanwerving of in voorkomend geval, sinds de laatste loonsverhoging ingevolge de ervaringstoename. Als de werknemer zich in een fase van het ervaringsbarema bevindt waar een loonsverhoging pas wordt toegekend na een toename van de ervaring met twee jaren, is dit vierentwintig maanden in plaats van twaalf maanden. Sectie 4. — Koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen Art. 7. De bedragen van het ervaringsbarema worden gekoppeld aan de evolutie van de gezondheidsindex dat maandelijks wordt vastge steld door de bevoegde federale overheidsdienst. De aanpassing vindt om de twee maanden plaats met een percentage dat gelijk is aan de procentuele wijziging van het 4mg (*) van de voorafgaande maand, vergeleken met het 4mg (*) van de derde maand voorafgaand aan de aanpassing. Si le travailleur n’atteint pas un tel niveau de formation, le niveau d’expérience ″0″ est d’application. § 3. Pour les catégories inspecteurs la rémunération de départ est fixée au minimum au niveau ″4″ du barème d’expérience en tenant compte d’une formation réussie de niveau ″master″. Si le travailleur n’atteint pas un tel niveau de formation, le niveau d’expérience ″3″ est d’application, si la formation est du niveau ″bachelor″. Sinon, le niveau d’expérience ″0″ est d’application. Lorsque le diplôme obtenu de niveau ″master″ requiert une durée normale d’étude supérieure à 4 ans, il est alors tenu compte de cette durée normale d’étude, chaque année de formation complémentaire achevée donne droit à une année d’expérience supplémentaire avec un maximum de 7 années. § 4. Pour les travailleurs qui ne sont pas détenteurs d’un diplôme/certificat de bachelier ou de master, la formation profession nelle qui est sanctionnée par un diplôme ou certificat est prise en considération dans les années d’expérience et ceci avec un maximum de 3 années. § 5. Pour l’acquisition des années d’expérience, aucun cumul n’est possible entre les périodes d’étude et d’autres périodes d’expérience. § 6. Si le travailleur a déjà acquis de l’expérience au moment de son recrutement, celle-ci peut être prise en considération selon les disposi tions visées à l’article 5. Section 3. — Evolution des rémunérations selon l’expérience Art. 4. Partant de la rémunération de départ, les rémunérations mensuelles minimums augmentent dans la mesure où l’expérience du travailleur s’accroît, selon le schéma précisé dans le barème d’expé rience. Art. 5. § 1er. Par ″expérience″, on entend : l’exercice de l’activité professionnelle chez l’employeur chez qui le travailleur a été engagé. Aucune distinction n’est établie entre les prestations à temps plein ou à temps partiel pour l’octroi des années d’expérience. § 2. Est assimilée à l’expérience telle que visée au § 1er : l’expérience professionnelle acquise dans une autre entreprise; toute expérience dans un milieu professionnel (tels que indépen dant, fonctionnaire sous statut, intérimaire ou stagiaire); expérience acquise dans le volontariat avec un maximum de cinq ans. § 3. Sont assimilées à l’expérience professionnelle telle que visée au § 1er, les suspensions suivantes du contrat de travail chez l’employeur actuel, assorties d’un revenu de remplacement : a) les périodes de suspension partielle pour crédit-temps, les congés thématiques et incapacité de travail telles que visées dans la réglemen tation en la matière; b) les périodes de suspension complète pour maladie, accident de travail et maladie professionnelle, telles que visées dans la réglemen tation en la matière; c) les périodes de suspension complète pour congés thématiques, y inclus les crédits-temps pour des raisons thématiques, tels que visés dans la réglementation en la matière, avec un maximum de 3 ans; d) les autres périodes de suspension complète pour crédit-temps avec un maximum d’un an. § 4. Les périodes de chômage complet indemnisé sont assimilées à l’expérience professionnelle avec un maximum de 3 ans. § 5. Pour l’acquisition de l’expérience professionnelle, aucune période d’assimilation ne peut être cumulée avec une période d’activité professionnelle ou une autre période d’assimilation. Art. 6. L’octroi d’augmentations salariales en application du barème d’expérience dépend de l’accroissement de l’expérience professionnelle de douze mois depuis le recrutement ou, le cas échéant, depuis la dernière augmentation salariale résultant d’un accroissement de l’expé rience. Lorsque le travailleur se situe dans une phase du barème d’expé rience dans laquelle une augmentation salariale n’est octroyée qu’après l’accroissement de deux années de l’expérience, ce délai est de vingt-quatre mois au lieu de douze mois. Section 4. — Rattachement à l’indice des prix à la consommation Art. 7. Les montants repris dans le barème d’expérience sont rattachés à l’indice-santé, établi mensuellement par l’autorité fédérale compétente. L’adaptation a lieu tous les deux mois, à concurrence d’un pourcen tage égal à l’évolution exprimée en pourcentage de la 4mm (*) pour le mois qui précède, par rapport à la 4mm (*) pour le troisième mois précédant l’adaptation. 53263BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Voorbeeld : 4mg (*) april 2008 x loonschaal april 2008 = loonschaal mei 2008 4mg (*) februari 2008 De aanpassing bedoeld in het vorige lid gebeurt voor de eerste keer op 1 maart 2009. (*) = het rekenkundig gemiddelde van de gezondheidsindexcijfers van de laatste vier maanden HOOFDSTUK III. — Slot- en overgangsbepalingen Art. 8. § 1. Voor de personeelsleden die in dienst zijn op 31 decem ber 2008, zal - in afwijking van wat voorafgaat - vanaf 1 januari 2009 het aantal jaren ervaring dat voor hen voor het verleden in aanmerking zal genomen worden, gelijk zijn aan het aantal jaren dat in het ervarings barema overeenstemt met het cijfer dat op hen van toepassing was op 31 december 2008 (maar geïndexeerd per 1 januari 2009). § 2. De eerste verhoging binnen een zelfde categorie na 2008 gaat in de eerste dag van de twaalfde maand welke volgt op de laatste baremieke verhoging die het sectoraal minimumloon van de betrokken werknemer in 2008 onderging, of, voor die werknemers die zich in een fase van het ervaringsbarema bevinden waar slechts om de twee jaar een baremieke verhoging van het baremaloon voorzien is, de eerste dag van de vierentwintigste maand welke volgt op de laatste baremieke verhoging die het sectoraal minimumloon van de betrokken werkne mer voor 2009 onderging. § 3. Voor de werknemers die in de loop van 2008 in dienst getreden zijn en van wie het sectoraal minimumloon in 2008 nog geen baremieke verhoging heeft ondergaan, zal de eerste verhoging na 2008 ingaan de eerste dag van de maand volgend op de verjaardag van hun indiensttreding. § 4. Daarna zullen de verhogingen telkens worden toegekend nadat de ervaring is toegenomen met twaalf maanden of vierentwintig maanden, naargelang het geval. Art. 9. De sociale partners engageren zich om met absolute prioriteit, en ten laatste op 31 oktober 2008 : de bestaande diverse sectorale conventionele bepalingen inzake het loonsysteem te onderzoeken; en te beslissen in welke mate deze dienen behouden te worden, gewijzigd of opgeheven. Art. 10. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2009. Zij is gesloten voor onbepaalde duur en kan opgezegd worden door een van de partijen, mits naleving van een opzeggingstermijn van drie maanden, die ten vroegste op 1 oktober 2009 kan ingaan. Deze opzegging wordt gericht aan de voorzitter van het Paritair comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie bij een ter post aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Bijlage bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector — Annexe à la convention collective de travail du 3 juillet 2008, conclue au sein de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, fixant le système de rémunération dans le secteur Beroepservaring/ Expérience professionnelle Uitvoerend personeel/ Personnel d’exécution Inspecteurs Inspecteurs Kapitalisatiemaatschappijen/ Inspecteurs Sociétés de capitalisation Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 Cat. 4 Spaarbanken/ Banques d’épargne Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 1 347,94 1 422,79 1 384,25 1 458,60 0 1 419,18 1 494,07 1 571,09 1 668,04 1 698,90 1 752,24 1 752,24 1 874,30 Exemple : 4mm (*) avril 2008 x éch.barémique avril 2008 = éch. barém. mai 2008 4mm (*) février 2008 L’adaptation visée à l’alinéa précédent est appliquée pour la première fois le 1er mars 2009. (*) = la moyenne arithmétique de l’indice santé des quatre mois précédents CHAPITRE III. — Dispositions finales et transitoires Art. 8. § 1er. Pour les membres du personnel en service au 31 décembre 2008, et par dérogation à ce qui précède, le nombre d’années d’expérience pris en considération pour le passé à partir du 1er janvier 2009 sera équivalent au nombre d’années qui, dans le barème d’expérience, correspond au montant qui leur était applicable au 31 décembre 2008 (mais indexé au 1er janvier 2009). § 2. La première augmentation dans une même catégorie après 2008 aura lieu le premier jour du douzième mois qui suit la dernière augmentation barémique appliquée en 2008 à la rémunération secto rielle minimum du travailleur concerné. Pour les travailleurs qui se situent dans une phase du barème d’expérience durant laquelle l’augmentation barémique n’a lieu que tous les deux ans, la première augmentation aura lieu le premier jour du vingt-quatrième mois qui suit la dernière augmentation barémique appliquée avant 2009 à la rémunération sectorielle minimum du travailleur concerné. § 3. Pour les travailleurs entrés en service dans le courant de 2008 et à qui aucune augmentation barémique n’a encore été octroyée en 2008 par rapport à la rémunération sectorielle minimum, la première augmentation après 2008 aura lieu le premier jour du mois suivant l’anniversaire de leur entrée en service. § 4. Ensuite, les augmentations auront chaque fois lieu après que l’expérience ait crû respectivement de douze ou de vingt-quatre mois. Art. 9. Les partenaires sociaux s’engagent à donner la priorité absolue, et ce au plus tard pour le 31 octobre 2008 : à examiner les diverses dispositions sectorielles conventionnelles existantes concernant le système de rémunération; à décider dans quelle mesure celles-ci doivent être maintenues, modifiées ou supprimées. Art. 10. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 2009. Elle est conclue pour une durée indéterminée et peut être dénoncée par l’une des parties, moyennant un préavis de trois mois qui ne peut prendre cours avant le 1er octobre 2009. La dénonciation est adressée au président de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation par lettre recommandée à la poste. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET 53264 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Beroepservaring/ Expérience professionnelle Uitvoerend personeel/ Personnel d’exécution Inspecteurs Inspecteurs Kapitalisatiemaatschappijen/ Inspecteurs Sociétés de capitalisation Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 Cat. 4 Spaarbanken/ Banques d’épargne Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 1 1 453,43 1 529,45 1 622,75 1 713,13 1 742,46 1 797,17 1 797,17 1 922,36 2 1 486,48 1 565,17 1 660,74 1 758,21 1 787,14 1 843,25 1 843,25 1 971,65 3 1 519,98 1 601,01 1 698,48 1 803,29 1 832,96 1 890,51 1 890,51 2 022,20 4 1 551,36 1 627,38 1 719,45 1 824,04 1 880,53 1 939,70 1 939,70 2 075,00 5 1 583,50 1 661,45 1 740,00 1 844,24 1 927,48 1 988,24 1 988,24 2 126,84 6 1 614,76 1 696,29 1 760,61 1 865,07 1 974,77 2 037,35 2 037,35 2 180,15 7 1 646,33 1 730,82 1 805,71 1 885,88 2 022,00 2 086,34 2 086,34 2 232,44 8 1 678,33 1 765,04 1 853,00 1 911,25 2 081,54 2 150,77 2 150,77 2 308,58 9 1 709,82 1 799,11 1 900,23 1 962,78 2 119,37 2 199,59 2 209,62 2 376,04 10 1 741,79 1 834,98 1 947,52 2 015,10 2 157,25 2 248,84 2 268,76 2 444,19 11 1 773,34 1 870,79 1 995,23 2 066,53 2 195,27 2 298,01 2 327,82 2 512,03 12 1 804,65 1 906,85 2 042,32 2 118,37 2 233,21 2 347,48 2 386,42 2 580,83 13 1 837,51 1 942,51 2 089,61 2 170,49 2 271,75 2 396,39 2 446,01 2 648,24 14 1 851,01 1 978,52 2 136,96 2 222,33 2 309,54 2 446,01 2 505,07 2 716,53 15 1 864,48 1 999,81 2 184,27 2 274,25 2 347,37 2 495,06 2 564,12 2 784,54 16 1 877,38 2 021,69 2 231,25 2 326,08 2 385,22 2 544,37 2 622,75 2 852,23 17 1 890,48 2 043,40 2 263,14 2 377,92 2 423,50 2 593,51 2 682,46 2 920,49 18 1 903,92 2 065,11 2 294,20 2 429,61 2 461,39 2 642,90 2 741,57 2 988,61 19 1 917,53 2 086,20 2 326,14 2 464,43 2 499,50 2 691,89 2 799,97 3 056,25 20 1 930,52 2 107,86 2 357,34 2 498,93 2 537,80 2 741,57 2 859,34 3 124,60 21 1 943,71 2 129,20 2 389,09 2 533,71 2 575,63 2 790,22 2 918,62 3 192,80 22 1 957,07 2 151,08 2 420,18 2 568,18 2 613,34 2 839,87 2 977,47 3 260,75 23 1 970,19 2 172,48 2 451,95 2 602,66 2 651,68 2 888,89 3 036,61 3 329,16 24 1 970,19 2 193,88 2 483,87 2 637,19 2 689,50 2 938,08 3 095,35 3 396,71 25 1 983,67 2 193,88 2 515,07 2 671,80 2 727,16 2 987,36 3 154,92 3 464,97 26 1 983,67 2 215,48 2 546,81 2 706,47 2 765,07 3 036,61 3 213,58 3 533,03 27 1 996,85 2 215,48 2 546,81 2 741,37 2 803,29 3 085,86 3 272,89 3 601,30 28 1 996,85 2 237,50 2 577,82 2 775,61 2 841,35 3 134,69 3 332,06 3 668,68 29 2 009,87 2 237,50 2 577,82 2 775,61 2 841,35 3 134,69 3 332,06 3 668,68 30 2 009,87 2 258,53 2 609,70 2 810,51 2 879,29 3 183,82 3 390,74 3 736,63 31 2 023,37 2 258,53 2 609,70 2 810,51 32 2 023,37 2 280,42 2 641,08 2 844,90 33 2 036,30 2 280,42 2 641,08 2 844,90 34 2 036,30 2 301,99 2 672,77 2 879,54 35 2 049,14 2 301,99 2 672,77 2 879,54 36 2 049,14 2 323,90 2 704,11 2 913,87 37 2 059,43 2 323,90 2 704,11 2 913,87 38 2 059,43 2 335,52 2 735,54 2 948,54 39 2 069,75 2 335,52 2 735,54 2 948,54 40 2 069,75 2 347,20 2 749,18 2 983,41 41 2 080,06 2 347,20 2 749,18 2 983,41 42 2 080,06 2 358,94 2 762,91 2 998,33 53265BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Beroepservaring/ Expérience professionnelle Uitvoerend personeel/ Personnel d’exécution Inspecteurs Inspecteurs Kapitalisatiemaatschappijen/ Inspecteurs Sociétés de capitalisation Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 Cat. 4 Spaarbanken/ Banques d’épargne Cat. 1 Cat. 2 Cat. 3 43 2 090,43 2 358,94 2 762,91 2 998,33 44 2 090,43 2 370,73 2 776,72 3 013,34 45 2 100,89 2 370,73 2 776,72 3 013,34 46 2 100,89 2 382,64 2 790,65 3 028,40 (*) bedragen juni 2008 te verhogen met het forfait buiten barema gelijk aan 46,00 EUR ingevolge collectieve arbeidsovereenkomst van 19 september 2001 betreffende de koopkracht en onder bepaalde voorwaarden met 20,77 EUR volgens collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 2007 betreffende de koopkracht (*) montants juin 2008 à augmenter avec une somme forfaitaire hors barème égale à 46,00 EUR selon la convention collective de travail du 19 septembre 2001 relative au pouvoir d’achat et sous certaines conditions avec 20,77 EUR selon la convention collective de travail du 28 juin 2007 relative au pouvoir d’achat Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Bijlage 2 Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie Collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 2009 Wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verloningssysteem in de sector (Overeenkomst geregistreerd op 12 mei 2009 onder het nummer 92071/CO/308) Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en werknemers van de ondernemingen welke tot de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie behoren. Art. 2. Artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verloningssysteem in Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapita lisatie wordt vervangen door volgende bepaling : « Art. 5. § 1. Onder ″ervaring″ wordt verstaan : de uitoefening van de beroepsactiviteit bij de werkgever waar hij werd aangeworven. Voor de toekenning van ervaringsjaren wordt geen onderscheid gemaakt tussen voltijdse of deeltijdse prestaties. § 2. Wordt met ervaring, zoals bedoeld in § 1, gelijkgesteld : a) de beroepservaring verworven in een andere onderneming; b) elke ervaring in een professioneel milieu (zoals zelfstandige, statutair ambtenaar, interim of stage); c) ervaring opgedaan in vrijwilligerswerk, met een maximum van 5 jaren. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de beroepservaring verworven in een gelijkaardige onderneming in een andere Staat op dezelfde wijze in aanmerking genomen als de in België verworven beroepservaring. § 3. Volgende schorsingen van de arbeidsovereenkomst bij de huidige werkgever welke gepaard gaan met een vervangingsinkomen uitge keerd door een sociale zekerheidsregeling in België, of in een andere Staat, worden gelijkgesteld met beroepservaring zoals bedoeld in § 1 : a) de periodes van deeltijdse schorsing wegens tijdskrediet, thema tische verloven en arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in de wetge ving terzake; Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Annexe 2 Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation Convention collective de travail du 23 avril 2009 Modification de la convention collective de travail du 3 juillet 2008 fixant le système de rémunération dans le secteur (Convention enregistrée le 12 mai 2009 sous le numéro 92071/CO/308) Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises relevant de la compétence de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation. Art. 2. L’article 5 de la convention collective de travail du 3 juillet 2008 relative au système de rémunération dans la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation est remplacé par la disposition suivante : « Art. 5. § 1er. Par ″expérience″, on entend : l’exercice de l’activité professionnelle chez l’employeur chez qui le travailleur a été engagé. Aucune distinction n’est établie entre les prestations à temps plein ou à temps partiel pour l’octroi des années d’expérience. § 2. Est assimilée à l’expérience telle que visée au § 1er : a) l’expérience professionnelle acquise dans une autre entreprise; b) toute expérience dans un milieu professionnel (telle que indépen dant, fonctionnaire statutaire, intérimaire, ou stagiaire); c) expérience acquise dans le volontariat avec un maximum de 5 ans. Pour l’application du présent paragraphe, l’expérience profession nelle acquise dans une entreprise similaire établie dans un autre Etat est prise en considération au même titre que l’expérience professionnelle acquise en Belgique. § 3. Sont assimilées à l’expérience professionnelle telle que visée au § 1er, les suspensions suivantes du contrat de travail chez l’employeur actuel assorties d’un revenu de remplacement octroyé par un régime de sécurité sociale belge ou d’un autre Etat : a) les périodes de suspension partielle pour crédit-temps, les congés thématiques et incapacité de travail telles que visées dans la réglemen tation en la matière; 53266 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE b) de periodes van voltijdse schorsing wegens, ziekte, arbeidsongeval en beroepsziekte, zoals bedoeld in de wetgeving terzake; c) de periodes van voltijdse schorsing wegens thematische verloven inclusief tijdskrediet om thematische redenen, zoals bedoeld in de wetgeving terzake, met een maximum van 3 jaren; d) de andere periodes van voltijdse schorsing wegens tijdskrediet met een maximum van 1 jaar. § 4. De periodes van volledige werkloosheid met uitkeringen, toegekend door een sociale zekerheidsregeling in België of in een andere Staat, worden gelijkgesteld met beroepservaring met een maximum van 3 jaren. § 5. Voor de aanrekening van professionele ervaring mag geen enkele gelijkstellingsperiode gecumuleerd worden met een periode van beroeps activiteit of met een andere gelijkstellingsperiode. » Art. 3. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking met terugwerkende kracht op 1 januari 2009, datum van inwerkingtreding van de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2008 tot vaststelling van het verloningssysteem in Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie. Zij is gesloten voor onbepaalde tijd en kan opgezegd worden door een van de partijen, mits naleving van een opzeggingstermijn van drie maanden. Deze opzegging wordt gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie bij een ter post aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2010/12158]N. 2010 — 2812 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend worden verklaard : a) de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschap pen, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden; b) de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschap pen, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend worden verklaard : a) de als bijlage 1 overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen, betreffende de loon- en arbeidsvoor waarden; b) de als bijlage 2 overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen, tot wijziging van de collectieve arbeids overeenkomst van 24 juni 2008, betreffende de loon- en arbeidsvoor waarden. b) les périodes de suspension complète pour maladie, accident de travail et maladie professionnelle, telles que visées dans la réglemen tation en la matière; c) les périodes de suspension complète pour congés thématiques, y inclus les crédits-temps pour des raisons thématiques, tels que visés dans la réglementation en la matière, avec un maximum de 3 ans; d) les autres périodes de suspension complète pour crédit-temps avec un maximum d’1 an. § 4. Les périodes de chômage complet indemnisées par un régime de sécurité sociale belge ou d’un autre Etat sont assimilées à l’expérience professionnelle avec un maximum de 3 ans. § 5. Pour l’acquisition de l’expérience professionnelle, aucune période d’assimilation ne peut être cumulée avec une période d’activité professionnelle ou une autre période d’assimilation. » Art. 3. La présente convention collective de travail entre en vigueur avec effet rétroactif au 1er janvier 2009, date de l’entrée en vigueur de la convention collective de travail du 3 juillet 2008 relative au système de rémunération dans la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation. Elle est conclue pour une durée indéterminée et peut être dénoncée par l’une des parties, moyennant un préavis de trois mois. La dénonciation est adressée au président de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation par lettre recommandée à la poste. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2010/12158]F. 2010 — 2812 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoires : a) la convention collective de travail du 24 juin 2008, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, relative aux conditions de travail et de rémunération; b) la convention collective de travail du 20 mai 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, modifiant la convention collective de travail du 24 juin 2008, relative aux conditions de travail et de rémuné ration (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Sont rendues obligatoires : a) la convention collective de travail du 24 juin 2008, reprise en annexe 1ère, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, relative aux conditions de travail et de rémunération; b) la convention collective de travail du 20 mai 2009, reprise en annexe 2, conclue au sein de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, modifiant la conven tion collective de travail du 24 juin 2008, relative aux conditions de travail et de rémunération. 53267BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage 1 Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen Collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008 Loon- en arbeidsvoorwaarden (Overeenkomst geregistreerd op 16 september 2008 onder het nummer 89179/CO/307) Inleiding en motivering De Europese Richtlijn 2000 (2000/78/EG) voorziet dat de arbeids contracten van elk discriminatoir aspect moeten gezuiverd worden. Deze richtlijn is omgezet in Belgisch recht via de antidiscriminatiewet van 25 februari 2003, die het verbod op elke vorm van discriminatie voorziet op basis van geslacht, ras, filosofische of levensbeschouwelijke visie,... De sociale partners van de makelarij en verzekeringsagentschappen hebben beslist om het criterium opgebouwde competenties in te voeren als verhogingscriterium voor de loonbarema’s. De sociale partners willen vermijden dat er wat betreft salaris situaties overblijven die potentieel tegen wetgeving zouden ingaan. Men kan hierbij denken aan onderscheid man/vrouw, werkzoekenden, regionale verschillen in werkgelegenheid, enz. De sociale partners uit de sector kiezen ervoor om het criterium « leeftijd » volledig te bannen en een systeem op te bouwen dat rekening houd met « ervaring ». Opbouw van competenties wordt hierbij gezien in de ruime zin van levenservaring. Ervaring wordt beschouwd als algemene levenservaring. Ook een periode dat werknemer niet tewerkgesteld is in de sector van de verzekeringsmakelaardij of helemaal niet actief is op de arbeidsmarkt kan zorgen voor ontwikkeling van bepaalde competenties. Periodes van loopbaanonderbreking, ouderschapsverlof, onbetaald verlof, verdere studies, bekijken van andere culturen, vrijwilligerswerk, legerdienst, burgerdienst, gemeenschapsdienst, periodes al dan niet gedekt door de sociale zekerheid,worden als ervaring weerhouden. De sociale partners benadrukken dat ze door het invoeren van het begrip ervaring op geen enkel vlak voor enige (of nieuwe) discriminatie willen zorgen. Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. De wettelijke bepalingen aangaande schoolopleiding hebben eveneens de bedoeling ervoor te zorgen dat er geen discriminatie is en dat alle schoolgaande mensen een basiservaring genieten. HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen. Onder « werknemers » wordt verstaan : de mannelijke en vrouwe lijke werknemers. Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 2001 betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden, registratienummer 60643/CO/307. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe 1re Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances Convention collective de travail du 24 juin 2008 Conditions de travail et de rémunération (Convention enregistrée le 16 septembre 2008 sous le numéro 89179/CO/307) Préambule et motivation La Directive européenne de 2000 (2000/78/CE) prévoit que les contrats de travail doivent être épurés de tout aspect discriminatoire. Cette directive a été transformée en droit belge par la loi tendant à lutter contre la discrimination du 25 février 2003, qui prévoit l’interdiction de toute forme de discrimination sur la base du sexe, de la race, de la vision philosophique ou confessionnelle, Les partenaires sociaux de la Commission paritaire pour les entre prises de courtage et agences d’assurances ont décidé d’introduire le critère des compétences acquises comme critère de relèvement des barèmes salariaux. Les partenaires sociaux veulent éviter, en ce qui concerne les rémunérations, qu’il subsiste des situations potentiellement en infrac tion de la loi. — On pourrait songer à cet égard à la distinction homme/femme, à l’égard des demandeurs d’emploi, aux différences régionales en matière d’emploi etc. Les partenaires sociaux du secteur optent pour la suppression complète du critère « âge » et pour l’élaboration d’un système tenant compte de l’« expérience ». L’acquisition de compétences est vue, à cet égard, dans le sens large d’expérience de vie. L’expérience est considérée comme l’expérience de vie en général. Une période pendant laquelle le travailleur n’est pas actif dans le secteur des entreprises de courtage et agences d’assurances, ou n’est pas actif du tout sur le marché du travail, peut également donner lieu au développement de certaines compétences. Les périodes d’interruption de carrière, de congé parental, de congé sans solde, de reprise des études, d’observation d’autres cultures, de bénévolat, de service militaire, de service civil, de service communau taire, de périodes couvertes, ou non, par la sécurité sociale, sont retenues comme expérience. Les partenaires sociaux insistent sur le fait qu’en introduisant la notion d’expérience, ils ne visent d’aucune façon à introduire une quelconque (nouvelle) discrimination. La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition des compétences. Les dispositions légales en matière de formation scolaire visent également à éviter qu’il y ait discrimination et que toutes les personnes scolarisées bénéficient d’une expérience de base. CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances. On entend par « travailleurs » : les travailleurs et les travailleuses. Art. 2. La présente convention collective de travail remplace la convention collective de travail du 27 avril 2001 relative aux conditions de travail et de rémunération, numéro d’enregistrement 60643/CO/307. 53268 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De collectieve arbeidsovereenkomsten van 9 december 2003 (regis tratienummer 70343/CO/307) betreffende de koppeling van de lonen aan het gezondheidsindexcijfer, en van 22 augustus 2007 (registratienum mer 85002/CO/307) tot wijziging van de collectieve arbeidsovereen komst van 9 december 2003 betreffende de koppeling van de lonen aan het gezondheidsindexcijfer en van de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 2001 betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden, worden vervangen. HOOFDSTUK II. — Functieclassificatie Sectie 1. — Uitvoeringspersoneel Art. 3. De classificatie van het uitvoeringspersoneel van de onderne mingen voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen wordt als volgt bepaald : Categorie Studenten Studenten worden hier beschouwd als personen die nog onder de wettelijke Belgische schoolplicht vallen. Er wordt verwezen naar de wettelijke regeling voor jobstudenten. Jobstudenten die niet meer schoolplichtig zijn worden ingeschakeld in categorie 1 volgens de opgebouwde competenties. Categorie 1 Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. Normale aanvang : 3 jaar ervaring. Bedienden die ondersteunende taken of eenvoudige arbeid verrich ten. Voorbeelden : bedienden belast met de post (ontvangst, openen, summier sorteren en verzenden van briefwisseling); bedienden die fotocopies nemen; bedienden die archiveren (eenvoudig numeriek of alfabetisch klassement); telefonisten/telefonistes (enkel van een eenvoudige centrale). Categorie 2 Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. Normale aanvang : 4 jaar ervaring. Bedienden die administratieve taken verrichten, bestaande uit de uitvoering van voorbereidende werken of vrijwel identieke, gelijkaar dige of repetitieve werkzaamheden. Wanneer zij op onbekende feiten stuiten nemen zij het initiatief die aan hun mandaatgevers te melden. Voorbeelden : secretarissen/secretaressen; bedienden die eenvoudige tariferingen berekenen; bedienden belast met het opstellen van eenvoudige en gestandaar diseerde briefwisseling; telefonisten/telefonistes die, buiten de bediening van een grote telefooncentrale, ook verantwoordelijk zijn voor het onthaal van bezoekers en die eenvoudige administratieve taken uitvoeren; bedienden die een elementaire kennis bezitten van courante computerprogrammatuur (tekstverwerking/rekenblad/databank). Categorie 3 Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. Normale aanvang : 6 jaar ervaring. Bedienden voor wie voorafgaande tewerkstelling in sector of bedrijf niet noodzakelijk is. Zij zijn belast met de uitvoering van middelmatig technische taken en/of de voorbereiding en het nazicht van de taken van het personeel van de categorieën 1 en/of 2. Voorbeelden : bedienden van de boekhouding, hulpboekhouders/-houdsters; administratieve bedienden die onder andere belast zijn met : administratieve opvolging van de verzekerings-dossiers; het beantwoorden van vragen komende, hetzij van de cliënt, hetzij van de verzekeringsmaatschappijen; de samenwerking tussen de cliënt, de verzekeraars en de technische beheerders; de uitvoering en de opvolging van allerlei documenten; opstellers en tarifeerders van polissen en aanhangels; bedienden belast met de berekening en/of de invordering van premies; Les conventions collectives de travail du 9 décembre 2003 (numéro d’enregistrement 70343/CO/307) relative au rattachement des salaires à l’indice santé, et du 22 août 2007 (numéro d’enregistre ment 85002/CO/307) modifiant la convention collective de travail du 9 décembre 2003 relative au rattachement des salaires à l’indice santé et la convention collective de travail du 27 avril 2001 relative aux conditions de travail et de rémunération, sont remplacées. CHAPITRE II. — Classification de fonctions Section 1re. — Personnel d’exécution Art. 3. La classification du personnel d’exécution des entreprises de courtage et agences d’assurances est définie comme suit : Catégorie Etudiants Les étudiants sont ici considérés comme les personnes qui tombent encore sous la scolarité obligatoire selon la législation belge. Il est référé à la réglementation légale sur le travail des étudiants. Les étudiants qui ne sont plus soumis à la scolarité obligatoire sont repris en catégorie 1 selon les compétences acquises. Catégorie 1 La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Expérience normale de départ : 3 ans. Employés qui exécutent des travaux de soutien ou qui font du travail simple. Exemples : employés au courrier (réception, ouverture, tri sommaire et envoi du courrier); employés qui prennent des photocopies; employés qui archivent (simple classement numérique ou alphabé tique); téléphonistes (d’un central simple uniquement). Catégorie 2 La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Expérience normale de départ : 4 ans. Employés qui accomplissent des tâches administratives consistant en l’exécution de travaux préparatoires ou de tâches quasiment identi ques, similaires ou répétitives. Lorsqu’ils rencontrent des faits incon nus, ils prennent l’initiative de les signaler à leurs mandants. Exemples : secrétaires; employés qui calculent des tarifications simples; employés chargés de rédiger la correspondance simple et standar disée; téléphonistes qui, hormis l’utilisation d’un grand central télépho nique, s’occupent aussi de l’accueil des visiteurs et qui exécutent des tâches administratives simples; employés qui ont une connaissance élémentaire des programmes informatiques usuels (software) (traitement de texte/tableur/banque de données). Catégorie 3 La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Expérience normale de départ : 6 ans. Employés pour qui une occupation préalable dans le secteur ou l’entreprise n’est pas indispensable. Ils sont chargés de l’exécution de travaux techniques moyens et/ou de la préparation et la vérification des travaux du personnel des catégories 1 et/ou 2. Exemples : employés de comptabilité, aides-comptables; employés administratifs qui sont entre autres chargés : du suivi administratif des dossiers d’assurances; de répondre aux questions venant, soit du client, soit des compagnies d’assurances; de la collaboration entre le client, les assureurs et les gestionnaires techniques; de l’exécution et du suivi de documents de toute nature; rédacteurs et tarificateurs de polices et avenants; employés chargés du calcul et/ou du recouvrement des primes; 53269BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE bedienden belast met de regeling van gewone schadegevallen; bedienden belast met het opstellen van allerlei briefwisseling, hetzij spontaan, hetzij met summiere gegevens; tweetalige vertalers van gewone teksten; bedienden met een grondige kennis van courante computerpro grammatuur (tekstverwerking/rekenblad/databank). Categorie 4 Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. Normale aanvang : 8 jaar ervaring. Bedienden van wie voorafgaande tewerkstelling in bedrijf of sector wordt gevraagd en die beschikken over gevorderde technisch kennis die hun toelaat complexe werkzaamheden uit te voeren en analyses te maken en erover te rapporteren aan de directie. Zij zijn in staat de werkzaamheden van de bedienden van de drie vorige categorieën te superviseren. Voorbeelden : commerciële assistenten die steun bieden aan het commercieel personeel (onder andere voor de bestaande portefeuille alsook voor de uitbreiding van de cliëntenportefeuille); directiesecretarissen/-secretaressen; boekhouders/-houdsters; administratieve bedienden die onder andere belast zijn met : de administratieve opvolging van de verzekeringsdossiers; het beantwoorden van vragen komende, hetzij van de cliënt, hetzij van de verzekeringsmaatschappijen; de samenwerking tussen de cliënt, de verzekeraars en de technische beheerders; de uitvoering en de opvolging van allerlei documenten; opstellers en tarifeerders van polissen en aanhangsels; bedienden belast met de regeling van schadegevallen die initiatief en bijzondere kennis vergen; bedienden van de personeelsdienst met kennis van de wettelijke en reglementaire bepalingen van sociale aard; vertalers van ingewikkelde teksten; bedienden belast met het onthaal van cliënten om technische inlichtingen te verstrekken; informatici. Art. 4. Begrip gedane studies Begrip van de gedane studies komt slechts als beoordelingsfactor in aanmerking bij de aanvang van de loopbaan en bij ontstentenis van de andere factoren die het algemeen criterium van elke van de categorieën vormen. Art. 5. Cumulatie van functies In geval van cumulatie van functies wordt er voor de vaststelling van het loon rekening gehouden met de tijd die door de bediende aan elke van de functies wordt gewijd. Art. 6. Werklieden en werksters Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. De nachtwakers, liftjongens, loopjongens, boodschappers en bestel lers de hoedanigheid van bediende niet bezitten, genieten het mini mumloon vastgesteld voor de bedienden van de eerste categorie. Deze lijst is niet limitatief. Art. 7. Informatieplicht Elke werkgever is verplicht elke werknemer in te lichten over de functie die hij uitoefent en over de bijhorende categorie die hij bepaald heeft. Daartoe zal hij zoveel mogelijk verwijzen naar een of meer functievoorbeelden genoemd in artikel 2. Art. 8. Inwerkingtreding Deze nieuwe functieclassificatie treedt in werking op 1 juli 2008 voor alle werknemers van de ondernemingen voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen. Zij vervangt de functieclassificatie van 21 april 2001. Art. 9. Werkwijze bij invoering Bij indienstneming wordt aan de werknemers de categorie van de functie die zij uitoefenen toegekend. Hun loon wordt bepaald bij artikel 24, 30 en 31 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. employés chargés du règlement des sinistres courants; employés ayant à rédiger une correspondance variée, soit sponta nément, soit sur indications sommaires; traducteurs bilingues de textes courants; employés ayant une connaissance approfondie des programmes informatiques usuels (sofware) (traitement de texte/tableur/banque de données). Catégorie 4 La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Expérience normale de départ : 8 ans. Employés pour qui une occupation préalable dans la branche et/ou dans l’entreprise est requise et qui disposent d’une connaissance technique élevée qui leur permet d’effectuer des travaux complexes et de faire des analyses et d’en faire rapport au niveau de la direction. Ils sont capables de superviser les travaux des employés des trois précédentes catégories. Exemples : assistants commerciaux donnant un support aux commerciaux (entre autres pour le portefeuille existant ainsi que pour l’extension du portefeuille clientèle); secrétaires de direction; comptables; employés administratifs qui sont entre autres chargés : du suivi administratif des dossiers d’assurances; de répondre aux questions venant, soit du client, soit des compagnies d’assurances; de la collaboration entre le client, les assureurs et les gestionnaires techniques; de l’exécution et du suivi de documents de toute nature; rédacteurs et tarificateurs de polices et avenants; employés chargés du règlement des sinistres demandant une initiative et des connaissances particulières; employés du service du personnel ayant connaissance des disposi tions légales et réglementaires d’ordre social; traducteurs de textes compliqués; employés chargés de la réception des clients en vue de fournir des renseignements d’ordre technique; informaticiens. Art. 4. Notion des études accomplies La notion des études accomplies n’intervient que comme élément d’appréciation au début de la carrière et en l’absence des autres facteurs composant le critère général de chacune des catégories. Art. 5. Cumul de fonctions Lorsqu’il y a cumul de fonctions, il est tenu compte, pour la fixation de la rémunération, du temps consacré à chacune des fonctions remplies par l’employé. Art. 6. Ouvriers et ouvrières La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Les veilleurs de nuit, liftiers, garçons de courses, messagers et facteurs, s’ils n’ont pas la qualité d’employé, jouissent de la rémunéra tion minimum fixée pour les employés de la première catégorie. Cette liste n’est pas limitative. Art. 7. Devoir d’information Chaque employeur est tenu d’informer chaque travailleur du titre de la fonction qu’il exerce et de la catégorie y afférente qu’il aura déterminé. A cette fin il fera autant que possible référence à un ou plusieurs exemples de fonctions indicatives reprises à l’article 2. Art. 8. Entrée en vigueur Cette nouvelle classification des fonctions entre en vigueur en date du 1er juillet 2008 pour tous les travailleurs des entreprises de courtage et agences d’assurances. Elle remplace la classification des fonctions du 21 avril 2001. Art. 9. Procédure d’introduction A leur engagement les travailleurs se verront attribuer la catégorie de la fonction qu’ils exerceront. Leur rémunération est déterminée par les articles 24, 30 et 31 de cette convention collective de travail. 53270 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 10. De werknemers die in dienst werden genomen voordat het aantal jaren ervaring voor deze functie voorzien in de loonschalen is bereikt zullen geclassificeerd worden volgens hun werkelijke functie en ervaring, terug te vinden in de artikelen 24, 30 en 31 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Art. 11. Betwistingsprocedure § 1. Elke werknemer heeft het recht de titel van de functie en/of de categorie die hem wordt toegekend aan te vechten. Daarvoor beschikt hij over een termijn van een maand na de mededeling van zijn functie en zijn categorie om zijn met redenen omkleed bezwaar aan zijn werkgever over te maken. De werkgever beschikt in totaal over een maand om een onderhoud te beleggen met de werknemer en vervol gens een gemotiveerd advies uit te brengen. Op zijn vraag kan de werknemer zich laten bijstaan door een syndicale afgevaardigde. § 2. Indien de werknemer het resultaat van het onderhoud niet aanvaardt beschikt hij over een maand om zijn met redenen omklede vraag om extern hoger beroep over te maken aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen, per aangetekend schrijven. De voorzitter van het paritair comité legt deze vraag voor aan de leden van het verzoeningsbureau van het paritair comité. § 3. Teneinde zijn advies uit te brengen zal het verzoeningsbureau beschikken over een summiere functiebeschrijving die, voor zover mogelijk, de goedkeuring gekregen heeft van de vrager en van zijn hiërarchische overste. Het zal eveneens beschikken over elk ander element dat het nuttig acht, met inbegrip van het horen van de vrager en zijn hiërarchische overste. § 4. Behoudens afwijkend advies is de aanpassing van een loonschaal categorie ten gevolge van een betwisting verschuldigd met terugwer kende kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van de oorspron kelijk toegekende categorie. Art. 12. Bijwerken van de functieclassificatie De ondertekenende partijen komen overeen de lijst van voorbeeld functies periodiek bij te werken zodat de functieclassificatie actueel blijft. Sectie 2. — Uitvoeringsstafpersoneel Art. 13. Indeling Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. Het uitvoeringsstafpersoneel van de ondernemingen voor de make larij en de verzekeringsagentschappen wordt ingedeeld in drie catego rieën, te weten : 1. Hoogste categorie : normale aanvang : elf jaar ervaring; 2. Middelbare categorie : normale aanvang : acht jaar ervaring; 3. Laagste categorie : normale aanvang : acht jaar ervaring. Art. 14. Hoogste categorie De hoogste categorie omvat de adjuncten van de directie die aan het hoofd staan van de fundamentele afdelingen van de onderneming. Het zijn inzonderheid : 1. degenen die aan het hoofd staan van verschillende in bedrijf genomen verzekeringstakken (bijvoorbeeld : leven, ongevallen, brand, diefstal, vervoer); 2. degenen die aan het hoofd staan van de algemene afdelingen van de onderneming (bijvoorbeeld : boekhouding, personeelsdienst, scha degevallen en andere gelijkaardige afdelingen). Art. 15. Middelbare categorie De middelbare categorie omvat de bedienden die de leiding hebben van de onderafdeling die onmiddellijk onder de fundamentele afdelin gen van de takken en afdelingen waarvan sprake in artikel 14 staat. Het zijn, in het algemeen, de diensthoofden of de bureauchefs of ieder ander persoon die binnen deze kwalificatie valt. Art. 16. Laagste categorie De laagste categorie omvat de bedienden die de leiding hebben van een onderafdeling van de in artikel 15 vermelde diensten en die, bij het hiërarchisch doorgeven van de onderrichtingen, met de bedienden in contact staan. Het zijn, in het algemeen, de onderdiensthoofden of onderbureauchefs. Art. 17. De werknemers die in dienst werden genomen voordat het aantal jaren ervaring voor deze functie voorzien in de loonschalen is bereikt zullen geclassificeerd worden volgens hun werkelijke functie en ervaring, terug te vinden in artikel 30 van deze collectieve arbeidsover eenkomst. Art. 10. Les travailleurs engagés avant d’avoir atteint le nombre d’années d’expérience prévu pour la fonction attribuée dans les barèmes seront classifiés selon leur fonction et leur expérience réelles, à retrouver aux articles 24, 30 et 31 de la présente convention collective de travail. Art. 11. Procédure de contestation § 1er. Tout travailleur a le droit de contester le titre de fonction et/ou la catégorie qui lui est attribué. A cette fin, il dispose d’un délai d’un mois après communication de sa fonction et de sa catégorie pour transmettre sa contestation dûment motivée à son employeur. L’employeur dispose au total d’un mois pour organiser un entretien avec le travailleur et ensuite remettre sont avis circonstancié. A sa demande, le travailleur peut se faire assister d’un délégué syndical. § 2. Si le travailleur n’accepte pas le résultat de l’entretien, il dispose d’un mois pour transmettre sa demande d’appel externe dûment motivée au président de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances par lettre recommandée. Le président de la commission paritaire soumet cette demande aux membres du bureau de conciliation de la commission paritaire. § 3. Afin d’émettre son avis, le bureau de conciliation disposera d’une description de fonction sommaire qui aura autant que faire se peut l’aval de l’appelant et de son supérieur hiérarchique. Elle disposera également de tout autre élément qu’elle jugera nécessaire, y compris l’audition de l’appelant et de son supérieur hiérarchique. § 4. Sauf avis contraire, une adaptation de catégorie barémique consécutive à une contestation est due rétroactivement à la date d’entrée en vigueur de la catégorie initialement attribuée. Art. 12. Mise à jour de la classification des fonctions Les parties signataires conviennent de tenir la liste des fonctions indicatives périodiquement à jour afin de maintenir l’actualisation de la classification de fonctions. Section 2. — Personnel cadre d’exécution Art. 13. Classification La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Le personnel des cadres d’exécution des entreprises de courtage et agences d’assurances se répartit en trois catégories, à savoir : 1. Catégorie supérieure : expérience de départ normale : onze ans; 2. Catégorie moyenne : expérience de départ normale : huit ans; 3. Catégorie inférieure : expérience de départ normale : huit ans. Art. 14. Catégorie supérieure La catégorie supérieure comprend les adjoints de la direction qui se trouvent à la tête des divisions fondamentales de l’entreprise. Ce sont notamment : 1. ceux qui sont à la tête des diverses branches, d’assurances exploitées (par exemple : vie, accident, incendie, vol, transport); 2. ceux qui sont à la tête des départements généraux de l’entreprise (par exemple : comptabilité, service du personnel, sinistres et autres départements analogues). Art. 15. Catégorie moyenne La catégorie moyenne comprend les employés qui dirigent la subdivision immédiatement inférieure aux divisions fondamentales des branches et départements dont question à l’article 14. Ce sont, d’une manière générale, les chefs de services ou les chefs de bureau ou toute autre personne rentrant dans cette qualification. Art. 16. Catégorie inférieure La catégorie inférieure comprend les employés dirigeant une subdi vision des services dont question à l’article 15 et qui, dans la transmission hiérarchique des instructions, sont en contact avec les employés. Ce sont, d’une manière générale, les sous-chefs de service ou de bureau. Art. 17. Les travailleurs engagés avant d’avoir atteint le nombre d’années d’expérience prévu pour la fonction attribuée dans les barèmes seront classifiés selon leur fonction et leur expérience réelles, à retrouver à l’article 30 de la présente convention collective de travail. 53271BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 18. De verhogingen van de lonen ″functie van de ervaring″ die overeenstemmen met de loonschalen, gaan in de eerste maand die op de verjaardag van de werknemer volgt. Art. 19. De werknemers die tot een categorie ″uitvoeringsstaf″ worden bevorderd, genieten in deze categorie, vanaf hun bevordering, het maandelijks minimumloon dat met hun ervaring overeenstemt. Sectie 3. — Inspecteurs Art. 20. Indeling Als nulpunt voor de opbouw van competenties wordt het einde van de wettelijke Belgische schoolplicht genomen. De werknemers die in dienst werden genomen vooraleer de normale voorziene 8 jaren ervaring voor deze functie is bereikt zullen geclassi ficeerd worden volgens hun werkelijke functie en ervaring, terug te vinden in artikel 31 van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Het inspectiepersoneel van de ondernemingen voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen wordt ingedeeld in drie categorieën, te weten : 1. Eerste categorie : de inspecteurs beginnelingen; 2. Tweede categorie : de inspecteurs die technische ervaring bezitten; 3. Derde categorie : de uitgesproken inspecteurs. Art. 21. De verhoging van de lonen ″functie van de ervaring ″, die overeenstemmen met de loonschalen gaan in de eerste maand die op de verjaardag van de belanghebbende werknemer volgt. Art. 22. De in de loonschalen voorziene bedragen zijn minima, vast loon en provisie inbegrepen, met dien verstande dat elke maand dit minimum aan de inspecteur moet worden betaald, onder voorbehoud van regularisatie van zijn provisierekening op het einde van het jaar. HOOFDSTUK III. — Barema’s Sectie 1: — Werknemers die na het normale aantal jaren ervaring in dienst treden Art. 23. Indien de werkelijke ervaring van de werknemers het maximum aantal jaren ervaring van de loonschaal van de categorie overschrijdt, wordt deze laatste in aanmerking genomen. Sectie 2. — Uitvoeringspersoneel Art. 24. De minimummaandlonen per personeelscategorie worden als volgt vastgesteld in overeenstemming met de spilindex 108,34 : Categorie 1 Catégorie 1 Categorie 2 Catégorie 2 Categorie 3 Catégorie 3 Categorie 4 Catégorie 4 Studenten Etudiants 1002,01 Jaren ervaring Années d’expérience 0 1 135,61 1.200,59 1 273,03 1 333,71 1 1 202,41 1 271,22 1 340,04 1 403,91 2 1 269,21 1 341,84 1 410,57 1 477,80 3 1 336,01* 1 398,34 1 484,80 1 555,57 4 1 352,02 1 412,47* 1 500,11 1 571,95 5 1 368,26 1 433,69 1 515,41 1 588,32 6 1 384,70 1 455,18 1 530,73* 1 604,69 7 1 404,07 1 476,99 1 553,69 1 621,08 8 1 423,74 1. 97,70 1 576,99 1 637,45* 9 1 443,66 1. 18,64 1 600,66 170,20 10 1 465,33 1 539,91 1 624,66 1 703,59 11 1 487,30 1 563,01 1 649,04 1 746,18 12 1 506,63 1 586,46 1 673,77 1 789,85 13 1 526,22 1 607,09 1 707,26 1 834,58 14 1 542,99 1 627,98 1 732,85 1 880,44 Art. 18. Les augmentations ″fonctions de l’expérience″ des rémuné rations correspondant aux barèmes de rémunérations, prennent cours le premier mois qui suit l’anniversaire de naissance du travailleur. Art. 19. Les travailleurs qui sont promus à une catégorie ″cadre d’exécution″ bénéficient dans celle-ci, dès leur promotion, de la rémunération mensuelle minimum correspondant à leur expérience. Section 3. — Inspecteurs Art. 20. Classification La fin de la scolarité obligatoire selon la législation belge est prise comme point de départ pour l’acquisition de compétences. Les travailleurs engagés avant d’avoir atteint les 8 années d’expé rience normalement prévues pour cette fonction seront classifiés selon leur fonction et leur expérience réelles, à retrouver à l’article 31 de la présente convention collective de travail. Le personnel d’inspection des entreprises de courtage et agences d’assurances se répartit en trois catégorie, à savoir : 1. Première catégorie : les inspecteurs débutants; 2. Deuxième catégorie : les inspecteurs possédant de l’expérience technique; 3 Troisième catégorie : les inspecteurs confirmés. Art. 21. Les augmentations ″fonctions de l’expérience″ des rémuné rations correspondant aux barèmes de rémunérations prennent cours le premier mois qui suit l’anniversaire de naissance du travailleur. Art. 22. Les montants prévus dans les barèmes de rémunérations sont des minimums, fixe et commission compris, étant entendu que chaque mois ce minimum doit être payé à l’inspecteur sous réserve de régularisation, en fin d’année, de son compte de commissions. CHAPITRE III. — Barèmes Section 1re. — Travailleurs qui entrent en fonction après le nombre normal de départ d’années d’expérience Art. 23. Si le nombre réel d’années d’expérience des travailleurs dépasse le nombre maximum d’années d’expérience du barème salarial de la catégorie, c’est celui-ci qui est pris en considération. Section 2. — Personnel d’exécution Art. 24. Les salaires mensuels minima par catégorie de personnel sont fixés comme suit, en corré-lation avec l’indice-pivot 108,34 : 53272 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Categorie 1 Catégorie 1 Categorie 2 Catégorie 2 Categorie 3 Catégorie 3 Categorie 4 Catégorie 4 Studenten Etudiants 1002,01 15 1 559,98 1 645,87 1 767,51 1 918,07 16 1 575,57 1 663,97 1 794,02 1 956,41 17 1 591,35 1 680,62 1 811,97 1 995,56 18 1 599,29 1 689,03 1 830,09 2 025,48 19 1 607,29 1 697,48 1 848,38 2 055,85 20 1 615,31 1 705,95 1 866,88 2 086,71 21 1 623,42 1 714,51 1 885,53 2 107,54 22 1 631,51 1 723,06 1 904,38 2 128,65 23 1 644,56 1 731,67 1 923,45 2 149,93 24 1 644,56 1 748,98 1 942,67 2 171,41 25 1 656,08 1 748,98 1 962,11 2 193,13 26 1 656,08 1 766,48 1 981,72 2 215,08 27 1 667,69 1 766,48 1 981,72 2 237,23 28 1 667,69 1 784,17 2 001,54 2 281,96 29 1 677,69 1 784,17 2 001,54 2 281,96 30 1 677,69 1 801,98 2 021,55 2 310,49 31 1 687,75 1 801,98 2 021,55 2 310,49 32 1 687,75 1 820,01 2 041,76 2 335,89 33 1 696,20 1 820,01 2 041,76 2 335,89 34 1 696,20 1 838,22 2 062,20 2 361,60 35 1 704,68 1 838,22 2 062,20 2 361,60 36 1 704,68 1 856,59 2 082,80 2 387,60 37 1 713,19 1 856,59 2 082,80 2 387,60 38 1 713,19 1 875,17 2 103,64 2 411,46 39 1 721,75 1 875,17 2 103,64 2 411,46 40 1 721,75 1 893,93 2 124,65 2 435,57 41 1 730,36 1893,93 2 124,65 2 435,57 42 1 730,36 1 912,85 2 145,90 2 459,93 43 1 739,00 1 912,85 2 145,90 2 459,93 44 1 739,00 1 931,97 2 167,36 2 484,53 45 1 747,72 1 931,97 2 167,36 2 484,53 46 1 747,72 1 951,32 2 189,06 2 509,37 47 1 756,44 1 951,32 2 189,06 2 509,37 Art. 25. Inwerkingtreding De nieuwe loonschalen en classificaties treden in werking op 1 juli 2008. Art. 26. In het geval van een forfaitaire verhoging van het gewaar borgd gemiddeld minimum maandinkomen, buiten die wegens indexe ring, worden deze loonschalen herzien teneinde een billijk evenwicht te behouden tussen de verschillende categorieën alsook de jaarlijkse procentuele progressie in categorie 1. Art. 27. In geen geval zal het minimummaandloon na de invoerings datum van de nieuwe loonschalen (1 juli 2008) lager zijn dan het bruto minimummaandloon voor die datum. Art. 28. De loonschalen, categorieën en classificaties in de onderne mingen met een gunstigere overeenkomst blijven integraal van kracht. Art. 29. Bij hun indiensttreding zullen de werknemers beloond worden volgens de categorie van de functie die zij zullen uitoefenen. Evenwel, gedurende de periode van een proefcontract (maximum 12 maanden), kan het minimummaandloon berekend worden tegen 90 pct. Art. 25. Entrée en vigueur Les nouveaux barèmes et classifications entrent en vigueur le 1er juillet 2008. Art. 26. En cas d’augmentation forfaitaire du revenu minimum mensuel moyen garanti autre que due à l’indexation, les présents barèmes seront revus, afin de maintenir un équilibre équitable entre les diverses catégories de même que la progression procentuelle en catégorie 1. Art. 27. En aucun cas le salaire minimum mensuel brut après la date d’introduction des nouveaux barèmes (1er juillet 2008) ne sera inférieur au salaire minimum mensuel brut antérieur à cette date. Art. 28. Les barèmes, catégories et classifications d’entreprises conventionnés plus favorable restent intégralement en vigueur. Art. 29. A leur engagement les travailleurs seront rémunérés selon la catégorie de fonction qu’ils exerceront. Cependant, durant la période d’essai et/ou de formation (maximum 12 mois), le salaire minimum mensuel pourra être calculé à un taux de 90 p.c. 53273BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Sectie 3. — Uitvoeringsstafpersoneel Art. 30. De minimummaandlonen per categorie van het uitvoerings stafpersoneel worden als volgt vastgesteld in overeenstemming met de spilindex 108,34 : Jaren ervaring Années d’expérience Lager kader Cadre inférieur Midden kader Cadre moyen Hoger kader Cadre supérieur 0 1 397,96 1 535,57 2 127,84 1 1 433,80 1 574,94 2 182,40 2 1 470,56 1 615,32 2 238,36 3 1 508,27 1 656,75 2 295,75 4 1 551,37 1 704,08 2 367,50 5 1 594,45 1 751,42 2 439,25 6 1 637,55 1 798,76 2 510,99 7 1 680,64 1 846,09 2 582,73 8 1 723,74* 1 893,43* 2 654,47 9 1 797,91 1 967,85 2 726,22 10 1 872,28 2 041,93 2 797,95 11 1 946,63 2 116,28 2 869,70* 12 2 020,89 2 190,58 2 933,38 13 2 095,21 2 265,02 2 996,99 14 2 169,46 2 339,32 3 060,86 15 2 243,78 2 413,55 3 124,49 16 2 318,16 2 487,92 3 188,16 17 2 392,45 2 562,28 3 251,93 18 2 466,75 2 636,56 3 315,59 19 2 466,75 2 636,56 3 379,19 20 2 466,75 2 636,56 3 442,80 21 2 466,75 2 636,56 3 506,65 22 2 466,75 2 636,56 3 506,65 23 2 466,75 2 636,56 3 506,65 24 2 466,75 2 636,56 3 506,65 25 2 466,75 2 636,56 3 506,65 26 2 466,75 2 636,56 3 506,65 27 2 466,75 2 636,56 3 506,65 28 2 466,75 2 636,56 3 506,65 29 2 466,75 2 636,56 3 506,65 30 2 466,75 2 636,56 3 506,65 31 2 466,75 2 636,56 3 506,65 32 2 466,75 2 636,56 3 506,65 33 2 466,75 2 636,56 3 506,65 34 2 466,75 2 636,56 3 506,65 35 2 466,75 2 636,56 3 506,65 36 2 466,75 2 636,56 3 506,65 37 2 466,75 2 636,56 3 506,65 38 2 466,75 2 636,56 3 506,65 39 2 466,75 2 636,56 3 506,65 40 2 466,75 2 636,56 3 506,65 Section 3. — Personnel cadre d’exécution Art. 30. Les rémunérations mensuelles minimums par catégorie du personnel des cadres d’exécution sont fixées comme suit en corrélation avec l’indice-pivot 108,34 : 53274 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Jaren ervaring Années d’expérience Lager kader Cadre inférieur Midden kader Cadre moyen Hoger kader Cadre supérieur 41 2 466,75 2 636,56 3 506,65 42 2 466,75 2 636,56 3 506,65 43 2 466,75 2 636,56 3 506,65 44 2 466,75 2 636,56 3 506,65 45 2 466,75 2 636,56 3 506,65 46 2 466,75 2 636,56 3 506,65 47 2 466,75 2 636,56 3 506,65 Sectie 4. — Inspecteurs Art. 31. De minimum maandlonen per categorie van het inspectie personeel, worden als volgt vastgesteld, in overeenstemming met de spilindex 108,34 : Jaren ervaring Années d’expérience Categorie 1 Catégorie 1 Categorie 2 Catégorie 2 Categorie 3 Catégorie 3 0 1333,71 1 397,96 1 535,57 1 1403,91 1 433,80 1 574,94 2 1 477,80 1 470,56 1 615,32 3 1 555,57 1 508,27 1 656,75 4 1 571,95 1 551,37 1 704,08 5 1 588,32 1 594,45 1 751,42 6 1 604,69 1 637,55 1 798,76 7 1 621,08 1 680,64 1 846,09 8 1 637,45* 1 723,74* 1 893,43* 9 1 670,20 1 797,91 1 967,85 10 1 703,59 1 872,28 2 041,93 11 1 746,18 1 946,63 2 116,28 12 1 789,85 2 020,89 2 190,58 13 1 834,58 2 095,21 2 265,02 14 1 880,44 2 169,46 2 339,32 15 1 918,07 2 243,78 2 413,55 16 1 956,41 2 318,16 2 487,92 17 1 995,56 2 392,45 2 562,28 18 2 025,48 2 466,75 2 636,56 19 2 055,85 2 466,75 2 636,56 20 2 086,71 2 466,75 2 636,56 21 2 107,54 2 466,75 2 636,56 22 2 128,65 2 466,75 2 636,56 23 2 149,93 2 466,75 2 636,56 24 2 171,41 2 466,75 2 636,56 25 2 193,13 2 466,75 2 636,56 26 2 215,08 2 466,75 2 636,56 27 2 237,23 2 466,75 2 636,56 28 2 281,96 2 466,75 2 636,56 29 2 281,96 2 466,75 2 636,56 Section 4. — Inspecteurs Art. 31. Les rémunérations mensuelles minimums par catégorie du personnel d’inspection sont fixées comme suit en corrélation avec l’indice-pivot 108,34 : 53275BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Jaren ervaring Années d’expérience Categorie 1 Catégorie 1 Categorie 2 Catégorie 2 Categorie 3 Catégorie 3 30 2 310,49 2 466,75 2 636,56 31 2 310,49 2 466,75 2 636,56 32 2 335,89 2 466,75 2 636,56 33 2 335,89 2 466,75 2 636,56 34 2 361,60 2 466,75 2 636,56 35 2 361,60 2 466,75 2 636,56 36 2 387,60 2 466,75 2 636,56 37 2 387,60 2 466,75 2 636,56 38 2 411,46 2 466,75 2 636,56 39 2 411,46 2 466,75 2 636,56 40 2 435,57 2 466,75 2 636,56 41 2 435,57 2 466,75 2 636,56 42 2 459,93 2 466,75 2 636,56 43 2 459,93 2 466,75 2 636,56 44 2 484,53 2 466,75 2 636,56 45 2 484,53 2 466,75 2 636,56 46 2 509,37 2 466,75 2 636,56 47 2 509,37 2 466,75 2 636,56 HOOFDSTUK IV. — Koppeling van de lonen aan de gezondheidsindex Art. 32. De minimumloonschalen vastgelegd in de artikelen 24, 30 en 31 van deze collectieve arbeidsovereenkomst en de reëel uitbetaalde lonen worden gekoppeld aan het viermaandelijks gemiddelde van de gezondheidsindex, maandelijks vastgesteld door de Federale Overheids dienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Art. 33. Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereen komst wordt onder ″spilindex″ verstaan : de getallen behorende tot een reeks waarvan de eerste 104,14 - september 2006 (basisjaar 2004 = 100) is. Elk van de spilindexen wordt bekomen door de vorige te vermenig vuldigen met 1,02. De delen van honderdsten van een punt worden afgerond op het naast hogere honderdste of worden verwaarloosd, naargelang zij al dan niet 50 pct. van een honderdste bereiken. Art. 34. Iedere keer dat het gemiddelde van twee opeenvolgende viermaandelijkse gemiddelden van de gezondheidsindex een spilindex bereikt, worden de minimumloonschalen en de effectief betaalde lonen aangepast volgens de timing zoals voorzien in artikel 35. De minimum loonschalen en de effectief uitbetaalde lonen worden vermenigvuldigd met 1,02 wanneer een hogere spilindex wordt bereikt of met 0,9804 vermenigvuldigd wanneer een lagere spilindex wordt bereikt. Art. 35. De loonsverhogingen of -verminderingen worden toegepast vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de maand die, zoals in artikel 34 voorzien, een aanpassing rechtvaardigt. Rang en spilindex Rang et indice pivot Verhogings- of verminderingscoëfficiënt Coefficient d’augmentation ou de diminution Vereffeningspercentage Pourcentage et liquidation 1 – 106,22 1,02(-1) = 0,9804 98,04 0 – 108,34 1 100,00 1 – 110,51 1,02(1) = 1,02 102,00 2 – 112,72 1,02(2) = 1,0404 104,04 3 – 114,97 1,02(3) = 1,0612 106,12 Art. 36. De minimumloonschalen en de effectief betaalde lonen, aangepast volgens artikel 34, worden afgerond tot het naast hogere honderdste of worden verwaarloosd naargelang zij al dan niet 50 pct. van een honderdste bereiken. CHAPITRE IV. — Rattachement des rémunérations à l’indice-santé Art. 32. Les barèmes salariaux minima fixés aux articles 24, 30 et 31, de la présente convention collective de travail et les rémunérations réellement payées sont liés à la moyenne quadrimestrielle de l’indice santé des prix à la consommation établi mensuellement par le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie et publié au Moniteur belge. Art. 33. Pour l’application de la présente convention collective de travail, il faut entendre par″ indices-pivot″ : les nombres appartenant à une série dont le premier est 104,14 - septembre 2006 (année de base 2004 = 100). Chacun des indices-pivot est obtenu en multipliant le précédent par 1,02. Les fractions de centièmes de point sont arrondies au centième de point supérieur ou négligées, selon qu’elles atteignent ou non 50 p.c. d’un centième. Art. 34. Chaque fois que la moyenne de deux moyennes quadrimes trielles de l’indice-santé consécutives atteint l’un des indices-pivots, les barèmes salariaux minima et les rémunérations réellement payées sont adaptés selon le calendrier prévu à l’article 35. Les barèmes salariaux minima et les rémunérations réellement payées sont multipliés par 1,02 lorsqu’un indice-pivot supérieur est atteint ou par 0,9804 lorsque un indice-pivot inférieur est atteint. Art. 35. Les augmentations ou diminutions de rémunération sont appliquées à partir du premier jour du deuxième mois suivant celui qui justifie une adaptation, comme prévu à l’article 34. Art. 36. Les barèmes minima et les rémunérations réellement payées, adaptés selon l’article 34, sont arrondis au centième supérieur le plus proche ou négligés selon qu’ils atteignent ou non 50 p.c. d’un centième. 53276 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK V. — Arbeidsduur Art. 37. § 1. De maximumgrens van de wekelijkse arbeidsduur is vastgesteld op 37 uur en 30 minuten vanaf 1 april 2000. § 2. De ondernemingen waar de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur werd berekend op jaarbasis door het toekennen van compensatiedagen, kunnen dit systeem behouden, naar rato van 1 compensatiedag op jaarbasis per schijf van 10 minuten wekelijkse arbeidstijd boven de grens van 37 u 30 m. Art. 38. De wekelijkse arbeidsduur wordt over de eerste vijf dagen van de week verdeeld. De voor de goede gang van de onderneming onontbeerlijke diensten worden evenwel op zaterdag verzekerd. De ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de syndicale afvaardiging bepaalt welke diensten op zaterdag moeten werken, de getalsterkte van het personeel dat met het verzekeren van de diensten is belast, alsmede de bijzondere toepassingswijzen. Voor de ondernemingen, waar noch een ondernemingsraad, noch een syndicale afvaardiging bestaat, worden in vorig lid bepaalde maatregelen door de werkgever vastgesteld, onder voorbehoud van de instemming van de meerderheid van het personeel. HOOFDSTUK VI. — Bijkomende vakantie voor anciënniteit in de firma Art. 39. Onverminderd de gunstiger bepalingen die in de onderne ming kunnen worden overeengekomen en onverminderd de inachtne ming van de verworven toestand, is de regeling voor de bijkomende vakantie voor anciënniteit in de firma als volgt vastgesteld : § 1. De anciënniteit wordt berekend op de eerste dag van het kalenderjaar tijdens hetwelk de vakantie wordt toegekend. § 2. De vakantiedagen ten gevolge van anciënniteit in de onderne ming worden op basis van één dag bovenop de 20 wettelijke dagen vanaf 1997 toegekend per schijf van vijf jaar anciënniteit. § 3. De ondernemingen die reeds bijkomende vakantiedagen, bovenop de 20 wettelijke, toekennen, kunnen deze in mindering brengen van de anciënniteitsdagen waarvan sprake in bovenvermelde paragraaf. § 4. Voor de deeltijdse werknemers zullen het aantal vermelde vakantiedagen, bepaald in artikel 39, in verhouding tot hun wekelijkse arbeidsduur bepaald worden. HOOFDSTUK VII. — Kort verzuim Art. 40. Ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten, welke hierna zijn opgesomd, hebben de werknemers het recht, met behoud van hun loon, het werk te verzuimen voor een als volgt bepaalde duur : Reden van verzuim Duur van verzuim Motifs de l’absence Durée de l’absence 1. Huwelijk van de werknemer Twee gewoonlijk gepresteerde werkdagen door de werknemer te kiezen tijdens de week waarin de gebeurtenis plaatsgrijpt of tijdens de daaropvolgende week. 1. Mariage du travailleur. Deux jours ouvrables habituelle ment travaillés à choisir par le travailleur dans la semaine où se situe l’événement ou dans la semaine suivante. 2. Huwelijk van een kind van de werknemer of van zijn/haar echt geno(o)t(e) of levensgezel(lin), van een broer, zuster, schoonbroer, schoonzuster, van de vader, moe der, schoonvader, stief/pleegvader, schoonmoeder, stief/pleegmoeder, van een kleinkind van de werk nemer. Een werkdag. 2. Mariage d’un enfant du travail leur ou de son/sa compagn(e)on, ou épou(x)se d’un frère, d’une sœur, d’un beau-frère, d’une belle sœur, du père, de la mère, du beau-père, du père adoptif, de la belle-mère, de la mère adoptive, d’un petit-enfant du travailleur. Un jour ouvrable. 3. Priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van de werknemer of van zijn echtge no(o)t(e) of levensgezel(lin), van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van de werknemer. De dag van de plechtigheid. 3. Ordination ou entrée au cou vent d’un enfant du travailleur ou de son épou(x)se ou compa gn(e)on, d’un frère, d’une sœur, d’un beau-frère, d’une belle-sœur du travailleur. Le jour de la cérémonie. 4. Bevalling van de echtgenote of levensgezel(lin) van de werk nemer. Drie dagen door de werknemer te kiezen tijdens de twaalf dagen te rekenen vanaf de dag der beval ling. 4. Accouchement de l’épou(x)se ou compagne du travailleur. Trois jours à choisir par le travail leur dans les douze jours à dater du jour de l’accouchement. CHAPITRE V. — Durée de travail Art. 37. § 1er. La limite de la durée du travail hebdomadaire a été fixée à 37 heures et 30 minutes à partir du 1er avril 2000. § 2. Les entreprises où la durée de travail hebdomadaire est calculée par an par l’octroi des jours de compensation peuvent conserver ce système à titre d’un jour de compensation annuellement par tranche de 10 minutes de temps hebdomadaire au-delà de la limite de 37 h 30 m. Art. 38. La durée de travail hebdomadaire est répartie sur les cinq premiers jours de la semaine. Toutefois, les services indispensables à la bonne marche de l’entre prise sont assurés le samedi. Le conseil d’entreprise ou, à son défaut, la délégation du personnel détermine les services, qui doivent fonctionner le samedi, l’effectif du personnel chargé d’assurer les services, ainsi que les modalités particulières d’application. Pour les entreprises qui ne possèdent ni conseil d’entreprise, ni délégation du personnel, les mesures prévues à l’alinéa précédent sont déterminées par l’employeur sous réserve de l’accord de la majorité du personnel. CHAPITRE VI. — Vacances supplémentaires d’ancienneté dans la firme Art. 39. Sans préjudice des dispositions plus favorables qui peuvent être convenues dans les entreprises et sans préjudice du respect des situations acquises, le régime des vacances supplémentaires d’ancien neté dans la firme est établi comme suit : § 1er. L’ancienneté se calcule au premier jour de l’année civile au cours de laquelle les congés sont accordés. § 2. Les jours de congé résultant de l’ancienneté dans l’entreprise sont accordés à partir de 1997 sur base d’un jour complémentaire aux 20 jours légaux par tranche de cinq ans d’ancienneté. § 3. Les entreprises qui accordent déjà des jours de congé complé mentaires aux 20 jours de congé légaux peuvent les porter en diminution des jours d’ancienneté dont question au paragraphe précédent. § 4. Les jours de congé dont question à l’article 39 seront accordés aux travailleurs à temps partiel proportionnellement à la durée de leur travail hebdomadaire. CHAPITRE VII. — Petits chômages Art. 40. Les travailleurs ont le droit de s’absenter du travail, avec maintien de leur rémunération normale, à l’occasion des événements familiaux ou en vue de l’accomplissement des obligations civiques ou de missions civiles énumérés ci-après, pour une durée fixée comme suit : 53277BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Reden van verzuim Duur van verzuim Motifs de l’absence Durée de l’absence 5. Overlijden van de echtge no(o)t(e) of levensgezel(lin), van een kind van de werknemer of van zijn of haar echtgeno(o)t(e) of levensgezel(lin), van de vader, moeder, schoonvader, schoonmoe der, st ief/pleegvader of stief/pleegmoeder van de werk nemer. Drie dagen door de werknemer te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlij den en eindigt met de dag van de begrafenis. 5. Décès de/du épou(x)se ou com pagn(e)on, d’un enfant du travail leur ou de son épou(x)se ou com pagn(e)on, du père, de la mère, du beau-père, du père adoptif, de la belle-mère, de la mère adoptive du travailleur. Trois jours à choisir par le travail leur dans la période commençant le jour du décès et finissant le jour des funérailles. 6. Overlijden van een broer, zus ter, schoonbroer, schoonzuster, van de grootvader, grootmoeder, van een kleinkind, schoonzoon, schoondochter die bij de werkne mer inwoont. Twee dagen door de werknemer te kiezen tijdens de periode welke begint met de dag van het overlij den en eindigt met de dag van de begrafenis. 6. Décès d’un frère, d’une sœur, d’un beau-frère, d’une belle-sœur, du grand-père, de la grand-mère, d’un petit-enfant, d’un gendre, d’une bru habitant chez le travail leur. Deux jours à choisir par le travail leur dans la période commençant le jour du décès et finissant le jour des funérailles. 7. Overlijden van een broer, zus ter, schoonbroer, schoonzuster, van de grootvader, grootmoeder, van een kleinkind, schoonzoon of schoondochter die niet bij de werk nemer inwoont. Een werkdag. 7. Décès d’un frère, d’une sœur, d’un beau-frère, d’une belle-sœur, du grand-père, de la grand-mère, d’un petit-enfant, d’un gendre, d’une bru n’habitant pas chez le travailleur. un jour ouvrable. 8. Plechtige communie van een kind van de werknemer of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) of levensgezel(lin). De dag van de plechtigheid of de gewone activiteitsdag die de gebeurtenis onmiddellijk vooraf gaat of volgt, wanneer deze met een zondag, een feestdag of een gewone inactiviteitsdag samen valt. 8. Communion solennelle d’un enfant du travailleur ou de son épou(x)se ou compagn(e)on. Le jour de la cérémonie où le jour habituel d’activité qui précède ou suit immédiatement l’événement, lorsque celui-ci coïncide avec un dimanche, un jour férié ou un jour habituel d’inactivité. 9. Deelneming van een kind van de werknemer of van zijn levens gezel(lin) aan het feest van de vrijzinninge jeugd daar waar dit feest plaats heeft. De dag van het feest of de gewone activiteitsdag die de gebeurtenis onmiddellijk voorafgaat of volgt, wanneer deze met een zondag, een feestdag of een gewone inac tiviteitsdag samenvalt. 9. Participation d’un enfant du travailleur ou de son/sa compa gn(e)on à la fête de la jeunesse laïque là où elle est organisée. Le jour de la fête ou le jour habituel d’activité qui précède ou suit immédiatement l’événement lorsque celui-ci coïncide avec un dimanche, un jour férié ou un jour habituel d’inactivité. 10. Bijwonen van een bijeenkomst van een familieraad, bijeengeroe pen door de vrederechter. De nodige tijd met een maximum van een dag. 10. Participation à la réunion d’un conseil de famille convoqué par le juge de paix. Le temps nécessaire avec un maxi mum d’un jour. 11. Deelneming aan een jury of oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschij ning op aanmaning van de arbeidsrechtbank. De nodige tijd met een maximum van vijf dagen. 11. Participation à un jury ou convocation comme témoin devant les tribunaux ou comparution per sonnelle ordonnée par la juridic tion du travail. Le temps nécessaire avec un maxi mum de cinq jours. 12. Uitoefening van het ambt van bijzitter in een hoofdstembureau of enig stembureau bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraadsverkiezingen. De nodige tijd. 12. Exercice des fonctions d’assesseur d’un bureau principal ou d’un bureau unique de vote, lors des élections législatives, pro vinciales et communales. Le temps nécessaire. 13. Uitoefening van een ambt van bijzitter in een hoofdbureau voor stemopneming bij de parlements-, provincieraads- en gemeenteraads verkiezingen. De nodige tijd met een maximum van vijf dagen. 13. Exercice des fonctions d’assesseur d’un bureau principal de dépouillement lors des élec tions législatives, provinciales et communales. Le temps nécessaire avec un maxi mum de cinq jours. 14. Adoptie van een kind. De nodige tijd om de administra tieve en gerechtelijke formalitei ten te vervullen. 14. Adoption d’un enfant. Le temps nécessaire pour accom plir les formalités administratives et juridiques. 15. Verhuis van de werknemer van zijn hoofdverblijfplaats. Eén werkdag; maximaal 1 werk dag per jaar en dit mits voorleg ging van een verklaring op eer, ondertekend door de werknemer, met betrekking tot zijn adreswij ziging of mits voorlegging van enig ander, voor de werkgever aanvaardbaar bewijsmiddel. 15. Déménagement du travailleur de sa résidence principale. Un jour ouvrable; maximum 1 jour ouvrable par an et ce moyennant présentation d’une déclaration sur l’honneur, signée par le travail leur, concernant son changement d’adresse ou moyennant tout autre moyen de justification acceptable pour l’employeur. Voor de toepassing van de nummers 2, 3, 5, 8 en 9 wordt het adoptie-, pleeg- of natuurlijk erkend kind gelijkgesteld met het wettig of gewettigd kind. Voor de toepassing van de nummers 6 en 7 worden de schoonbroer, de schoonzuster, de grootvader en de grootmoeder van de echtge no(o)t(e) van de werknemer gelijkgesteld met de schoonbroer, de schoonzuster, de grootvader en de grootmoeder van de werknemer. L’enfant adoptif ou naturel est assimilé à l’enfant légitime ou légitimé pour l’application des numeros 2, 3, 5, 8 et 9. Le beau-frère, la belle-sœur, le grand-père et la grand-mère du conjoint du travailleur sont assimilés au beau-frère, à la belle-sœur, au grand-père et à la grand-mère du travailleur pour l’application des numeros 6 et 7. 53278 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK VIII. — Ontslag en wederindienstneming Art. 41. Zonder afbreuk te doen aan het principe van het werkge versgezag en ten einde, naar gelang van de economische mogelijkhe den van de onderneming de stabiliteit van de arbeidskrachten te verzekeren, geschiedt het eventueel ontslag met inachtneming van sommige regels van billijkheid. Art. 42. Bij het ontslag dat aan bijzondere economische omstandig heden is te wijten, wordt een orde van voorrang voorzien met inachtneming van de bevoegdheid, de verdienste, de specialisatie, de leeftijd, de anciënniteit en de gezinslast. Art. 43. Evenzo, wordt, bij wederindienstneming, de voorrang van de ontslagen werknemers verleend in dezelfde volgorde als bij het ontslag, doch omgekeerd. HOOFDSTUK IX. — Verlof voor syndicale vorming Art. 44. Elke representatieve werknemersorganisatie beschikt over een krediet in dagen voor de vorming buiten de onderneming van haar afgevaardigden in de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescherming op het werk en de vakbondsafvaardiging. Dat krediet bedraagt, voor elke representatieve werknemersorganisatie, 6 dagen voor 4 jaar effectief mandaat uitgeoefend door een van haar aangeslot enen in de ondernemingsraad, het comité voor preventie en bescher ming op het werk en de vakbondsafvaardiging. Dat krediet in dagen kan gebruikt worden door de effectieve of plaatsvervangende leden van die organen zonder dat een van zijn leden daarvoor, en voor het geheel van zijn dagenkrediet voor syndicale vorming, meer dan 28 dagen kan gebruiken over een periode van 4 jaren. HOOFDSTUK X. — Slotbepalingen Art. 45. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2008 en wordt gesloten voor een onbepaalde tijd. Iedere ondertekenende partij mag deze collectieve arbeidsovereen komst opzeggen mits een opzegging van drie maanden. Deze opzegging wordt gericht, bij een ter post aangetekende brief, aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de makelarij en de verzekeringsagentschappen. Addendum bij wijze van inlichting Uittreksel uit de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 23 van 25 juli 1975, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 september 1975. Art. 4. Bij ontstentenis van een andersluidende collectieve arbeids overeenkomst, gesloten in het paritair comité heeft het in artikel 3 bepaalde gemiddeld minimum maandinkomen betrekking op alle elementen van het loon die verband houden met de normale arbeids prestaties waarop de werknemer recht heeft ten laste van zijn werkgever. Deze elementen omvatten onder meer het loon in geld of in natura, het vast of veranderlijk loon alsmede de premies en voordelen waarop de werknemer recht heeft ten laste van de werkgever uit hoofde van zijn normale arbeidsprestaties, dit wil zeggen de prestaties vermeld in de arbeidswet van 16 maart 1971 en per onderneming gepreciseerd in het arbeidsreglement (Belgisch Staatsblad van 30 maart 1971). Zij omvatten onder meer niet de overlonen voor overwerk, de voordelen bedoeld bij artikel 19, § 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; zij omvatten evenmin de sociale uitkeringen die toegekend worden naar aanleiding van schor singsperioden van de arbeidsovereenkomst. Commentaar bij artikel 4 1) Het criterium voor de inschakeling van premies of andere voordelen in het gemiddeld minimum maandinkomen is het recht dat de werknemer erop kan laten gelden, rechtstreeks of onrechtstreeks ten laste van de werkgever, krachtens de normale arbeidsprestaties die hij heeft geleverd. 2) Het criterium ″normale arbeidsprestaties″ betekent dat geen rekening wordt gehouden met : a) Overlonen die worden betaald als vergoeding van prestaties die als bijkomende prestaties moeten aangezien worden ten overstaan van de arbeidswet van 16 maart 1971, de collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de arbeidsduur evenals het arbeidsreglement. CHAPITRE VIII. — Licenciement et réembauchage Art. 41. Sans contrevenir au principe de l’autorité patronale et afin d’assurer, suivant les possibilités économiques des entreprises, la stabilité de la main-d’œuvre, le licenciement éventuel s’effectue en respectant certaines règles d’équité. Art. 42. Dans les licenciements qui sont le fait de circonstances économiques particulières, un ordre de priorité est prévu, qui tient compte de la compétence, du mérite, de la spécialisation, de l’âge, de l’ancienneté et des charges de famille. Art. 43. De même, en cas de réembauchage, la priorité est accordée aux licenciés, dans le même ordre mais inverse à celui qui est prévu pour le licenciement. CHAPITRE IX. — Congé syndical Art. 44. Chaque organisation représentative de travailleurs dispose d’un crédit de jours pour la formation, en dehors de l’entreprise, de ses délégués au conseil d’entreprise, au comité de prévention et de protection du travail et de la délégation syndicale. Ce crédit s’élève, pour chaque organisation représentative de travailleurs à 6 jours pour 4 ans de mandat effectif exercé par l’un de ses affiliés au conseil d’entreprise, au comité de prévention et de protection du travail et à la délégation syndicale. Ce crédit de jours peut être utilisé par les membres effectifs ou suppléants de ces organes, sans que l’un de ses membres puisse utiliser à cet effet, et pour l’ensemble de ses crédits de jours de formation syndicale plus de 28 jours sur une période de 4 années. CHAPITRE X. — Dispositions finales Art. 45. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er juillet 2008 et est conclue pour une durée indéterminée. Chaque partie signataire peut dénoncer la présente convention collective de travail moyennant un préavis de trois mois. Cette dénonciation est adressée par lettre recommandée à la poste au président de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances. Addendum à titre d’information Extrait de la convention collective de travail n° 23 du 25 juillet 1975, conclue au sein du Conseil national du travail, relative à la garantie d’un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par arrêté royal du 9 septembre 1975. Art. 4. En l’absence de convention collective de travail conclue au sein de la commission paritaire, comportant d’autres dispositions, le revenu minimum mensuel moyen dont il est question à l’article 3 se rapporte à tous les éléments de la rémunération liés aux prestations normales de travail, auxquels le travailleur a droit à charge de l’employeur. Ces éléments comprennent, entre autres, le salaire en espèce ou en nature, fixe ou variable, ainsi que les primes et avantages auxquels le travailleur a droit à charge de l’employeur, en raison de ses prestations normales de travail, c’est-à-dire des prestations mentionnées dans la loi sur le travail du 16 mars 1971 et précisées par entreprise dans le règlement de travail (Moniteur belge du 30 mars 1971). Ils ne comprennent notamment pas les sursalaires dus pour le travail supplémentaire, ni les avantages prévus par l’article 19, § 2, de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs; ils ne comprennent pas non plus les prestations sociales auxquelles donnent lieu les périodes de suspension du contrat de louage de travail. Commentaire de l’article 4 1) Le critère pour l’intégration des primes et autres avantages dans le revenu minimum mensuel moyen est le droit que le travailleur peut faire valoir à charge de son employeur, directement ou indirectement, en vertu des prestations normales de travail qu’il a fournies. 2) Le critère ″prestations normales de travail″ signifie que l’on ne tient pas compte : a) Des sursalaires qui sont payés en tant qu’indemnités pour des prestations qui doivent être considérées comme prestations complé mentaires au regard de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, des conventions collectives concernant la durée du travail, ainsi que du règlement de travail. 53279BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE b) De voordelen bedoeld bij artikel 19, § 2 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 dit wil zeggen : 1° de vergoeding toegekend in geval van sluiting van ondernemin gen; 2° de vergoedingen aan de werknemers verschuldigd wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, daarin is begrepen, in afwijking van bovenvermeld artikel 19, § 2, de vergoeding wegens onrechtmatige beëindiging hetzij van de dienstbetrekking voor onbepaalde tijd wegens niet eerbiediging van de opzeggingstermijn of van het nog te lopen gedeelte van deze termijn, hetzij van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk wegens beëindiging voor het verstrijken van de termijn of de beëindiging van het werk; 3° de vergoeding wegens uitwinning, bedoeld in artikel 15 van de wet van 30 juli 1963 tot instelling van het statuut der handelsvertegen woordigers; 4° de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen; 5° de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding; 6° de bedragen die de werkgever aan de werknemer betaalt teneinde zich te kwijten van zijn verplichting om arbeidsgereedschap of werkkleding te bezorgen of om te zorgen voor kost en inwoning wanneer de werknemer ver van zijn woning tewerkgesteld is; 7° de bedragen die aan de werknemers worden toegekend wegens hun aansluiting bij een vakorganisatie ten belope van het bedrag door Minister van Sociale Voorzorg bepaald; 8° de voordelen die door een fonds voor bestaanszekerheid aan de werknemers worden toegekend in de vorm van zegels en die bepaald zijn bij regelingen, vóór 1 januari 1970 ingevoerd; c) men houdt evenmin rekening met de wettelijke en aanvullende sociale prestaties die worden toegekend naar aanleiding van schorsings periodes van de arbeidsovereenkomst zoals : ziekte-uitkeringen, werk loosheidsuitkeringen bij gedeeltelijke werkloosheid, enkel en dubbel vakantiegeld. 3) De premies die betrekking hebben op een periode van meer dan één maand, komen in aanmerking in zover de werknemer het recht op deze premies heeft verworven en in zover die premies binnen een maximum termijn van twaalf maanden worden uitbetaald. Wanneer de werknemer op het ogenblik dat hij zijn werkgever verlaat de voorwaar den tot toekenning van de premie niet vervult en hij daardoor het gemiddeld minimummaandinkomen niet bereikt, dient het bedrag van het inkomen tot het verschuldigde bedrag te worden aangevuld. 4) Voor de werknemer die niet gedurende de ganse maand in kwestie heeft gewerkt, wordt het gemiddeld minimum maandinkomen bere kend tot de duur van zijn normale arbeidsprestaties. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Bijlage 2 Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen Collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 2009 Wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 2008 betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden (Overeenkomst geregis treerd op 26 oktober 2008 onder het nummer 95248/CO/307) Artikel 1. Toepassingsgebied Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschap pen. Art. 2. Wijzigingen Er wordt een artikel 2bis toegevoegd bij de collectieve arbeidsover eenkomst van 24 juni 2008 dat luidt als volgt : « § 1 De ervaring houdt rekening met de wettelijke schoolplicht. Deze keuze is terecht, aangezien zij gebaseerd is op de Belgische opleidings structuur (middelbare schoolopleiding). b) Des avantages visés par l’article 19, § 2, de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 précité, c’est-à-dire : 1° les indemnités octroyées en cas de fermeture d’entreprises; 2° les indemnités dues aux travailleurs, lorsque l’employeur ne respecte pas ses obligations légales, contractuelles ou statutaires. Parmi ces indemnités est comprise, en dérogation à l’article 19, § 2 précité, l’indemnité due pour rupture irrégulière, soit de l’engagement à durée indéterminée par défaut de respect du délai de préavis ou de la partie de ce délai restant à courir, soit de l’engagement à la durée déterminée ou pour une entreprise déterminée, par rupture avant l’échéance du terme ou l’achèvement de l’entreprise; 3° l’indemnité d’éviction visée à l’article 15 de la loi du 30 juillet 1963 fixant le statut des représentants de commerce; 4° les sommes qui constituent le remboursement des frais que le travailleur a exposés pour se rendre de son domicile à son lieu de travail, ainsi que les frais dont la charge en incombe à l’employeur; 5° les avantages accordés sous formes d’outils ou de vêtement de travail; 6° les sommes que l’employeur paie au travailleur pour s’acquitter de son obligation de fournir des outils ou des vêtements de travail ou de procurer la nourriture et le logement, lorsque le travailleur est occupé dans un endroit éloigné de son domicile; 7° les sommes accordées aux travailleurs en raison de leur affiliation à une organisation syndicale, jusqu’à concurrence d’un montant déterminé par le Ministre de la Prévoyance sociale; 8° les avantages qui sont octroyés par un fonds de sécurité d’existence aux travailleurs, sous la forme de timbres, et qui sont prévus par des régimes qui étaient instaurés avant le 1er janvier 1970; c) on ne tient pas davantage compte des prestations légales et complémentaires dues à l’occasion des périodes de suspension du contrat de louage de travail, telles les indemnités de maladie, les allocations de chômage partiel, et les simple et double pécules de vacances. 3) En ce qui concerne les primes qui se rapportent à une période supérieure à un mois, elles entrent en ligne de compte pour autant que le travailleur ait acquis le droit à ces primes, et que ces primes soient payées dans un délai maximum de douze mois. Si au moment où le travailleur quitte son employeur, il ne remplit pas les conditions d’octroi de la prime et que, de ce fait, il n’atteint pas le revenu minimum mensuel moyen, il y a lieu de compléter le montant du revenu à due concurrence. 4) Pour ce qui est du travailleur qui n’a pas fourni de prestations pendant tout le mois à considérer, le revenu minimum mensuel moyen est calculé sur la base de ses prestations normales de travail. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Annexe 2 Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances Convention collective de travail du 20 mai 2009 Modification de la convention collective de travail du 24 juin 2008 relative aux conditions de travail et de rémunération (Convention enregistrée le 26 octobre 2009 sous le numéro 95248/CO/307) Article 1er. Champ d’application La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances. Art. 2. Modifications II est ajouté un article 2bis a la convention collective de travail du 24 juin 2008, libellé comme suit : « § 1er. L’expérience tient compte de la scolarité obligatoire. Ce choix est justifié étant donné qu’il se base sur la structure de formation beige (enseignement secondaire). 53280 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 2 Om rekening te houden met de specifieke eisen van de verschillende categorieën is er voor de onderscheiden categorieën een verschillend aantal voorafgaande ervaringsjaren. In geval men een werknemer aanneemt die het voor de functie benodigde aantal ervaringsjaren niet zou bezitten, wordt een degres sieve coëfficiënt toegepast. Deze coëfficiënt werd verrekend in de baremieke verloning. In geval men een werknemer aanneemt die voor zijn/haar indienst treding over meer ervaring zou beschikken dan nodig voor de functie, zal deze eveneens worden verrekend. § 3 Periodes van gelijkgeschakelde ervaring De sociale partners komen overeen om de volgende periodes met ervaring gelijk te schakelen : a) De periodes in een professionele omgeving (ondermeer periodes van stage, interimopdrachten, contracten van bepaalde duur, periode dat werknemers het statuut van zelfstandige hadden en vrijwilligers werk); b) De periodes van studies en eventuele legerdienst, burgerdienst of gemeenschapsdienst; c) De periodes tijdens dewelke men geen arbeidscontract heeft (we denken hier ook zeer zeker aan de periodes van schorsing van het arbeidscontract, opnemen van tijdskrediet, ouderschapsverlof, loop baanonderbreking, onbetaald verlof, periodes gedekt door de sociale zekerheid en de sociale wetgeving zoals werkloosheid en ziekte invaliditeit). Voor zover als nodig wordt verduidelijkt dat het allemaal periodes betreft die doorgebracht werden in België, in een ander land van de Europese Unie of buiten de Europese Unie. § 4. De sociale partners benadrukken dat ze door het invoeren van het begrip ervaring op geen enkel vlak voor enige (of nieuwe) discriminatie willen zorgen, zoals ze dit ook verwoordden in de voorbereidingen van het akkoord van 24 juni 2008 (terug te vinden in de notulen en bijlagen van het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen). » Art. 3. Geldigheidsduur Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking 1 juli 2008 en is gesloten voor onbepaalde duur. Ze kan opgezegd worden door elk der ondertekenende partijen mits een opzeggingstermijn van drie maanden door een ter post aangete kende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202600]N. 2010 — 2813 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek, betref fende het brugpensioen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek, betreffende het brugpensioen. § 2. Afin de tenir compte des exigences spécifiques des différentes catégories, ces dernières sont régies par un nombre différent d’années d’expérience préalable. En cas d’embauche d’un travailleur ne disposant pas du nombre requis d’années d’expérience pour la fonction, un coefficient dégressif est appliqué. Ce coefficient est pris en compte dans la rémunération barémique. En cas d’embauche d’un travailleur qui, au moment de son entrée en service, dispose de plus d’expérience que celle requise pour la fonction, elle sera également prise en compte. § 3. Périodes d’assimilation à l’expérience Les partenaires sociaux conviennent d’assimiler les périodes suivan tes à de l’expérience : a) Les périodes en environnement professionnel (notamment les périodes de stage, les intérims, les contrats à durée déterminée, les périodes de travail indépendant et le bénévolat); b) Les périodes d’études et éventuellement de service militaire, civil ou à la communauté; c) Les périodes d’absence de contrat de travail (nous nous référons notamment aux périodes de suspension du contrat de travail, prise de crédit-temps, de congé parental, d’interruption de carrière ou aux périodes couvertes par la sécurité sociale et la législation sociale, telles que le chômage ou la maladie-invalidité). Pour autant que de nécessaire, il convient de préciser que cette disposition recouvre tant les périodes vécues en Belgique que dans un autre pays de l’Union européenne ou hors Union européenne. § 4. Les partenaires sociaux soulignent que l’instauration de la notion d’expérience n’entraînera aucune (ou nouvelle) discrimination, comme ils l’expliquent dans les travaux préparatoires à l’accord du 24 juin 2008 (disponibles dans les procès-verbaux et les annexes de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances). » Art. 3. Durée de validité La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er juillet 2008 et est conclue pour une durée indéterminée. Chaque partie signataire peut dénoncer la présente convention collective de travail moyennant un préavis de trois mois. Cette dénonciation est adressée par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202600]F. 2010 — 2813 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 2 février 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés du commerce internatio nal, du transport et de la logistique, relative à la prépension (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 2 février 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et de la logistique, relative à la prépension. 53281BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 2009 Brugpensioen (Overeenkomst geregistreerd op 17 maart 2009 onder het nummer 91404/CO/226) Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen die onder de bevoegdheid vallen van het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek. Art. 2. Voor zover de voorwaarden van artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 (Belgisch Staatsblad van 8 juni 2007) tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het Generatiepact worden vervuld, wordt de regeling vervat in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 19 december 1974, tot invoering van een aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers die worden ontslagen, uitgebreid tot alle bedienden vanaf 56 jaar op wie onderha vige collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, voor zover de werknemers een beroepsverleden als loontrekkende van 33 jaar kunnen rechtvaardigen waarvan minimaal 20 jaren nachtarbeid (Nationale Arbeidsraad - collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46). Art. 3. Bij overgang van een arbeidstijdregeling zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 19 december 2001 betreffende een stelsel van tijdskre diet, loopbaanvermindering en vermindering van arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, naar het brugpensioen, moet voor de berekening van de aanvullende vergoeding bedoeld in artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, rekening worden gehouden met het voltijds loon, desgevallend beperkt tot het netto-referteloon bepaald in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17. Art. 4. De ondernemingen die zich in moeilijkheden en/of herstruc turering bevinden zullen het advies inwinnen van de werkgroep Algemene Zaken van het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek, alvorens op onder nemingsvlak een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten inzake brugpensioen en/of alvorens hun aanvraag in te dienen, enerzijds tot afwijking van de leeftijdsvoorwaarde en, anderzijds tot toepassing van de verkorte opzeggingstermijn van 6 maanden. Art. 5. Het recht op de aanvullende vergoeding blijft behouden in geval van werkhervatting. Art. 6. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in voege op 1 januari 2009 en is gesloten voor de duur van 6 maanden. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire pour les enployés du commerce international, du transport et de la logistique Convention collective de travail du 2 février 2009 Prépension (Convention enregistrée le 17 mars 2009 sous le numéro 91404/CO/226) Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux employés des entreprises ressortissant à la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et de la logistique. Art. 2. Pour autant que les conditions de l’article 3, § 1er de l’arrêté royal du 3 mai 2007 (Moniteur belge du 8 juin 2007) fixant la prépension conventionnelle dans le cadre du Pacte de solidarité entre les généra tions soient remplies, le régime de la convention collective de travail no 17, conclue au Conseil national du travail le 19 décembre 1974, instituant un régime d’indemnité complémentaire en faveur de certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, est étendu à tous les employés à partir de l’âge de 56 ans auxquels la présente convention collective de travail est applicable, pour autant que les travailleurs puissent justifier une carrière professionnelle de 33 ans, dont minimum 20 ans de travail de nuit (Conseil national de travail - convention collective de travail no 46). Art. 3. En cas de passage d’un régime de travail tel que visé à la convention collective de travail no 77bis, conclue au Conseil national du travail le 19 décembre 2001 concernant un système de crédit-temps, de diminution de carrière et de réduction des prestations de travail à mi-temps, à la prépension, il y a lieu de tenir compte, pour le calcul de l’indemnité complémentaire, visée à l’article 4 de la convention collective de travail no 17, de la rémunération à temps plein, le cas échéant limitée à la rémunération nette de référence, déterminée en exécution de la convention collective de travail no 17. Art. 4. Les entreprises qui se trouvent en difficultés et/ou en restructuration recueilleront l’avis du groupe de travail Affaires générales de la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et de la logistique, avant la conclusion d’une convention collective de travail concernant la prépension au niveau de l’entreprise et/ou avant l’introduction de leur demande visant, d’une part, à déroger à la condition d’âge et, d’autre part, à l’application du délai de préavis réduit de 6 mois. Art. 5. Le droit à l’indemnité complémentaire est maintenu en cas de reprise du travail. Art. 6. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 2009 et est conclue pour la durée de 6 mois. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de Migration et d’Asile, Mme J. MILQUET 53282 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202861]N. 2010 — 2814 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009 Sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten (Overeenkomst geregistreerd op 26 oktober 2009 onder het nummer 95187/CO/140) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek behorend tot de subsector van het gemeenschappelijk personenvervoer over de weg en wiens activiteit bestaat uit het verzekeren van geregeld vervoer in opdracht van de Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM), alsook op de leden van hun rijdend personeel die aan de uitvoering van dit vervoer zijn toe gewezen. § 2. Onder ″geregeld vervoer″ wordt verstaan : het personenvervoer verricht voor rekening van de VVM en de SRWT-TEC, ongeacht de capaciteit van het voertuig en ongeacht het soort aandrijving van de gebruikte vervoermiddelen. Dit vervoer wordt verricht volgens de volgende criteria : een welbepaald traject en een welbepaald, geregeld uurrooster. De passagiers worden opgehaald en afgezet aan vooraf vastgelegde halten. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen, zelfs indien, in voorkomend geval, het verplicht is de reis vooraf te reserveren. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202861]F. 2010 — 2814 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 pour le personnel roulant des exploitants de la VVM (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 pour le personnel roulant des exploitants de la VVM. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire du transport et de la logistique Convention collective de travail du 3 juillet 2009 Programmation sociale 2009-2010 pour le personnel roulant des exploitants de la VVM (Convention enregistrée le 26 octobre 2009 sous le numéro 95187/CO/140) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. Cette convention collective de travail est d’appli cation aux employeurs qui relèvent de la Commission paritaire du transport et de la logistique, appartenant au sous-secteur du transport en commun de personnes par la route et dont l’activité est d’assurer des services réguliers pour le compte de la « Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM) », ainsi qu’aux membres de leur personnel roulant affectés à l’exécution desdits services réguliers. § 2. Par ″services réguliers″ on entend : le transport de personnes effectué pour le compte de la SRWT-TEC et de la VVM, quelle que soit la capacité du véhicule et quel que soit le mode de traction des moyens de transport utilisés. Ce transport est effectué selon les critères suivants : un trajet déterminé et un horaire déterminé et régulier. Les passagers sont embarqués et débarqués à des arrêts fixés au préalable. Ce transport est accessible à tous, même si, le cas échéant, il y a obligation de réserver le voyage. 53283BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 3. Met ″rijdend personeel″ worden zowel de vrouwelijke als de mannelijke leden van het rijdend personeel bedoeld. HOOFDSTUK II. — Maaltijdcheques Art. 2. Vanaf 1 juni 2009 stijgt de waarde van de patronale bijdrage in een maaltijdcheque met 1 EUR. HOOFDSTUK III. — Cadeaucheque Art. 3. § 1. Vanaf 2010 wordt er op 1 januari jaarlijks aan de leden van het rijdend personeel een cadeaucheque ter waarde van 35 EUR toegekend. § 2. De waarde van deze cadeaucheque wordt geprorateerd op basis van het tewerkstellingspercentage, telkens op 1 januari. HOOFDSTUK IV. — Fietsvergoeding Art. 4. § 1. Het lid van het rijdend personeel dat tenminste 5 km met de fiets aflegt voor het woon-werktraject (enkele rit) ontvangt een fietsvergoeding vanaf 1 juli 2009. § 2. De fiets dient als vervoermiddel gebruikt te worden voor het volledige woon-werktraject of een gedeelte van het woon-werktraject (vóór of nadat een ander vervoermiddel wordt gebruikt). § 3. Deze vergoeding is gelijk aan 0,15 EUR per kilometer. § 4. De fietsvergoeding wordt maandelijks betaald op basis van het aantal effectieve arbeidsdagen dat de fiets wordt gebruikt, dus per werkdag. § 5. De fietsvergoeding kan niet gecumuleerd worden met andere vergoedingen voor dezelfde verplaatsing. § 6. De concrete toepassingsmodaliteiten worden verder uitgewerkt. HOOFDSTUK V. — Werkzekerheid Art. 5. In onderling overleg zullen de nodige inspanningen geleverd worden om de werkzekerheid te waarborgen. HOOFDSTUK VI Ingangsdatum en geldigheidsduur Art. 6. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking vanaf de artikelsgewijze vermelde datum, of bij ontstentenis hiervan, vanaf de ondertekening van deze collectieve arbeidsovereenkomst. § 2. Zij is gesloten voor onbepaalde duur. § 3. Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van verzending van bovengenoemde aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202630]N. 2010 — 2815 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; § 3. Par ″membres du personnel roulant″ on en-tend : les membres du personnel féminin et masculin appartenant à la catégorie du personnel roulant. CHAPITRE II. — Chèques-repas Art. 2. A partir du 1er juin 2009 la valeur de la cotisation patronale dans un chèque-repas est augmentée d’1 EUR. CHAPITRE III. — Chèque cadeau Art. 3. § 1er. A partir de 2010 un chèque cadeau d’une valeur de 35 EUR est octroyé chaque année au 1er janvier aux membres du personnel roulant. § 2. La valeur de ce chèque cadeau est proratisée en fonction du pourcentage de mise au travail, chaque fois au 1er janvier. CHAPITRE IV. — Indemnité vélo Art. 4. § 1er. Le membre du personnel roulant qui effectue au moins 5 km en vélo pour son trajet domicile-lieu du travail (trajet simple) reçoit une indemnité vélo à partir du 1er juillet 2009. § 2. Le vélo doit être utilisé comme moyen de transport pour tout le trajet domicile-lieu du travail ou pour une partie du trajet domicile-lieu du travail (avant ou après qu’un autre moyen de transport ait été utilisé). § 3. Cette indemnité s’élève à 0,15 EUR par kilomètre. § 4. L’indemnité vélo est payée mensuellement sur la base du nombre de jours de travail effectifs pendant lesquels le vélo est utilisé, donc par jour ouvrable. § 5. L’indemnité vélo ne peut être cumulée avec d’autres indemnités pour le même déplacement. § 6. Les modalités d’application concrètes seront élaborées. CHAPITRE V. — Garantie d’emploi Art. 5. Les efforts nécessaires seront faits en concertation afin de garantir l’emploi. CHAPITRE VI Entrée en vigueur et durée de validité Art. 6. § 1er. La présente convention collective de travail produit ses effets à partir de la date mentionnée dans chaque article ou, à défaut, à partir de la date de signature de la présente convention collective de travail. § 2. Elle est conclue à durée indéterminée. § 3. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes. Cette dénonciation doit se faire au moins trois mois à l’avance par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire du transport et de la logistique, qui en avisera sans délai les parties intéressées. Le délai de préavis de trois mois prend cours à la date d’envoi de la lettre recommandée précitée. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202630]F. 2010 — 2815 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 du personnel roulant des exploitants de la VVM (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; 53284 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende de sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel van de VVM-exploitanten. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juli 2009 Sociale programmatie 2009-2010 voor het rijdend personeel dat onge regeld vervoer verricht (Overeenkomst geregistreerd op 26 okto ber 2009 onder het nummer 95189/CO/140) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers van de ondernemingen die ongeregeld vervoer verrichten en die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, alsook op de werklieden die aan de uitvoering van dit vervoer zijn toegewezen. § 2. Met ″ongeregeld vervoer″ wordt bedoeld : het vervoer dat niet aan de definitie van geregeld, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, beantwoordt en dat met name wordt gekenmerkt door het transport van vooraf samengestelde groepen, op initiatief van een opdrachtgever of van de vervoerder zelf. Onder ongeregeld vervoer wordt eveneens verstaan de internationaal geregelde diensten over een lange afstand. § 3. Met ″werklieden″ wordt bedoeld : de werklieden en werksters. HOOFDSTUK II. — Verhoging van de koopkracht Art. 2. De uurwaarde van de ARAB-vergoeding wordt op 1 okto ber 2009 met 0,07 EUR verhoogd na het voorafgaandelijk akkoord van de RSZ om de extra bedragen niet te belasten. Om dit doel te bereiken, engageren de ondertekende partijen zich ertoe alle nodige stappen gemeenschappelijk te zetten tegen uiterlijk 31 augustus 2009. Dit bedrag wordt toegevoegd aan het resultaat van de op die datum uit te voeren jaarlijkse indexatie overeenkomstig artikel 18 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009. Art. 3. De uurwaarde van de ARAB-vergoeding wordt op 1 januari 2010 met 0,03 EUR verhoogd na het voorafgaandelijk akkoord van de RSZ om de extra bedragen niet te belasten. Om dit doel te bereiken, engageren zich de ondertekende partijen zich ertoe alle nodige stappen gemeenschappelijk te zetten tegen uiterlijk 31 augus tus 2009. Vu la demande de la Commission paritaire du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 3 juillet 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la programmation sociale 2009-2010 du personnel roulant des exploitants de la VVM. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire du transport et de la logistique Convention collective de travail du 3 juillet 2009 Programmation sociale 2009-2010 du personnel roulant des exploitants de la VVM (Convention enregistrée le 26 octobre 2009 sous le numéro 95189/CO/140) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs des entreprises effectuant des services occasion nels ressortissant à la Commission paritaire du transport et de la logistique ainsi qu’aux ouvriers affectés à l’exécution desdits services. § 2. Par ″services occasionnels″ on entend : les services qui ne répondent pas à la définition des services réguliers, y compris les services réguliers spécialisés, et qui sont notamment caractérisés par le fait qu’ils transportent des groupes constitués à l’initiative d’un donneur d’ordre ou du transporteur lui-même. Par services occasion nels on entend également les services réguliers internationaux à longue distance. § 3. Par ″ouvriers″, on entend : les ouvriers et ouvrières. CHAPITRE II. — Augmentation du pouvoir d’achat Art. 2. La valeur horaire de l’indemnité RGPT est augmentée de 0,07 EUR au 1er octobre 2009 après l’accord préalable de l’ONSS de ne pas imposer les montants supplémentaires. Pour atteindre cet objectif, les parties signataires s’engagent à faire en commun toutes les démarches nécessaires avant le 31 août 2009. Ce montant est ajouté au résultat de l’indexation annuelle à effectuer à cette date conformément à l’article 18 de la convention collective de travail du 4 mai 2009. Art. 3. La valeur horaire de l’indemnité RGPT est augmentée de 0,03 EUR au 1er janvier 2010 après l’accord préalable de l’ONSS de ne pas imposer les montants supplémentaires. Pour atteindre cet objectif, les parties signataires s’engagent à faire en commun toutes les démarches nécessaires avant le 31 août 2009. 53285BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 4. Op 1 januari 2010 ontvangen alle op die datum in dienst zijnde werklieden die ressorteren onder ongeregeld vervoer een éénmalige van lasten en afhoudingen vrijgestelde geschenkencheque van 35 EUR, overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot vervanging van artikel 19, § 2, 14o van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. De administratieve en verdelingskosten in verband met deze geschenkencheque worden gedragen door het ″Sociaal Fonds voor de werklieden van de onder nemingen der openbare en speciale autobusdiensten en autocar diensten″. HOOFDSTUK III. — Indexatie op 1 oktober 2009 Art. 5. Indien het resultaat van de op 1 oktober 2009 overeenkomstig artikel 18 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009 uit te voeren indexatie negatief is, blijven de in deze collectieve arbeidsover eenkomst vermelde bedragen van toepassing tot 30 september 2009 met uitzondering van de uurwaarde van de ARAB-vergoeding die aange past wordt overeenkomstig bovenvermelde artikels 2 en 3 na het voorafgaandelijk akkoord van de RSZ om de extra bedragen niet te belasten. HOOFDSTUK IV. — Inwerkingtreding Art. 6. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking met ingang van 1 juli 2009 en is gesloten voor onbepaalde duur. Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van verzending van bovengenoemde aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2010/12182]N. 2010 — 2816 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten van de werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen van goederenvervoer ten lande voor rekening van derden en/of van goederenbehandeling voor rekening van derden (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bij lage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten van de werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen van goederenver voer ten lande voor rekening van derden en/of van goederenbehande ling voor rekening van derden. Art. 4. Au 1er janvier 2010 tous les membres du personnel en service à cette date ressortissant aux services occasionnels reçoivent un chèque cadeau non récurrent libre de toutes charges et toutes retenues de 35 EUR, conformément à l’arrêté royal du 11 juillet 2003 remplaçant l’article 19, § 2, 14o de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. Les frais adminis tratifs et d’envoi liés à ce chèque cadeau sont supportés par le ″Fonds social pour les ouvriers des entreprises des services publics et spéciaux d’autobus et des services d’autocars″. CHAPITRE III. — Indexation au 1er octobre 2009 Art. 5. Si le résultat de l’indexation à effectuer le 1er octobre 2009 conformément à l’article 18 de la convention collective de travail du 4 mai 2009 est négatif, les montants mentionnés dans cette convention collective de travail restent d’application jusqu’au 30 septembre 2010, à l’exception de la valeur horaire de l’indemnité RGPT qui est adaptée conformément aux articles 2 et 3 ci-dessus après l’accord préalable de l’ONSS de ne pas imposer les montants supplémentaires. CHAPITRE IV. — Durée de validité Art. 6. La présente convention collective de travail entre en vigueur à partir du 1er juillet 2009 et est conclue pour une durée indéterminée. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes. Cette dénonciation doit se faire au moins trois mois à l’avance par lettre recommandée adressée au président de la Commission paritaire du transport et de la logistique, qui en avisera sans délai les parties intéressées. Le délai de préavis de trois mois prend cours à la date d’envoi de la lettre recommandée précitée. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2010/12182]F. 2010 — 2816 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 4 mai 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant l’intervention patronale dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 4 mai 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant l’intervention patronale dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers. 53286 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009 Vaststelling van de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten van de werklieden tewerkgesteld in de ondernemingen van goederenver voer ten lande voor rekening van derden en/of van goederenbehan deling voor rekening van derden (Overeenkomst geregistreerd op 4 november 2009 onder het nummer 95499/CO/140) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers ressorterend onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek en behorend tot de subsector voor het goederenvervoer ten lande voor rekening van derden en/of tot de subsector voor de goederenbehandeling voor rekening van derden alsook op hun werklieden, conform het koninklijk besluit van 7 mei 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 maart 1973 tot oprichting en vaststelling van de benaming van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het vervoer en van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de aanverwante bedrijfstakken (verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2007). § 2. Onder « subsector voor het goederenvervoer over de weg voor rekening van derden », wordt bedoeld de werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek en die zich inlaten met : 1° Het goederenvervoer over de weg voor rekening van derden door middel van een voertuig met of zonder motor voor hetwelk een vervoersvergunning vereist is die door de bevoegde overheid afge leverd werd; 2° Het goederenvervoer over de weg voor rekening van derden door middel van een voertuig met of zonder motor voor hetwelk geen vervoersvergunning vereist is; 3° Het verhuren met chauffeur van voertuigen met of zonder motor bestemd voor het goederenvervoer over de weg, voertuigen voor dewelke een vervoersvergunning vereist is die door de bevoegde overheid afgeleverd werd; 4° Het verhuren met chauffeur van voertuigen met of zonder motor bestemd voor het goederenvervoer over de weg, voertuigen voor dewelke geen vervoersvergunning vereist is. Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wor den de taxibestelwagens, met name de voertuigen waarvan het laadvermogen gelijk is aan of kleiner is dan 500 kilogrammen en uitgerust met een taximeter, beschouwd als voertuigen voor dewelke geen vervoersvergunning vereist is. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire du transport et de la logistique Convention collective de travail du 4 mai 2009 Fixation de l’intervention patronale dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers (Convention enregistrée le 4 novembre 2009 sous le numéro 95499/CO/140) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs ressortissant à la Commission paritaire du transport et de la logistique et appartenant au sous-secteur du transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou au sous-secteur de la manutention de choses pour compte de tiers ainsi qu’à leurs ouvriers, conformément à l’arrêté royal du 7 mai 2007 modifiant l’arrêté royal du 13 mars 1973 instituant la Commission paritaire du transport et fixant sa dénomination et sa compétence et l’arrêté royal du 6 avril 1995 instituant la Commission paritaire pour les employés du commerce international, du transport et des branches d’activités connexes et fixant sa dénomination et sa compétence (paru dans le Moniteur belge du 31 mai 2007). § 2. Par « sous-secteur du transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers », on entend les employeurs qui ressortissent à la Commission paritaire du transport et de la logistique et qui effectuent : 1° Le transport de choses par route pour compte de tiers au moyen d’un véhicule motorisé ou non pour lequel une autorisation de transport délivrée par l’autorité compétente est exigée; 2° Le transport de choses par route pour compte de tiers au moyen d’un véhicule motorisé ou non pour lequel une autorisation de transport n’est pas exigée; 3° La location avec chauffeur de véhicules motorisés ou non destinés au transport de marchandises par voie terrestre, véhicules pour lesquels une autorisation de transport délivrée par l’autorité compétente est exigée; 4° La location avec chauffeur de véhicules motorisés ou non destinés au transport de marchandises par voie terrestre, véhicules pour lesquels une autorisation de transport n’est pas exigée. Pour l’application de cette convention collective de travail, les taxis-camionnettes, à savoir les véhicules dont la charge utile est égale ou inférieure à 500 kilogrammes et équipés d’un taximètre, sont considérés comme des véhicules pour lesquels une autorisation de transport n’est pas exigée. 53287BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 3. Onder « subsector voor goederenbehandeling voor rekening van derden », wordt bedoeld de werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek en die, buiten de havenzones, zich inlaten met : 1° alle behandeling van goederen voor rekening van derden ter voorbereiding van het vervoer en/of ter afwerking van het vervoer, ongeacht het gebruikt vervoermiddel; 2° en/of alle logistieke diensten ter voorbereiding van het vervoer van goederen voor rekening van derden en/of ter afwerking van dit vervoer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. Onder « logistieke activiteiten », wordt verstaan : ontvangst, opslag, weging, verpakking, etikettering, voorbereiding van bestellingen, beheer van voorraden of verzending van grondstoffen, goederen of producten in de verschillende stadia van hun economische cyclus, zonder dat er nieuwe halfafgewerkte of afgewerkte producten worden voortgebracht. Onder « voor rekening van derden », wordt verstaan : het uitvoeren van logistieke activiteiten voor andere natuurlijke of rechtspersonen en onder voorwaarde dat de ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activiteiten uitoefenen op geen enkel ogenblik eigenaar van de betrokken grondstoffen, goederen of producten worden. Met ondernemingen die voor rekening van derden logistieke activi teiten uitoefenen worden gelijkgesteld de ondernemingen die bij verbonden vennootschappen van de groep grondstoffen, goederen of producten aankopen en deze grondstoffen, goederen of producten verkopen aan verbonden vennootschappen van de groep en in zoverre deze grondstoffen, goederen of producten tevens het voorwerp zijn van logistieke activiteiten. Onder een « groep van verbonden vennootschappen » wordt ver staan : de verbonden vennootschappen die tevens voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 11, 1° van de wet van 7 mei 1999 betreffende het Wetboek van vennootschappen. Het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek is niet bevoegd voor de ondernemingen die voor rekening van derden uitsluitend logistieke activiteiten uitoefenen en de daarmee gelijkgestelde onder nemingen wanneer deze logistieke activiteiten een onlosmakelijk onderdeel vormen van een productie- of handelsactiviteit waarbij deze logistieke activiteiten opgenomen zijn in de bevoegdheid van een specifiek paritair comité. § 4. Onder « werklieden » wordt verstaan : werklieden en werksters. HOOFDSTUK II. — Openbaar vervoer Art. 2. Voor wat betreft de werklieden die gebruik maken van het openbaar vervoer wordt de tussenkomst van de werkgever in de prijs van het vervoerbewijs vastgelegd volgens de bepalingen van artikel 3 tot en met 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad nr. 19octies van 20 februari 2009. HOOFDSTUK III. — Privé-vervoermiddel Art. 3. De werklieden die gebruik maken van een privé vervoermiddel om zich te verplaatsen over een afstand van minimum 5 kilometer, hebben, ten laste van de werkgever, recht op een tussenkomst waarvan het bedrag is vastgelegd in de tabel in bijlage. Art. 4. De tussenkomst wordt minstens om de maand betaald. HOOFDSTUK IV. —Gemeenschappelijke bepalingen Art. 5. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II en III, blijven gunstigere voorwaarden inzake vervoer en terugbetaling van vervoers kosten, welke bestaan op ondernemingsvlak, behouden. Art. 6. Wanneer de werkgever met eigen middelen of door zijn tussenkomst het vervoer van werklieden kosteloos verzekert, kunnen de werklieden geen aanspraak maken op betaling van de vervoers kosten. § 3. Par « sous-secteur de la manutention de choses pour compte de tiers », on entend les employeurs qui ressortissent à la Commission paritaire du transport et de la logistique et qui, en dehors des zones portuaires : 1° effectuent toute manutention de choses pour compte de tiers en vue de leur transport et/ou consécutive au transport, peu importe le mode de transport utilisé; 2° et/ou fournissent les services logistiques en vue du transport de choses pour compte de tiers et/ou faisant suite au transport de choses pour compte de tiers, peu importe le mode de transport utilisé. Par « activités logistiques », on entend : réception, stockage, pesage, conditionnement, étiquetage, préparation de commandes, gestion des stocks ou expédition de matières premières, biens ou produits aux différents stades de leur cycle économique, sans que ne soient produits de nouveaux produits finis ou semi-finis. Par « pour le compte de tiers », il faut entendre : la réalisation d’activités logistiques pour le compte d’autres personnes morales ou physiques et à condition que les entreprises qui exercent pour le compte de tiers des activités logistiques ne deviennent à aucun moment propriétaires des matières premières, biens ou produits concernés. Sont assimilées aux entreprises qui exercent pour le compte de tiers des activités logistiques, les entreprises qui achètent auprès d’entrepri ses liées du groupe des matières premières, biens ou produits et vendent ces matières premières, biens ou produits aux entreprises liées du groupe et pour autant que ces matières premières, biens ou produits fassent en outre l’objet d’activités logistiques. Par « groupe d’entreprises liées », on entend : les entreprises liées qui répondent, en outre, aux conditions fixées à l’article 11, 1° de la loi du 7 mai 1999 contenant le Code des sociétés. La Commission paritaire du transport et de la logistique n’est pas compétente pour les entreprises qui exercent pour le compte de tiers exclusivement des activités logistiques et les entreprises assimilées lorsque ces activités logistiques constituent un élément indissociable d’une activité de production ou de commerce pour autant que ces activités logistiques soient reprises dans le champ de compétence d’une commission paritaire spécifique. § 4. Par « ouvriers » on entend : les ouvriers et les ouvrières. CHAPITRE II. — Transports publics Art. 2. En ce qui concerne les ouvriers faisant usage des transports publics, l’intervention de l’employeur dans le prix du titre de transport est fixée selon les dispositions de l’article 3 jusqu’à l’article 10 de la convention collective de travail du Conseil national du travail n° 19octies du 20 février 2009. CHAPITRE III. — Moyen de transport privé Art. 3. Les ouvriers faisant usage d’un moyen de transport privé pour se déplacer sur une distance d’au moins 5 kilomètres, ont droit, à charge de l’employeur, à une intervention dont le montant est fixé dans le tableau en annexe. Art. 4. Le paiement de l’intervention se fait au moins chaque mois. CHAPITRE IV. — Dispositions communes Art. 5. Sans préjudice des dispositions des chapitres II et III, les conditions plus favorables en matière de transport et remboursement des frais existant au niveau de l’entreprise, sont maintenues. Art. 6. Lorsque l’employeur assure gratuitement, par ses propres moyens ou par son intervention le transport de ses ouvriers, les ouvriers ne peuvent pas prétendre au paiement des frais de transport. 53288 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK V. — Opheffingsbepalingen Art. 7. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 mei 2001 tot vaststelling van de werkge versbijdrage in de vervoerskosten van de werklieden en werksters tewerkgesteld in de ondernemingen van het goederenvervoer ten lande voor rekening van derden en/of van de goederenbehandeling voor rekening van derden. HOOFDSTUK V. — Geldigheidsduur Art. 8. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juni 2009 en is gesloten voor onbepaalde duur. § 2. Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van verzending van bovengenoemde aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Bijlage aan de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 mei 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de werkgeverstussenkomst in de vervoerskosten van de werk lieden tewerkgesteld in de ondernemingen van goederenvervoer ten lande voor rekening van derden en/of van goederenbehandeling voor rekening van derden Afstand (km) Wekelijkse bijdrage werkgever Maandelijkse bijdrage werkgever Driemaandelijkse bijdrage werkgever Jaarlijkse bijdrage werkgever Bijdrage werkgever Distance (km) Intervention hebdomadaire de l’employeur Intervention mensuelle de l’employeur Intervention trimestrielle de l’employeur Intervention annuelle de l’employeur Intervention de l’employeur 5 6,20 20,40 58,00 206,00 7,40 6 6,60 21,80 61,00 218,00 8,00 7 6,90 23,20 65,00 232,00 8,60 8 7,30 24,40 68,00 245,00 9,00 9 7,70 26,00 72,00 258,00 9,40 10 8,10 27,00 76,00 271,00 9,80 11 8,60 29,00 80,00 286,00 10,30 12 9,00 30,00 84,00 299,00 10,60 13 9,40 31,00 88,00 315,00 11,10 14 9,80 33,00 92,00 328,00 11,40 15 10,20 34,00 95,00 341,00 11,80 16 10,70 35,50 100,00 356,00 12,10 17 11,10 37,00 103,00 369,00 12,50 18 11,50 38,00 107,00 383,00 12,80 19 12,00 40,00 112,00 398,00 13,20 20 12,40 41,00 115,00 411,00 13,60 21 12,80 42,50 119,00 424,00 13,90 22 13,20 44,00 123,00 439,00 14,30 23 13,70 45,50 127,00 454,00 14,70 24 14,10 46,50 131,00 468,00 15,00 25 14,40 48,50 135,00 482,00 15,30 26 15,00 49,50 139,00 497,00 15,90 CHAPITRE V. — Dispositions abrogatoires Art. 7. La présente convention collective de travail remplace la convention collective de travail du 21 mai 2001 fixant l’intervention des employeurs dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers. CHAPITRE VI. — Durée de validité Art. 8. § 1er. Cette convention collective de travail sort ses effets le 1er juin 2009 et est conclue pour une durée indéterminée. § 2. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes. Cette dénonciation doit se faire au moins trois mois à l’avance par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire du transport et de la logistique, qui en avisera sans délai les parties intéressées. Le délai de préavis de trois mois prend cours à la date d’envoi de la lettre recommandée précitée. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Annexe à la convention collective de travail du 4 mai 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant l’intervention patronale dans les frais de transport des ouvriers occupés dans les entreprises de transport de choses par voie terrestre pour compte de tiers et/ou de la manutention de choses pour compte de tiers 53289BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Afstand (km) Wekelijkse bijdrage werkgever Maandelijkse bijdrage werkgever Driemaandelijkse bijdrage werkgever Jaarlijkse bijdrage werkgever Bijdrage werkgever Distance (km) Intervention hebdomadaire de l’employeur Intervention mensuelle de l’employeur Intervention trimestrielle de l’employeur Intervention annuelle de l’employeur Intervention de l’employeur 27 15,30 51,00 143,00 510,00 16,20 28 15,60 53,00 147,00 524,00 16,50 29 16,20 54,00 150,00 538,00 16,80 30 16,50 55,00 154,00 551,00 17,10 31 - 33 17,20 58,00 162,00 577,00 17,80 34 - 36 18,60 62,00 173,00 619,00 19,20 37 - 39 19,70 66,00 185,00 659,00 20,30 40 - 42 21,00 70,00 196,00 700,00 21,60 43 - 45 22,20 74,00 208,00 743,00 22,80 46 - 48 23,60 78,00 219,00 783,00 23,90 49 - 51 24,70 83,00 213,00 825,00 25,50 52 - 54 25,50 86,00 239,00 854,00 26,50 55 - 57 26,50 88,00 246,00 880,00 27,50 58 - 60 27,50 91,00 255,00 911,00 28,50 61 B 65 28,50 94,00 265,00 945,00 29,50 66 B 70 30,00 99,00 278,00 993,00 31,50 71 B 75 31,00 104,00 291,00 1038,00 33,50 76 - 80 33,00 108,00 303,00 1083,00 34,50 81 B 85 34,00 113,00 317,00 1131,00 36,50 86 B 90 35,50 118,00 330,00 1177,00 38,00 91 B 95 37,00 122,00 343,00 1226,00 39,50 96 B 100 38,00 127,00 355,00 1269,00 41,50 101 B 105 39,50 132,00 369,00 1317,00 43,00 106 B 110 41,00 137,00 328,00 1365,00 44,00 111 B 115 42,50 141,00 395,00 1410,00 45,50 116 B 120 44,00 146,00 409,00 1462,00 47,00 121 B 125 45,00 150,00 422,00 1505,00 49,00 126 B 130 46,50 155,00 435,00 1552,00 50,00 131 B 135 48,00 160,00 448,00 1601,00 52,00 136 B 140 49,00 165,00 461,00 1645,00 52,00 141 B 145 51,00 169,00 473,00 1689,00 54,00 146 B 150 53,00 175,00 491,00 1754,00 56,00 151 B 155 53,00 178,00 498,00 1781,00 156 B 160 55,00 182,00 511,00 1825,00 161 B 165 56,00 187,00 524,00 1869,00 166 B 170 57,00 191,00 536,00 1914,00 171 B 175 59,00 196,00 548,00 1958,00 176 B 180 60,00 201,00 561,00 2002,00 181 B 185 62,00 204,00 573,00 2047,00 186 B 190 63,00 209,00 585,00 2091,00 191 B 195 64,00 214,00 598,00 2135,00 196 - 200 66,00 218,00 610,00 2180,00 Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET 53290 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/203017]N. 2010 — 2817 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 sep tember 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende vorming in de sector taxi’s en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende vorming in de sector taxi’s en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 29 september 2009 Vorming in de sector taxi’s en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur (Overeenkomst geregistreerd op 27 novem ber 2009 onder het nummer 96076/CO/140) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers die een taxionderneming of een dienst voor het verhuren van voertuigen met chauffeur uitbaten die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek alsook op hun werklieden. § 2. Met ″vervoer verricht met huurauto″s met chauffeur″ wordt bedoeld : ieder bezoldigd personenvervoer met voertuigen met een capaciteit van maximum 9 plaatsen (de chauffeur inbegrepen) met uitzondering van het taxivervoer en het geregeld vervoer. Met ″gere geld vervoer″ wordt bedoeld : het personenvervoer verricht voor rekening van de VVM et de SRWT-TEC, ongeacht de capaciteit van het voertuig en ongeacht het soort aanderijving van de gebruikte vervoer middelen. Dit vervoer wordt verricht volgens criteria : een welbepaald traject en een welbepaald, geregeld uurrooster. De passagiers worden opgehaald en afgezet aan vooraf vastgelegde halten. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen, zelfs indien, in voorkomend geval, het verplicht is de reis vooraf te reserveren. § 3. Met ″werklieden″ bedoelt men : de werklieden en werksters. HOOFDSTUK II. — Verhoging van de participatiegraad aan vormingen Art. 2. Wat de vorming betreft (de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, inzonderheid op artikel 30 gewijzigd door de wet van 17 mei 2007), engageren de sociale partners zich om de participatiegraat aan vorming en opleiding met 10 pct. te raliseren in 2009 en van 5 pct. in 2010. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/203017]F. 2010 — 2817 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la formation dans le secteur des taxis et des services de location de voitures avec chauffeur (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, relative à la formation dans le secteur des taxis et des services de location de voitures avec chauffeur. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire du transport et de la logistique Convention collective de travail du 29 septembre 2009 Formation dans le secteur des taxis et des services de location de voitures avec chauffeur (Convention enregistrée le 27 novembre 2009 sous le numéro 96076/CO/140) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs qui exploitent une entreprise de taxis ou un service de location de voitures avec chauffeur ressortissant à la Commission paritaire du transport et de la logistique ainsi qu’à leurs ouvriers. § 2. Par ″transport effectué par véhicules de location avec chauffeur″, il faut entendre : tout transport rémunéré de personnes par véhicules d’une capacité maximum de 9 places (chauffeur compris) à l’exception des taxis et des services réguliers. Par ″services réguliers″ on entend : le transport de personnes effectué pour le compte de la SRWT-TEC et de la VVM, quelle que soit la capacité du véhicule et quel que soit le mode de traction des moyens de transport utilisés : un trajet déterminé et un horaire déterminé et régulier. Les passagers sont embarqués et débarqués à des arrêts fixés au préalable. Ce transport est accessible à tous, même si, le cas échéant, il y a obligation de réserver le voyage. § 3. Par ″ouvriers″ on entend : les ouvriers et ouvrières. CHAPITRE II. — Augmentation du taux de participation aux formations Art. 2. Concernant la formation (la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre générations, notamment l’article 30, modifié par la loi du 17 mai 2007), les partenaires sociaux s’engagent à réaliser une augmentation du taux de participation aux formations de 10 p.c. en 2009 et de 5 p.c. en 2010. 53291BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Commentaar : het hoger percentage voor 2009 is te verklaren door eeninhaalbeweging voor 2008. HOOFDSTUK III. — Vergoging van het vormingsbudget Art. 3. Er zal vanuit het sociaal fonds vanaf 2009 een jaarlijks supplementair vormingsbudget van 13.500 EUR toegekend worden aan het gemeenschappelijk vormingsfonds van de werknemersorganisaties en van 13.500 EUR aan de werkgeversfederatie. HOOFDSTUK IV. — Geldigheidsduur Art. 4. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 25 september 2009 en is gesloten voor onbepaalde duur, met uitzondering van artikel 2 dat niet meer van kracht is vanaf 1 januari 2011. Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van de verzending van bovengenoemde aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202966]N. 2010 — 2818 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 sep tember 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de anciënniteitspremie voor de autobestuurders tewerkgesteld in de sector taxi’s (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 2009, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, tot vaststelling van de anciënniteitspremie voor de autobestuurders tewerk gesteld in de sector taxi’s. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Commentaire : le pourcentage plus élevé pour 2009 est dû à un rattrapage pour l’année 2008. CHAPITRE III. — Augmentation du budget de formation Art. 3. A partir de 2009, au sein du fonds social, un budget annuel de formation supplémentaire de 13.500 EUR sera attribué au fonds de formation commun des organisations syndicales et de 13.500 EUR à la fédération patronale. CHAPITRE IV. — Durée de validité Art. 4. La présente convention collective de travail sort ses effets au 25 septembre 2009 et est conclue pour une durée indéterminée, à l’exception de l’article 2 qui cesse d’être en vigueur au 1er janvier 2011. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes. Cette dénonciation doit se faire au moins trois mois à l’avance, par lettre recommandée à la poste, adressée au président de la Commission paritaire du transport et de la logistique, qui en informera sans délai les parties concernées. Le délai de trois mois prend cours à partir de la date de l’envoi de ladite lettre recommandée. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202966]F. 2010 — 2818 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant la prime d’ancienneté pour les chauffeurs occupés dans le secteur des taxis (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire du transport et de la logistique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 25 septembre 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire du transport et de la logistique, fixant la prime d’ancienneté pour les chauffeurs occupés dans le secteur des taxis. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 53292 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek Collectieve arbeidsovereenkomst van 25 september 2009 Vaststelling van de anciënniteitspremie voor de autobestuurders tewerk gesteld in de sector taxi’s (Overeenkomst geregistreerd op 27 novem ber 2009 onder het nummer 96078/CO/140) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers die een taxionderneming uitbaten en die ressorteren onder het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek alsook op hun chauffeurs. § 2. Met ″chauffeurs″ bedoelt men : de mannelijke en vrouwelijke taxichauffeurs. HOOFDSTUK II. — Juridisch kader Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collec tieve arbeidsovereenkomst van 18 december 2007 tot de vaststelling van de anciënniteitsvergoeding voor de autobestuurders tewerkgesteld in de sector taxi’s en algemeen verbindend verklaard door het koninklijk besluit van 12 augustus 2008, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2008. HOOFDSTUK III. — Anciënniteitspremie Art. 3. a) De werkgever betaalt jaarlijks een anciënniteitsvergoeding als volgt : 0,30 pct. na 3 jaar ononderbroken dienst in dezelfde onderneming; 0,70 pct. na 5 jaar ononderbroken dienst in dezelfde onderneming; 1,25 pct. na 10 jaar ononderbroken dienst in dezelfde onderneming; 1,85 pct. na 15 jaar ononderbroken dienst in dezelfde onderneming; 2,40 pct. na 20 jaar ononderbroken dienst in dezelfde onderneming. b) Basis berekening bedrag Dit percentage wordt de eerste maand van het jaar berekend op de jaarlijkse recette exclusief btw van het voorbije jaar. Het bedrag is te betalen voor het einde van deze eerste maand op voorwaarde dat : de chauffeur 200 arbeids- en/of gelijkgestelde dagen kan bewijzen voor het voorbije jaar. De dagen voor onderbreking van tijdskrediet behoren tot de gelijkgestelde dagen; de chauffeur nog steeds in dienst is op 31 december van het voorgaande jaar; de chauffeur die het bedrijf verlaat om met pensioen of brugpen sioen te gaan voor deze 31 december, en die recht zou hebben op een anciënniteitsvergoeding wegens zijn anciënniteit, behoudt dit recht mits de bepalingen van punt d). c) Basis berekening dienstperiode Voor de berekening van de dienstperiode geldt als referentiedatum de 31 december die de betaling voorafgaat (zie b). Er wordt nagegaan hoeveel jaar de rechthebbende in dienst is tussen de datum van indiensttreding en deze 31 december. Indien de rechthebbende in dienst trad vóór 1 april zal het eerste jaar als een volledig jaar beschouwd worden voor de berekening van de anciënniteit. d) Voor de gepensioneerde en bruggepensioneerde zal de anciënni teitsvergoeding uitbetaald worden binnen de maand volgend op het einde van het arbeidscontract of vóór het einde van de maand januari van het jaar nadien. de percentages zijn degene vermeld in artikel 3, a); het aantal dienstjaren wordt berekend op 31 december van het jaar van de uitdiensttreding; de recette (zonder btw) is de behaalde recette tussen 1 januari en de datum van uitdiensttreding; Annexe Commission paritaire du transport et de la logistique Convention collective de travail du 25 septembre 2009 Fixation de la prime d’ancienneté pour les chauffeurs occupés dans le secteur des taxis (Convention enregistrée le 27 novembre 2009 sous le numéro 96078/CO/140) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs qui exploitent une entreprise de taxis et qui ressortissent à la Commission paritaire du transport et de la logistique, ainsi qu’à leurs chauffeurs. § 2. Par ″chauffeurs″ on entend : les chauffeurs de taxis masculins et féminins. CHAPITRE II. — Cadre juridique Art. 2. La présente convention collective de travail remplace la convention collective de travail du 18 décembre 2007 fixant la prime d’ancienneté pour les chauffeurs occupés dans le secteur des taxis et rendue obligatoire par arrêté royal du 12 août 2008, publié au Moniteur belge du 13 octobre 2008. CHAPITRE III. — Prime d’ancienneté Art. 3. a) L’employeur paie une prime d’ancienneté annuelle comme suit : 0,30 p.c. après 3 années de service sans interruption dans la même entreprise; 0,70 p.c. après 5 années de service sans interruption dans la même entreprise; 1,25 p.c. après 10 années de service sans interruption dans la même entreprise; 1,85 p.c. après 15 années de service sans interruption dans la même entreprise; 2,40 p.c. après 20 années de service sans interruption dans la même entreprise. b) Base pour le calcul du montant Ce pourcentage sera calculé au cours du premier mois de l’année sur base de la recette annuelle hors T.V.A. du chauffeur de l’année précédente. Le montant est à payer avant la fin de ce mois à condition que : le chauffeur justifie d’au moins 200 jours de travail prestés ou assimilés au cours de l’année précédente. Les jours d’interruption de carrière sont pris en compte comme jours assimilés; le chauffeur soit toujours en service au 31 décembre de l’année précédente; le chauffeur qui quitte l’entreprise à l’occasion de sa mise en retraite ou en prépension avant ce 31 décembre, et qui aurait eu droit à sa prime en raison de son ancienneté, conserve son droit à la prime suivant les dispositions reprises au point d). c) Base pour le calcul des années de service Le 31 décembre avant le paiement (voir b) est la date de référence pour le calcul des années de services. On prend en compte le nombre d’années que l’ayant droit est en service entre la date d’entrée en service et le 31 décembre en question. Si le travailleur est entré en service avant le 1er avril, la première année sera considérée comme année entière pour le calcul de l’ancien neté. d) La prime d’ancienneté sera payée au travailleur pensionné ou prépensionné dans le courant du mois suivant la fin du contrat de travail ou avant la fin du mois de janvier de l’année suivante. les taux sont ceux repris à l’article 3, a); le nombre d’années de service est calculé à la date du 31 décembre de l’année de départ; la recette (hors T.V.A.) est celle réalisée entre le 1er janvier et la date de départ; 53293BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE de chauffeur moet een aantal arbeids- en/of gelijkgestelde dagen bewijzen (de dagen van loopbaanonderbreking/tijdskrediet behoren tot de gelijkgestelde dagen) volgens onderstaande formule : B = minimum aantal dagen A = aantal kalenderdagen tussen 1 januari en de datum van uitdiensttreding B = (200/365) X A Art. 4. Eventuele gunstigere regelingen inzake anciënniteitsver goeding op ondernemingsvlak blijven behouden. HOOFDSTUK IV. — Geldigheidsduur Art. 5. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 25 september 2009 en is gesloten voor onbepaalde duur. Zij kan door elk van de contracterende partijen worden opgezegd. Deze opzegging moet minstens drie maanden op voorhand geschieden bij een ter post aangetekende brief, gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, die zonder verwijl de betrokken partijen in kennis zal stellen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van verzending van bovengenoemde aangetekende brief. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202819]N. 2010 — 2819 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de voedings nijverheid; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2009, geslo ten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. le chauffeur doit justifier d’un nombre de jours prestés ou assimilés (les jours d’interruption de carrière/crédit-temps sont pris en compte comme jours assimilés) suivant la formule reprise ci-dessous : B = nombre de jours minimum A = nombre de jours calendrier entre le 1er janvier et la date de départ B = (200/365) X A Art. 4. Les régimes plus favorables existant éventuellement au niveau de l’entreprise en matière de prime d’ancienneté sont mainte nus. CHAPITRE IV. — Durée de validité Art. 5. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 25 septembre 2009 et est conclue pour une durée indéterminée. Elle peut être dénoncée par chacune des parties contractantes. Cette dénonciation doit se faire au moins trois mois à l’avance par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire du transport et de la logistique, qui en avisera sans délai les parties intéressées. Le délai de trois mois prend cours à la date d’envoi de la lettre recommandée précitée. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202819]F. 2010 — 2819 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 10 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, relative au statut de la délégation syndicale (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 10 juillet 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, relative au statut de la délégation syndicale. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 53294 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Comité voor de voedingsnijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2009 Statuut van de syndicale afvaardiging (Overeenkomst geregistreerd op 29 oktober 2009 onder het nummer 95408/CO/118) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers en op de arbeiders van de voedingsnijverheid. § 2. Met ″arbeiders″ worden de mannelijke en de vrouwelijke arbeiders bedoeld. HOOFDSTUK II. — Algemene principes Art. 2. De in artikel 6 bepaalde ondernemingen kennen aan hun arbeiders die lid zijn van één van de ondertekenende werknemersor ganisaties het recht toe zich bij hen te laten vertegenwoordigen door een syndicale afvaardiging, waarvan het statuut bepaald wordt door deze collectieve arbeidsovereenkomst. Art. 3. De ondernemingshoofden verbinden zich ertoe de syndicale afvaardiging van de arbeiders te ontvangen. Zij zullen geen enkele druk uitoefenen op het personeel om hen te beletten zich aan te sluiten bij een vakvereniging en zullen de niet-georganiseerde arbeiders geen andere voorrechten verlenen dan de georganiseerde arbeiders. Art. 4. De ondertekenende partijen verbinden zich ertoe hun leden aan te bevelen : a) blijk te geven van een geest van rechtvaardigheid, billijkheid en verzoening; b) de sociale wetgeving, het arbeidsreglement en de collectieve arbeidsovereenkomsten na te leven; c) hun inspanningen te bundelen met het oog op het scheppen van goede sociale verhoudingen in de onderneming. Art. 5. De ondertekenende werknemersorganisaties verbinden zich ertoe, door eerbiediging van de vrijheid van vereniging, er over te waken dat hun leden uit hun syndicale propaganda de methodes zouden weren die in tegenstrijd zijn met de geest van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op 24 mei 1971 in de Nationale Arbeids raad betreffende het statuut van de syndicale afvaardigingen van het personeel der ondernemingen en van deze collectieve arbeidsovereen komst. HOOFDSTUK III. — Instelling en samenstelling van de syndicale afvaardiging ″arbeiders″ Art. 6. § 1. Een syndicale afvaardiging kan opgericht worden in de ondernemingen die 25 werknemers tewerk stellen. § 2. In de ondernemingen die tussen de 20 en 75 arbeiders tewerkstellen, dient minstens de helft van de arbeiders aangesloten te zijn bij een van de representatieve werknemersorganisaties. In de ondernemingen die meer dan 75 arbeiders tewerkstellen, dient minstens 1/3 van de arbeiders aangesloten te zijn bij een van de representatieve werknemersorganisaties. De drempel van 25 werknemers wordt berekend aan de hand van de gemiddelde tewerkstelling van werknemers en interim-werknemers over de vier laatste trimesters die de aanvraag tot instelling van de vakbondsafvaardiging voorafgaan en dat in functie van het aantal werkdagen dat elke werknemer of interim-werknemer in de loop van het refertejaar in dienst is geweest. De tewerkstelling wordt berekend in voltijds equivalenten, waarbij een deeltijdse werknemer met een uurregeling van 75 pct. of meer voor een voltijdse telt en een werknemer met een uurregeling van minder dan 75 pct. voor een halftijdse telt. Langdurige zieken, dit zijn de werknemers die meer dan 3 maanden ziek zijn en werknemers in volledige onderbreking van hun prestaties tellen niet mee in deze berekening. § 3. In deze collectieve arbeidsovereenkomst verstaat men onder ″onderneming″ : de technische bedrijfseenheid, in de zin van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. § 4. In de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerk stellen een syndicale delegatie slechts worden opgericht indien de helft van de arbeiders daarom vraagt. Annexe Commission paritaire de l’industrie alimentaire Convention collective de travail du 10 juillet 2009 Statut de la délégation syndicale (Convention enregistrée le 29 octobre 2009 sous le numéro 95408/CO/118) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs et aux ouvriers de l’industrie alimentaire. § 2. Par ″ouvriers″ sont visés : les ouvriers masculins et féminins. CHAPITRE II. — Principes généraux Art. 2. Les entreprises visées à l’article 6 reconnaissent à leurs ouvriers affiliés à une des organisations de travailleurs signataires, le droit de se faire représenter auprès d’eux par une délégation syndicale, dont le statut est régi par la présente convention collective de travail. Art. 3. Les chefs d’entreprises s’engagent à recevoir la délégation syndicale des ouvriers. Ils n’exerceront aucune pression sur le person nel pour l’empêcher de se syndiquer et ils ne consentiront pas d’autres prérogatives aux ouvriers non syndiqués qu’aux ouvriers syndiqués. Art. 4. Les parties signataires s’engagent à recommander à leurs affiliés : a) de faire montre d’un esprit de justice, d’équité et de conciliation; b) de respecter la législation sociale, le règlement de travail et les conventions collectives de travail; c) de conjuguer leurs efforts en vue de créer de bonnes relations sociales dans l’entreprise. Art. 5. Les organisations de travailleurs signataires s’engagent, en respectant la liberté d’association, à veiller à ce que leurs membres excluent de leur propagande syndicale les méthodes qui seraient contraires à l’esprit de la convention collective de travail conclue le 24 mai 1971 au sein du Conseil national du travail concernant le statut des délégations syndicales du personnel des entreprises et de la présente convention collective de travail. CHAPITRE III. — Institution et composition de la délégation syndicale ″ouvriers″ Art. 6. § 1er. Une délégation syndicale peut être instituée dans les entreprises occupant 25 travailleurs. § 2. Dans les entreprises occupant entre 20 et 75 ouvriers, au moins la moitié des ouvriers doivent être affiliés à une des organisations représentatives de travailleurs. Dans les entreprises occupant plus de 75 ouvriers, au moins 1/3 des ouvriers doivent être affiliés à une des organisations représentatives de travailleurs. Le seuil de 25 travailleurs est calculé sur base de l’occupation moyenne des travailleurs et travailleurs intérimaires des quatre der niers trimestres qui précèdent la demande d’installation de la déléga tion syndicale et en fonction du nombre de jours de travail au cours desquels chaque travailleur ou travailleur intérimaire a été en service au cours de l’année de référence. L’emploi est calculé en équivalents temps plein, un travailleur à temps partiel occupé avec un régime de 75 p.c. ou plus comptant pour un temps plein et un travailleur à temps partiel occupé avec un régime de moins de 75 p.c. comptant pour un mi-temps. Les malades de longue durée, à savoir les travailleurs malades depuis plus de 3 mois, et les travailleurs en interruption complète de carrière, ne comptent pas dans ce calcul. § 3. Dans la présente convention collective de travail, on entend par ″entreprise″ : l’unité technique d’exploitation, au sens de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie. § 4. Dans les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, une délégation syndicale peut être installée uniquement si la moitié des ouvriers le demande. 53295BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De drempel van 50 werknemers wordt berekend zoals bepaald in paragraaf 2. Paritair commentaar De helft van de arbeiders = de helft van de arbeiders afgerond naar een hogere eenheid. Art. 7. § 1. De vraag tot oprichting van een syndicale afvaardiging moet per aangetekende brief ingediend worden bij de ondernemings hoofden door minstens één werknemersorganisatie, na overleg met de andere werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in het Paritair Comité van de voedingsnijverheid. Kopie van de aanvraag dient bezorgd te worden aan de representa tieve werkgeversorganisaties die in het paritair comité zetelen. § 2. In de aanvraag moet verklaard worden, dat het aantal georganiseerden het niveau bereikt, voorzien bij artikel 6. § 3. Ingeval er geen akkoord bestaat tussen de werknemersorganisa ties en de ondernemingen doet men beroep op de voorzitter van het paritair comité teneinde het aantal georganiseerde arbeiders na te gaan. § 4. In de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerk stellen dienen de werknemersorganisaties gelijktijdig met de aanvraag tot instelling van een syndicale delegatie zoals bedoeld in paragraaf 1, de namen van de kandidaat-syndicaal afgevaardigden in bij de voorzitter van het paritair comité. De drempel van 50 werknemers wordt berekend naar analogie met de berekening van de drempel van 25 werknemers bepaald in artikel 6, § 2. § 5. In ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerkstellen beschikt de werkgever over een termijn van 14 kalenderdagen om de installatie van een syndicale afvaardiging te betwisten door middel van een aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het paritair comité. Deze termijn neemt een aanvang de eerste kalenderdag na het ontvangen van het aangetekend schrijven zoals bepaald in paragraaf 1 van dit artikel. Indien de werkgever de installatie van de syndicale delegatie betwist, dan beschikt de voorzitter van het paritair comité over 30 kalenderda gen om een referendum bij het arbeiderspersoneel te organiseren. Deze termijn neemt een aanvang de eerste kalenderdag na het ontvangen van de aangetekende brief van de werkgever gericht aan de voorzitter van het paritair comité. De drempel van 50 werknemers wordt berekend naar analogie met de berekening van de drempel van 25 werknemers bepaald in artikel 6, § 2. Art. 8. Het aantal mandaten bedraagt, in functie van het aantal arbeiders van de onderneming, ongeacht het totaal aantal werknemers : 20 à 75 arbeiders : 2 afgevaardigden; 76 à 150 arbeiders : 3 afgevaardigden; 151 à 300 arbeiders : 4 afgevaardigden; 301 à 500 arbeiders : 5 afgevaardigden; 501 à 1000 arbeiders : 6 afgevaardigden; 1 001 à 2 000 arbeiders : 8 afgevaardigden; 2001 en meer arbeiders : 10 afgevaardigden. Art. 9. In de ondernemingen die tussen de 20 en 39 arbeiders tewerkstellen, is de syndicale afvaardiging uitsluitend samengesteld uit effectieve afgevaardigden. In de ondernemingen die meer dan 39 arbeiders tewerkstellen, is de syndicale afvaardiging samengesteld uit effectieve afgevaardigden en uit plaatsvervangende afgevaardigden. Er zijn evenveel plaatsvervan gers als effectieven. Art. 10. Het aantal mandaten wordt bepaald op basis van het aantal arbeiders (voltijdsen en deeltijdsen, in hoofden uitgedrukt) in dienst van de onderneming op het ogenblik van de aanvraag tot instelling van de syndicale afvaardiging of van de herziening van het aantal mandaten. Langdurige zieken, dit zijn de arbeiders die meer dan 3 maanden ziek zijn en arbeiders in volledige onderbreking van hun prestaties tellen niet mee in deze berekening. Het aantal mandaten wordt in principe per 4 jaar vastgesteld, binnen de zes maanden na het afsluiten van de sociale verkiezingen. In ondernemingen zonder syndicale afvaardiging kan de instelling van een afvaardiging evenwel op elk ogenblik gebeuren. Le seuil de 50 travailleurs est calculé selon les modalités reprises dans le paragraphe 2. Commentaire paritaire La moitié des ouvriers = la moitié des ouvriers arrondie vers l’unité supérieure. Art. 7. § 1er. La demande d’institution d’une délégation syndicale doit être faite par lettre recommandée aux chefs d’entreprises par au moins une des organisations de travailleurs, après concertation avec les autres organisations de travailleurs représentées au sein de la Commis sion paritaire de l’industrie alimentaire. Copie de la demande sera transmise aux organisations représentati ves d’employeurs qui siègent à la commission paritaire. § 2. Dans la demande, il doit être déclaré que le nombre de syndiqués atteint le niveau prévu à l’article 6. § 3. En cas de désaccord entre les organisations de travailleurs et les entreprises, il est fait appel au président de la commission paritaire, afin que soit vérifié le nombre d’ouvriers syndiqués. § 4. Dans les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, les syndicats déposent le nom des candidats auprès du président de la commission paritaire au moment de la demande d’installation d’une délégation syndicale comme repris dans le paragraphe 1er. Le seuil de 50 travailleurs est calculé par analogie avec le calcul du seuil de 25 travailleurs repris dans l’article 6, § 2. § 5. Dans les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, l’employeur dispose d’une période de 14 jours calendrier pour contester l’installa tion d’une délégation syndicale moyennant lettre recommandée au président de la commission paritaire. Cette période prend cours le premier jour calendrier après la réception de la lettre recommandée comme prévu dans le paragraphe 1er de cet article. Si l’employeur conteste l’installation d’une délégation syndicale, le président de la commission paritaire dispose de 30 jours calendrier pour organiser un référendum auprès du personnel ouvrier. Ce délai prend cours le premier jour ouvrable après la réception de la lettre recommandée de l’employeur adressée au président de la commission paritaire. Le seuil de 50 travailleurs est calculé par analogie avec le calcul du seuil de 25 travailleurs repris dans l’article 6, § 2. Art. 8. Le nombre de mandats s’élève, en fonction du nombre d’ouvriers de l’entreprise, indépendamment du nombre total de travailleurs, à : 20 à 75 ouvriers : 2 délégués; 76 à 150 ouvriers : 3 délégués; 151 à 300 ouvriers : 4 délégués; 301 à 500 ouvriers : 5 délégués; 501 à 1 000 ouvriers : 6 délégués; 1 001 à 2 000 ouvriers : 8 délégués; 2 001 ouvriers et plus : 10 délégués. Art. 9. Dans les entreprises occupant entre 20 et 39 ouvriers, la délégation syndicale est exclusivement composée de délégués effectifs. Dans les entreprises occupant plus de 39 ouvriers, la délégation syndicale est composée de délégués effectifs et de délégués suppléants. Il y a autant de suppléants que d’effectifs. Art. 10. Le nombre de mandats est déterminé sur base du nombre d’ouvriers (à temps plein et à temps partiel, exprimé en têtes) qui sont au service de l’entreprise au moment de la demande d’installation d’une délégation syndicale ou au moment de la révision du nombre de mandats. Les malades de longue durée, à savoir les ouvriers malades depuis plus de 3 mois, et les ouvriers en interruption complète de carrière, ne comptent pas dans ce calcul. Le nombre de mandats est fixé en principe tous les 4 ans, endéans les six mois qui suivent la clôture des élections sociales. Dans les entreprises sans délégation syndicale, l’instauration d’une délégation peut toutefois se faire à tout moment. 53296 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE In geval van betwisting omtrent het aantal arbeiders tewerkgesteld in een onderneming, wordt beroep gedaan op de tussenkomst van de voorzitter van het paritair comité. Art. 11. Om de functies van effectief of plaatsvervangend afgevaar digde te kunnen vervullen, moeten de arbeiders voldoen aan de volgende voorwaarden : a) van Belgische nationaliteit of een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, of houder van een arbeidsvergunning A; b) de leeftijd van ten volle 18 jaar bereikt hebben; c) sedert minstens drie jaren als arbeider gewerkt hebben en minstens twaalf opeenvolgende maanden aanwezigheid tellen in de onderne ming; d) niet in opzeggingstermijn zijn op het ogenblik van de aanwijzing; e) aangesloten zijn bij één der ondertekenende werknemersorganisa ties van deze collectieve arbeidsovereenkomst. Art. 12. De syndicale afgevaardigden worden door de werknemer sorganisaties aangeduid, rekening houdend met het gezag waarover zij moeten beschikken bij de uitoefening van hun delicate functies en met hun bevoegdheid die een goede kennis van de onderneming en van de bedrijfstak omvat. Art. 13. De ondertekenende werknemersorganisaties verbinden zich ertoe zich onderling akkoord te stellen, eventueel door beroep te doen op het verzoeningsinitiatief van de voorzitter van het paritair comité voor de aanwijzing in de ondernemingen van een gemeenschap pelijke syndicale afvaardiging, rekening houdend met het aantal afgevaardigden dat zij moeten omvatten en van het aan iedere vertegenwoordigde werknemersorganisatie toekomend aantal in ver houding tot zijn aantal aangesloten leden. De werknemersorganisaties die te dien einde, na een tweede oproep door de voorzitter van het paritair comité, verstek laten gaan of de nodige documenten niet kunnen voorleggen, worden geacht geen kandidaten voor te dragen. De ondertekenende werknemersorganisaties maken aan het onder nemingshoofd een lijst over van de voorgestelde effectieve en plaats vervangende afgevaardigden en dit ten laatste binnen 45 kalenderda gen die volgen op de aanvraag voorzien bij artikel 7, § 1, of binnen de 45 kalenderdagen die volgen op de afronding van de procedure voorzien in artikel 7, § 5. Art. 14. De plaatsvervangende afgevaardigden worden geroepen om te zetelen in vervanging van een overleden, een ontslagnemend lid, of een lid dat de voorwaarden, vastgesteld bij artikel 11, niet meer vervult, of waarvan het mandaat beëindigd is krachtens de bepalingen voorzien bij artikel 24. Zij kunnen eveneens zetelen in vervanging van een effectief lid met instemming van deze laatste. Art. 15. Het ondernemingshoofd mag zich steeds verzetten, uit hoofde van ernstige redenen, tegen de aanwijzing of het behoud van een afgevaardigde. In het eerste geval laat het ondernemingshoofd aan de werknemer sorganisaties de reden kennen van zijn verzet en dit binnen de 28 kalenderdagen die volgen op de mededeling van de lijst voorzien bij alinea drie van artikel 13. In geval tussen de partijen geen akkoord bereikt wordt, wordt de zaak aan het verzoeningsbureau van het paritair comité voorgelegd dat terzake zal adviseren na de partijen, eventueel bijgestaan door hun raadgever, te hebben gehoord. Art. 16. Iedere werknemersorganisatie zal tijdig en dit volgens de modaliteiten voorzien bij de artikelen 13 en 15 van dit statuut, voorzien in de vervanging van de afgevaardigden die hun functies stopzetten. HOOFDSTUK IV. — Bevoegdheid van de syndicale afvaardiging Art. 17. De bevoegdheid van de syndicale afvaardiging heeft onder meer, samen met deze van de gewestelijke vakbondssecretarissen, betrekking op : 1) de arbeidsverhoudingen; 2) de onderhandelingen met het oog op het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en akkoorden in de schoot van de onderne ming, onverminderd de collectieve arbeidsovereenkomsten of akkoor den gesloten op andere vlakken; 3) de toepassing, in de onderneming, van de sociale wetgeving, de collectieve arbeidsovereenkomsten, het arbeidsreglement en de indivi duele arbeidsovereenkomsten; En cas de contestation au sujet du nombre d’ouvriers occupés dans une entreprise, il est fait appel à l’intervention du président de la commission paritaire. Art. 11. Pour pouvoir remplir les fonctions de délégué effectif ou suppléant, les ouvriers doivent répondre aux conditions suivantes : a) être de nationalité belge ou ressortissant d’un état membre de l’Union européenne, ou titulaire d’un permis de travail A; b) être âgés de 18 ans accomplis; c) avoir travaillé en qualité d’ouvrier depuis au moins trois ans et compter au moins douze mois consécutifs de présence dans l’entre prise; d) ne pas être en période de préavis au moment de sa présentation; e) être affiliés à l’une des organisations de travailleurs signataires de la présente convention collective de travail. Art. 12. Les délégués syndicaux sont désignés par les organisations de travailleurs, compte tenu de l’autorité dont ils doivent disposer dans l’exercice de leurs délicates fonctions et pour leur compétence qui comporte une bonne connaissance de l’entreprise et de la branche d’activité. Art. 13. Les organisations de travailleurs signataires s’engagent à se mettre d’accord entre elles, éventuellement en recourant à l’initiative conciliatrice du président de la commission paritaire pour la désigna tion, dans les entreprises, d’une délégation syndicale commune, compte tenu du nombre de délégués qu’elle doit comporter et du nombre qui revient à chaque organisation de travailleurs représentée, en fonction de l’effectif de ses affiliés. Les organisations de travailleurs qui à cet effet, après un deuxième rappel du président de la commission paritaire, font défaut ou ne peuvent présenter les documents nécessaires, sont présumées ne pas proposer de candidats. Les organisations de travailleurs signataires communiquent au chef d’entreprise la liste des délégués effectifs et suppléants proposés, au plus tard dans les 45 jours calendrier qui suivent la demande prévue à l’article 7, § 1er, ou dans les 45 jours calendrier qui suivent la clôture de la procédure prévue à l’article 7, § 5. Art. 14. Les délégués suppléants sont appelés à siéger en remplace ment d’un délégué décédé, démissionnaire, ou ne remplissant plus les conditions fixées à l’article 11, ou dont le mandat est venu à expiration suivant les dispositions prévues à l’article 24. Ils peuvent également siéger en remplacement d’un délégué effectif avec l’accord de celui-ci. Art. 15. Le chef d’entreprise peut toujours s’opposer, pour des motifs sérieux, à la désignation ou au maintien d’un délégué. Dans le premier cas, le chef d’entreprise fait connaître aux organisa tions des travailleurs en cause les motifs d’opposition, dans les 28 jours calendrier qui suivent la communication de la liste prévue à l’article 13, troisième alinéa. En cas de désaccord entre les parties, la question est soumise au bureau de conciliation de la commission paritaire qui avisera après avoir entendu les parties éventuellement assistées de leur conseil. Art. 16. Chaque organisation de travailleurs pourvoira en temps utile, et selon les modalités prévues aux articles 13 et 15 du présent statut, au remplacement des délégués qui viendraient à cesser leurs fonctions. CHAPITRE IV. — Compétence de la délégation syndicale Art. 17. La compétence de la délégation syndicale concerne, entre autres, conjointement avec les secrétaires syndicaux régionaux : 1) les relations de travail; 2) les négociations en vue de la conclusion des conventions collecti ves de travail et accords collectifs au sein de l’entreprise, sans préjudice des conventions collectives de travail ou accords conclus à d’autres niveaux; 3) l’application, dans l’entreprise, de la législation sociale, des conventions collectives de travail, du règlement de travail et des contrats individuels de travail; 53297BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 4) het eerbiedigen van de algemene principes, vastgelegd bij de artikelen 2 tot 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 mei 1971 van de Nationale Arbeidsraad, betreffende het statuut van de syndicale afvaardigingen van het personeel der ondernemingen; 5) het arbeidstempo en -ritme. Art. 18. De syndicale afvaardiging is niet bevoegd kwesties te behandelen die onder de bevoegdheid vallen van de paritaire organen, die op het vlak van de onderneming opgericht zijn of worden krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling, namelijk de ondernemings raad en het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bovengenoemde afvaardiging mag evenwel waken over de oprich ting en de werking van deze organismen, en over de toepassing van de beslissingen die deze voor de arbeiders zouden genomen hebben. Art. 19. De syndicale afvaardiging heeft het recht door het onder nemingshoofd of door zijn vertegenwoordiger te worden ontvangen, naar aanleiding van ieder geschil of betwisting van collectieve aard, die in de onderneming voorkomt. Hetzelfde recht komt haar toe, wanneer dergelijke geschillen of betwistingen dreigen uit te breken. Art. 20. Iedere individuele klacht wordt door de betrokken arbei der, op zijn aanvraag bijgestaan door zijn syndicale afgevaardigde, langs de gewone hiërarchische weg voorgelegd. De syndicale afvaardiging heeft het recht te worden ontvangen naar aanleiding van alle geschillen of betwistingen van individuele aard, die niet langs deze weg konden opgelost worden. Art. 21. Teneinde de geschillen of betwistingen bedoeld bij de artikelen 19 en 20 hierboven te voorkomen, moet de syndicale afvaardiging voorafgaandelijk door het ondernemingshoofd ingelicht worden over de veranderingen die de contractuele of gebruikelijke arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden zouden kunnen wijzigen, met uitsluiting van de inlichtingen van individuele aard. Zij wordt met name ingelicht over de wijzigingen die voortspruiten uit de wet, de collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen van algemene aard, die in de individuele contracten voorkomen en in het bijzonder over de bepalingen die een weerslag hebben op het gedrag van de bezoldiging en de regels van de beroepenclassificatie. Art. 22. Het ondernemingshoofd of zijn vertegenwoordiger ont vangt de syndicale afvaardiging ten laatste binnen de acht kalender dagen die volgen op het indienen van de aanvraag. HOOFDSTUK V. — Statuut van de leden der syndicale afvaardiging Art. 23. Het mandaat van de syndicale afgevaardigden duurt vier jaar; het is stilzwijgend hernieuwbaar, voor zover de voorwaarden voorzien bij hoofdstuk III van deze collectieve arbeidsovereenkomst nog steeds vervuld zijn. Art. 24. Het mandaat van syndicaal afgevaardigde neemt een einde : a) behoudens stilzwijgende hernieuwing, bij zijn normale verstrij king; b) bij schriftelijk betekend ontslag van de afgevaardigde; c) wanneer de afgevaardigde geen deel meer uitmaakt van het personeel van de onderneming; d) door overplaatsing van de ene technische bedrijfseenheid naar een andere; e) wanneer de afgevaardigde geen deel meer uitmaakt van de werknemersorganisatie waarvan hij lid was op het ogenblik van zijn aanwijzing; f) wanneer zijn mandaat hem door zijn werknemersorganisatie wordt ontnomen. In het geval bedoeld onder d) hierboven, geniet de betrokkene nochtans, vanaf de datum van zijn overplaatsing, van de beschermings periode voorzien bij de artikelen 26 tot 28 van dit statuut. In de gevallen bedoeld onder e) en f) hierboven, verwittigt de betrokken werknemersorganisatie het ondernemingshoofd per aange tekend schrijven en stelt indien nodig de plaatsvervanger voor met inachtneming van de procedure voorzien bij de artikelen 12 tot 15 van dit statuut. Art. 25. Het mandaat van syndicaal afgevaardigde mag geen aanleiding geven tot enig nadeel noch tot speciale voordelen voor degene die het uitoefent. Dit betekent dat de syndicale afgevaardigden genieten van de normale promoties en bevorderingen van de categorie van arbeiders waartoe zij behoren. 4) le respect des principes généraux, précisés aux articles 2 à 5 de la convention collective de travail du 24 mai 1971 du Conseil national du travail, concernant le statut des délégations syndicales du personnel des entreprises; 5) la cadence et le rythme de travail. Art. 18. La délégation syndicale n’est pas compétente pour traiter des questions qui relèvent de la compétence d’organismes paritaires, créés ou à créer au niveau de l’entreprise par une disposition légale ou réglementaire, notamment le conseil d’entreprise et le comité pour la prévention et la protection au travail. Toutefois, la susdite délégation peut veiller à la constitution et au fonctionnement de ces organismes, et à l’application des décisions que ceux-ci auraient prises pour les ouvriers. Art. 19. La délégation syndicale a le droit d’être reçue par le chef d’entreprise ou par son représentant, à l’occasion de tout litige ou différend de caractère collectif, survenant dans l’entreprise. Le même droit lui appartient en cas de menace de pareils litiges ou différends. Art. 20. Toute réclamation individuelle est présentée en suivant la voie hiérarchique habituelle par l’ouvrier intéressé, assisté, à sa demande, par son délégué syndical. La délégation syndicale a le droit d’être reçue à l’occasion de tous les litiges ou différends de caractère individuel, qui n’ont pu être résolus par cette voie. Art. 21. En vue de prévenir les litiges ou différends visés aux articles 19 et 20 ci-dessus, la délégation syndicale doit être informée, préalablement, par le chef d’entreprise, des changements susceptibles de modifier les conditions contractuelles ou habituelles de travail et de rémunération, à l’exclusion des informations à caractère individuel. Elle est notamment informée des changements résultant de la loi, des conventions collectives de travail ou des dispositions à caractère général, figurant dans les contrats de travail individuels, en particulier des dispositions ayant une incidence sur les taux de rémunération et des règles de classification professionnelle. Art. 22. Le chef d’entreprise ou son représentant reçoit la délégation syndicale, au plus tard dans les huit jours calendrier qui suivent l’introduction de la demande. CHAPITRE V. — Statut des membres de la délégation syndicale Art. 23. Le mandat des délégués syndicaux a une durée de quatre ans; il est renouvelable par tacite reconduction, pour autant que les conditions prévues au chapitre III de la présente convention collective de travail soient toujours remplies. Art. 24. Le mandat de délégué syndical prend fin : a) sauf tacite reconduction, à son expiration normale; b) par démission du délégué, signifiée par écrit; c) lorsque le délégué cesse de faire partie du personnel de l’entre prise; d) par transfert d’une unité technique d’exploitation à une autre; e) lorsque le délégué cesse de faire partie de l’organisation de travailleurs dont il était membre au moment de sa désignation; f) lorsque son mandat lui est retiré par son organisation de travailleurs. Dans le cas visé au d) ci-dessus, l’intéressé bénéficie néanmoins, à partir de la date de son transfert, de la période de protection prévue aux articles 26 à 28 du présent statut. Dans les cas visés au e) et f) ci-dessus, l’organisation de travailleurs intéressée avertit le chef d’entreprise, par lettre recommandée, et propose le suppléant s’il y a lieu, en suivant la procédure prévue aux articles 12 à 15 du présent statut. Art. 25. Le mandat de délégué syndical ne peut entraîner ni préjudice ni avantages spéciaux pour celui qui l’exerce. Cela signifie que les délégués syndicaux jouissent des promotions et avancements normaux de la catégorie d’ouvriers à laquelle ils appartiennent. 53298 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 26. De leden van de syndicale afvaardiging mogen niet afgedankt worden om redenen die verband houden met de normale uitoefening van hun mandaat en die stroken met deze collectieve arbeidsovereenkomst. De werkgever die overweegt een syndicale afgevaardigde af te danken om welke reden ook, dringende reden uitgezonderd, moet hiervan de syndicale afvaardiging voorafgaandelijk in kennis stellen evenals de werknemersorganisatie die de kandidatuur van deze afgevaardigde ingediend heeft. Deze kennisgeving wordt betekend per aangetekend schrijven dat slechts van kracht wordt op de derde kalenderdag na de afgifte ter post. De betrokken werknemersorganisatie beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om zijn gemotiveerde weigering voor het erkennen van de geldigheid van het voorgenomen ontslag te betekenen. Deze betekening gebeurt bij aangetekend schrijven; de periode van 14 kalenderdagen neemt een aanvang op de dag dat het schrijven toegezonden door de werkgever, van kracht wordt. De ontstentenis van reactie vanwege de werknemersorganisatie wordt beschouwd als een erkenning van de geldigheid van de voorgenomen afdanking. Indien de werknemersorganisatie weigert de geldigheid van de voorgenomen afdanking te erkennen, staat het de meest gerede partij vrij het geval voor te leggen aan de beoordeling van het verzoenings bureau van het paritair comité; de uitvoering van de afdankingsmaat regel mag tijdens de duur van de procedure niet getroffen worden. Indien het verzoeningsbureau niet tot een éénparige beslissing kan komen binnen de dertig kalenderdagen na het verzoek tot tussenkomst, mag het geschil inzake de geldigheid van de redenen door het ondernemingshoofd ingeroepen om de afdanking te rechtvaardigen, aan de Arbeidsrechtbank worden voorgelegd. Art. 27. In geval van afdanking van een syndicaal afgevaardigde wegens dringende reden, wordt de syndicale afvaardiging hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht. Art. 28. § 1. Het ondernemingshoofd is een forfaitaire vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen : 1) indien hij een syndicale afgevaardigde afdankt zonder de proce dure te eerbiedigen voorzien bij artikel 26 hierboven; 2) indien, bij het einde van deze procedure de geldigheid van de ontslagredenen, tegenover de bepalingen van artikel 26, door het verzoeningsbureau of door de Arbeidsrechtbank niet wordt erkend; 3) indien het ondernemingshoofd de afgevaardigde ontslagen heeft uit hoofde van dringende reden en de Arbeidsrechtbank het ontslag als ongegrond verklaard heeft; 4) indien de arbeidsovereenkomst een einde genomen heeft uit hoofde van een ernstige fout van de werkgever, die voor de afgevaar digde een reden vormt voor onmiddellijke verbreking van de overeen komst. De forfaitaire vergoeding is gelijk aan het normale loon van één jaar, onverminderd de toepassing van artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (Belgisch Staatsblad van 22 augus tus 1978). Deze vergoeding is niet verschuldigd wanneer de syndicale afgevaar digde een vergoeding geniet voorzien bij hoofdstuk IV van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de perso neelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid en, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden. § 2. In de ondernemingen die minder dan 50 werknemers tewerk stellen worden de kandidaten waarvan de namen krachtens artikel 7, § 4, werden neergelegd bij de voorzitter van het paritair comité en die geen syndicaal afgevaardigde worden, als volgt beschermd : zij ontvan gen een vergoeding van 1 jaar loon indien zij worden ontslagen binnen de 2 jaren na de neerlegging van hun kandidatuur. De drempel van 50 werknemers wordt berekend naar analogie met de berekening van de drempel van 25 werknemers bepaald in artikel 6, § 2. HOOFDSTUK VI. — Uitoefeningsvoorwaarden van het mandaat van syndicale afgevaardigde Art. 29. De syndicale afvaardiging wordt, naargelang de noodzaak, ontvangen door het ondernemingshoofd of door zijn vertegenwoordi ger. Art. 30. De syndicale afvaardiging, voltallig of gedeeltelijk, komt met de werkgever samen gedurende de normale werkuren. Art. 26. Les membres de la délégation syndicale ne peuvent pas être licenciés pour des motifs inhérents à l’exercice normal de leur mandat et conformes à la présente convention collective de travail. L’employeur qui envisage de licencier un délégué syndical pour quelque motif que ce soit, sauf pour motif grave, doit en informer préalablement la délégation syndicale, ainsi que l’organisation de travailleurs qui a présenté la candidature de ce délégué. Cette information se fait par lettre recommandée, produisant ses effets le troisième jour calendrier suivant la date de son expédition. L’organisation de travailleurs concernée dispose d’un délai de 14 jours calendrier pour notifier son refus motivé d’admettre la validité du licenciement envisagé. Cette notification se fait par lettre recommandée; la période de 14 jours calendrier débute le jour où la lettre envoyée par l’employeur produit ses effets. L’absence de réaction de l’organisation de travailleurs est à considé rer comme une acceptation de la validité du licenciement envisagé. Si l’organisation de travailleurs refuse d’admettre la validité du licenciement envisagé, la partie la plus diligente a la faculté de soumettre le cas à l’appréciation du bureau de conciliation de la commission paritaire; l’exécution de la mesure de licenciement ne peut intervenir pendant la durée de cette procédure. Si le bureau de conciliation n’a pu arriver à une décision unanime dans les trente jours calendrier de la demande d’intervention, le litige concernant la validité des motifs invoqués par le chef d’entreprise pour justifier le licenciement peut être soumis au Tribunal du travail. Art. 27. En cas de licenciement d’un délégué syndical pour motif grave, la délégation syndicale doit en être informée immédiatement. Art. 28. § 1er. Une indemnité forfaitaire est due par le chef d’entreprise dans les cas suivants : 1) s’il licencie un délégué syndical sans respecter la procédure prévue à l’article 26 ci-dessus; 2) si, au terme de cette procédure, la validité des motifs de licenciement, au regard des dispositions de l’article 26, n’est pas reconnue par le bureau de conciliation ou par le Tribunal du travail; 3) si le chef d’entreprise a licencié le délégué pour motif grave et que le Tribunal du travail a déclaré le licenciement non fondé; 4) si le contrat de travail a pris fin en raison d’une faute grave de l’employeur, qui constitue, pour le délégué, un motif de résiliation immédiate du contrat. L’indemnité forfaitaire est égale au salaire normal d’un an, sans préjudice de l’application de l’article 37 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail (Moniteur belge du 22 août 1978). Cette indemnité n’est pas due lorsque le délégué syndical bénéficie d’une indemnité prévue par le chapitre IV de la loi du 19 mars 1991 portant un régime de licenciement particulier pour les délégués du personnel aux conseils d’entreprise et aux comités de sécurité, d’hygiène et d’embellissement des lieux de travail, ainsi que pour les candidats délégués du personnel. § 2. Dans les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, les candidats dont le nom a été déposé auprès du président de la commission paritaire en vertu de l’article 7, § 4, et qui ne deviennent pas délégués syndicaux, seront protégés comme suit : ils reçoivent un an de salaire en cas de licenciement endéans les 2 ans qui suivent la remise de leur candidature. Le seuil de 50 travailleurs est calculé par analogie avec le calcul du seuil de 25 travailleurs repris dans l’article 6, § 2. CHAPITRE VI. — Conditions d’exercice du mandat de délégué syndical Art. 29. La délégation syndicale est reçue, suivant les nécessités, par le chef d’entreprise ou son représentant. Art. 30. La délégation syndicale, plénière ou partielle, se réunit avec l’employeur pendant les heures normales du travail. 53299BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 31. De tijd die aan de vergaderingen van de syndicale afvaardiging met de werkgever besteed werd, wordt als arbeidspres tatie aanzien en wordt vergoed tegen het normale loon. Art. 32. De leden van de syndicale afvaardiging beschikken over de nodige tijd en mogelijkheden - te bepalen in gemeenschappelijk overleg met het ondernemingshoofd en bezoldigd als werktijd - om collectief of individueel de syndicale opdrachten of activiteiten in de onderneming uit te oefenen, voorzien door dit statuut. In het vooruitzicht van het gebruik van deze tijd en mogelijkheden, verwittigen de leden van de syndicale afvaardiging voorafgaandelijk het ondernemingshoofd en waken er over in gemeenschappelijk overleg met hem, dat dit gebruik de goede werking van de diensten der onderneming niet in het gedrang brengt. De onderneming stelt een lokaal ter beschikking van de syndicale afvaardiging - hetzij permanent, hetzij tijdelijk - teneinde haar in staat te stellen haar taak behoorlijk te vervullen. Art. 33. De syndicale afvaardiging mag, voor de voorbereiding van de vergaderingen met de werkgever, samenkomen binnen de onderne ming, mits het voorafgaandelijk akkoord van de werkgever. Deze voorbereidende vergaderingen worden beschouwd als syndi cale opdrachten en activiteiten, zoals bedoeld bij artikel 32, eerste alinea. HOOFDSTUK VII. — Voorlichting en raadpleging van het personeel Art. 34. De syndicale afvaardiging mag, zonder dat hierdoor de werkorganisatie gestoord wordt, namelijk gedurende de rusturen, mondeling of schriftelijk alle nuttige mededelingen aan de arbeiders verschaffen. Deze mededelingen moeten van beroeps- of syndicale aard zijn, verband houden met de onderneming en, indien zij schriftelijk gebeuren, voorafgaandelijk ter kennis gebracht worden van het onder nemingshoofd. Mits gemotiveerde aanvraag, 48 uren op voorhand in te dienen door de syndicale afvaardiging en met het akkoord van het ondernemings hoofd, kunnen voorlichtingsvergaderingen voor de arbeiders van de onderneming ingericht worden door de syndicale afvaardiging op de plaats van de tewerkstelling en gedurende de werkuren. Deze voorlichtingsvergaderingen moeten over welbepaald onderwer pen handelen en zich beperken tot het betrokken personeel. De werkgever zal zijn akkoord hiervoor niet naar willekeur weige ren. Hij is er in het bijzonder toe gehouden dit te verlenen bij het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten die het geheel van de arbeiders der onderneming aanbelangen. HOOFDSTUK VIII. — Taak van de syndicale afvaardiging wanneer geen ondernemingsraad bestaat Art. 35. In afwijking op artikel 18, zal de syndicale afvaardiging, wanneer geen ondernemingsraad bestaat, de taak, rechten en opdrach ten vervullen die aan deze raad toevertrouwd worden bij de artikelen 4 tot 7 en 11 van sectie 1, hoofdstuk II van de collectieve arbeidsovereen komst gesloten op 9 maart 1972 in de Nationale Arbeidsraad, tot coördinatie van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de onder nemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 november 1972. HOOFDSTUK IX. — Tussenkomst van de vrijgestelden der werknemers- en werkgeversorganisaties Art. 36. Wanneer er in de onderneming een geschil ontstaat met de directie, wendt de syndicale afvaardiging alle mogelijke middelen aan teneinde het geschil door onderhandeling te regelen. Art. 37. Wanneer door tussenkomst van de syndicale afvaardiging geen vergelijk kan bekomen worden met het ondernemingshoofd voor het regelen van een geschil, kunnen de afgevaardigden beroep doen op de vrijgestelden van hun werknemersorganisaties teneinde deze zaak verder te onderzoeken. In dit geval, kan het ondernemingshoofd zich laten bijstaan door vertegenwoordigers van zijn beroepsvereniging. Art. 38. Nadat alle middelen tot onderhandelingen uitgeput zijn, kunnen de partijen het geschil voor het verzoeningsbureau van het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid brengen. Art. 39. Ieder beroep op het verzoeningsbureau moet gebeuren door bemiddeling van een lid van het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid. Art. 31. Le temps consacré aux réunions de la délégation syndicale avec l’employeur est considéré comme prestation de travail, et est rétribué au salaire normal. Art. 32. Les membres de la délégation syndicale disposent du temps et des facilités nécessaires - à déterminer de commun accord avec le chef d’entreprise et rémunéré comme temps de travail - pour l’exercice collectif ou individuel des missions ou activités syndicales dans l’entreprise, prévues par le présent statut. En vue de l’utilisation de ce temps et de ces facilités, les membres de la délégation syndicale doivent informer au préalable le chef d’entre prise et veiller, de commun accord avec lui, à ce que cette utilisation ne perturbe pas la bonne marche des services de l’entreprise. L’entreprise met un local à la disposition de la délégation syndicale soit en permanence, soit occasionnellement - afin de lui permettre de remplir adéquatement sa mission. Art. 33. La délégation syndicale peut, en vue de préparer les réunions avec l’employeur, se réunir au sein de l’entreprise, moyennant l’accord préalable de l’employeur. Ces réunions préparatoires sont à considérer comme des missions et activités syndicales, telles que visées par l’article 32, alinéa premier. CHAPITRE VII. — Information et consultation du personnel Art. 34. La délégation syndicale peut, sans que cela ne perturbe l’organisation du travail, notamment pendant les heures de repos, procéder oralement ou par écrit à toutes les communications utiles aux ouvriers. Ces communications doivent avoir un caractère professionnel ou syndical, se rapporter à l’entreprise et, si elles sont faites par écrit, être portées préalablement à la connaissance du chef d’entreprise. Sur demande motivée à introduire 48 heures auparavant par la délégation syndicale et moyennant l’accord du chef d’entreprise, des réunions d’information aux ouvriers de l’entreprise peuvent être organisées par la délégation syndicale sur les lieux du travail et pendant les heures de travail. Ces réunions d’information doivent porter sur des points bien déterminés et se limiter au personnel concerné. L’employeur ne peut arbitrairement refuser son accord. Il est plus particulièrement amené à le donner lors de la conclusion de conven tions collectives de travail intéressant l’ensemble des ouvriers de l’entreprise. CHAPITRE VIII. — Rôle de la délégation syndicale en cas d’inexistence du conseil d’entreprise Art. 35. Par dérogation à l’article 18, la délégation syndicale peut en cas d’inexistence du conseil d’entreprise, assumer les tâches, droits et missions qui sont confiés à ce conseil aux articles 4 à 7 et 11 de la section 1ère, chapitre II de la convention collective de travail conclue le 9 mars 1972 au sein du Conseil national du travail, coordonnant les accords nationaux et les conventions collectives de travail relatifs aux conseils d’entreprises conclus au sein du Conseil national du travail, rendue obligatoire par l’arrêté royal du 12 septembre 1972, publié au Moniteur belge du 25 novembre 1972. CHAPITRE IX. — Intervention des représentants permanents des organisations de travailleurs et d’employeurs Art. 36. Lorsqu’un différend surgit dans l’entreprise avec la direc tion, la délégation syndicale utilise tous les moyens possibles pour régler ce différend par la négociation. Art. 37. Lorsque l’intervention de la délégation syndicale n’a pas permis d’aboutir à un accord avec le chef d’entreprise pour le règlement d’un différend, les délégués peuvent faire appel aux représentants permanents de leurs organisations de travailleurs pour continuer l’examen de l’affaire. Dans cette éventualité, le chef d’entreprise peut se faire assister de représentants de son organisation professionnelle. Art. 38. Après épuisement de tous les moyens de négociation, les parties peuvent porter le différend devant le bureau de conciliation de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire. Art. 39. Tout recours au bureau de conciliation doit se faire par l’intermédiaire d’un membre de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire. 53300 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 40. Een stakingsaanzegging mag slechts door een werknemers organisatie gebeuren en dit schriftelijk, en nadat het verzoeningsbureau zich heeft uitgesproken. Art. 41. De stakings- of lock-outaanzeg bedraagt minstens 14 kalen derdagen wanneer het een sector betreft en 7 kalenderdagen wanneer het een onderneming betreft. Deze gaat in de maandag die volgt op de week gedurende dewelke deze werd ingediend. HOOFDSTUK X. — Geldigheid Art. 42. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in wer king op 4 mei 2009 en wordt gesloten voor onbepaalde duur, behoudens andersluidende bepalingen. Zij vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 juli 2007, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging, algemeen verbindend bij koninklijk besluit van 19 februari 2008 (Belgisch Staatsblad van 12 maart 2008). § 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door elk der ondertekenende partijen mits een opzegging van zes maanden, gericht per aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid en aan de erin vertegen woordigde organisaties. Art. 43. Tijdens de duur van deze collectieve arbeidsovereenkomst, met inbegrip van de duur van de opzeggingstermijn, verbinden de partijen zich ertoe niet in staking noch tot een lock-out over te gaan zonder te hebben gebruik gemaakt van de bepalingen voorzien in hoofdstuk IX. Art. 44. Speciale of onvoorziene gevallen worden door het beperkt comité van het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid onderzocht, dat hiervan verslag uitbrengt bij het comité. Art. 45. Andere overeenkomsten op ondernemingsvlak blijven mogelijk. Paritair commentaar Het paritair comité beslist unaniem dat de voorzitter garant voor de objectiviteit staat en zelf beslist welke procedure wordt toegepast (referendum in het bedrijf of stemming per brief). De voorzitter informeert de sociale partners van de procedure. Voor de procedure stemming per brief worden de kosten (postzegels) desgevallend gedragen door het sociaal fonds. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202956]N. 2010 — 2820 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedings nijverheid, betreffende het brugpensioen voor de bedienden in de voedingsnijverheid (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende het brugpensioen voor de bedienden in de voedings nijverheid. Art. 40. Un préavis de grève ne peut être déposé que par une organisation de travailleurs, par écrit et après que le bureau de conciliation se soit prononcé. Art. 41. Le préavis de grève ou de lock-out a une durée d’au moins 14 jours calendrier lorsqu’il concerne un secteur, et de 7 jours calendrier lorsqu’il concerne une entreprise. Il prend cours le lundi qui suit la semaine durant laquelle il a été déposé. CHAPITRE X. — Validité Art. 42. § 1er. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 4 mai 2009 et est conclue pour une durée indéterminée, sauf disposition contraire. Elle remplace la convention collective du 4 juillet 2007, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, relative au statut de la délégation syndicale, rendue obligatoire par arrêté royal du 19 février 2008 (Moniteur belge du 12 mars 2008). § 2. La présente convention collective de travail peut être dénoncée par chacune des parties signataires moyennant un préavis de six mois, adressé par lettre recommandée au président de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire et aux organisations y représentées. Art. 43. Pendant la durée de la présente convention collective de travail, y compris la durée du temps de la dénonciation, les parties s’engagent à ne pas recourir à la grève ni au lock-out, sans avoir recouru aux dispositions prévues au chapitre IX. Art. 44. Les cas spéciaux ou non prévus sont examinés par une commission restreinte de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, qui en fera rapport à la commission. Art. 45. D’autres conventions au niveau de l’entreprise restent possibles. Commentaire paritaire La commission paritaire décide à l’unanimité que le président se porte garant de l’objectivité et qu’il décide par lui-même quelle procédure sera appliquée (référendum au sein de l’entreprise ou vote par courrier). Le président informe les partenaires sociaux sur la procédure à suivre. Le cas échéant, les coûts (timbres) que génère la procédure vote par courrier seront à la charge du fonds social. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202956]F. 2010 — 2820 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 9 juillet 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés de l’industrie alimentaire, relative à la prépension pour les employés de l’industrie alimen taire (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour les employés de l’industrie alimentaire; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 9 juillet 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés de l’industrie alimentaire, relative à la prépension pour les employés de l’industrie alimentaire. 53301BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 2009 Brugpensioen voor de bedienden in de voedingsnijverheid (Overeenkomst geregistreerd op 4 november 2009 onder het nummer 95498/CO/220) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toe passing op de werkgevers en op de bedienden van de ondernemingen die tot de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid behoren. § 2. Met ″bedienden″ worden : de mannelijke en de vrouwelijke bedienden bedoeld. HOOFDSTUK II. — Ontslag Art. 2. De aanvullende vergoeding, ingesteld in het raam van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, wordt toegekend aan de bedienden die worden ontslagen om een andere reden dan om dringende reden en die voldoen aan de hier verder vermelde voorwaarden. HOOFDSTUK III. — Leeftijd- en loopbaanvoorwaarden Art. 3. § 1. De leeftijdsvoorwaarde van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 wordt verlaagd tot 58 jaar voor zover de betrokkene voldoet aan de loopbaanvoorwaarden opgelegd door de werkloosheidsreglementering voor brugge pensioneerden, met name : in de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009 : o 35 jaar als loontrekkende voor de mannelijke bedienden; o 30 jaar als loontrekkende voor de vrouwelijke bedienden. in de periode van 1 januari 2010 tot 31 december 2011 : o 37 jaar als loontrekkende voor de mannelijke bedienden; o 35 jaar als loontrekkende voor de bedienden in geval van zwaar beroep overeenkomstig artikel 3, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het conventioneel brugpensioen in het kader van het Generatiepact (Belgisch Staatsblad van 8 juni 2007); o 33 jaar als loontrekkende voor de vrouwelijke bedienden. De vermelde leeftijdsvoorwaarde van 58 jaar moet vervuld zijn zowel in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december 2011 als op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. § 2. De leeftijdsvoorwaarde van de voornoemde collectieve arbeids overeenkomst nr. 17 van 19 december 1974 wordt verlaagd tot 56 jaar voor zover de betrokkene voldoet aan de reglementaire voorwaarde van 33 dienstjaren als loontrekkende waarvan : minstens 20 jaar in een arbeidsregeling zoals bedoeld in artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de begeleidingsmaat regelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties; en minstens 10 jaar bij de laatste werkgever of in de sector van de voedingsnijverheid. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire pour les employés de l’industrie alimentaire Convention collective de travail du 9 juillet 2009 Prépension pour les employés de l’industrie alimentaire (Convention enregistrée le 4 novembre 2009 sous le numéro 95498/CO/220) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs et employés des entreprises relevant de la compétence de la Commission paritaire pour les employés de l’indus trie alimentaire. § 2. Par ″employés″ sont visés : les employés masculins et féminins. CHAPITRE II. — Licenciement Art. 2. L’indemnité complémentaire, instaurée dans le cadre de la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974 conclue au sein du Conseil national du travail, instituant un régime d’indemnité complémentaire en faveur de certains travailleurs âgés en cas de licenciement, est octroyée aux employés qui sont licenciés pour des raisons autres que la faute grave et qui satisfont aux conditions citées ci-après. CHAPITRE III. — Conditions d’âge et d’ancienneté Art. 3. § 1er. La condition d’âge de la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974 précitée est abaissée à 58 ans pour autant que la personne concernée remplisse les conditions en matière de passé professionnel imposées par la réglementation de chômage pour les prépensionnés, à savoir : dans la période du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2009 : o 35 ans en tant que salarié pour les employés; o 30 ans en tant que salariée pour les employées. dans la période du 1er janvier 2010 au 31 décembre 2011 : o 37 ans en tant que salarié pour les employés; o 35 ans en tant que salarié(e) pour les employé(e)s en cas de métier lourd conformément à l’article 3, § 3, de l’arrêté royal du 3 mai 2007 fixant la prépension conventionnelle dans le cadre du Pacte de solidarité entre les générations (Moniteur belge du 8 juin 2007); o 33 ans en tant que salarié pour les employées. La condition d’âge de 58 ans mentionnée doit être remplie aussi bien dans la période du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2011 qu’au moment de la fin du contrat de travail. § 2. La condition d’âge de la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974 précitée est abaissée à 56 ans pour autant que la personne concernée remplisse la condition de 33 ans de passé professionnel en tant que salarié, dont : au moins 20 ans dans un régime de travail tel que prévu à l’article 1er de la convention collective de travail no 46 du 23 mars 1990, conclue au sein du Conseil national du travail, relative aux mesures d’encadrement du travail en équipes comportant des prestations de nuit ainsi que d’autres formes de travail comportant des prestations de nuit; et au moins 10 ans chez le dernier employeur ou dans le secteur de l’industrie alimentaire. 53302 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De vermelde leeftijdsvoorwaarde van 56 jaar moet vervuld zijn in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 en bovendien op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. § 3. De leeftijdsvoorwaarde van de voornoemde collectieve arbeids overeenkomst nr. 17 van 19 december 1974 wordt verlaagd tot 56 jaar mits loopbaan van 40 jaar als loontrekkende en voor zover de betrokkene voldoet aan de reglementaire verplichtingen opgelegd door de werkloosheidsreglementering voor bruggepensioneerden. De vermelde leeftijdsvoorwaarde van 56 jaar moet vervuld zijn in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december 2010 en bovendien op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. HOOFDSTUK IV. — Aanvullende vergoeding Art. 4. § 1. De aanvullende vergoeding wordt berekend op basis van het nettoloon dat gelijk is aan het brutoloon verminderd met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid-inhoudingen en bedrijfsvoorheffing die van toepassing zijn op bedienden die in België tewerkgesteld zijn en er hun fiscale verblijfplaats hebben. § 2. Voor de bedienden die gebruik maken van het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties voor werknemers van 50 jaar en ouder zoals bepaald in artikel 9, § 1 van de collectieve arbeidsovereen komst nr. 77bis van 19 december 2001, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77 van 14 februari 2001 tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking (koninklijk besluit van 25 januari 2002, Belgisch Staatsblad van 5 maart 2002), en overstappen van de loopbaanvermin dering naar het conventioneel brugpensioen, zal de aanvullende vergoeding van het brugpensioen worden berekend op basis van een voltijdse arbeidsprestatie. § 3. Bij werkhervatting gelden de bepalingen van artikel 4bis, 4ter en 4quater van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974. HOOFDSTUK V. — Geldigheidsduur Art. 5. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collec tieve arbeidsovereenkomst van 24 oktober 2007 betreffende het brug pensioen voor bedienden in de voedingsnijverheid, algemeen verbin dend verklaard bij koninklijk besluit van 24 juli 2008 (Belgisch Staatsblad van 21 oktober 2008). Zij wordt gesloten voor bepaalde duur en treedt in werking op 1 januari 2009 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2011 met uitzondering van §§ 2 en 3 van artikel 3 dat ophoudt van kracht te zijn op 31 december 2010. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202846]N. 2010 — 2821 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 novem ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijver heid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 3 van 5 november 2003 tot bepaling van de bijdragen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsindustrie (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de voedings nijverheid; La condition d’âge de 56 ans mentionnée doit être remplie dans la période du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2010 et, de plus, au moment de la fin du contrat de travail. § 3. La condition d’âge de la convention collective de travail no 17 du 19 décembre 1974 précitée est abaissée à 56 ans moyennant un passé professionnel de 40 ans en tant que salarié et pour autant que la personne concernée remplisse les conditions réglementaires imposées par la réglementation du chômage pour les prépensionnés. La condition d’âge de 56 ans mentionnée doit être remplie dans la période du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2010 et, de plus, au moment de la fin du contrat de travail. CHAPITRE IV. — Indemnité complémentaire Art. 4. § 1er. L’indemnité complémentaire est calculée sur la base du salaire net, qui équivaut au salaire brut moins les cotisations de sécurité sociale et le précompte professionnel applicables aux employés dont le lieu de travail et le domicile fiscal sont situés en Belgique. § 2. Pour les employés qui font usage du droit des travailleurs de 50 ans ou plus à une réduction des prestations tel que prévu à l’article 9, § 1er de la convention collective de travail no 77bis du 19 décembre 2001, conclue au sein du Conseil national du travail, remplaçant la conven tion collective de travail no 77 du 14 février 2001 instaurant un système de crédit-temps, de diminution de carrière et de réduction des prestations de travail à mi-temps (arrêté royal du 25 janvier 2002, Moniteur belge du 5 mars 2002), l’indemnité complémentaire de prépension sera calculée sur la base d’une prestation à temps plein lorsqu’ils passent de la réduction des prestations à la prépension conventionnelle. § 3. En cas de reprise du travail, les dispositions des articles 4bis, 4ter et 4quater de la convention collective de travail no 17 du 19 décem bre 1974 précitée s’appliquent. CHAPITRE V. — Durée de validité Art. 5. La présente convention collective de travail remplace la convention collective de travail du 24 octobre 2007 concernant la prépension pour employés de l’industrie alimentaire, rendue obliga toire par arrêté royal du 24 juillet 2008 (Moniteur belge du 21 octo bre 2008). Elle est conclue pour une période déterminée et entre en vigueur le 1er janvier 2009 et cesse d’être en vigueur le 31 décembre 2011 à l’exception des §§ 2 et 3 de l’article 3 qui cessent d’être en vigueur le 31 décembre 2010. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202846]F. 2010 — 2821 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 12 novembre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, modifiant la convention collective de travail n° 3 du 5 novembre 2003 fixant les cotisations pour le régime de pension complémentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire; 53303BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 12 november 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 3 van 5 novem ber 2003 tot bepaling van de bijdragen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsindustrie. Art. 2. De Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de voedingsnijverheid Collectieve arbeidsovereenkomst van 12 november 2009 Wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 3 van 5 novem ber 2003 tot bepaling van de bijdragen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedings industrie (Overeenkomst geregistreerd op 10 december 2009 onder het nummer 96381/CO/118) Artikel 1. § 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepas sing op de werkgevers en de arbeiders van de voedingsnijverheid die vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereen komst van 5 november 2003 gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, tot invoering van een sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsnijverheid (collectie ve arbeidsovereenkomst nr. 2) (koninklijk besluit van 4 juli 2004, Belgisch Staatsblad van 26 augustus 2004). § 2. Met ″arbeiders″ worden de mannelijke en vrouwelijke arbeiders bedoeld. Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft als voorwerp de bijdragen te wijzigen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioen stelsel voor de arbeiders van de voedingsindustrie, zoals bepaald bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 november 2003 tot bepaling van de bijdragen voor het sociaal sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsindustrie (collectieve arbeidsovereen komst nr. 3) (koninklijk besluit van 1 september 2004, Belgisch Staatsblad van 29 september 2004) gewijzigd bij collectieve arbeidsovereenkomst van 7 december 2005 (koninklijk besluit van 19 juli 2006, Belgisch Staatsblad van 12 september 2006) en 19 september 2007 (koninklijk besluit van 8 oktober 2008, Belgisch Staatsblad van 28 november 2008). Art. 3. Het artikel 5 van de voornoemde collectieve arbeidsovereen komst nr. 3 van 5 november 2003 wordt aangevuld met de volgende bepaling : ″5.12. Kleine bakkerijen en banketbakkerijen : de bakkerijen, banket bakkerijen die ″verse″ producten vervaardigen voor onmiddellijke consumptie met zeer beperkte houdbaarheid en verbruikzalen bij een banketbakkerij die niet gelijktijdig aan de drie volgende voorwaarden voldoen : — aantal tewerkgestelde personen (voltijdse en deeltijdse, in hoofden uitgedrukt) hoger dan 20 op het ogenblik van indiensttreding; — zakencijfer tijdens het voorgaande boekjaar hoger dan 1.859.200 EUR; — gebruik van tunneloven.″ Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 12 novembre 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, modifiant la conven tion collective de travail no 3 du 5 novembre 2003 fixant les cotisations pour le régime de pension complémentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire de l’industrie alimentaire Convention collective de travail du 12 novembre 2009 Modification de la convention collective de travail no 3 du 5 novem bre 2003 fixant les cotisations pour le régime de pension complé mentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimen taire (Convention enregistrée le 10 décembre 2009 sous le numéro 96381/CO/118) Article 1er. § 1er. La présente convention collective de travail s’appli que aux employeurs et aux ouvriers de l’industrie alimentaire qui entrent dans le champ d’application de la convention collective de travail du 5 novembre 2003, conclue au sein de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire, instaurant un régime de pension complé mentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire (convention collective de travail no 2) (arrêté royal du 4 juillet 2004, Moniteur belge du 26 août 2004). § 2. Par ″ouvriers″, on entend : les ouvriers masculins et féminins. Art. 2. La présente convention collective de travail a pour objet de modifier les cotisations pour le régime de pension complémentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire, telles que fixées par la convention collective de travail du 5 novembre 2003 fixant les cotisations pour le régime de pension complémentaire sectoriel social pour les ouvriers de l’industrie alimentaire (convention collective de travail no 3) (arrêté royal du 1er septembre 2004, Moniteur belge du 29 septembre 2004) modifiée par les conventions collectives de travail des 7 décembre 2005 (arrêté royal du 19 juillet 2006, Moniteur belge du 12 septembre 2006) et 19 septembre 2007 (arrêté royal du 8 octobre 2008, Moniteur belge du 28 novembre 2008). Art. 3. L’article 5 de la convention collective de travail no 3 du 5 novembre 2003 précitée est complété par la disposition suivante : ″5.12. Petites boulangeries et pâtisseries : les boulangeries, les pâtisseries qui fabriquent des produits ″frais″ de consommation immédiate à très court délai de conservation et les salons de consom mation annexés à une pâtisserie qui ne répondent pas simultanément aux trois critères suivants : — nombre de personnes occupées (travailleurs à temps plein et à temps partiel, exprimé en têtes) supérieur à 20 au moment de l’entrée en service; — chiffre d’affaires de l’exercice précédent supérieur à 1.859.200 EUR; — utilisation d’un four à tunnel.″ 53304 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 4. Het artikel 6 van de voornoemde collectieve arbeidsovereen komst nr. 3 van 5 november 2003 wordt aangevuld met de volgende bepaling : ″6.2quater : — vanaf het tweede kwartaal 2010 : 1,26 pct. van het referteloon voor de kleine bakkerijen en banketbakkerijen; — vanaf het eerste kwartaal 2011 : 1,26 pct. van het referteloon voor alle sectoren van de voedingsindustrie.″ Art. 5. Het artikel 7 van de voornoemde collectieve arbeidsovereen komst nr. 3 van 5 november 2003 wordt aangevuld met de volgende bepaling : ″7.2quater : — vanaf het tweede kwartaal 2010 : 0,06 pct. van het referteloon voor de kleine bakkerijen en banketbakkerijen; — vanaf het eerste kwartaal 2011 : 0,06 pct. van het referteloon voor alle sectoren van de voedingsindustrie.″ Art. 6. Het artikel 8 van de voornoemde collectieve arbeidsovereen komst nr. 3 van 5 november 2003 wordt aangevuld met de volgende bepaling : ″8.1.2quater : — vanaf het tweede kwartaal 2010 : 1,32 pct. van het referteloon voor de kleine bakkerijen en banketbakkerijen; — vanaf het eerste kwartaal 2011 : 1,32 pct. van het referteloon voor alle sectoren van de voedingsindustrie. 8.2.2quater : — vanaf het tweede kwartaal 2010 : 0,06 pct. van het referteloon voor de kleine bakkerijen en banketbak-kerijen; — vanaf het eerste kwartaal 2011 : 0,06 pct. van het referteloon voor alle sectoren van de voedingsindustrie.″ Art. 7. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 april 2010 en wordt gesloten voor een onbepaalde tijd. Art. 8. Deze collectieve arbeidsovereenkomst kan opgezegd worden door één der partijen middels een opzeggingstermijn van zes maanden, betekend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid en aan alle organisaties die erin vertegenwoordigd zijn. De opzegging is alleen geldig voor zover artikel 10, § 1, 3o van de wet op de aanvullende pensioenen van 28 april 2003 (Belgisch Staatsblad van 15 mei 2003, Ed. 2; erratum, Belgisch Staatsblad van 26 mei 2003) is nageleefd. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [C − 2010/12162]N. 2010 — 2822 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de ecocheques (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de warenhuizen; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bij lage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de ecocheques. Art. 4. L’article 6 de la convention collective de travail no 3 du 5 novembre 2003 précitée est complété par la disposition suivante : ″6.2quater : — à partir du deuxième trimestre 2010 : 1,26 p.c. du salaire de référence pour les petites boulangeries et pâtisseries; — à partir du premier trimestre 2011 : 1,26 p.c. du salaire de référence pour tous les secteurs de l’industrie alimentaire.″ Art. 5. L’article 7 de la convention collective de travail no 3 du 5 novembre 2003 précitée est complété par la disposition suivante : ″7.2quater : — à partir du deuxième trimestre 2010 : 0,06 p.c. du salaire de référence pour les petites boulangeries et pâtisseries; — à partir du premier trimestre 2011 : 0,06 p.c. du salaire de référence pour tous les secteurs de l’industrie alimentaire.″ Art. 6. L’article 8 de la convention collective de travail no 3 du 5 novembre 2003 précitée est complété par la disposition suivante : ″8.1.2quater : — à partir du deuxième trimestre 2010 : 1,32 p.c. du salaire de référence pour les petites boulangeries et pâtisseries; — à partir du premier trimestre 2011 : 1,32 p.c. du salaire de référence pour tous les secteurs de l’industrie alimentaire. 8.2.2quater : — à partir du deuxième trimestre 2010 : 0,06 p.c. du salaire de référence pour les petites boulangeries et pâtisseries; — à partir du premier trimestre 2011 : 0,06 p.c. du salaire de référence pour tous les secteurs de l’industrie alimentaire.″ Art. 7. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er avril 2010 et est conclue pour une durée indéterminée. Art. 8. La présente convention collective de travail peut être dénon cée par une des parties moyennant un préavis de six mois, notifié par lettre recommandée à la poste, adressée au président de la Commission paritaire de l’industrie alimentaire et à toutes les organisations qui y sont représentées. Ce préavis n’est valable que pour autant que l’arti cle 10, § 1er, 3o de la loi sur les pensions complémentaires du 28 avril 2003 (Moniteur belge du 15 mai 2003, Ed. 2; erratum, Moniteur belge du 26 mai 2003) ait été respecté. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [C − 2010/12162]F. 2010 — 2822 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative aux éco chèques (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire des grands magasins; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative aux éco-chèques. 53305BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de warenhuizen Collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009 Ecocheques (Overeenkomst geregistreerd op 26 oktober 2009 onder het nummer 95269/CO/312) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de warenhuizen. HOOFDSTUK II. — Definitie Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten in uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98 betreffende de ecocheques, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 februari 2009 en zoals later gewijzigd. Art. 3. § 1. Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder ″ecocheque″ verstaan : het voordeel bij de aankoop van producten en diensten van ecologische aard die zijn opgenomen in de bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98 gevoegde lijst. § 2. De werknemers kunnen met ecocheques alleen de producten of diensten van ecologische aard aankopen die expliciet opgenomen zijn in deze lijst. Hun geldigheid is beperkt tot 24 maanden, vanaf de datum van hun terbeschikkingstelling aan de werknemer. Art. 4. De nominale waarde van de ecocheque staat aangegeven op de cheque, met een maximum van 10 EUR per ecocheque. HOOFDSTUK III. — Toekenningsmodaliteiten Art. 5. Aan elke voltijds tewerkgestelde werknemer met een volle dige referteperiode worden ecocheques één keer per jaar toegekend ter waarde van : — 125 EUR in 2009 (éénmalige premie); — 250 EUR vanaf 2010. Art. 6. Aan de deeltijdse werknemers zullen de ecocheques worden betaald volgens de volgende schijven : Wekelijkse arbeidsduur 2009 2010 Durée de travail hebdomadaire 2009 2010 Vanaf 27 u/week 125 EUR 250 EUR A partir de 27 h/semaine 125 EUR 250 EUR Vanaf 20 u en minder dan 27 u/week 100 EUR 200 EUR A partir de 20 h et en dessous de 27 h/semaine 100 EUR 200 EUR Vanaf 17,5 u en minder dan 20 u/week 75 EUR 150 EUR A partir de 17,5 h et en dessous de 20 h/semaine 75 EUR 150 EUR Minder dan 17,5 u/week 50 EUR 100 EUR Moins de 17,5 h/semaine 50 EUR 100 EUR Contracten van 8 u/week en eendagscontracten 37,5 EUR 75 EUR Contrats de 8 h/semaine et contrats d’un jour 37,5 EUR 75 EUR Onder ″wekelijkse arbeidsduur″ in de hierboven vermelde tabel wordt verstaan : het gemiddelde van de effectieve prestaties in de referteperiode. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire des grands magasins Convention collective de travail du 23 juin 2009 Eco-chèques (Convention enregistrée le 26 octobre 2009 sous le numéro 95269/CO/312) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises ressortissant à la Commission paritaire des grands magasins. CHAPITRE II. — Définition Art. 2. Cette convention collective de travail est conclue en exécution de la convention collective de travail n° 98 concernant les éco-chèques, conclue au Conseil national du travail le 20 février 2009 et telle que modifiée ultérieurement. Art. 3. § 1er. Aux fins de la présente convention, il convient d’entendre par ″éco-chèque″ : l’avantage destiné à l’achat de produits et services à caractère écologique repris dans la liste annexée à la convention collective de travail n° 98. § 2. Les travailleurs ne peuvent acquérir avec des éco-chèques que les produits ou services à caractère écologique mentionnés expressément dans cette liste. Leur validité est limitée à 24 mois à partir de la date de leur mise à disposition au travailleur. Art. 4. L’éco-chèque mentionne sa valeur nominale, qui est de maximum 10 EUR par éco-chèque. CHAPITRE III. — Modalités d’octroi Art. 5. Il est octroyé, une fois par an, des éco-chèques à chaque travailleur occupé à temps plein avec une période de référence complète : — en 2009, d’une valeur de 125 EUR (prime unique); — à partir de 2010, d’une valeur de 250 EUR. Art. 6. Les éco-chèques seront payés aux travailleurs à temps partiel selon les paliers suivants : Par ″durée de travail hebdomadaire″ comme mentionnée dans le tableau ci-dessus, on entend : la moyenne des prestations effectives dans la période de référence. 53306 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 7. De betaling van deze ecocheques vindt plaats een keer per jaar, op de volgende tijdstippen : — in de loop van de maand november 2009; — vanaf 2010 : elk kalenderjaar in de loop van de maand juni. Art. 8. De bovenvermelde bedragen zijn verschuldigd aan de werknemers met een volledige referteperiode. De referteperiode is de periode van 12 maanden die loopt vanaf de maand juni van het voorgaande kalenderjaar tot en met de maand mei van het betrokken kalenderjaar. Bij wijze van overgangsmaatregel is de referteperiode, voor de betaling van de éénmalige premie van de maand november 2009, de periode van 12 maanden die loopt vanaf 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009. Aan de werknemers met een onvolledige referteperiode, zal het bedrag vastgesteld volgens de hierboven vermelde schijven, betaald worden pro rata van de werkelijke prestaties en daarmee volgens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 98 gelijkstelde periodes (artikel 6, § 3). Voorbeeld 1 : Een werknemer is gedurende 3 opeenvolgende weken afwezig van het werk ingevolge een operatie. Deze 3 weken worden gelijkgesteld. Voorbeeld 2 : Een werkneemster neemt haar 15 weken moederschaps verlof op. Deze 15 weken worden gelijkgesteld. Art. 9. Worden uitgesloten van deze regeling de werknemers verbonden met een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten zoals bepaald door titel VII van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten en die onderworpen zijn aan de solidariteits bijdragen. HOOFDSTUK IV. — Informatieverstrekking aan de werknemers Art. 10. Als de ecocheques voor het eerst aan de betrokken werknemers worden afgegeven, informeert de werkgever hen met alle dienstige middelen over de inhoud van de in de collectieve arbeids overeenkomst nr. 98 genoemde lijst en ook telkenmale dat ze door de Nationale Arbeidsraad wordt gewijzigd. HOOFDSTUK V. — Omzetting in de ondernemingen Art. 11. Bedrijfsonderhandelingen kunnen enkel betrekking hebben op de omzetting van de ecocheques. Ze kunnen in de ondernemingen bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten vóór 30 oktober 2009 omgevormd worden in een ander voordeel. Art. 12. De totale patronale kost van de omgezette voordelen mag in geen geval hoger zijn dan de totale patronale kost van de toepassing van de netto-verhoging in schijven zoals voorzien in het sectorale suppletieve stelsel, alle lasten inbegrepen voor de werkgevers. In dat kader kan van de schijven van het sectoraal suppletief systeem worden afgeweken. Art. 13. Indien geen ondernemingscollectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten vóór 30 oktober 2009 dan zal automatisch het systeem van ecocheques, zoals bepaald in deze collectieve arbeidsovereenkomst worden toegepast. HOOFDSTUK VI. — Slotbepalingen Art. 14. Vóór 30 april 2011 zal in het paritair comité een evaluatie gemaakt worden van het suppletief systeem van de ecocheques. Daarbij zal geëvalueerd worden of de keuze voor het systeem van de ecocheques ook na 2010 moet verder gezet worden of vervangen door een ander suppletief systeem, zonder een brutoformule uit te sluiten met gelijke maximale patronale kost. Art. 15. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 2009. Zij is gesloten voor onbepaalde tijd. Zij kan door elk van de ondertekenende partijen worden opgezegd mits een opzeggingstermijn van drie maanden gegeven bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de warenhuizen. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Art. 7. Le paiement de ces éco-chèques se fait une fois par an, aux dates suivantes : — dans le courant du mois de novembre 2009; — à partir de 2010 : chaque année calendrier dans le courant du mois de juin. Art. 8. Les montants susmentionnés ne sont dus qu’aux travailleurs avec une période de référence complète. La période de référence est la période de 12 mois qui court depuis le mois de juin de l’année calendrier précédente jusque et en ce compris le mois de mai de l’année calendrier concernée. A titre transitoire, pour le paiement de la prime unique du mois de novembre 2009, la période de référence est la période de 12 mois qui court depuis le 1er novembre 2008 jusque et en ce compris le 31 octobre 2009. Aux travailleurs ayant une période de référence incomplète, le montant fixé suivant le tableau ci-dessus sera payé au prorata des prestations réellement effectuées et assimilées selon la convention collective de travail n° 98 (article 6, § 3). Exemple 1 : Un travailleur est absent du travail pendant 3 semaines consécutives suite à une opération. Ces 3 semaines sont assimilées. Exemple 2 : Une travailleuse prend les 15 semaines de congé de maternité. Ces 15 semaines sont assimilées. Art. 9. Sont exclus de ces dispositions, les travailleurs liés par un contrat d’occupation d’étudiants comme défini au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et soumis aux cotisations de solidarité. CHAPITRE IV. — Information des travailleurs Art. 10. Lors de la première remise d’éco-chèques aux travailleurs concernés, l’employeur les informe du contenu de la liste de la convention collective de travail n° 98 par tous moyens utiles, ainsi que chaque fois qu’elle est modifiée par le Conseil national du travail. CHAPITRE V. — Conversion en entreprises Art. 11. Les négociations d’entreprise ne peuvent porter que sur la conversion des éco-chèques. Ils peuvent être convertis en entreprise en un autre avantage, par une convention collective de travail conclue avant le 30 octobre 2009. Art. 12. Le coût total patronal de ces avantages convertis ne peut en aucun cas être supérieur au coût patronal total de l’application des paliers prévue dans le système sectoriel supplétif, toutes charges comprises pour les employeurs. Dans ce cadre, il peut être dérogé aux paliers du système sectoriel supplétif. Art. 13. Si aucune convention collective de travail d’entreprise n’est conclue avant le 30 octobre 2009, c’est alors automatiquement le système des éco-chèques, tel que défini dans cette convention collective de travail, qui est d’application. CHAPITRE VI. — Dispositions finales Art. 14. Avant le 30 avril 2011, une évaluation du système supplétif des éco-chèques sera menée en commission paritaire. On évaluera si l’option des éco-chèques sera poursuivie après 2010 ou si elle doit être remplacée par un autre système supplétif, sans exclure un système en brut à coût patronal maximal équivalent. Art. 15. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er juillet 2009. Elle est conclue pour une durée indéterminée. Elle peut être dénoncée moyennant un préavis de trois mois par chacune des parties signataires par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire des grands magasins. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET 53307BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202718]N. 2010 — 2823 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de deeltijdse arbeid (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de warenhuizen; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de warenhuizen, betreffende de deeltijdse arbeid. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de warenhuizen Collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 2009 Deeltijdse arbeid (Overeenkomst geregistreerd op 26 oktober 2009 onder het nummer 95270/CO/312) HOOFDSTUK I. — Toepassingsgebied Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers van de ondernemingen die vallen onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de warenhuizen. HOOFDSTUK II. — Overeengekomen arbeidsduur Art. 2. De wekelijkse arbeidsduur van de deeltijdse werknemers wordt vastgesteld in de arbeidsovereenkomst. De minimum contractuele arbeidsduur van de deeltijdse werk nemers bedraagt achttien uur per week. In geval van tijdskrediet kan de wekelijkse arbeidsduur 17,5 uur bedragen. De arbeidsduur is gespreid over ten hoogste vijf dagen per week, met een minimum van drie uur per dag, zonder onderbroken uurrooster. Alle deeltijdse werknemers met een arbeidsovereenkomst voor ten hoogste 24 uur per week op hun schriftelijk verzoek hebben het recht om hun prestaties te spreiden over vier dagen per week. Art. 3. § 1. Bij afwijking van artikel 2, alinea 2, mag de onderneming deeltijdse werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur tewerkstellen voor een wekelijkse arbeidsduur van een derde tijd of van acht uur, aan de hierna vermelde voorwaarden. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202718]F. 2010 — 2823 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative au travail à temps partiel (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire des grands magasins; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 23 juin 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire des grands magasins, relative au travail à temps partiel. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire des grands magasins Convention collective de travail du 23 juin 2009 Travail à temps partiel (Convention enregistrée le 26 octobre 2009 sous le numéro 95270/CO/312) CHAPITRE Ier. — Champ d’application Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs des entreprises relevant de la compétence de la Commission paritaire des grands magasins. CHAPITRE II. — Durée contractuelle de travail Art. 2. La durée hebdomadaire de travail des travailleurs occupés à temps partiel est précisée dans le contrat de travail. La durée contractuelle minimum de travail des travailleurs occupés à temps partiel est de dix-huit heures par semaine. En cas de crédit-temps, la durée hebdomadaire de travail peut comporter 17,5 heures. La durée du travail est répartie au maximum sur cinq jours par semaine, avec minimum trois heures par jour, sans horaire coupé. Tous les travailleurs à temps partiel ayant un contrat de travail de travail de maximum 24 heures par semaine, ont à leur demande écrite le droit de répartir leurs prestations sur quatre jours par semaine. Art. 3. § 1er. Par dérogation à l’article 2, alinéa 2, l’entreprise peut occuper des travailleurs à temps partiel sous contrat de travail à durée indéterminée, pour une période hebdomadaire de travail de tiers temps ou de huit heures, aux conditions précisées ci-après. 53308 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De arbeidsprestaties van de werknemers met arbeidsovereenkomst van een derde tijd of met arbeidsovereenkomst van acht uur per week, zullen gespreid worden over de vrijdag, zaterdag en de vooravonden van feestdagen in de regeling twee dagen per week : ofwel 2 × 6 u; ofwel 1 × 8 u en 1 × 4 u voor een derde tijd; ofwel 1 × 8 u; ofwel 2 × 4 u voor de 8 u. De arbeidsprestaties van de werknemers van een derde tijd zullen ook kunnen plaatsvinden op woensdagnamiddag over twee dagen per week, hetzij vrijdag en woensdag, hetzij zaterdag en woensdag, mits akkoord van de syndicale afvaardiging. § 2. Het aantal uren van de arbeidsovereenkomsten van een derde tijd en van acht uur is gecumuleerd vastgesteld voor elke zetel op 3 pct. ten hoogste van het volume van de contractuele uren voor onbepaalde duur. § 3. In afwijking van de voorwaarde van paragraaf 1 volgens dewelke men voor onbepaalde tijd moet tewerkgesteld zijn, is het mogelijk werknemers tewerk te stellen in een contract van bepaalde duur op voorwaarde dat de totale tewerkstelling middels deze contracten de helft niet overschrijdt van het onder paragraaf 2 voorziene maximum percentage van 3 pct., overeenkomsten voor tewerkstelling van studen ten inbegrepen. Ter opvolging van de naleving van deze voorwaarde zal het aantal per winkel evenals de ratios ad hoc maandelijks worden meegedeeld aan de ondernemingsraad. § 4. De bepalingen van de voorgaande alinea’s worden toegepast als volgt : a) op de werknemers van acht uur per week in dienst op 31 okto ber 1990 Behalve wanneer zij hun arbeidsovereenkomst niet wensen verhoogd te zien tot derde tijd per week, zullen de werknemers in dienst op 31 oktober 1990 een arbeidsovereenkomst van derde tijd voorgesteld krijgen waarvan de arbeidsregeling hierboven is bepaald. De werknemers die hun arbeidsovereenkomst wensen te behouden op 8 uur per week, zullen een arbeidsovereenkomst van 8 uur per week voorgesteld krijgen die beantwoordt aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 22 maart 1990 en waarvan de arbeidsregeling hierboven is bepaald. b) voor de werknemers aangeworven met ingang van 1 novem ber 1990 De onderneming zal bij de aanwerving de keuze voorstellen tussen een arbeidsovereenkomst van 8 uur per week en een arbeidsovereen komst van derde tijd. Art. 4. de mogelijkheden om in afwijking van artikel 11bis van de wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978, werknemers tewerk te stellen in een deeltijdse arbeidsovereenkomst met een arbeidsduur die lager ligt dan een derde van een voltijdse betrekking, kunnen worden uitgebreid door een collectieve arbeidsovereenkomst op het niveau van het bedrijf. Art. 5. Mits zij vooraf akkoord gaan, mogen de deeltijdse werkne mers bijkomende arbeidsuren verrichten boven de wekelijkse arbeids duur vastgesteld in hun arbeidsovereenkomst. Indien de onderneming voorziet dat de wekelijkse arbeidsduur vastgesteld in de arbeidsovereenkomst gedurende meer dan vier opeenvolgende dagen zal overschreden worden, dient het akkoord van de vakbondsafvaardiging gevraagd te worden. Wanneer de arbeidsduur in de loop van een periode van zes opeenvolgende maanden herhaaldelijk overschreden wordt, kan de betrokken werknemer vragen dat de in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur zou worden aangepast aan het gemiddelde van zijn wekelijkse prestaties tijdens deze periode van zes maanden. Het gemiddelde van de prestaties van de maanden juli en augus tus wordt gelijkgesteld met dat van de vier andere maanden van de halfjaarlijkse periode. Deze aanpassing gebeurt na een voorafgaand gesprek met de aanvrager. Zo de werknemer dit wil, mag de aanpassing niet beneden het gemiddelde liggen van het aantal uren dat gedurende de periode van zes maanden werkelijk werd verricht. De bijkomende uren die het gevolg zijn van prestaties, hetzij in verband met de opening van een nieuwe zetel, hetzij in verband met de heropening van een zetel of een gedeelte van een zetel na verbouwing, worden niet in aanmerking genomen voor de aanpassing van de arbeidsovereenkomst in de zin van de bepalingen van lid 2 en 3 van dit artikel. Les prestations des travailleurs sous contrat de travail tiers temps ou sous contrat de travail de huit heures par semaine seront réparties sur les vendredi, samedi, et veilles de jours féries en deux jours par semaine : ou bien 2 × 6 h; ou bien 1 × 8 h et 1 × 4 h pour les tiers temps; ou bien 1 × 8 h; ou bien 2 × 4 h pour les 8 h. Les prestations des travailleurs tiers temps pourront s’effectuer aussi le mercredi après-midi sur deux jours par semaine, soit vendredi plus mercredi, soit samedi plus mercredi, avec accord de la délégation syndicale. § 2. Le nombre d’heures cumulées des contrats de travail de tiers temps et de huit heures est fixé pour chaque siège à 3 p.c. au maximum du volume des heures contractuelles à durée indéterminée. § 3. Par dérogation à la condition du paragraphe 1er selon laquelle il faut être occupé à durée indéterminée, il est possible d’occuper des travailleurs dans un contrat de travail à durée déterminée à la condition que l’occupation totale par voie de ces contrats ne dépasse pas la moitié du pourcentage maximum de 3 p.c. comme prévu au paragraphe 2, contrats d’occupation d’étudiant inclus. Pour le suivi du respect de cette condition, un rapport mensuel avec le nombre par magasin ainsi que les ratios ad hoc sera communiqué au conseil d’entreprise. § 4. Les dispositions des alinéas précédents sont appliquées de la façon suivante : a) aux travailleurs huit heures par semaine en service au 31 octo bre 1990 Sauf s’ils ne désirent pas voir augmenter leur contrat de travail à un tiers temps par semaine, les travailleurs en service au 31 octobre 1990 se verront proposer un contrat de travail de tiers temps dont le régime de travail est défini ci-dessus. Les travailleurs qui souhaitent maintenir leur contrat de travail à 8 heures par semaine, se verront proposer un contrat de travail de 8 heures par semaine qui répondra aux conditions de l’arrêté royal du 22 mars 1990 et dont le régime de travail est défini ci-dessus. b) aux travailleurs engagés à partir du 1er novembre 1990. L’entreprise proposera à l’engagement le choix entre le contrat de travail de 8 heures par semaine et le contrat de travail d’un tiers temps. Art. 4. Les possibilités d’occuper du personnel en dérogation de l’article 11bis de la loi sur les contrats de travail du 3 juillet 1978 dans un contrat de travail à temps partiel avec une durée du travail inférieure à un tiers d’un emploi à temps plein, peuvent être étendues par une convention collective de travail d’entreprise. Art. 5. Moyennant leur accord préalable, les travailleurs à temps partiel peuvent prester des heures de travail complémentaires à la durée hebdomadaire de travail fixée dans leur contrat de travail. Dans la mesure où l’entreprise prévoit des dépassements pendant plus de quatre jours d’affilée à la durée hebdomadaire du travail fixée dans le contrat de travail, l’accord de la délégation syndicale doit être demandé. En cas de dépassements répétitifs sur une période de six mois consécutifs, le travailleur intéressé peut demander que la durée hebdomadaire du travail fixée dans son contrat de travail soit adaptée à la moyenne de ses prestations réelles durant la période de six mois. La moyenne des prestations effectuées en juillet et en août est, par assimilation, égale à celle des quatre autres mois de la période semestrielle. Cette adaptation s’effectue à la suite d’une discussion préalable avec le demandeur. L’adaptation ne peut, si le travailleur le veut, se situer en dessous de la moyenne des heures effectivement prestées pendant la période des six mois. Les heures complémentaires résultant de prestations liées, soit à l’ouverture d’un nouveau siège, soit à la réouverture d’un siège ou d’une partie de siège après transformation, ne sont pas prises en compte pour l’adaptation du contrat de travail au sens des alinéas 2 et 3 du présent article. 53309BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK III Individueel recht op verhoging van de arbeidsduur 3.1. Individueel recht op verhoging van de arbeidsduur na 18 maan den. Art. 6. § 1. De deeltijdse werknemers met een anciënniteit van 18 maanden in de onderneming en met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur van 18 of 19 uur per week, die hiervoor een schriftelijke aanvraag doen, hebben een individueel recht tot verhoging van de overeengekomen arbeidsduur tot 20 uur per week, in een variabel uurrooster. 3.2. Individueel recht op verhoging van de arbeidsduur na 3 jaar. § 2. De deeltijdse werknemers met een anciënniteit van drie jaar in de onderneming en met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur van 20 uur of 21 uur per week, die zijn tewerkgesteld in winkels of vestigingen met 12 werknemers of meer en die hiertoe een schriftelijke aanvraag doen, hebben een individueel recht tot verhoging van de overeengekomen arbeidsduur tot 22 uur per week, onder de voor waarden en volgens de modaliteiten zoals gedefinieerd in die hierna volgende leden. 1) In het kader van een flexibel arbeidsregime : Werknemers die gebruik maken van het recht op verhoging van hun arbeidsduur tot 22 uur, zullen tewerkgesteld worden in een arbeids regime, waarin deze arbeidsduur gemiddeld op jaarbasis wordt vastgesteld. In dit regime gelden variabele uurroosters met een schommelings marge ten opzichte van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 22 uur van : maximum twee uren of, met akkoord van de werknemer, vier uren naar boven toe en; maximum twee uren naar beneden toe. De arbeidsprestaties worden dus geleverd door middel van uur roosters van minimum 20 uur en maximum 24 uur of, met akkoord van de werknemer, maximum 26 uur. Deze maatregelen doen geen afbreuk aan bestaande flexibiliteits akkoorden op ondernemingsvlak. 2) Mededeling van de uurroosters : De mededeling van de uurroosters die zijn opgesteld in het kader van dit artikel, moet gebeuren zoals dit voor alle andere uurroosters in de onderneming het geval is. 3) De werknemers die worden tewerkgesteld in een in deze paragraaf beschreven flexibel arbeidsregime, worden bij volledige tewerkstelling een constant maandelijks salaris uitbetaald op basis van een wekelijkse arbeidsduur van 22 uur. 4) Geen cumul met verhogingsrecht uit artikel 7, § 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst : Tussen de uitoefening van het recht voorzien in artikel 7, § 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst en de uitoefening van het recht voorzien in artikel 7, § 2 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, dient minstens 18 maanden verstreken te zijn. 3.3. Uitzondering § 3. De bepalingen van de eerste alinea zijn niet van toepassing op de ondernemingen in moeilijkheden die daartoe op ondernemingsvlak een collectieve arbeidsovereenkomst sluiten en dit zolang de onderneming in moeilijkheden is. HOOFDSTUK IV Voorrang voor voltijdse tewerkstelling Art. 7. Wanneer de onderneming de indienstneming van een vol tijdse tewerkgestelde werknemer overweegt, wordt voorrang gegeven aan een deeltijds tewerkgestelde werknemer, voor zover deze zich kandidaat stelt, de vereiste kwalificatie bezit en de vooropgestelde arbeidstijdregeling aanvaardt. Art. 8. De werknemers die op verzoek van de directie een deeltijdse betrekking hebben aanvaard en die vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1986 tot wijziging van de artike len 124, 156, 160 en 160bis van het koninklijk besluit van 20 decem ber 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, hebben de mogelijkheid hun voltijdse betrekking te hervatten. HOOFDSTUK V. — Feestdagen Art. 9. Voor de toepassing van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en van het kninklijk uitvoeringsbesluit van 18 april 1974 op de deeltijdse werknemers, moeten de volgende modaliteiten in acht worden genomen : CHAPITRE III Droit individuel à l’augmentation de la durée du travail 3.1. Droit individuel à l’augmentation de la durée du travail après 18 mois. Art. 6. § 1er. Les travailleurs à temps partiel ayant une ancienneté de 18 mois dans l’entreprise et avec un contrat de travail à durée indéterminée de 18 ou 19 heures par semaine, qui en font la demande écrite, ont le droit individuel à une augmentation de la durée contractuelle du travail à 20 heures par semaine, ceci dans un horaire variable. 3.2. Droit individuel à l’augmentation de la durée du travail après 3 ans § 2. Les travailleurs à temps partiel avec une ancienneté de trois ans dans l’entreprise et sous contrat de travail à durée indéterminée de 20 heures ou de 21 heures par semaine, qui sont occupés dans des magasins ou établissements de 12 travailleurs ou plus, disposent d’un droit individuel à une augmentation de la durée du travail convenue jusqu’à 22 heures par semaine, à condition d’en faire la demande écrite et selon les conditions et modalités définies ci-après. 1) Dans le cadre d’un régime de travail flexible : Les travailleurs qui font usage de leur droit à une augmentation de leur durée du travail jusqu’à 22 h, seront employés dans un régime de travail dans lequel cette durée du travail est établie sur une base annuelle. Ce régime comporte des horaires variables avec une marge de variation par rapport à la durée de travail hebdomadaire moyenne de 22 h de : maximum deux heures de plus ou, moyennant l’accord du travailleur, de quatre heures de plus; maximum deux heures de moins. Les heures de travail seront dès lors prestées dans le cadre d’horaires de travail de minimum 20 h et de maximum 24 h ou, moyennant l’accord du travailleur, de maximum 26 h. Ces mesures ne portent pas atteinte aux accords de flexibilité existant au niveau de l’entreprise. 2) Communication des horaires : Les horaires qui sont établis dans le cadre de cet article doivent être communiqués de la même façon que tous les autres horaires dans l’entreprise. 3) Les travailleurs occupés dans le cadre du régime flexible comme décrit dans ce paragraphe, sont, dans le cas d’une occupation complète, rémunérés d’un salaire mensuel constant sur base d’une durée hebdomadaire de 22h. 4) Pas de cumul avec le droit à l’augmentation de l’article 7, § 1er de cette convention collective de travail : Entre l’exercice du droit prévu dans l’article 7, § 1er de cette convention collective de travail et l’exercice du droit prévu dans l’article 7, § 2 de cette convention collective de travail, 18 mois au moins doivent s’être écoulés. 3.3. Dérogation. § 3. Les dispositions du premier alinéa ne sont pas d’application dans les entreprises en difficulté qui concluent pour cela une convention collective de travail au niveau de l’entreprise et ce aussi longtemps que l’entreprise est en difficulté. CHAPITRE IV Priorité pour un travail à temps plein Art. 7. Lorsque l’entreprise envisage d’embaucher un travailleur à temps plein, la priorité est accordée à un travailleur occupé à temps partiel pour autant qu’il soit demandeur, qu’il possède la qualification requise et qu’il accepte l’horaire proposé. Art. 8. Les travailleurs ayant accepté un travail à temps partiel sur demande de la direction et tombant sous l’application de l’arrêté royal du 8 août 1986 modifiant les articles 124, 156, 160 et 160bis de l’arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l’emploi et au chômage, ont la possibilité de reprendre leur emploi à temps plein. CHAPITRE V. — Jours fériés Art. 9. Pour l’application de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés et l’arrêté royal d’exécution du 18 avril 1974 aux travailleurs occupés à temps partiel, il y a lieu d’appliquer les modalités suivantes : 53310 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 1. Feestdag valt in de eerste zes dagen van de week : a) voor het personeel met een vaste arbeidstijdregeling (dit wil zeggen de werknemers wiens arbeidsdagen of gedeelten van arbeids dagen door de partijen werden vastgesteld) : voor zover de feestdag samenvalt met een gewone activiteitsdag van de werknemer, heeft hij recht op rust van diezelfde dag enerzijds, en op de betaling van het normale loon voor deze niet gewerkte dag anderzijds, krachtens de beginselen van de wet van 4 januari 1974; de vaststelling van het loon geschiedt overeenkomstig artikel 2, 4e lid, van het koninklijk besluit van 18 april 1974, namelijk in verhouding tot de arbeidsuren die normaal tijdens de feestdag zouden verricht zijn indien het een werkdag was geweest. b) voor het personeel met een variabele arbeidstijdregeling (dit wil zeggen de werknemer wiens arbeidsdagen of gedeelten van arbeids dagen van week tot week of van maand tot maand kunnen verande ren) : in dit geval, ongeacht of de feestdag al dan niet samenvalt met een gewone activiteitsdag van de werknemer, heeft hij recht op rust (indien hij op die feestdag moest werken) of op een compensatie (indien hij op die feestdag normaal niet moest werken) die overeenkomt met het gemiddelde van zijn prestaties tijdens de drie voorgaande maanden; de compensatie geschiedt hetzij op een gewone activiteitsdag door proportionele vervanging, hetzij door deze op te nemen in de jaarlijkse vakantie, volgens het algemene reglement dat in de onderneming van kracht is. 2. De feestdag valt samen met een zondag : wanneer een feestdag samenvalt met een zondag, heeft de werknemer, voor wie het niet om een gewone activiteitsdag gaat, recht op een compensatie naar rata van de prestaties tijdens de drie voorgaande maanden; de compensatie geschiedt, hetzij op een gewone activiteitsdag door proportionele vervanging, hetzij door deze op te nemen in de jaarlijkse vakantie, volgens het algemeen reglement dat in de onderneming van kracht is. HOOFDSTUK VI Variabele deeltijdse arbeidsovereenkomsten Art. 10. § 1. De deeltijdse arbeidsovereenkomsten bedoeld in alinea 3 van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978, ingelast bij artikel 182, 1o van de wet van 22 december 1989, mogen in een onderneming slechts worden ingevoerd krachtens een collectieve arbeidsovereen komst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968. De bepalingen van deze overeenkomsten zullen automatisch ingelast worden in de arbeidsreglementen van de onderneming. § 2. Deze overeenkomsten moeten tenminste beantwoorden aan volgende voorwaarden : ze moeten voorzien in een wekelijkse contractuele arbeidsduur van gemiddeld minimum 24 uur; de wekelijkse arbeidsduur wordt vastgesteld in een cyclus van één jaar per kalenderjaar; de wekelijkse arbeidsduur wordt gespreid over ten hoogste vijf dagen per week, zonder onderbroken uurrooster; de uurroosters die overeenstemmen met de in de cyclus voorziene wekelijkse arbeidsduur worden meegedeeld drie weken op voorhand voor de vierde week. § 3. Er kan worden afgeweken van de bepalingen voor voorgaande alinea’s bij ondernemingsovereenkomst. HOOFDSTUK VII. — Slotbepalingen Art. 11. De collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 2005 betref fende de deeltijdse arbeid wordt opgeheven op 1 april 2009. Art. 12. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 april 2009. Ze is gesloten voor onbepaalde tijd. Zij kan door elk van de partijen worden opgezegd mits naleving van een opzeggingstermijn van drie maanden betekend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de warenhuizen. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET 1. Le jour férié survient dans les six premiers jours de la semaine a) pour le personnel à horaire fixe (c’est-à-dire travailleur sur lequel les journées ou parties de journées de travail ont été fixées par les parties) : dans la mesure où le jour férié coïncide avec un jour habituel d’activité du travailleur, il a droit, d’une part, au repos ce jour-là et, d’autre part, au paiement de la rémunération normale pour ce jour non presté en vertu des principes de la loi du 4 janvier 1974; la détermination de la rémunération s’opère conformément à l’article 2, alinéa 4 de l’arrêté royal du 18 avril 1974, à savoir qu’elle est fixée en proportion des heures de travail qui auraient été normalement prestées pendant le jour férié s’il avait été ouvrable. b) pour le personnel à horaire variable (c’est-à-dire travailleur pour lequel les journées ou parties des journées peuvent varier de semaine à semaine ou de mois à mois) : dans ce cas, que le jour férié coïncide ou ne coïncide pas avec un jour habituel d’activité du travailleur, il a droit à un repos (s’il devait travailler normalement ce jour férié) ou une compensation (s’il ne travaillait normalement pas ce jour férié) correspondant à la moyenne des prestations des trois mois antérieurs; la compensation s’opère, soit un jour habituel d’activité par le remplacement proportionnel, soit par l’intégration dans les vacances annuelles, selon le règlement général en vigueur dans l’entreprise. 2. Le jour férié coïncide avec un dimanche lorsqu’un jour férié coïncide avec un dimanche, le travailleur pour lequel il ne s’agit pas d’un jour d’activité a droit à une compensation équivalant au prorata des prestations des trois mois antérieurs; la compensation s’opère, soit un jour habituel d’activité par le remplacement proportionnel, soit par l’intégration dans les vacances annuelles, selon le règlement général en vigueur dans l’entreprise. CHAPITRE VI Contrats de travail à temps partiel variables Art. 10. § 1er. Les contrats de travail à temps partiel visés par l’alinéa 3 de l’article 11bis de la loi du 3 juillet 1978, introduit par l’article 182, 1o de la loi du 22 décembre 1989, ne peuvent être introduits dans une entreprise que par convention collective de travail conclue conformé ment à la loi du 5 décembre 1968. Les dispositions de ces conventions seront automatiquement intégrées dans les règlements de travail de l’entreprise. § 2. Ces contrats doivent répondre au minimum aux conditions suivantes : ils doivent prévoir une durée hebdomadaire de travail contractuelle moyenne au minimum 24 heures; la durée hebdomadaire de travail est fixée dans un cycle d’un an par année civile; la durée hebdomadaire de travail se répartit sur cinq jours par semaine maximum, sans horaire coupé; les horaires correspondant à la durée hebdomadaire du travail prévue dans le cycle sont communiqués trois semaines à l’avance pour la quatrième semaine. § 3. Il peut être dérogé aux dispositions des alinéas précédents par voie de convention d’entreprise. CHAPITRE VII. — Dispositions finales Art. 11. La convention collective de travail du 30 juin 2005 relative au travail à temps partiel est abrogée au 1er avril 2009. Art. 12. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er avril 2009. Elle est conclue à durée indéterminée. Elle peut être dénoncée moyennant un préavis de trois mois par chacune des parties signataires par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire des grands magasins. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET 53311BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/202986]N. 2010 — 2824 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 okto ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns en gezondheidssector, betreffende de deeltijdse arbeid en de minimale duur van de arbeidsprestaties (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 5 oktober 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezond heidssector, betreffende de deeltijdse arbeid en de minimale duur van de arbeidsprestaties. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector Collectieve arbeidsovereenkomst van 5 oktober 2009 Deeltijdse arbeid en minimale duur van de arbeidsprestaties (Overeenkomst geregistreerd op 27 november 2009 onder het nummer 96084/CO/331) Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers die behoren tot het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector. Onder ″werknemers″ wordt verstaan : het mannelijke en vrouwelijke werklieden- en bediendenpersoneel. Art. 2. In toepassing van artikel 182, 2e, 3e alinea van de programma wet van 22 december 1989, mag in de instellingen ressorterend onder hierboven vermeld paritair comité, de wekelijkse arbeidsduur van deeltijdse tewerkgestelde werknemers lager liggen dan één derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, die in deze instellingen tot dezelfde categorie behoren, op voorwaarde : ofwel dat deze werknemers reeds vóór 31 december 2008 een deeltijdse tewerkstelling hadden die lager lag dan één derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, dien in deze instellingen tot dezelfde categorie behoren; ofwel dat dit noodzakelijk is opdat zonder herverdeling van de globale tewerkstellingstijd van de in dienst zijnde werknemers en die eenzelfde functie vervullen in de instelling, deze niet groter zou zijn dan deze die vereist is door de reglementering betreffende de erkenning of de financiering van de instelling. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/202986]F. 2010 — 2824 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au travail à temps partiel et à la durée minimale des prestations de travail (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au travail à temps partiel et à la durée minimale des prestations de travail. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge : Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. Annexe Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé Convention collective de travail du 5 octobre 2009 Travail à temps partiel et durée minimale des prestations de travail (Convention enregistrée le 27 novembre 2009 sous le numéro 96084/CO/331) Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs ressortissant à la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé. Par ″travailleurs″, on entend : le personnel ouvrier et employé, tant masculin que féminin. Art. 2. En application de l’article 182, 2e, 3e alinéas de la loi programme du 22 décembre 1989, la durée de travail hebdomadaire des travailleurs occupés à temps partiel dans les institutions ressortissant à la commission paritaire susdite, peut être inférieure à un tiers de la durée de travail hebdomadaire des travailleurs occupés à temps plein dans ces institutions et appartenant à la même catégorie, à condition que : soit ces travailleurs soient déjà occupés à temps partiel avant le 31 décembre 2008, à hauteur de moins d’un tiers de la durée de travail hebdomadaire des travailleurs occupés à temps plein dans ces institu tions et appartenant à la même catégorie; soit cette mesure soit nécessaire pour que, sans redistribution du temps d’occupation global des travailleurs en service et exerçant la même fonction au sein de l’institution, ce temps d’occupation n’excède pas celui requis par la réglementation relative à l’agrément ou au financement de l’institution. 53312 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 3. In toepassing van artikel 189 van de programmawet van 22 december 1989, mag de instellingen ressorteren onder het hierboven vermeld paritair comité de duur van elke werkperiode korter zijn dan drie uren op voorwaarde : ofwel dat door de betrokken werknemers reeds vóór 31 decem ber 2008 een werkperiode korter dan drie uren gepresteerd werd; ofwel dat dit verantwoord is wegens de financiering van een werkperiode korter dan drie uren overeenstemmend met de beperkte omvang van het werk en deze prestaties, opgenomen in het arbeids reglement, in het uurrooster voorzien zijn. Art. 4. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2009. Zij wordt gesloten voor onbepaalde duur en kan door één der partijen opgezegd worden mits een opzegging van drie maanden betekend bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheids sector. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt vanaf de ingangs datum, uitsluitend voor wat betreft het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector, de verdere toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 februari 1992 betreffende deeltijdse arbeid en minimumduur van de arbeidsprestaties, overgenomen in de bijzondere collectieve arbeids overeenkomst van 16 oktober 2007. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/203100]N. 2010 — 2825 13 JUNI 2010. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 okto ber 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns en gezondheidssector, betreffende de kredieturen voor syndicale vorming (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28; Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 5 oktober 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezond heidssector, betreffende de kredieturen voor syndicale vorming. Art. 2. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 13 juni 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Art. 3. En application de l’article 189 de la loi-programme du 22 décembre 1989, la durée de chaque période de travail dans les institutions ressortissant à la commission paritaire susdite peut être inférieure à trois heures, à condition que : soit les travailleurs concernés prestent déjà une période de travail inférieure à trois heures avant le 31 décembre 2008; soit cette mesure soit justifiée par le financement d’une période de travail inférieure à trois heures, correspondant à la réduction du volume de travail et que ces prestations, reprises dans le règlement de travail, soient prévues dans l’horaire. Art. 4. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er octobre 2009. Elle est conclue pour une durée indéterminée et peut être dénoncée par une des parties moyennant un préavis de trois mois, signifié par courrier recommandé à la poste, adressé au président de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé. La présente convention collective de travail remplace, à compter de la date d’entrée en vigueur, exclusivement pour ce qui concerne le champ d’application de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, la poursuite de l’application de la convention collective de travail du 25 février 1992 relative au travail à temps partiel et à la durée minimale des prestations de travail, reprise dans la convention collective de travail particulière du 16 octobre 2007. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/203100]F. 2010 — 2825 13 JUIN 2010. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au crédit d’heures pour la formation syndicale (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, notamment l’article 28; Vu la demande de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Est rendue obligatoire la convention collective de travail du 5 octobre 2009, reprise en annexe, conclue au sein de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, relative au crédit d’heures pour la formation syndicale. Art. 2. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 13 juin 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Référence au Moniteur belge Loi du 5 décembre 1968, Moniteur belge du 15 janvier 1969. 53313BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Bijlage Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns en gezondheidssector Collectieve arbeidsovereenkomst van 5 oktober 2009 Kredieturen voor syndicale vorming (Overeenkomst geregistreerd op 27 november 2009 onder het nummer 96086/CO/331) Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op alle werkgevers en op alle werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité van de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector (PC 331). Onder ″werknemers″ wordt verstaan : het mannelijk en vrouwelijk werklieden- en bediendepersoneel. Art. 2. Aan de representatieve werknemersorganisaties, vertegen woordigd in de comités voor bescherming en preventie op het werk, syndicale afvaardigingen en ondernemingsraden in de betrokken ondernemingen, worden de nodige kredieturen ter beschikking gesteld teneinde hun afgevaardigden, zonder loonverlies, toe te laten vorming en externe syndicale vergaderingen te volgen welke worden georgani seerd door de representatieve werknemersorganisaties en zijn gericht op het aanvullen van hun economische, sociale en technische kennis, nuttig voor het vervullen van hun opdracht als vertegenwoordigers van het personeel. Art. 3. § 1. Het aantal dagen toegelaten afwezigheid dat ter beschikking wordt gesteld van een bepaalde representatieve werkne mersorganisatie is gelijk, voor de totale duur van de mandaten, aan vijftien maal het totaal aantal effectieve mandaten, toegekend of bekomen op de lijst voorgesteld door deze representatieve werknemer sorganisatie in het comité voor preventie en bescherming op het werk, de syndicale afvaardiging en de ondernemingsraad. § 2. Van het aantal toegelaten dagen afwezigheid ter beschikking gesteld aan een representatieve werknemersorganisatie kan gebruik gemaakt worden door effectieve en/of plaatsvervangende afgevaardig den van deze werknemersorganisatie. Iedere afwezigheid onder toe passing van deze overeenkomst mag niet minder bedragen dan een halve dag. De betrokken afgevaardigden hebben de mogelijkheid om de recuperatie te vragen van een verlofdag of halve verlofdag indien deze samenvalt met een dag of halve dag voorzien in artikel 2. Deze wordt afgetrokken van het globaal krediet toegekend in § 1 van dit artikel. Art. 4. De representatieve werknemersorganisaties moeten tenminste één maand op voorhand bij de betrokken werkgever een schriftelijk verzoek indienen om voor hun betrokken leden de nodige kredieturen te verkrijgen voor het bijwonen van de ingerichte initiatieven. Dit verzoek moet omvatten : 1. de naamlijst van de vakbondsmandatarissen ten gunste van wie de kredieturen worden gevraagd, alsmede de duurtijd van hun afwezig heid; 2. plaats, datum en duur van het initiatief waarvoor de deelname wordt verzocht; 3. agenda. De werkgever geeft aan dit verzoek een gunstig gevolg in de mate dat de aanwezigheid van de betrokken personen op de voorziene data niet noodzakelijk is voor het verzekeren van de continuïteit en de normale werking van de diensten. Het verzoek zal niet willekeurig worden geweigerd. De werkgever verwittigt de betrokken representatieve werknemers organisatie onmiddellijk wanneer, in geval van overmacht, een persoon wegens dringende dienstredenen niet kan deelnemen op de data waarvoor de werkgever zijn akkoord heeft gegeven. Art. 5. Alle geschillen, waartoe de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst aanleiding kan geven, worden behandeld door het verzoeningsbureau van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector. Art. 6. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang vanaf 1 oktober 2009. Zij is gesloten voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd door elk van de partijen, mits een opzeggingstermijn van zes maanden, bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector die alle ondertekenende organisaties hiervan ver wittigt. Annexe Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé Convention collective de travail du 5 octobre 2009 Crédit d’heures pour la formation syndicale (Convention enregistrée le 27 novembre 2009 sous le numéro 96086/CO/331) Article 1er. La présente convention collective de travail s’applique aux employeurs et aux travailleurs qui ressortissent à la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé (CP 331). Par ″travailleurs″ on entend : le personnel ouvrier et employé masculin et féminin. Art. 2. Le crédit d’heures nécessaire est mis à la disposition des organisations syndicales représentatives représentées au sein des comités de prévention et de protection au travail, des délégations syndicales et des conseils d’entreprise dans les institutions, afin qu’elles puissent faire suivre à leurs délégués, sans perte de rémunération, les cours et les réunions syndicales externes qui sont organisés par les organisations syndicales représentatives et qui visent à compléter leurs connaissances économiques, sociales et techniques, indispensables à l’exécution de leur mission comme représentants du personnel. Art. 3. § 1er. Le nombre de jours d’absence autorisée mis à la disposition d’une organisation syndicale représentative déterminée est égal, pour la durée totale des mandats, à dix fois le nombre total des sièges effectifs attribués ou obtenus sur la liste présentée par cette organisation syndicale représentative au sein du comité pour la prévention et la protection au travail, de la délégation syndicale et du conseil d’entreprise. § 2. Les représentants et/ou candidats représentants du personnel d’une organisation syndicale représentative peuvent faire usage du nombre de jours d’absence autorisée mis à la disposition de leur organisation syndicale. Chaque absence en application de la présente convention collective de travail ne peut être inférieure à une demi journée. Les représentants intéressés ont la possibilité de demander la récupération d’un jour ou d’un demi-jour de congé qui coïnciderait avec un jour ou un demi-jour tel que décrit à l’article 2. Ce temps d’absence vient en déduction du crédit global attribué au § 1er du présent article. Art. 4. Les organisations représentatives de travailleurs doivent adresser, au moins un mois à l’avance, une requête écrite à l’employeur concerné, en vue d’obtenir le crédit d’heures nécessaire pour que les membres intéressés puissent participer aux initiatives organisées. Cette demande doit comporter : 1. la liste nominative des mandataires syndicaux bénéficiant de la demande de congé, ainsi que la durée de leur absence; 2. le lieu, la date et la durée de l’initiative pour laquelle la participation est demandée; 3. l’ordre du jour. L’employeur donne une suite favorable à cette requête dans la mesure où la présence des personnes concernées aux dates prévues pour les cours n’est pas nécessaire pour assurer la continuité et le fonctionnement normal des services. L’employeur ne peut arbitraire ment refuser la requête. En cas de force majeure empêchant pour des raisons urgentes de service une personne de suivre les cours aux dates pour lesquelles l’employeur avait donné son accord, celui-ci avertit immédiatement l’organisation syndicale représentative concernée. Art. 5. Tous les différends auxquels peuvent donner lieu l’applica tion de la présente convention collective de travail sont examinés par le bureau de conciliation de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé. Art. 6. La présente convention collective de travail produit ses effets le 1er octobre 2009. Elle est conclue pour une durée indéterminée et peut être dénoncée par chacune des parties moyennant un délai de préavis de six mois, notifié par lettre recommandée à la poste adressée au président de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé qui en informera toutes les parties signataires. 53314 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de voorzitter van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector de betrokken organisaties op de hoogte heeft gebracht van de opzegging. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt vanaf de ingangs datum, uitsluitend voor wat betreft het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijns- en gezondheidssector, de verdere toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 1980 betreffende het krediet van uren voor de vakbonds vorming, overgenomen in de bijzondere collectieve arbeidsovereen komst van 16 oktober 2007. Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juni 2010. De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/204018]N. 2010 — 2826 30 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot vaststelling, voor de onderne mingen met als activiteit het precisiegieten volgens de verloren was techniek, gelegen in de streek van het Centrum en die onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw (PC 111) ressorteren, van de voorwaarden waaronder het gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden schorst (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereen komsten, artikel 51, § 1, vervangen bij de wet van 30 december 2001; Gelet op het advies van het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, gegeven op 21 juni 2010; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de erg slechte economische conjunctuur en het verlies van concurrentievermogen ten opzichte van ondernemingen gelegen in landen waar de loonkosten minder zijn, het spoedig verlengen van een regeling van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden rechtvaardigt voor de onderne mingen met als activiteit het precisiegieten volgens de verloren was techniek, gelegen in de streek van het Centrum en die onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw ressorteren; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden van de ondernemingen met als activiteit het precisiegieten volgens de verloren was techniek, gelegen in de streek van het Centrum en die onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw ressorteren. Art. 2. Bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken, mag de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden volledig worden geschorst, mits ervan kennis wordt gegeven door aanplakking op een goed zichtbare plaats in de lokalen van de onderneming, ten minste zeven dagen vooraf, de dag van de aanplakking niet inbegre pen. De aanplakking kan worden vervangen door een geschreven kennis geving aan iedere werkloos gestelde werkman, ten minste zeven dagen vooraf, de dag van de kennisgeving niet inbegrepen. Art. 3. De duur van de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken mag achttien weken niet overschrijden. Wanneer de volledige schorsing van de uitvoering van de overeen komst de voorziene maximumduur heeft bereikt, moet de werkgever gedurende een volledige arbeidsweek de regeling van volledige arbeid opnieuw invoeren, alvorens een nieuwe volledige schorsing kan ingaan. Le délai de préavis prend cours à dater du premier jour du mois suivant la date de la communication du préavis par le président de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé aux organisations concernées. La présente convention collective de travail remplace, à compter de la date d’entrée en vigueur, exclusivement pour ce qui concerne le champ d’application de la Commission paritaire pour le secteur flamand de l’aide sociale et des soins de santé, la poursuite de l’application de la convention collective de travail du 26 juin 1980 relative au crédit d’heures pour la formation syndicale, reprise dans la convention collective de travail particulière du 16 octobre 2007. Vu pour être annexé à l’arrêté royal du 13 juin 2010. La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/204018]F. 2010 — 2826 30 JUILLET 2010. — Arrêté royal fixant, pour les entreprises de fonderie de précision suivant la technique de la cire perdue, situées dans la région du Centre et ressortissant à la commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique (CP 111), les conditions dans lesquelles le manque de travail résultant de causes économiques suspend l’exécution du contrat de travail d’ouvriers (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l’article 51, § 1er, remplacé par la loi du 30 décembre 2001; Vu l’avis de la commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique, donné le 21 juin 2010; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, l’article 3, § 1er; Vu l’urgence, Considérant que la très mauvaise conjoncture économique et la perte de compétitivité par rapport à des entreprises situées dans les pays où les coûts salariaux sont moindres justifient la reconduction de toute urgence d’un régime de suspension de l’exécution du contrat de travail d’ouvrier pour les entreprises de fonderie de précision selon la technique de la cire perdue, situées dans la région du Centre et ressortissant à la commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique; Sur la proposition de la Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Le présent arrêté s’applique aux employeurs et aux ouvriers des entreprises de fonderie de précision suivant la technique de la cire perdue situées dans la région du Centre et ressortissant à la Commission paritaire des constructions métallique, mécanique et électrique. Art. 2. En cas de manque de travail résultant de causes économi ques, l’exécution du contrat de travail d’ouvrier peut être totalement suspendue moyennant une notification par affichage dans les locaux de l’entreprise, à un endroit apparent, au moins sept jours à l’avance, le jour de l’affichage non compris. L’affichage peut être remplacé par une notification écrite à chaque ouvrier mis en chômage, au moins sept jours à l’avance, le jour de la notification non compris. Art. 3. La durée de la suspension totale de l’exécution du contrat de travail d’ouvrier pour manque de travail résultant de causes économi ques ne peut dépasser dix-huit semaines. Lorsque la suspension totale de l’exécution du contrat a atteint la durée maximale prévue, l’employeur doit rétablir le régime de travail à temps plein pendant une semaine complète de travail, avant qu’une nouvelle suspension totale ne puisse prendre cours. Art. 4. En application de l’article 51, § 1er, alinéa 5, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, la notification visée à l’article 2 mentionne la date à laquelle la suspension totale de 53315BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 4. Met toepassing van artikel 51, § 1, vijfde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, vermeldt de in artikel 2 bedoelde kennisgeving de datum waarop de volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst ingaat, de datum waarop deze schorsing een einde neemt, alsook de data waarop de werklieden werkloos gesteld worden. Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 13 september 2010 en treedt buiten werking op 13 maart 2012. Art. 6. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 30 juli 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J.MILQUET Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 3 juli 1978, Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1978. Wet van 30 december 2001, Belgisch Staatsblad van 31 december 2001. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID [C − 2010/22354]N. 2010 — 2827 (2010 — 2540) 22 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake ver plichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkerin gen. — Corrigendum In het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2010, derde editie, pagina 49332, wordt het getal 563332 vervangen door het getal 562332. In het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2010, derde editie, pagina 49333, wordt het 11° vervangen als volgt : 11° In § 1, 6°, III., wordt, tussen de verstrekkingen 564034 en 564056, een verstrekking ingevoegd, luidende : 564351 Als de zittingen 564012 en 639730 niet mogen worden geattesteerd, rekening hou dende met de in § 14 van dit artikel vastgestelde beperkingen : individuele kine sitherapiezitting waarbij de persoonlijke betrokkenheid van de kinesitherapeut per rechthebbende een globale gemiddelde duur van 20 minuten heeft M 14,5 564351 Lorsque les séances 564012 et 639730 ne peuvent être attestées compte tenu des limitations prévues au § 14, du présent article : séance individuelle de kinésithéra pie dans laquelle l’apport personnel du kinésithérapeute par bénéficiaire atteint une durée globale moyenne de 20 minutes M 14,5 In het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2010, derde editie, pagina 49333, wordt het 12° vervangen als volgt : 12° In § 1, 6°, IV., wordt, tussen de verstrekkingen 564115 en 564130, een verstrekking ingevoegd, luidende : 564373 Als de zittingen 564093 en 639752 niet mogen worden geattesteerd, rekening hou dende met de in § 14 van dit artikel vastgestelde beperkingen : individuele kine sitherapiezitting waarbij de persoonlijke betrokkenheid van de kinesitherapeut per rechthebbende een globale gemiddelde duur van 20 minuten heeft M 14,5 564373 Lorsque les séances 564093 et 639752 ne peuvent être attestées compte tenu des limitations prévues au § 14, du présent article : séance individuelle de kinésithéra pie dans laquelle l’apport personnel du kinésithérapeute par bénéficiaire atteint une durée globale moyenne de 20 minutes M 14,5 l’exécution du contrat prend cours, la date à laquelle cette suspension prend fin, et les dates auxquelles les ouvriers sont mis en chômage. Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le 13 septembre 2010 et cesse d’être en vigueur le 13 mars 2012. Art. 6. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 30 juillet 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des Chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Références au Moniteur belge : Loi du 3 juillet 1978, Moniteur belge du 22 août 1978. Loi du 30 décembre 2001, Moniteur belge du 31 décembre 2001. SERVICE PUBLIC FEDERAL SECURITE SOCIALE [C − 2010/22354]F. 2010 — 2827 (2010 — 2540) 22 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’annexe de l’arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d’assurance obligatoire soins de santé et indemnités. — Corrigendum Au Moniteur belge du 30 juillet 2010, troisième édition, page 49332, le nombre 563332 est remplacé par le nombre 562332. Au Moniteur belge du 30 juillet 2010, troisième édition, page 49333, le 11° est remplacé comme suit : 11° Au § 1er, 6°, III., une prestation rédigée comme suit est insérée entre les prestations 564034 et 564056 : Au Moniteur belge du 30 juillet 2010, troisième édition, page 49333, le 12° est remplacé comme suit : 12° Au § 1er, 6°, IV., une prestation rédigée comme suit est insérée entre les prestations 564115 et 564130 : 53316 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE In het Belgisch Staatsblad van 30 juli 2010, derde editie, pagina 49334, wordt het 18° in het Frans vervangen als volgt : 18° Au § 1er, 6°, IV., l’intitulé de la prestation 564130 est remplacé par un intitulé rédigé comme suit : Lorsque les séances 564093, 564373 et 639752 ne peuvent être attestées compte tenu des limitations prévues au § 14, du présent arti cle : séance individuelle de kinésithérapie dans laquelle l’apport personnel du kinésithérapeute par bénéficiaire atteint une durée globale moyenne de 20 minutes. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE [C − 2010/09701]N. 2010 — 2828 16 JULI 2010. — Koninklijk besluit houdende wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2009 VERSLAG AAN DE KONING Sire, De leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, beschikken, overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2009, over een mandaat dat op 30 juni 2010 verstrijkt. Wat het vernieuwingsproces betreft, werden door het Executief stappen ondernomen, maar aan de andere kant dringt de vaststelling zich op dat het hele proces zeer langzaam verloopt. Het Executief van de Moslims van België heeft in de loop van 2009 en 2010 een aantal vergaderingen gehouden en een consultatie van de moslimgemeenschap georganiseerd op 5 december 2009. Tijdens de ontmoetingen met het Executief van de Moslims van België, op 20 mei en 24 juni 2010 werd mij toelichting verschaft bij het proces. Daarbij oriënteert men zich op het behoud van een structuur met een algemene vergadering en een Executief, waarvan de wijze waarop die representatief moeten worden samengesteld werd vastgesteld. Er is intern een consensus. Een aantal punten en de planning dienen verder te worden uitgewerkt. Het komt echter de huidige ontslagnemende Regering niet toe, daarover enige beslissing te treffen. Het Executief van de Moslims van België is het representatief orgaan van de Islamitische eredienst, belast met het beheer van de temporaliën van de Islamitische eredienst en die opdracht dient eerder restrictief te worden ingevuld (erkenning van moskeeën, aanstelling van imams en aalmoezeniers, toezicht op de rekeningen en begrotingen van de comités ingericht bij de lokale gemeenschappen). Het Executief in de zin van een representatief orgaan van de Islamitische eredienst, is niet het representatief orgaan van de gehele Moslimgemeenschap in België in al zijn domeinen, waaraan tal van niet godsdienstige aspecten verbonden zijn. Op dit ogenblik is er geen alternatief voorhanden en het is duidelijk dat het vernieuwingsproces dient te worden verdergezet, maar in een versnelde vorm. De huidige structuren zijn niet voldoende representatief en er dient dan ook een snelle oplossing te worden voorgesteld. Aangezien er echter op dit ogenblik moskeeën erkend zijn, imams ten laste van de begroting van de FOD Justitie worden uitbetaald, islamitische consulenten in de strafinrichtingen werkzaam zijn en islamleerkrachten in het onderwijs aangesteld zijn, hebben de admini stratieve overheden en de lokale erkende gemeenschappen in alle geval de noodzaak om over een contactpunt met de organen van de Islamitische eredienst te beschikken. Het is inderdaad onmogelijk dat de administratieve overheden rechtstreeks met de verschillende corres pondenten contacten zouden onderhouden en zij dienen ook inmen ging in de interne aangelegenheden van de Islamitische eredienst te vermijden. Teneinde een juridisch vacuüm te vermijden, verdient het aanbeve ling dat het huidige Executief zijn opdracht kan verderzetten en de continuïteit van het vernieuwingsproces verzekeren, en alle voorberei ding te treffen zonder echter tot enige uitvoering over te gaan. Met het oog daar op stel ik dan ook voor dat het huidige Executief in zijn mandaat zou worden verlengd tot uiterlijk 31 december 2010. Au Moniteur belge du 30 juillet 2010, troisième édition, page 49334, le 18° en français est remplacé comme suit : 18° Au § 1er, 6°, IV., l’intitulé de la prestation 564130 est remplacé par un intitulé rédigé comme suit : Lorsque les séances 564093, 564373 et 639752 ne peuvent être attestées compte tenu des limitations prévues au § 14, du présent arti cle : séance individuelle de kinésithérapie dans laquelle l’apport personnel du kinésithérapeute par bénéficiaire atteint une durée globale moyenne de 20 minutes. SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE [C − 2010/09701]F. 2010 — 2828 16 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’article 3 de l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, modifié par l’arrêté royal du 30 décembre 2009 RAPPORT AU ROI Sire, Conformément à l’article 3 de l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, modifié par l’arrêté royal du 30 décembre 2009, les membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique disposent d’un mandat qui expire ce 30 juin 2010. En ce qui concerne le processus de renouvellement, si des démarches ont été entreprises par l’Exécutif, force est de constater que l’ensemble du processus évolue très lentement. L’Exécutif des Musulmans de Belgique a organisé plusieurs réunions dans le courant des années 2009 et 2010, ainsi qu’une consultation de la communauté musulmane le 5 décembre 2009. Lors de rencontres avec l’Exécutif des Musulmans de Belgique les 20 mai et 24 juin 2010, des explications m’ont été fournies à propos du processus. On s’oriente ainsi vers le maintien d’une structure comportant une assemblée générale et un Exécutif, dont les modalités de composition représentative ont été fixées. Il existe un consensus en interne. Un certain nombre de points ainsi que le planning doivent être élaborés plus avant. Cependant, il n’appartient pas à l’actuel Gouvernement démission naire de prendre une quelconque décision à ce sujet. L’Exécutif des Musulmans de Belgique est l’organe représentatif du culte islamique, chargé de la gestion du temporel du culte islamique, et cette mission doit être définie de façon plutôt restrictive (reconnaissan ce de mosquées, désignation d’imams et d’aumôniers, contrôle des comptes et des budgets des comités institués au niveau des commu nautés locales). L’Exécutif au sens d’un organe représentatif du culte islamique n’est pas l’organe représentatif de l’ensemble de la communauté musulmane de Belgique dans tous ses domaines, à laquelle sont liés de nombreux aspects non religieux. Pour l’instant, aucune alternative n’est disponible et il est clair que le processus de renouvellement doit être poursuivi, mais sous une forme accélérée. Les structures actuelles ne sont pas suffisamment représentatives et il convient dès lors de proposer une solution rapide. Etant donné toutefois qu’aujourd’hui, des mosquées sont reconnues, des imams sont payés à charge du budget du SPF Justice, des conseillers islamiques officient dans les établissements pénitentiaires et des professeurs de religion islamique sont désignés dans l’enseigne ment, il est de toute façon nécessaire que les autorités administratives et les communautés locales reconnues disposent d’un point de contact avec les organes du culte islamique. Il est en effet impossible que les autorités administratives aient des contacts directement avec les différents correspondants à cet égard et elles doivent en outre éviter toute immixtion dans les affaires internes du culte islamique. Afin d’éviter un vide juridique, il est recommandé que l’Exécutif actuel puisse poursuivre sa mission et assurer la continuité du processus de renouvellement, et de prendre toutes les dispositions préparatoires sans toutefois procéder à une quelconque exécution. Dans cette perspective, je propose dès lors que l’Exécutif actuel soit prolongé dans son mandat jusqu’au 31 décembre 2010 au plus tard. 53317BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Deze termijn wordt enerzijds ingegeven door een bezorgdheid om zo snel als mogelijk representatieve organen te hebben, welke over voldoende slagkracht beschikken om het beheer van de dossiers en de verdere uitbouw van de Islamitische eredienst binnen het Belgische kader te verzekeren en anderzijds dat de volgende Regering het dossier moet kunnen evalueren. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, De zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Justitie, S. DE CLERCK 16 JULI 2010. — Koninklijk besluit houdende wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2009 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 4 maart 1870 op de temporaliën van de erediensten, inzonderheid op artikel 19bis, ingevoegd bij de wet van 19 juli 1974 en gewijzigd bij de wetten van 17 april 1985, 18 juli 1991 en 10 maart 1999; Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België; Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 2008 houdende schorsing van de artikelen 4 tot en met 9 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende erkenning van het Executief van de Moslims van België; Gelet op het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België, inzonderheid op artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2009; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 5 juli 2010; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het mandaat van het Executief van de Moslims van België verloopt op 30 juni 2010 en dat slechts in de loop van de vergaderingen tussen de FOD Justitie en het Executief, gehouden op 20 mei en 24 juni 2010, een duidelijkheid werd verschaft over de mogelijke opties met het oog op de vernieuwing van het representatief orgaan van de islamitische eredienst; Overwegende dat in een aantal dossiers zoals de islamconsulenten in de strafinrichtingen, de erkende moskeeën, de aangestelde imams en de leerkrachten islam in het onderwijs, men dient te blijven beschikken over een aanspreekpunt dat de continuïteit van de dossiers waarborgt en dat eveneens kan optreden als representatief orgaan naar de verschillende burgerlijke administratieve overheden toe; Overwegende dat er op dit ogenblik geen alternatief voorhanden is; Overwegende dat de niet verlenging van de leden, titularis van een mandaat in het huidige Executief van de Moslims van België, een juridisch vacuüm zou doen ontstaan en het vernieuwingsproces dat gaande is, maar evenwel duidelijk dient te worden versneld, in vraag zou stellen; Overwegende dat een beslissing over deze structuren niet toekomt aan de ontslagnemende Regering; Op de voordracht van de Minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 mei 2008 houdende erkenning van de leden, titularis van een mandaat in het Executief van de Moslims van België; wordt vervangen door de volgende bepaling : « Art. 3. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 31 maart 2008 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2010. » Ce délai est dicté par le souci de disposer le plus rapidement possible d’organes représentatifs disposant d’une capacité suffisante pour assurer la gestion des dossiers et la poursuite du développement du culte islamique dans le cadre belge, d’une part, et que le prochain Gouvernement doit pouvoir évaluer le dossier, d’autre part. J’ai l’honneur d’être, Sire, de Votre Majesté, le très respectueux et très fidèle serviteur, Le Ministre de la Justice, S. DE CLERCK 16 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’article 3 de l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, modifié par l’arrêté royal du 30 décembre 2009 ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 4 mars 1870 sur le temporel des cultes, notamment l’article 19bis, inséré par la loi du 19 juillet 1974 et modifié par les lois des 17 avril 1985, 18 juillet 1991 et 10 mars 1999; Vu l’arrêté royal du 3 mai 1999 portant reconnaissance de l’Exécutif des Musulmans de Belgique; Vu l’arrêté royal du 27 mars 2008 portant suspension des articles 4 à 9 de l’arrêté royal du 3 mai 1999 portant reconnaissance de l’Exécutif des Musulmans de Belgique; Vu l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, notamment l’article 3, modifié par l’arrêté royal du 30 décem bre 2009; Vu l’avis de l’Inspection des Finances, donné le 5 juillet 2010; Vu les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, notamment l’article 3, § 1er; Vu l’urgence; Considérant que le mandat actuel de l’Exécutif des Musulmans de Belgique expire le 30 juin 2010 et que ce n’est que les 20 mai et 24 juin 2010, lors des réunions entre le SPF Justice et l’Exécutif, que des précisions ont été apportées à propos des options possibles en vue du renouvellement de l’organe représentatif du culte islamique; Considérant que dans un certain nombre de dossiers tels que ceux des conseillers islamiques dans les établissements pénitentiaires, des mosquées reconnues, des imams désignés et des professeurs de religion islamique dans l’enseignement, il y a lieu de continuer à disposer d’un interlocuteur qui garantisse la continuité des dossiers et qui puisse également agir comme organe représentatif vis-à-vis des diverses autorités administratives civiles; Considérant qu’en ce moment aucune alternative n’est disponible; Considérant que l’absence de prolongation des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’actuel Exécutif des Musulmans de Belgique entraînerait un vide juridique et remettrait en question le processus de renouvellement qui est en cours, mais dont il est évident qu’il doit être accéléré; Considérant qu’il n’appartient pas au Gouvernement démissionnaire de prendre une décision concernant ces structures; Sur la proposition du Ministre de la Justice, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. L’article 3 de l’arrêté royal du 9 mai 2008 portant reconnaissance des membres, titulaires d’un mandat au sein de l’Exécutif des Musulmans de Belgique, est remplacé par ce qui suit : « Art. 3. Le présent arrêté produit ses effets le 31 mars 2008 et cesse de produire ses effets le 31 décembre 2010. » 53318 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De Minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 16 juli 2010. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE VLAAMSE OVERHEID [2010/204279]N. 2010 — 2829 16 JULI 2010. — Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een aanvullende financiering of subsidiëring voor het gecombineerd onderwijs aan centra voor volwassenenonderwijs De Vlaamse Regering, Gelet op decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, artikelen 72bis tot en met 72septies; Gelet op besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 tot wijziging van de regelgeving betreffende de studiebekrachtiging en de organisatie van het opleidingsaanbod in het volwassenenonderwijs; Gelet op het besluit van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming van 22 juni 2007 tot aanwijzing van de leden van de selectiecommissie voor de aanvullende financiering of subsidiëring van het gecombineerd onderwijs; Gelet op het advies van de selectiecommissie, gegeven op 3 juni 2010; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor Begroting, gegeven op 8 juli 2010; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs Elishout COOVI, Emile Grysonlaan 1, in 1070 Ander lecht, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs vierhonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleiding openbare besturen. Art. 2. Aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs Heusden-Zolder, Molenstraat 12, in 3550 Heusden-Zolder, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs achthonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleidingen computer operator en webdesign. Art. 3. Aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs Kisp, Industrieweg 228, in 9030 Mariakerke, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs vierhonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleiding webdesign. Art. 4. Aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs de Oranjerie Boudewijnvest 3, in 3290 Diest, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs vierhonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleiding begeleider in de kinderopvang. Art. 5. Aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs Vormingsleergang voor Sociaal en Pedagogisch Werk Sint-Amandsberg, Edgard Tinelstraat 92, in 9040 Sint-Amandsberg, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs vierhonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleiding begeleider in de kinderopvang. Art. 6. Aan het Provinciaal Centrum voor Volwassenenonderwijs Het Perspectief, Henleykaai 83, in 9000 Gent, wordt voor het schooljaar 2010-2011 ter stimulering en ondersteuning van het gecombineerd onderwijs achthonderd aanvullende leraarsuren toegekend voor de uitwerking van gecombineerd onderwijs voor de opleiding Nederlands Tweede Taal Richtgraad 1. Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking vanaf 1 september 2010. Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 16 juli 2010. De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, P. SMET Art. 2. Le Ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 16 juillet 2010. ALBERT Par le Roi : Le Ministre de la Justice, S. DE CLERCK 53319BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE TRADUCTION AUTORITE FLAMANDE [2010/204279]F. 2010 — 2829 16 JUILLET 2010. — Arrêté du Gouvernement flamand relatif à l’octroi d’un financement ou subventionnement complémentaire pour l’enseignement combiné à des centres d’éducation des adultes Le Gouvernement flamand, Vu le décret du 15 juin 2007 relatif à l’éducation des adultes, notamment les articles 72bis à 72septies inclus; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2009 fixant les attributions des membres du Gouvernement flamand; Vu l’arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 modifiant la réglementation relative à la validation des études et à l’organisation de l’offre de formation dans l’éducation des adultes; Vu l’arrêté du Ministre flamand de l’Enseignement et de la Formation du 22 juin 2007 portant désignation des membres de la commission de sélection pour le financement ou subventionnement complémentaire de l’enseignement combiné; Vu l’avis de la commission de sélection, rendu le 3 juin 2010; Vu l’accord du Ministre flamand chargé du budget, donné le 8 juillet 2010; Sur la proposition du Ministre flamand de l’Enseignement, de la Jeunesse, de l’Egalité des Chances et des Affaires bruxelloises; Après délibération, Arrête : Article 1er. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Centrum voor Volwassenenonderwijs Elishout COOVI″, avenue Emile Gryson 1, à 1070 Anderlecht, pour l’année scolaire 2010-2011, quatre cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour la formation ″openbare besturen″. Art. 2. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Centrum voor Volwassenenonderwijs Heusden-Zolder″, Molenstraat 12, à 3550 Heusden-Zolder, pour l’année scolaire 2010-2011, huit cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour les formations ″computeroperator″ et ″webdesign″. Art. 3. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Centrum voor Volwassenenonderwijs Kisp″, Industrieweg 228, à 9030 Mariakerke, pour l’année scolaire 2010-2011, quatre cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour la formation ″webdesign″. Art. 4. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Centrum voor Volwassenenonderwijs de Oranjerie″ Boudewijnvest 3, à 3290 Diest, pour l’année scolaire 2010-2011, quatre cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour la formation ″begeleider in de kinderopvang″. Art. 5. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Centrum voor Volwassenenonderwijs Vormingsleergang voor Sociaal en Pedagogisch Werk Sint-Amandsberg″, Edgard Tinelstraat 92, 9040 Sint-Amandsberg, pour l’année scolaire 2010-2011, quatre cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour la formation ″begeleider in de kinderopvang″. Art. 6. A titre d’appui et de promotion de l’enseignement combiné, il est accordé au ″Provinciaal Centrum voor Volwassenenonderwijs Het Perspectief″, Henleykaai 83, 9000 Gent, pour l’année scolaire 2010-2011, huit cents périodes/enseignant complémentaires pour le développement de l’enseignement combiné pour la formation ″Nederlands Tweede Taal Richtgraad 1″. Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2010. Art. 8. Le Ministre flamand ayant l’enseignement dans ses attributions est chargé de l’exécution du présent arrêté. Bruxelles, le 16 juillet 2010. Le Ministre-Président du Gouvernement flamand, K. PEETERS Le Ministre flamand de l’Enseignement, de la Jeunesse, de l’Egalité des Chances et des Affaires bruxelloises, P. SMET 53320 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204340]F. 2010 — 2830 1er JUILLET 2010. — Arrêté du Gouvernement wallon relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit Le Gouvernement wallon, Vu les articles 5, 7 et 8 de la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit; Vu les articles 4 à 9 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement; Vu l’article D.67, § 2, du Livre Ier du Code de l’Environnement; Vu l’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d’exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 mai 2004 relatif à l’évaluation et à la gestion du bruit dans l’environnement; Vu l’avis 46.379/4 du Conseil d’Etat, donné le 13 mai 2009, en application de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 1o, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973; Sur la proposition du Ministre de l’Environnement, de l’Aménagement du Territoire et de la Mobilité; Après délibération, Arrête : CHAPITRE Ier. — Généralités Article 1er. Au sens du présent arrêté, il faut entendre par : 1o ″administration″ : la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du Service public de Wallonie; 2o ″étude acoustique″ : toute analyse par mesures, calculs ou modélisations, des incidences sonores provoquées ou subies par un projet; 3o ″Ministre″ : le Ministre de l’Environnement. Art. 2. L’agrément des laboratoires ou organismes visé par les articles 5 et 7 de la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit est accordé par le Ministre aux conditions fixées par le présent arrêté pour une durée qu’il précise et qui ne peut excéder cinq ans. Art. 3. L’agrément est accordé pour une ou plusieurs des quatre catégories suivantes : 1o mesures sonométriques de contrôle destinées à évaluer le respect des législations, des conditions générales, sectorielles, intégrales, particulières ou complémentaires qui sont imposées par un permis d’environnement, un permis unique, une déclaration ou tout autre autorisation, enregistrement ou permission, sans modélisation acoustique; 2o études acoustiques réalisées dans le cadre : a) d’études destinées à évaluer le respect des législations, des conditions générales, sectorielles, intégrales, particulières ou complémentaires qui sont imposées par un permis d’environnement, un permis unique, une déclaration ou tout autre autorisation, enregistrement ou permission, et impliquant une modélisation acoustique; b) d’études technico-économiques visées à l’article 26 de l’arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d’exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement; c) d’une étude d’incidences sur l’environnement; 3o études acoustiques réalisées dans le cadre de cartographies acoustiques et plans d’action réalisés dans le cadre de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 mai 2004 relatif à l’évaluation et à la gestion du bruit dans l’environnement; 4o vérification et contrôle des sonomètres et appareils de mesures acoustiques à l’exclusion de la vérification et du contrôle préalables à la mise sur le marché. CHAPITRE II. — Critères conditionnant l’agrément Section 1re. — Exigences générales Art. 4. Le demandeur d’agrément établit qu’il dispose du matériel et des appareils décrits ci-après, disponibles en pleine propriété ou à tout autre titre lui conférant la disposition ou la jouissance continue : 1o un sonomètre classe 1 avec source étalon appropriée, conforme aux normes CEI 651 et CEI 804 ou à leur dernière révision. Ce sonomètre dispose des caractéristiques dynamiques FAST, SLOW et IMPULSE, de la pondération A, d’une dynamique de mesure de 20 à 120 dBA. Il doit pouvoir mémoriser les niveaux minimum et maximum, le niveau continu équivalent, le niveau fractile L95 et le niveau continu équivalent court sur une durée inférieure ou égale à 125 millisecondes. Le sonomètre doit pouvoir effectuer une analyse fréquentielle en tiers d’octave minimum avec stockage des multispectres en temps réel. La capacité de stockage minimale est de 50 000 données de niveau continu équivalent court et 50 000 multispectres. Les résultats sont transférables sur ordinateur; 2o un ordinateur; 3o un logiciel de dépouillement des résultats de mesures. Art. 5. Le demandeur d’agrément établit qu’il dispose, lui-même ou son personnel, d’une des compétences décrites ci-après : 1o l’un des membres du personnel posséde un diplôme de Master en sciences appliquées. Ce titre peut être un titre équivalent, antérieur à la délivrance du titre de Master. Cette personne doit avoir suivi un cours spécifique en acoustique de minimum 30 heures, soit durant les études supérieures, soit durant une formation ultérieure. Cette personne doit avoir une expérience de trois ans dans tout bureau, organisme ou service effectuant des études ou des mesures acoustiques; 53321BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 2o un enseignement supérieur comprenant 3 années d’études supérieures spécifiques en acoustique, avec une expérience de trois ans dans tout bureau, organisme ou service effectuant des études ou des mesures acoustiques, est satisfaisant; 3o un diplôme de Master autre que sciences appliquées est satisfaisant, si la personne a suivi un cours spécifique en acoustique de minimum 60 heures, soit durant les études supérieures, soit durant une formation ultérieure et si elle possède une expérience de cinq ans dans tout bureau, organisme ou service effectuant des études ou des mesures acoustiques. Ce titre peut être un titre équivalent, antérieur à la délivrance du titre de Master et peut correspondre à quatre années d’études supérieures, s’il a été obtenu avant 2007. Art. 6. Le demandeur d’agrément ni aucun membre de son personnel ne peut avoir d’intérêt direct dans une entreprise réalisant la fabrication ou le commerce de matériel destiné à réduire les nuisances sonores. Section 2. — Exigences spécifiques à certaines catégories d’agrément Art. 7. Les exigences complémentaires suivantes sont requises : 1o pour la catégorie 2o études acoustiques : * un logiciel de modélisation acoustique; 2o pour la catégorie 3o études acoustiques dans le cadre de cartographies acoustiques et plans d’action : * un logiciel de modélisation acoustique pouvant mettre en œuvre les méthodes d’évaluation telles que visées à l’annexe II de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 mai 2004 relatif à l’évaluation et à la gestion du bruit dans l’environnement; * un logiciel de dessin et de géoréférencement, permettant de fournir les résultats des cartographies acoustiques notamment en format shapefile ou tout format équivalent; * l’un des membres du personnel doit avoir une expérience d’un an dans l’utilisation d’un logiciel de dessin et de géoréférencement; 3o pour la catégorie 4o vérification et contrôle des sonomètres et appareils de mesures acoustiques : * une chambre isolée présentant un niveau de bruit LAeq,1h inférieur à 15 dBA; * un système de calibrage de référence, de type pistonphone. CHAPITRE III. — Procédure d’octroi d’agrément Art. 8. La demande d’agrément est introduite auprès du directeur général de l’administration, en deux exemplaires, au moyen d’un formulaire dont le modèle figure en annexe. Dans le cas d’un renouvellement d’agrément, la demande d’agrément est introduite six mois avant le terme de l’agrément en cours. Art. 9. La demande d’agrément comporte les indications suivantes : 1o les dénomination et adresse du demandeur; 2o s’il s’agit d’une personne morale, son identification précise et l’adresse du greffe du tribunal de commerce où est tenu son dossier; 3o les titres, qualifications et références du demandeur, ou du personnel lié au demandeur par un contrat d’emploi ainsi que de ses sous-traitants éventuels; 4o les moyens techniques dont le demandeur dispose; 5o les catégories visées à l’article 3 pour lesquelles il sollicite l’agrément; 6o le cas échéant, un rapport d’activité succinct couvrant les trois dernières années et mentionnant la liste des études et travaux effectués dans les différents domaines de l’acoustique; 7o une déclaration sur l’honneur certifiant que le demandeur ni aucun membre de son personnel n’ont d’intérêt direct dans une entreprise réalisant la fabrication ou le commerce de matériel destiné à réduire les nuisances sonores. Art. 10. La demande d’agrément est incomplète s’il manque des renseignements ou des documents requis en vertu de l’article 9. La demande est irrecevable : 1o si elle a été introduite en violation de l’article 8, alinéa 1er; 2o si elle est déclarée incomplète à deux reprises; 3o si le demandeur ne fournit pas les renseignements ou documents demandés dans le délai prévu par l’article 11, alinéa 2. Art. 11. L’administration envoie au demandeur sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande dans un délai de vingt jours à dater du jour où elle reçoit la demande en application de l’article 8. Si la demande est incomplète, l’administration indique au demandeur les renseignements et documents manquants. Le demandeur dispose alors de vingt jours à dater de la réception de la décision visée à l’alinéa précédent pour fournir à l’administration les compléments demandés. Ce délai est suspendu du 16 juillet au 15 août. Dans les vingt jours suivant la réception des compléments, l’administration envoie au demandeur sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande. Si l’administration estime une seconde fois que la demande est incomplète, elle la déclare irrecevable. Art. 12. L’administration envoie au Ministre une proposition de décision dans les soixante jours à compter, suivant le cas, soit de l’envoi de sa décision sur le caractère complet et recevable de la demande, soit à compter de l’expiration des délais visés à l’article 11, alinéa 1er ou 3. Ce délai est suspendu du 16 juillet au 15 août. Art. 13. Le Ministre décide de l’octroi ou non de l’agrément et envoie sa décision au demandeur dans les trente jours à compter de la réception de la proposition de décision visée à l’article 12. La décision d’agrément est publiée par extrait au Moniteur belge. La liste des agréments est publiée sur le site Internet de l’administration. Art. 14. En cas de modification d’un des éléments indiqués dans la demande d’agrément conformément à l’article 9, le titulaire de l’agrément est tenu d’en aviser sans délai l’administration. 53322 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE CHAPITRE IV. — Modification, suspension et retrait d’agrément Art. 15. L’agrément peut être modifié, retiré ou suspendu : 1o s’il y a lieu, en cas de modification d’un des éléments indiqués dans la demande d’agrément conformément à l’article 9 qui serait de nature à le justifier; 2o lorsque les critères conditionnant l’agrément ne sont plus remplis; 3o lorsque les études et travaux sont jugés de qualité insuffisante ou ne témoignent pas, dans le chef du titulaire de l’agrément, de toute l’impartialité et l’objectivité requises pour l’exercice des missions pour lesquelles il a été agréé. Art. 16. Dans les cas visés à l’article précédent, l’administration avise le titulaire de l’agrément de la possibilité de modifier, suspendre ou retirer l’agrément octroyé et lui communique, par lettre recommandée : 1o les motifs qui justifient la mesure envisagée; 2o que le titulaire de l’agrément a la possibilité d’exposer par écrit, conformément à l’article 18, ses moyens de défense, dans un délai de quinze jours à compter du jour de la notification de la lettre recommandée, et qu’il a, à cette occasion, le droit de demander à l’administration la présentation orale de sa défense; 3o que le titulaire de l’agrément a le droit de se faire assister ou représenter par un conseil; 4o que le titulaire de l’agrément a le droit de consulter son dossier. L’administration détermine, le cas échéant, le jour où le titulaire de l’agrément est invité à exposer oralement sa défense. Le Ministre décide de la modification, de la suspension ou du retrait de l’agrément dans les nonante jours à compter de l’expiration du délai visé à l’alinéa 1er, 2o. Art. 17. La décision de retrait, de suspension ou de modification de l’agrément est notifiée au titulaire de l’agrément par lettre recommandée et publiée de la façon prévue à l’article 13, alinéa 2. CHAPITRE V. — Calcul des délais et modes de communication Art. 18. Les modes de communication suivants sont utilisés par : 1o lettre recommandée à la poste avec accusé de réception; 2o recours à toute formule similaire permettant de donner date certaine à l’envoi et à la réception de l’acte, quel que soit le service de distribution du courrier utilisé; 3o dépôt contre récépissé. Lorsque le jour de la réception d’un acte constitue le point de départ d’un délai, il n’y est pas inclus. Le jour de l’échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l’échéance est reporté au jour ouvrable suivant. CHAPITRE VI. — Contrôle Art. 19. Les laboratoires et organismes agréés font contrôler, tous les deux ans, au moins un sonomètre de référence et sa source étalon par un laboratoire agréé pour la catégorie 4 ou par un laboratoire possédant un agrément analogue dans une autre Région ou un autre Etat membre de l’Union européenne. Art. 20. Les laboratoires et organismes agréés pour la catégorie 4 font contrôler chaque année leur système de calibrage de référence. Art. 21. Le responsable du laboratoire ou de l’organisme agréé autorise, à tout moment, l’accès des locaux aux agents de l’administration. Il communique aux agents de l’administration, sur demande, tous renseignements relatifs aux méthodes et aux techniques mises en œuvre. CHAPITRE VII. — Dispositions modificatives, abrogatoires, transitoires et finales Art. 22. A l’article R.57 du Livre Ier du Code de l’Environnement est ajouté un nouvel alinéa rédigé comme suit : « Toute étude acoustique réalisée dans le cadre d’une étude d’incidences d’un projet sur l’environnement est effectuée par un laboratoire ou organisme agréé conformément à l’arrêté du Gouvernement wallon du 1er juillet 2010 relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit ». Art. 23. A l’article 26, § 1er, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d’exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement, les mots ″visés à l’article 24, alinéa 2″ sont remplacés par les mots ″existants″. Art. 24. A l’article 26, § 2, du même arrêté, les mots ″d’un organisme agréé sur base de l’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit″ sont remplacés par les mots ″d’un laboratoire ou organisme agréé sur base de l’arrêté du Gouvernement wallon du 1er juillet 2010 relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit″. Les mots ″par l’organisme agréé″ sont remplacés par les mots ″par le laboratoire ou organisme agréé″. Art. 25. A l’article 6 de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 mai 2004 relatif à l’évaluation et à la gestion du bruit dans l’environnement, les mots ″à un organisme agréé en Région wallonne conformément à l’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit″ sont remplacés par les mots ″à un laboratoire ou organisme agréé sur base de l’arrêté du Gouvernement wallon du 1er juillet 2010 relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit.″ Art. 26. L’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit est abrogé. Art. 27. § 1er.Toute agréation délivrée en vertu de l’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit vaut agrément au sens du présent arrêté, suivant la concordance suivante : 1o les agréations octroyées pour les missions visées à l’article 5, 2o, de la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit, valent agrément pour les missions visées à l’article 3, 1o, 2o et 3o, du présent arrêté; 2o les agréations octroyées pour les missions visées à l’article 7 de la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit, valent agrément pour les missions visées à l’article 3, 1o et 4o, du présent arrêté. 53323BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 2. La validité des agréations existantes qui ont été octroyées sans limite de durée ou pour une durée supérieure à cinq ans est limitée à une période de cinq ans à compter de l’entrée en vigueur du présent arrêté. Les agréations existantes qui ont été octroyées pour une durée inférieure ou égale à cinq ans restent valables jusqu’au terme initialement fixé. Art. 28. L’examen des dossiers en cours d’instruction lors de l’entrée en vigueur est poursuivi conformément à la procédure et aux conditions instaurées par l’arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d’agréation des laboratoires et organismes chargés de l’essai et du contrôle d’appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit, sans que l’agrément délivré puisse toutefois excéder un terme de cinq ans. Art. 29. Le Ministre de l’Environnement est chargé de l’exécution du présent arrêté. Namur, le 1er juillet 2010. Le Ministre-Président, R. DEMOTTE Le Ministre de l’Environnement, de l’Aménagement du Territoire et de la Mobilité, Ph. HENRY ANNEXE Formulaire de demande d’agrément en matière de bruit A renvoyer à l’adresse suivante : Directeur général, DGARNE Avenue Prince de Liège 15 5100 Jambes Cadre réservé à l’administration Dossier no : Remarques : 1. Identification du demandeur : Dénomination : Adresse : rue ..................................................... no : ..................................................... bte : ..................................................... Code postal : ............................................................................... Localité : ............................................................................... Commune : Tél. bureau : ............................................................................. Fax bureau : ............................................................................. Personne assurant la direction effective du laboratoire ou de l’organisme : Nom, prénom : .............................................................................................................................................................................. Adresse : rue : .................................................... no : .................................................... bte : .................................................... Code postal : ............................................................................... Localité : ............................................................................... Commune : Tél. bureau : ............................................................................. Fax bureau : ............................................................................. Tél. privé : ............................................................................... Tél. mobile : ............................................................................... 2. Catégories d’agrément : 1o Mesures sonométriques de contrôle destinées à évaluer le respect des législations, conditions générales, sectorielles, intégrales, particulières ou complémentaires qui sont imposées par un permis d’environnement, un permis unique, une déclaration ou tout autre autorisation, enregistrement ou permission, sans modélisation acoustique; 2o Etudes acoustiques réalisées dans le cadre : a) d’études destinées à évaluer le respect des législations, conditions générales, sectorielles, intégrales, particulières ou complémentaires qui sont imposées par un permis d’environnement, un permis unique, une déclaration ou tout autre autorisation, enregistrement ou permission, et impliquant une modélisation acoustique; b) d’études technico-économiques visées à l’article 26 de l’arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales d’exploitation des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d’environnement; c) d’une étude d’incidences sur l’environnement; 3o Etudes acoustiques réalisées dans le cadre de cartographies acoustiques et plans d’action réalisés dans le cadre de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 mai 2004 relatif à l’évaluation et à la gestion du bruit dans l’environnement; 4o Vérification et contrôle des sonomètres et appareils de mesures acoustiques à l’exclusion de la vérification et du contrôle préalables à la mise sur le marché. 53324 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE L’agrément est sollicité pour les catégories suivantes : 1o 2o 3o 4o 3. Renseignements à fournir en annexe : a) locaux disponibles (bureaux, laboratoires, salles acoustiques spécifiques), en distinguant : — locaux dont le demandeur est propriétaire; — locaux dont le demandeur est détenteur à tout autre titre lui en conférant la disposition ou la jouissance continue, en distinguant la durée de cette disposition ou jouissance continue; b) Matériel et appareillages disponibles, recouvrant le matériel acoustique et informatique, en distinguant : — matériel et appareillages dont le demandeur est propriétaire; — matériel dont le demandeur est détenteur à tout autre titre lui en conférant la disposition ou la jouissance continue, en distinguant la durée de cette disposition ou jouissance continue. c) Le cas échéant, logiciels acoustiques spécifiques; d) Titres, qualifications et références du demandeur ainsi que, le cas échéant, du personnel lié au demandeur par contrat d’emploi et de ses sous-traitants; f) Le cas échéant, un rapport d’activité succinct couvrant les trois dernières années et mentionnant la liste des études et travaux réalisés dans les différents domaines de l’acoustique. 4. Déclaration sur l’honneur : Le demandeur certifie sur l’honneur que les renseignements ci-dessus et fournis en annexe sont exacts et que ni lui-même ni aucun membre de son personnel n’ont d’intérêt direct dans une entreprise réalisant la fabrication ou le commerce de matériel destiné à réduire les nuisances sonores. Date, nom, prénom et signature du demandeur : Vu pour être annexé à l’arrêté du Gouvernement wallon du 1er juillet 2010 relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit. Namur, le 1er juillet 2010. Le Ministre-Président, R. DEMOTTE Le Ministre de l’Environnement, de l’Aménagement du Territoire et de la Mobilité, Ph. HENRY ÜBERSETZUNG ÖFFENTLICHER DIENST DER WALLONIE [2010/204340]D. 2010 — 2830 1. JULI 2010 — Erlass der Wallonischen Regierung über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm Die Wallonische Regierung, Aufgrund der Artikel 5, 7 und 8 des Gesetzes vom 18. Juli 1973 über die Lärmbekämpfung; Aufgrund der Artikel 4 bis 9 des Dekrets vom 11. März 1999 über die Umweltgenehmigung; Aufgrund des Artikels D.67, § 2 des Buches I des Umweltgesetzbuches; Aufgrund des Königlichen Erlasses vom 2. April 1974 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung beauftragten Laboratorien und Einrichtungen; Aufgrund des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 4. Juli 2002 zur Festlegung der allgemeinen Betriebsbedingungen der in dem Dekret vom 11. März 1999 über die Umweltgenehmigung erwähnten Betriebe; Aufgrund des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 13. Mai 2004 über die Bewertung und Bekämpfung von Umgebungslärm; Aufgrund des am 13. Mai 2009 in Anwendung von Artikel 84 § 1 Absatz 1 1o der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat abgegebenen Gutachtens des Staatsrats Nr. 46.379/4; Auf Vorschlag des Ministers für Umwelt, Raumordnung und Mobilität; Nach Beratung, Beschließt: KAPITEL I — Allgemeines Artikel 1 - Im Sinne des vorliegenden Erlasses gelten folgende Definitionen: 1o ″Verwaltung″: die operative Generaldirektion Landwirtschaft, Naturschätze und Umwelt des Öffentlichen Dienstes der Wallonie; 2o ″akustische Studie″: jede Analyse durch Messungen, Berechnungen oder Modellierungen der durch ein Projekt verursachten oder ertragenen Lärmauswirkungen; 3o ″Minister″: der Minister der Umwelt. Art. 2 - Die in den Artikeln 5 und 7 des Gesetzes vom 18. Juli 1973 über die Lärmbekämpfung erwähnte Zulassung der Laboratorien und Einrichtungen wird von dem Minister zu den durch den vorliegenden Erlass festgelegten Bedingungen für eine von ihm festgesetzte Dauer, die fünf Jahre nicht überschreiten darf, gewährt. 53325BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 3 - Die Zulassung wird für eine oder mehrere der folgenden vier Kategorien gewährt: 1o Kontrolllärmmessungen, die dazu bestimmt sind, die Beachtung der durch eine Umweltgenehmigung, eine Globalgenehmigung, eine Erklärung oder durch jede andere Zulassung, Eintragung oder Erlaubnis auferlegten Gesetzgebungen, allgemeinen, sektoriellen, integralen, besonderen oder zusätzlichen Bedingungen ohne akustische Modellierung zu bewerten. 2o akustische Studien, durchgeführt im Rahmen: a) von Studien, die dazu bestimmt sind, die Beachtung der durch eine Umweltgenehmigung, eine Global genehmigung, eine Erklärung oder durch jede andere Zulassung, Eintragung oder Erlaubnis auferlegten Gesetz gebungen, allgemeinen, sektoriellen, integralen, besonderen oder zusätzlichen Bedingungen zu bewerten, und die eine akustische Modellierung mit einschließen; b) von in Artikel 26 des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 4. Juli 2002 zur Festlegung der allgemeinen Betriebsbedingungen der in dem Dekret vom 11. März 1999 über die Umweltgenehmigung erwähnten Betriebe erwähnten technisch-wirtschaftlichen Studien; c) von einer Umweltverträglichkeitsprüfung; 3o im Rahmen von akustischen Kartographien durchgeführte akustische Studien und im Rahmen des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 13. Mai 2004 über die Bewertung und Bekämpfung von Umgebungslärm durchgeführte Aktionspläne; 4o Überprüfung und Kontrolle der Schallpegelmesser und Schallmessgeräte mit Ausnahme der Überprüfung und Kontrolle, die der Vermarktung vorhergehen. KAPITEL II — Bedingungskriterien für die Zulassung Abschnitt 1 — Allgemeine Anforderungen Art. 4 - Der Antragsteller für die Zulassung erbringt den Nachweis, dass er über das bzw. die nachstehend beschriebene(n) Material und Geräte verfügt, das bzw. die als Volleigentum oder in jeder anderen Eigenschaft, die ihm die ununterbrochene Verfügbarkeit oder ein ununterbrochenes Nutzungsrecht gewähren, verfügbar sind: 1o ein mit den Normen CEI 651 und CEI 804 oder mit ihrer letzten Revision übereinstimmender Schallpegelmesser der Klasse 1 mit der geeigneten Eichquelle. Dieser Schallpegelmesser verfügt über die dynamischen Kennlinien FAST, SLOW und IMPULSE, die Gewichtung A, die dynamische Messung von 20 bis 120 dBA. Er muss die Mindest- und Höchstpegel, den äquivalenten Dauerschallpegel, die Fraktile L95 und den kurzen äquivalenten Dauerschallpegel auf eine Dauer von höchstens 125 Millisekunden speichern können. Der Schallpegelmesser muss mindestens eine Terzfrequenzanalyse mit einer Speicherung der Multispektren in Realzeit durchführen können. Die minimale Speicherungskapazität beträgt 50 000 Daten von kurzen äquivalenten Dauerschallpegeln und 50 000 Multispektren. Die Ergebnisse können auf den Computer übertragen werden; 2o ein Computer; 3o eine Software für die Verarbeitung der Messergebnisse. Art. 5 - Der Antragsteller für die Zulassung erbringt den Nachweis, dass er selbst oder sein Personal über eine der nachstehenden Kompetenzen verfügt: 1o eines seiner Personalmitglieder ist Inhaber eines Diploms des Masters in angewandten Wissenschaften. Dieses Diplom kann ein gleichwertiges, vor der Ausstellung des Masterdiploms erhaltenes Diplom sein. Diese Person muss entweder während des Hochschulunterrichts oder während einer späteren Ausbildung einen spezifischen Lehrgang in Akustik von mindestens 30 Stunden abgeschlossen haben. Diese Person muss über eine dreijährige Erfahrung in einem Büro, einer Einrichtung oder einem Dienst verfügen, das/die/der akustische Studien oder Messungen durchführt; 2o ein Hochschuldiplom, das drei Studienjahre des Hochschulunterrichts in Akustik enthält, mit einer dreijährigen Erfahrung in einem Büro, einer Einrichtung oder einem Dienst, das/die/der akustische Studien oder Messungen durchführt, genügt; 3o ein anderes Masterdiplom als in angewandten Wissenschaften genügt, wenn die Person entweder während des Hochschulstudiums oder während einer späteren Ausbildung einen spezifischen Lehrgang in Akustik von mindestens 60 Stunden abgeschlossen hat und wenn sie über eine fünfjährige Erfahrung in einem Büro, einer Einrichtung oder einem Dienst verfügt, das/die/der akustische Studien oder Messungen durchführt. Dieses Diplom kann ein gleichwertiges, vor der Ausstellung des Masterdiploms erhaltenes Diplom sein und kann vier Studienjahren des Hochschulunterrichts entsprechen, wenn es vor 2007 abgeschlossen worden ist. Art. 6 - Weder der Antragsteller noch eines der Mitglieder seines Personals darf ein direktes Interesse an einem Unternehmen haben, das für die Verringerung von Lärmbelästigungen bestimmtes Material herstellt oder in den Handel bringt. Abschnitt 2 — Spezifische Anforderungen für bestimmte Zulassungskategorien Art. 7 - Folgende zusätzliche Anforderungen sind notwendig: 1o für die Kategorie 2o akustische Studien: * eine Software für akustische Modellierung; 2o für die Kategorie 3o akustische Studien im Rahmen von akustischen Kartographien und Aktionsplänen: * eine Software für akustische Modellierung, durch die Bewertungsmethoden, wie sie in der Anlage II des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 13. Mai 2004 über die Bewertung und Bekämpfung von Umgebungslärm erwähnt werden, durchgeführt werden können; * eine Software für Zeichnungen und Georeferenzierung, durch die die Ergebnisse der akustischen Kartographien, insbesondere im Format Shapefile oder in jedem anderen gleichwertigen Format, geliefert werden können; * eines der Personalmitglieder muss über eine einjährige Erfahrung in der Benutzung einer Software für Zeichnungen und Georeferenzierung verfügen; 3o für die Kategorie 4o Überprüfung und Kontrolle der Schallpegelmesser und Lärmmessgeräte: * eine isolierte Kammer mit einem Schallpegel LAeq,1h unter 15 dBA; * ein Referenzkalibriersystem des Typs Pistophon. 53326 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE KAPITEL III — Verfahren zur Gewährung der Zulassung Art. 8 - Der Zulassungsantrag wird beim Generaldirektor der Verwaltung in zwei Exemplaren mittels eines Formulars, dessen Muster in der Anlage angegeben wird, eingereicht. Im Falle einer Zulassungserneuerung wird der Zulassungsantrag sechs Monate vor Ablauf der laufenden Zulassung eingereicht. Art. 9 - Der Zulassungsantrag enthält folgende Angaben: 1o Name und Anschrift des Antragstellers; 2o wenn es sich um eine juristische Person handelt, ihre genaue Identifizierung und die Anschrift der Kanzlei des Handelsgerichts, in der ihre Akte geführt wird; 3o die Diplome, Qualifikationen und Referenzen des Antragstellers oder des durch einen Arbeitsvertrag an den Antragsteller gebundenen Personals, sowie seiner eventuellen Subunternehmer; 4o die technischen Mittel, über die der Antragsteller verfügt; 5o die in Artikel 3 erwähnten Kategorien, für die er eine Zulassung ersucht; 6o gegebenenfalls einen kurzen Tätigkeitsbericht, der die drei letzten Jahre deckt und der die Liste der in den verschiedenen Bereichen der Akustik durchgeführten Studien und Arbeiten angibt; 7o eine ehrenwörtliche Erklärung in der bescheinigt wird, dass weder der Antragsteller, noch eines der Mitglieder seines Personals ein direktes Interesse an einem Unternehmen hat, das für die Verringerung von Lärmbelästigungen bestimmtes Material herstellt oder in den Handel bringt. Art. 10 - Der Zulassungsantrag ist unvollständig, wenn aufgrund des Artikels 9 erforderliche Auskünfte oder Unterlagen fehlen. Der Antrag ist unzulässig: 1o wenn er unter Verstoß gegen Artikel 8 Absatz 1 eingereicht wurde; 2o wenn er zweimal hintereinander als unvollständig erklärt wurde; 3o wenn der Antragsteller die verlangten Auskünfte oder Unterlagen nicht innerhalb der in Artikel 11 Absatz 2 vorgesehenen Frist übermittelt. Art. 11 - Innerhalb einer Frist von zwanzig Tagen ab dem Tag, an dem die Verwaltung den Antrag in Anwendung des Artikels 8 erhält, übermittelt sie dem Antragsteller ihren Beschluss über die Vollständigkeit und Zulässigkeit des Antrags. Wenn der Antrag unvollständig ist, gibt die Verwaltung dem Antragsteller die fehlenden Auskünfte und Unterlagen an. Der Antragsteller verfügt danach über zwanzig Tage ab dem Erhalt des in dem vorhergehenden Absatz erwähnten Beschlusses, um der Verwaltung die geforderten ergänzenden Unterlagen zu übermitteln. Diese Frist wird zwischen dem 16. Juli und dem 15. August ausgesetzt. Innerhalb von zwanzig Tagen nach Erhalt der ergänzenden Unterlagen übermittelt die Verwaltung dem Antragsteller ihren Beschluss über die Vollständigkeit und Zulässigkeit des Antrags. Wenn die Verwaltung den Antrag ein zweites Mal als unvollständig betrachtet, erklärt er diesen für unzulässig. Art. 12 - Die Verwaltung übermittelt dem Minister innerhalb von sechzig Tagen entweder je nach Fall ab der Übermittlung ihres Beschlusses über die Vollständigkeit und Zulässigkeit des Antrags, oder nach Ablauf der in Artikel 11 Absatz 1 oder 3 erwähnten Fristen einen Beschlussvorschlag. Diese Frist wird zwischen dem 16. Juli und dem 15. August ausgesetzt. Art. 13 - Der Minister beschließt darüber, ob die Zulassung gewährt wird oder nicht und übermittelt dem Antragsteller innerhalb von dreißig Tagen ab dem Erhalt des in Artikel 12 erwähnten Beschlussvorschlags seinen Beschluss. Der Zulassungsbeschluss wird auszugsweise im Belgischen Staatsblatt veröffentlicht. Die Liste der Zulassungen wird auf der Internet-Webseite der Verwaltung veröffentlicht. Art. 14 - Im Falle einer Änderung eines der in dem Zulassungsantrag gemäß Artikel 9 angegebenen Elemente ist der Zulassungsinhaber verpflichtet, die Verwaltung unverzüglich davon in Kenntnis zu setzen. KAPITEL IV — Abänderung, Aussetzung und Entzug der Zulassung Art. 15 - Die Zulassung kann geändert, entzogen oder ausgesetzt werden: 1o wenn sich eines der in dem Zulassungsantrag gemäß Artikel 9 angegebenen Elemente derart ändert, dass ein Entzug oder eine Aussetzung gerechtfertigt ist; 2o wenn die Bedingungskriterien der Zulassung nicht mehr erfüllt sind; 3o wenn die Studien oder Arbeiten qualitätsmäßig als unzureichend beurteilt werden oder wenn sie nicht den Nachweis der völligen Unparteilichkeit und Objektivität seitens des Zulassungsinhabers, die für die Ausübung der Aufgaben, für die er zugelassen wurde, erforderlich sind, erbringen. Art. 16 - In den in dem vorhergehenden Artikel erwähnten Fällen setzt die Verwaltung den Zulassungsinhaber über die Möglichkeit in Kenntnis, die gewährte Zulassung zu ändern, auszusetzen oder zu entziehen und übermittelt ihm per Einschreiben: 1o die Gründe, die die in Aussicht genommene Maßnahme rechtfertigen; 2o dass dem Zulassungsinhaber die Möglichkeit gegeben ist, innerhalb einer Frist von fünfzehn Tagen ab dem Tag der Zustellung des Einschreibens seine Verteidigungsmittel gemäß Artikel 18 schriftlich vorzubringen und dass er bei dieser Gelegenheit das Recht hat, bei der Verwaltung zu beantragen, seine Verteidigung mündlich vorzutragen; 3o dass der Zulassungsinhaber das Recht hat, sich von einem Berater unterstützen oder vertreten zu lassen; 4o dass der Zulassungsinhaber das Recht hat, seine Akte einzusehen. Die Verwaltung bestimmt gegebenenfalls den Tag, an dem der Zulassungsinhaber aufgefordert wird, seine Verteidigung mündlich vorzutragen. Innerhalb von neunzig Tagen nach Ablauf der in Absatz 1, 2o erwähnten Frist beschließt der Minister über die Abänderung, die Aussetzung oder den Entzug der Zulassung. Art. 17 - Der Beschluss zum Entzug, zur Aussetzung oder zur Abänderung der Zulassung wird dem Zulassungsinhaber per Einschreiben übermittelt und auf die in Artikel 13, Absatz 2 vorgesehene Weise veröffentlicht. 53327BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE KAPITEL V — Berechnung der Fristen und Mittel zur Bekanntgabe Art. 18 - Als Mittel zur Bekanntgabe werden benutzt: 1o Einschreiben bei der Post gegen Empfangsbestätigung; 2o Verwendung jeder ähnlichen Form der Bekanntgabe, durch die ungeachtet des benutzten Zustellungsdienstes die Einsendung und der Erhalt der Urkunde mit einem sicher feststehenden Datum versehen werden kann; 3o Abgabe gegen Abnahmebescheinigung. Wenn der Tag des Erhalts einer Urkunde der Ausgangspunkt einer Frist darstellt, ist dieser nicht inbegriffen. Der Verfallstag ist in der Frist eingeschlossen. Wenn dieser Tag jedoch ein Samstag, Sonntag oder gesetzlicher Feiertag ist, so wird der Verfallstag auf den nächstfolgenden Werktag verlegt. KAPITEL VI — Kontrolle Art. 19 - Die zugelassenen Laboratorien und Einrichtungen lassen alle zwei Jahre mindestens einen Referenz schallpegelmesser und dessen Eichquelle von einem für die Kategorie 4 zugelassenen Laboratorium oder von einem über eine ähnliche Zulassung in einer anderen Region oder in einem anderen Mitgliedstaat der europäischen Union verfügenden zugelassenen Laboratorium kontrollieren. Art. 20 - Die für die Kategorie 4 zugelassenen Laboratorien oder Einrichtungen lassen jedes Jahr ihr Referenzkalibriersystem kontrollieren. Art. 21 - Der Verantwortliche des zugelassenen Laboratoriums oder der zugelassenen Einrichtung erlaubt den Bediensteten der Verwaltung zu jeder Zeit den Zugang zu den Räumlichkeiten. Er übermittelt den Bediensteten der Verwaltung auf deren Anfrage jegliche Auskünfte bezüglich der eingesetzten Methoden und Techniken. KAPITEL VII — Abänderungs-, Aufhebungs-, Übergangs- und Schlussbestimmungen Art. 22 - In Artikel R. 57 des Buches I des Umweltgesetzbuches wird ein neuer Absatz mit folgendem Wortlaut hinzugefügt: «Jede im Rahmen einer Umweltverträglichkeitsprüfung eines Projekts durchgeführte akustische Studie wird von einem Laboratorium oder einer Einrichtung durchgeführt, das bzw. die gemäß dem Erlass der wallonischen Regierung vom 1. Juli 2010 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm zugelassen ist.» Art. 23 - In Artikel 26 § 1 des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 4. Juli 2002 zur Festlegung der allgemeinen Betriebsbedingungen der in dem Dekret vom 11. März 1999 über die Umweltgenehmigung erwähnten Betriebe werden die Wörter ″in Artikel 24, Absatz 2 erwähnten″ durch das Wort ″bestehenden″ ersetzt. Art. 24 - In Artikel 26 § 2 desselben Erlasses werden die Wörter ″einer auf der Grundlage des Königlichen Erlasses vom 2. April 1974 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung beauftragten Laboratorien und Einrichtungen″ durch die Wörter ″einem Laboratorium oder einer Einrichtung, das bzw. die auf der Grundlage des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 1. Juli 2010 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm zugelassen ist,″ ersetzt. die Wörter ″von der zugelassenen Einrichtung″ werden durch die Wörter ″von dem zugelassenen Laboratorium oder der zugelassenen Einrichtung″ ersetzt. Art. 25 - In Artikel 6 des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 13. Mai 2004 über die Bewertung und Bekämpfung von Umgebungslärm werden die Wörter ″an eine gemäß dem Königlichen Erlass vom 2. April 1974 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung beauftragten Laboratorien und Einrichtungen in der Wallonischen Region zugelassene Einrichtung″ durch die Wörter ″an ein Laboratorium oder an eine Einrichtung, das bzw. die gemäß dem Erlass der Wallonischen Regierung vom 1. Juli 2010 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm in der Wallonischen Region zugelassen ist,″ ersetzt. Art. 26 - Der Königliche Erlass vom 2. April 1974 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung beauftragten Laboratorien und Einrichtungen wird außer Kraft gesetzt. Art. 27 - § 1 - Jede gemäß dem Königlichen Erlass vom 2. April 1974 über die Zulassungsbedingungen und modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung beauftragten Laboratorien und Einrichtungen ausgestellte Zulassung gilt als Zulassung im Sinne des vorliegenden Erlasses gemäß folgender Übereinstimmung: 1o die für die in Artikel 5, 2o des Gesetzes vom 18. Juli 1973 über die Lärmbekämpfung erwähnten Aufgaben gewährten Zulassungen gelten als Zulassungen für die in Artikel 3, 1o, 2o und 3o des vorliegenden Erlasses erwähnten Aufgaben; 1o die für die in Artikel 7 des Gesetzes vom 18. Juli 1973 über die Lärmbekämpfung erwähnten Aufgaben gewährten Zulassungen gelten als Zulassungen für die in Artikel 3 1o, 2o und 4o des vorliegenden Erlasses erwähnten Aufgaben. § 2 - Die Gültigkeit der bestehenden Zulassungen, die ohne Dauereinschränkung oder für eine Dauer von mehr als fünf Jahren gewährt wurden, ist auf einen Zeitraum von fünf Jahren ab dem Inkrafttreten des vorliegenden Erlasses beschränkt. Die bestehenden Zulassungen, die für eine Dauer von höchstens fünf Jahren gewährt wurden, bleiben bis zum ursprünglich festgelegten Verfallsdatum gültig. 53328 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 28 - Die Untersuchung der sich im Laufe des Inkrafttretens in Bearbeitung befindenden Akten wird gemäß dem Verfahren und den Bedingungen, die durch den Königlichen Erlass vom 2. April 1974 über die Zulassungs bedingungen und -modalitäten der mit dem Test und der Kontrolle von Geräten und Vorrichtungen im Rahmen der Lärmbekämpfung eingeführt wurden, weitergeführt, ohne jedoch dass die Zulassung einen Zeitraum von fünf Jahren überschreiten darf. Art. 29 - Der Minister für Umwelt wird mit der Durchführung des vorliegenden Erlasses beauftragt. Namur, den 1. Juli 2010 Der Minister-Präsident R. DEMOTTE Der Minister für Umwelt, Raumordnung und Mobilität Ph. HENRY ANLAGE Formular zur Beantragung einer Zulassung in Sachen Lärm An folgende Anschrift zu richten: Directeur général, DGARNE Avenue Prince de Liège 15 5100 Jambes Der Verwaltung vorbehaltenes Feld Akte Nr.: Bemerkungen: 1. Identität des Antragstellers: Bezeichnung: Anschrift: Straße .................................................. Nr.: .................................................. BFK: .................................................. Postleitzahl: ................................................................................ Ortschaft: ................................................................................ Gemeinde: Tel. Büro: .................................................................................. Fax Büro: .................................................................................. Person, die das Laboratorium oder die Einrichtung effektiv leitet: Name, Vorname: Anschrift: Straße .................................................. Nr.: .................................................. BFK: .................................................. Postleitzahl: ................................................................................ Ortschaft: ................................................................................ Gemeinde: Tel. Büro: .................................................................................. Fax Büro: .................................................................................. Tel. Privat: ................................................................................. Mobiltel.: ................................................................................. 2. Zulassungskategorien: 1o Kontrolllärmmessungen, die dazu bestimmt sind, die Beachtung der durch eine Umweltgenehmigung, eine Globalgenehmigung, eine Erklärung oder durch jede andere Zulassung, Eintragung oder Erlaubnis auferlegten Gesetzgebungen, allgemeinen, sektoriellen, integralen, besonderen oder zusätzlichen Bedingungen ohne akustische Modellierung zu bewerten; 2o Akustische Studien, durchgeführt im Rahmen: a) von Studien, die dazu bestimmt sind, die Beachtung der durch eine Umweltgenehmigung, eine Globalgeneh migung, eine Erklärung oder durch jede andere Zulassung, Eintragung oder Erlaubnis auferlegten Gesetzgebun gen, allgemeinen, sektoriellen, integralen, besonderen oder zusätzlichen Bedingungen unter Einschließung einer akustischen Modellierung zu bewerten; b) von in Artikel 26 des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 26. Juli 4 zur Festlegung der allgemeinen Betriebsbedingungen der in dem Dekret vom 2002. März 11 über die Umweltgenehmigung erwähnten Betriebe erwähnten technisch-wirtschaftlichen Untersuchungen; c) einer Umweltverträglichkeitsprüfung; 3o Akustische Studien, durchgeführt im Rahmen von akustischen Kartographien und Aktionsplänen, die im Rahmen des Erlasses der Wallonischen Regierung vom 13. Mai 2004 über die Bewertung und Bekämpfung von Umgebungslärm durchgeführt werden; 4o Überprüfung und Kontrolle der Schallpegelmesser und Schallmessgeräte mit Ausnahme der Überprüfung und Kontrolle, die der Vermarktung vorhergehen. Die Zulassung wird für folgende Kategorien ersucht: 1o 2o 3o 4o 53329BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 1. Auskünfte, die als Anlage beizufügen sind: a) verfügbare Räume (Büros, Laboratorien, spezifische akustische Räume), wobei zu unterscheiden sind: — Räume, von denen der Antragsteller Eigentümer ist; — Räume, von denen der Antragsteller der Halter in jeder anderen Eigenschaft ist, durch die ihm die ununterbrochene Verfügbarkeit oder ein ununterbrochenes Nutzungsrecht gewährt wird, wobei die Dauer dieser fortwährenden Verfügung oder Nutznießung näher anzugeben ist; b) verfügbare(s) Material und Geräte, die das akustische und EDV-Material umfassen, wobei zu unterscheiden sind: — Material und Geräte, von denen der Antragsteller Eigentümer ist; — Material, von denen der Antragsteller der Halter in jeder anderen Eigenschaft ist, durch die ihm die unterbrochene Verfügbarkeit oder Nutznießung gewährt wird, wobei die Dauer dieser fortwährenden Verfügung oder Nutznießung ein ununterbrochenes Nutzungsrecht anzugeben ist; c) gegebenenfalls spezifische akustische Software; d) Diplome, Qualifikationen und Referenzen des Antragstellers sowie gegebenenfalls des durch einen Arbeits vertrag an den Antragsteller gebundenen Personals und seiner eventuellen Subunternehmer; f) gegebenenfalls ein kurzer Tätigkeitsbericht, der die drei letzten Jahre deckt und der die Liste der in den verschiedenen Bereichen der Akustik durchgeführten Studien und Arbeiten angibt. 4. Ehrenwörtliche Erklärung: Der Antragsteller bescheinigt auf Ehrenwort, dass die oben angegebenen und als Anlage beigefügten Auskünfte richtig sind und dass weder er, noch eines seiner Personalmitglieder ein direktes Interesse an einem Unternehmen hat, das für die Verringerung von Lärmbelästigungen bestimmtes Material herstellt oder in den Handel bringt. Datum, Name, Vorname und Unterschrift des Antragstellers: Gesehen, um dem Erlass der Wallonischen Regierung vom 1. Juli 2010 über die Zulassungsbedingungen und -modalitäten der Laboratorien oder Einrichtungen in Sachen Lärm als Anlage beigefügt zu werden. Namur, den 1. Juli 2010 Der Minister-Präsident R. DEMOTTE Der Minister für Umwelt, Raumordnung und Mobilität Ph. HENRY VERTALING WAALSE OVERHEIDSDIENST [2010/204340]N. 2010 — 2830 1 JULI 2010. — Besluit van de Waalse Regering betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder De Waalse Regering, Gelet op de artikelen 5, 7 en 8 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder; Gelet op de artikelen 4 tot 9 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning; Gelet op artikel D.67, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek; Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 13 mei 2004 betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; Gelet op het advies nr. 46.379/4 van de Raad van State, gegeven op 13 mei 2009, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1o, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. — Algemeen Artikel 1. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder: 1o ″administratie″ : het Operationeel directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst; 2o ″ akoestisch onderzoek ″ : elke analyse door metingen, berekeningen of modelleringen, van de geluidseffecten veroorzaakt of ondergaan door een project; 3o ″ Minister ″ : de Minister van Leefmilieu. Art. 2. De erkenning van de laboratoria of lichamen bedoeld in de artikelen 5 en 7 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder wordt onder de bij dit besluit gestelde voorwaarden door de Minister verleend voor een duur die hij bepaalt en die niet langer mag zijn dan vijf jaar. Art. 3. De erkenning wordt verleend voor één of meer van de vier volgende categorieën : 1o controlegeluidsmetingen tot beoordeling van de naleving van de wetgevingen, de algemene, sectorale, integrale, bijzondere of aanvullende voorwaarden gesteld door een milieuvergunning, een eenmalige vergunning, een aangifte of elke andere machtiging, registratie of toestemming, zonder akoestische modellering; 2o akoestische onderzoeken uitgevoerd in het kader van : a) onderzoeken tot beoordeling van de naleving van de wetgevingen, de algemene, sectorale, integrale, bijzondere of aanvullende voorwaarden gesteld door een milieuvergunning, een eenmalige vergunning, een aangifte of elke andere machtiging, registratie of toestemming, die een akoestische modellering impliceren; 53330 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE b) technisch-economische onderzoeken bedoeld in artikel 26 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning; c) een milieueffectonderzoek; 3o akoestische onderzoeken gedaan in het kader van geluidsbelastingkaarten en actieplannen uitgevoerd overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 13 mei 2004 betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; 4o verificatie en controle van de geluidsniveaumeters en geluidsmetingstoestellen, met uitsluiting van de verificatie en de controle die plaatsvinden voordat ze op de markt gebracht worden. HOOFDSTUK II. — Erkenningscriteria Afdeling 1. — Algemene vereisten Art. 4. De erkenningsaanvrager verklaart dat hij over het materiaal en de hieronder beschreven toestellen beschikt, in volle eigendom of in elke andere hoedanigheid die hem de beschikking of het voortdurend genot verleent : 1o een geluidsniveaumeter klasse 1 met geschikte standaardbron, conform de normen IEC 651 en IEC 804 of de laatste herziening ervan. Die geluidsniveaumeter heeft de dynamische eigenschappen FAST, SLOW en IMPULSE, de weging A, een meetdynamiek van 20 tot 120 dBA. Hij kan de minimum- en maximumniveaus memoriseren, alsook het gelijkwaardige continu-niveau, het fractiel niveau L95 en het gelijkwaardige continu-niveau over een duur van 125 milliseconden of minder. De geluidsniveaumeter kan een frequentieanalyse uitvoeren in derde octaaf minimum, met opslag van de multispectra in reële tijd. Hij kan minstens 50 000 continu-niveau gegevens equivalent kort en 50 000 multispectra opslaan. De resultaten kunnen op een computer overgedragen worden; 2o een computer; 3o een software voor de verwerking van de meetresultaten. Art. 5. De erkenningsaanvrager verklaart dat hijzelf of zijn personeel over één van de volgende kwalificaties beschikt : 1o één van de personeelsleden is in het bezit van een Masterdiploma in de toegepaste wetenschappen. Dat diploma kan een gelijkwaardig diploma zijn, afgeleverd voor het Masterdiploma. Die persoon heeft een specifieke cursus akoestiek van minstens 30 uren gevolgd, hetzij tijdens de hogere studies, hetzij bij een latere opleiding. Die persoon heeft drie jaar ervaring opgedaan in een bureau, instelling of dienst die akoestische onderzoeken of metingen uitvoert; 2o een hoger onderwijs, met name drie jaar hogere specifieke studies akoestiek, plus drie jaar ervaring opgedaan in een bureau, instelling of dienst die akoestische onderzoeken of metingen uitvoert, is voldoende; 3o een Masterdiploma in een ander vak dan de toegepaste wetenschappen volstaat indien de persoon een specifieke cursus akoestiek van minimum 60 uren heeft gevolgd, hetzij tijdens de hogere studies, hetzij bij een latere opleiding, en indien hij vijf jaar ervaring opgedaan heeft in een bureau, instelling of dienst die akoestische onderzoeken of metingen uitvoert. Dat diploma kan een gelijkwaardig diploma zijn, dat voor het Masterdiploma is afgeleverd, en kan overeenstemmen met vier jaar hogere studies indien het voor 2007 is verkregen. Art. 6. De erkenningsaanvrager en zijn personeelsleden mogen geen rechtstreeks belang hebben in een bedrijf dat materiaal ter beperking van geluidshinder produceert en in de handel brengt. Afdeling 2. — Specifieke vereisten voor bepaalde erkenningscategorieën Art. 7. De volgende aanvullende vereisten gelden voor : 1o categorie 2o akoestische onderzoeken : * een software akoestische modellering; 2o voor categorie 3o akoestische onderzoeken in het kader van geluidsbelastingkaarten en actieplannen : * een software akoestische modellering waarmee de beoordelingsmethodes toegepast kunnen worden zoals bedoeld in bijlage II bij het besluit van de Waalse Regering van 13 mei 2004 betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; * een software tekenen en georeferencering, waarmee de resultaten van de geluidsbelastingkaarten verstrekt kunnen worden, o.a. in het formaat shapefile of in elk gelijkwaardig formaat; * één van de personeelsleden moet een jaar ervaring hebben wat betreft het gebruik van een software tekenen en georeferencering; 3o voor categorie 4o verificatie en controle van de geluidsniveaumeters en akoestische meettoestellen : * een geïsoleerde kamer met een geluidsniveau LAeq,1h onder 15 dBA; * een referentie-calibratiesysteem, type pistonfoon. HOOFDSTUK III. — Erkenningsprocedure Art. 8. De erkenningsaanvraag wordt in twee exemplaren aan de directeur-generaal van de administratie gericht d.m.v. een formulier waarvan het model bij dit besluit gaat. In geval van hernieuwing van de erkenning wordt de erkenningsaanvraag zes maanden vóór de vervaldatum van de lopende erkenning ingediend. Art. 9. De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens : 1o de naam en het adres van de aanvrager; 2o als het om een rechtspersoon gaat, de nauwkeurige identificatie en het adres van de greffie van de handelsrechtbank waar zijn dossier bewaard wordt; 3o de diploma’s, kwalificaties en referenties van de aanvrager of van het personeel gebonden aan de aanvrager door een arbeidscontract, alsook die van zijn eventuele onderaannemers; 4o de technische middelen waarover de aanvrager beschikt; 5o de categorieën bedoeld in artikel 3 waarvoor hij de erkenning aanvraagt; 6o desgevallend, een beknopt activiteitenrapport betreffende de drie laatste jaren, met de lijst van de onderzoeken en werken uitgevoerd in de verschillende domeinen van de akoestiek; 53331BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 7o een verklaring op erewoord waarbij bevestigd wordt dat de aanvrager noch zijn personeelsleden een rechtstreeks belang hebben in een bedrijf dat materiaal ter beperking van geluidshinder produceert en in de handel brengt. Art. 10. De erkenningsaanvraag is onvolledig als krachtens artikel 15 vereiste gegevens of stukken ontbreken. De aanvraag is onontvankelijk : 1o als ze in strijd met artikel 8, eerste lid, wordt ingediend; 2o als ze twee keer onvolledig wordt verklaard; 3o als de aanvrager de gegevens of stukken niet verstrekt binnen de termijn bepaald bij artikel 11, tweede lid. Art. 11. De administratie stuurt haar beslissing i.v.m. het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag naar de aanvrager binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen van de datum waarop ze de aanvraag overeenkomstig artikel 14 in ontvangst neemt. Als de aanvraag onvolledig is, wijst de administratie de aanvrager op de ontbrekende gegevens en stukken. De aanvrager beschikt over twintig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beslissing bedoeld in het vorige lid, om de gevraagde aanvullende gegevens aan de administratie te richten. Die termijn wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus. Binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvullende stukken stuurt de administratie haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden werd naar de aanvrager. Indien de aanvraag een tweede keer onvolledig bevonden wordt door de administratie, wordt ze onontvankelijk verklaard. Art. 12. De administratie stuurt een beslissingsvoorstel naar de Minister binnen zestig dagen, te rekenen, al naar gelang van het geval, hetzij van de datum van verzending van zijn beslissing i.v.m. het volledige en ontvankelijke karakter van de aanvraag, hetzij vanaf de vervaldatum van de termijnen bedoeld in artikel 17, eerste of derde lid. Art. 13. De Minister beslist de erkenning al dan niet te verlenen en stuurt zijn beslissing naar de aanvrager binnen dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het beslissingsvoorstel bedoeld in artikel 18. De erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De lijst van de erkenningen wordt bekendgemaakt op de Internetsite van de administratie. Art. 14. In geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel 15, verwittigt de houder van de erkenning onmiddellijk de administratie. HOOFDSTUK IV. — Wijziging, opschorting en intrekking van de erkenning Art. 15. De erkenning kan gewijzigd, opgeschort of ingetrokken worden : 1o als daar reden toe is, in geval van wijziging van één van de gegevens vermeld in de erkenningsaanvraag overeenkomstig artikel 15, die zulks zou kunnen rechtvaardigen; 2o indien de erkenningscriteria niet meer vervuld zijn; 3o wanneer de onderzoeken en werken van onvoldoende kwaliteit geacht worden of in hoofde van de houder van de erkenning niet blijk geven van de vereiste onpartijdigheid en objectiviteit voor de uitoefening van de opdrachten waarvoor hij erkend werd. Art. 16. In de gevallen bedoeld in het vorige lid stelt de administratie de houder van de erkenning op de hoogte van de mogelijkheid om de verleende erkenning te wijzigen, op te schorten of in te trekken en wijst ze hem bij aangetekend schrijven op het volgende : 1o de motieven die de overwogen maatregel rechtvaardigen; 2o hij heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de datum van kennisgeving van het aangetekend schrijven, overeenkomstig artikel 24 zijn verweermiddelen schriftelijk mee te delen en het recht om bij die gelegenheid de administratie erom te verzoeken zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen; 3o hij heeft het recht om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman; 4o hij heeft het recht om zijn dossier in te kijken. De administratie bepaalt, in voorkomend geval, de dag waarop de houder van de erkenning erom verzocht wordt zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen. De Minister beslist over de wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning binnen negentig dagen, te rekenen van de vervaldatum van de termijn bedoeld in het eerste lid, 2o. Art. 17. De beslissing tot wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning wordt aan de houder van de erkenning meegedeeld bij aangetekend schrijven en bekendgemaakt op de wijze bepaald bij artikel 19, tweede lid. HOOFDSTUK V. — Berekening van de termijnen en wijzen van mededeling Art. 18. De volgende wijzen van mededeling worden gebruikt : 1o ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst; 2o elke gelijksoortige formule die de verzend- en ontvangstdatum van de akte waarborgen, ongeacht de dienst die de gebruikte post verdeelt; 3o neerlegging tegen bericht van ontvangst. Indien de dag van ontvangst van een akte de begindatum van een termijn is, wordt hij niet meegerekend. De vervaldatum wordt in die termijn meegerekend. Wanneer die dag evenwel een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt de vervaldatum naar de volgende werkdag verschoven. 53332 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE HOOFDSTUK VI. — Controle Art. 19. De erkende laboratoria en instellingen laten om de twee jaar minstens één referentie-geluidsniveaumeter en de standaardbron ervan controleren door een laboratorium erkend voor categorie 4 of door een laboratorium dat over een gelijkwaardige erkenning beschikt in een ander Gewest of in een andere Lid-Staat van de Europese Unie. Art. 20. De laboratoria en instellingen erkend voor categorie 4 laten jaarlijks hun referentie-calibratiesysteem controleren. Art. 21. De verantwoordelijke voor het erkende laboratorium of de erkende instelling verschaft de agenten van de administratie altijd toegang tot de lokalen. Hij verstrekt hen op verzoek alle gegevens over de toegepaste methodes en technieken. HOOFDSTUK VII. — Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 22. Artikel R.57 van Boek I van het Milieuwetboek wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt : « Elk akoestisch onderzoek in het kader van een milieueffectonderzoek van een project wordt uitgevoerd door een laboratorium of een instelling erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 1 juli 2010 betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder ». Art. 23. In artikel 26, § 1, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de woorden ″Voor de in artikel 24, tweede lid, bedoelde inrichtingen″ vervangen door de woorden ″Voor de bestaande inrichtingen″. Art. 24. In artikel 26, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden ″van een inrichting erkend krachtens het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen″ vervangen door de woorden ″van een laboratorium of een instelling erkend krachtens het besluit van de Waalse Regering van 1 juli 2010 betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder″. 1o de woorden ″door de erkende inrichting″ worden vervangen door de woorden ″door het erkende laboratorium of de erkende instelling″. Art. 25. In artikel 6 van het besluit van de Waalse Regering van 13 mei 2004 betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai worden de woorden ″door een in het Waalse Gewest erkende instelling uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen″ vervangen door de woorden ″uitgevoerd door een laboratorium of een instelling erkend krachtens het besluit van de Waalse Regering van 1 juli 2010 betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder.″ Art. 26. Het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichting wordt opgeheven. Art. 27. § 1. Elke erkenning verleend krachtens het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichting geldt als erkenning in de zin van dit besluit in de volgende mate : 1o de erkenningen verleend voor de opdrachten bedoeld in artikel 5, 2o, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, gelden als erkenning voor de opdrachten bedoeld in artikel 3, 1o, 2o en 3o, van dit besluit; 2o de erkenningen verleend voor de opdrachten bedoeld in artikel 7 van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder gelden als erkenning voor de opdrachten bedoeld in artikel 3, 1o en 4o, van dit besluit. § 2. De geldigheid van de bestaande erkenningen die verleend werden voor onbeperkte duur of voor meer dan vijf jaar wordt beperkt tot een periode van vijf jaar die ingaat op de datum van inwerkingtreding van dit besluit. De bestaande erkenningen die verleend werden voor vijf jaar of minder blijven geldig tot de aanvankelijk vatsgelegde vervaldatum. Art. 28. Het onderzoek van de dossiers in behandeling bij de inwerkingtreding wordt voortgezet overeenkomstig de procedure en de voorwaarden opgelegd bij het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichting, waarbij de verleende erkenning niet langer mag lopen dan vijf jaar. Art. 29. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit. Namen, 1 juli 2010. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit, Ph. HENRY 53333BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE BIJLAGE Aanvraagformulier tot erkenning inzake geluidshinder Te richten aan volgend adres : Directeur général, DGARNE Avenue Prince de Liège 15 5100 Jambes Vak voorbehouden aan de administratie Dossier nr. : Opmerkingen : 1. Identificatie van de aanvrager : Benaming : Adres : Straat : ................................................... nr. : ................................................... bus : ................................................... Postcode : .................................................................................... Plaats : .................................................................................... Gemeente : Tel. kantoor : ............................................................................ Fax kantoor : ............................................................................ Persoon die de effectieve directie van het laboratorium of van de instelling waarneemt : Naam, voornaam : ........................................................................................................................................................................ Adres : Straat : ................................................... nr. : ................................................... bus : ................................................... Postcode : .................................................................................... Plaats : .................................................................................... Gemeente : Tel. kantoor : ............................................................................ Fax kantoor : ............................................................................ Privé tel. : ............................................................................... Mobiele tel. : ............................................................................... 2. Erkenningscategorieën : 1o Geluidsniveaumetingen met het oog op de beoordeling van de naleving van de wetgevingen, de algemene, sectorale, integrale, bijzondere of aanvullende voorwaarden gesteld door een milieuvergunning, een eenmalige vergunning, een aangifte of elke andere machtiging, registratie of toestemming, zonder akoestische modellering; 2o Akoestische onderzoeken in het kader van : a) andere onderzoeken met het oog op de beoordeling van de naleving van de wetgevingen, de algemene, sectorale, integrale, bijzondere of aanvullende voorwaarden gesteld door een milieuvergunning, een eenmalige vergunning, een aangifte of elke andere machtiging, registratie of toestemming, met akoestische modellering; b) technisch-economische onderzoeken bedoeld in artikel 26 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning; c) een milieueffectonderzoek; 3o akoestische onderzoeken in het kader van geluidsbelastingkaarten en actieplannen uitgevoerd overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 13 mei 2004 betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai; 4o verificatie en controle van de geluidsniveaumeters en geluidsmetingstoestellen, met uitsluiting van de verificatie en de controle die plaatsvinden voordat ze op de markt gebracht worden. De erkenning wordt aangevraagd voor de volgende categorieën : 1o 2o 3o 4o 3. In bijlage te verstrekken gegevens : a) beschikbare lokalen (kantoren, laboratoria, specifieke akoestische zalen), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen : — de lokalen waarvan de aanvrager eigenaar is; — de lokalen die de aanvrager bezit in elke andere hoedanigheid die hem de beschikking of het volle genot daarvan verleent, waarbij de duur van de beschikking of van het volle genot onderscheiden wordt; b) Materiaal en beschikbare toestellen, met inbegrip van het akoestische en elektronische materiaal, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen : — het materiaal en de toestellen waarvan de aanvrager eigenaar is; — het materiaal dat de aanvrager bezit in elke andere hoedanigheid die hem de beschikking of het volle genot daarvan verleent, waarbij de duur van de beschikking of van het volle genot onderscheiden wordt; 53334 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE c) desgevallend, specifieke akoestische softwares; d) diploma’s, kwalificaties en referenties van de aanvrager, alsook, desgevallend, van het personeel dat door een arbeidscontract aan de aanvrager gebonden is, en van de onderaannemers; f) desgevallend, een beknopt activiteitenrapport betreffende de drie laatste jaren, met de lijst van de onderzoeken en werken uitgevoerd in de verschillende domeinen van de akoestiek. 4. Verklaring op erewoord : De aanvrager verklaart op erewoord dat bovenstaande gegevens, die als bijlage bij dit besluit gaan, juist zijn en dat hijzelf noch zijn personeelsleden een rechtsreeks belang hebben in een bedrijf dat materiaal ter beperking van geluidshinder produceert of in de handel brengt. Datum, naam, voornaam en handtekening van de aanvrager : Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 1 juli 2010 betreffende de voorwaarden en modaliteiten tot erkenning van de laboratoria of instellingen inzake geluidshinder. Namen, 1 juli 2010. De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit, Ph. HENRY * SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204283]F. 2010 — 2831 10 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre le programme 01 de la division organique 32 et le programme 02 de la division organique 15 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 Le Ministre-Président, Le Ministre de l’Environnement, de l’Aménagement du Territoire et de la Mobilité, Vu les lois sur la comptabilité de l’Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, notamment l’article 12 tel que modifié par l’article 4 de la loi du 19 juillet 1996; Vu le décret du 10 décembre 2009 contenant le budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, notamment l’article 39; Vu la circulaire du 18 janvier 2001 relative à la gestion administrative des programmes cofinancés par les Fonds européens en Région wallonne, particulièrement son point III, 2, 4e alinéa; Considérant la nécessité de transférer des crédits d’engagement et d’ordonnancement aux allocations de base 12.14, 40.04 et 52.04 et des crédits d’ordonnancement aux allocations de base 33.04 et 61.02 du programme 02 de la division organique 15 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, afin de rencontrer la décision du Gouvernement wallon des 4 et 11 septembre 2008, 23 octobre 2008, 30 avril 2009, 27 mai 2009 et 15 et 22 octobre 2009 dans le cadre de l’Interreg IV et des programmes Compétitivité régional et emploi et Convergence, à savoir, les dossiers suivants (intitulés et codifications des projets cofinancés) : Interreg IV B Europe du nord ouest; Axe 2 : Gestion durable des ressources naturelles et des risques naturels et technologies; Intitulé : SCALDWIN; Opérateur : SPW-DGO4-ARNE Eaux souterraines; Allocation de base : 12.14.02; Crédits d’engagement : 267.493,00 EUR; Crédits d’ordonnancement : 150.120,00 EUR; Codification du projet : E IB 1 200000 093C B; Intitulé : SCALDWIN; Opérateur : SPW-DGO4-ARNE Cartographie; Allocation de base : 12.14.02; Crédits d’engagement : 97.500,00 EUR; Crédits d’ordonnancement : 49.000,00 EUR; Codification du projet : E IB 1 200000 093C B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 4 : Dynamiser la gestion commune du territoire par un développement durable, coordonné et intégré du cadre de vie; Mesure 4.1 : Gérer et valoriser conjointement les ressources naturelles et le cadre de vie dans un objectif de développement durable; Intitulé : REDUGAZ; Opérateur : FUNDP; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 109.888,94 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0056 B; Intitulé : ACVTEX; Opérateur : CELABOR; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 136.497,80 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0057 B; Intitulé : ACVTEX; Opérateur : FEDESTRIA; Allocation de base : 33.04.02; 53335BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Crédits d’ordonnancement : 33.092,35 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0057 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 1 : Favoriser le développement économique de la zone par une approche transfrontalière cohérente et intégrée; Mesure 1.1 : Stimuler et renforcer le potentiel de croissance économique et d’innovation transfrontalière; Intitulé : GEDSET; Opérateur : Centre technologique international de la Terre et de la Pierre; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 211.667,01 EUR; Codification du projet : E IF 1 101FWA 0053 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 1 : Favoriser le développement économique de la zone par une approche transfrontalière cohérente et intégrée; Mesure 1.2 : Renforcer l’adéquation entre l’offre de formation et les besoins du marché du travail; Intitulé : Ré-Emploi; Opérateur : Espace Environnement ASBL; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 96.127,34 EUR; Codification du projet : E IF 1 102FWA 0031 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 4 : Dynamiser la gestion commune du territoire par un développement durable, coordonné et intégré du cadre de vie; Mesure 4.1 : Gérer et valoriser conjointement les ressources naturelles et le cadre de vie dans un objectif de développement durable; Intitulé : ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Opérateur : Terre Académie ASBL; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 104.151,67 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0078 B; Intitulé : ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Opérateur : ASBL Vents d’Houyet; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 52.946,67 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0078 B; Intitulé : ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Opérateur : Cluster éco-construction; Allocation de base : 33.04.02; Crédits d’ordonnancement : 4.560,00 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0078 B; Intitulé : REDUGAZ; Opérateur : FPMs; Allocation de base : 40.04.02; Crédits d’ordonnancement : 92.551,22 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 1 : Favoriser le développement économique de la zone par une approche transfrontalière cohérente et intégrée; Mesure 1.1 : Stimuler et renforcer le potentiel de croissance économique et d’innovation transfrontalière; Intitulé : GEDSET; Opérateur : ISSEP; Allocation de base : 40.04.02; Crédits d’ordonnancement : 366.175,83 EUR; Codification du projet : E IF 1 101FWA 0053 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 4 : Dynamiser la gestion commune du territoire par un développement durable, coordonné et intégré du cadre de vie; Mesure 4.1 : Gérer et valoriser conjointement les ressources naturelles et le cadre de vie dans un objectif de développement durable; Intitulé : HABITECO; Opérateur : Le Pass; Allocation de base : 40.04.02; Crédits d’ordonnancement : 47.088,33 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0095 B; Interreg IV A Euregio Meuse-Rhin; Axe 2 : Nature et environnement, énergies, ressources naturelles et mobilité; Mesure 2.1 : Préservation de la nature et des paysages; Intitulé : PM LAB; Opérateur : ISSEP; Allocation de base : 40.04.02; Crédits d’engagement : 193.625,00 EUR; Crédits d’ordonnancement : 120.000,00 EUR; 53336 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Codification du projet : E IE 1 201000 2005 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 4 : Dynamiser la gestion commune du territoire par un développement durable, coordonné et intégré du cadre de vie; Mesure 4.1 : Gérer et valoriser conjointement les ressources naturelles et le cadre de vie dans un objectif de développement durable; Intitulé : REDUGAZ; Opérateur : FPMs; Allocation de base : 61.02.02; Crédits d’ordonnancement : 27.475,00 EUR; Codification du projet : E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A France-Wallonie-Vlaanderen; Axe 1 : Favoriser le développement économique de la zone par une approche transfrontalière cohérente et intégrée; Mesure 1.1 : Stimuler et renforcer le potentiel de croissance économique et d’innovation transfrontalière; Intitulé : GEDSET; Opérateur : ISSEP; Allocation de base : 61.02.02; Crédits d’ordonnancement : 49.100,00 EUR; Codification du projet : E IF 1 101FWA 0053 B; Convergence; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.1 : Assainissement et réaffectation des friches industrielles et chancres urbains; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Binche - Site Sainte-Barbe; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 297.120,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1053 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Charleroi - Site Saint-Louis; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 343.620,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1058 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Châtelet - Site Boma; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 480.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1060 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Farciennes - Centrale éléctrique de Farciennes; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 1.038.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1059 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Hensies - Site Les Sartis; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 255.120,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1051 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Jemappes - Site Laminoirs de Jemappes; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 168.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1057 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : La Louvière - Site Javel - Lacroix; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 45.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1056 B; Intitulé : Réhabilitation de sites pollués; Projet : Quaregnon - Site Canon - Legrand; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 359.592,00 EUR; 53337BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Codification du projet : E CV 1 301000 1052 B; Intitulé : ECOPOLE - création d’un pôle d’activités du développement durable; Projet : Assainissement des friches industrielles; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 326.070,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1514 B; Intitulé : La Louvière - Extension d’un pôle d’activités du développement durable; Projet : Réhabilitation du site/mise en comptabilité; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’engagement : 3.510.000,00 EUR; Crédits d’ordonnancement : 3.510.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1258 B; Compétitivité régional et emploi; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.1 : Assainissement et réaffectation des friches industrielles et chancres urbains; Intitulé : Requalification des terrains entourant la gare de Bressoux-Liège; Projet : Réhabilitation; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 281.220,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1552 B; Intitulé : Liège - Extension de l’aéroport; Projet : Réhabilitation du site Boma; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 303.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1061 B; Intitulé : Réhabilitation des sites pollués; Projet : Bertrix - Ateliers SNCB; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 357.273,81 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1048 B; Intitulé : Réhabilitation des sites pollués; Projet : Liège - Site du Levant; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 129.420,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1044 B; Intitulé : Réhabilitation des sites pollués; Projet : Liège - Site LBP; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 209.177,40 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1045 B; Intitulé : Réhabilitation des sites pollués; Projet : Marchin - Papeterie GODIN; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 171.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1049 B; Intitulé : Réhabilitation des sites pollués; Projet : Seraing - Bois Saint-Jean; Opérateur : SPAQUE SA; Allocation de base : 52.04.02; Crédits d’ordonnancement : 210.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 301000 1047 B; Convergence; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.1 : Assainissement et réaffectation des friches industrielles et chancres urbains; Intitulé : ECOPOLE - création d’un pôle d’activités du développement durable; Projet : Réaménagement des friches industrielles; Opérateur : IGRETEC; 53338 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Allocation de base : 61.02.02; Crédits d’ordonnancement : 1.438.745,52 EUR; Codification du projet : E CV 1 301000 1513 B, Arrêtent : Article 1er. Des crédits d’engagement à concurrence de 4.069 milliers d’EUR et des crédits d’ordonnancement à concurrence de 11.575 milliers d’EUR sont transférés du programme 01 de la division organique 32 au programme 02 de la division organique 15. Art. 2. La ventilation des allocations de base suivantes du programme 02 de la division organique 15 et du programme 01 de la division organique 32 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 est modifiée comme suit : (en milliers d’euros) Allocation de base Crédit initial et arrêtés de transfert C.D. Transfert Crédit ajusté CE CO CE CO CE CO DO 32 01.01.01 66.398 43.847 - 4.069 - 11.575 62.329 32.272 DO 15 12.14.02 0 0 + 365 + 200 365 200 DO 15 33.04.02 0 0 - + 749 0 749 DO 15 40.04.02 0 0 + 194 + 626 194 626 DO 15 52.04.02 0 0 + 3.510 + 8.484 3.510 8.484 DO 15 61.02.02 0 0 - + 1.516 0 1.516 Art. 3. Le présent arrêté est transmis au Parlement wallon, à la Cour des comptes, à l’Inspection des Finances, à la Chancellerie du Service public de Wallonie et à la Direction générale transversale Budget, Logistique et Technologies de l’Information et de la Communication. Namur, le 10 juin 2010. R. DEMOTTE Ph. HENRY ÜBERSETZUNG ÖFFENTLICHER DIENST DER WALLONIE [2010/204283]D. 2010 — 2831 10. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen dem Programm 01 des Organisations bereichs 32 und dem Programm 02 des Organisationsbereichs 15 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplans der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 Der Minister-Präsident, Der Minister für Umwelt, Raumordnung und Mobilität, Aufgrund der am 17. Juli 1991 koordinierten Gesetze über die Staatsbuchführung, insbesondere des Artikels 12, in seiner durch den Artikel 4 des Gesetzes vom 19. Juli 1996 abgeänderten Fassung; Aufgrund des Dekrets vom 10. Dezember 2009 zur Festlegung des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, insbesondere des Artikels 39; Aufgrund des Rundschreibens vom 18. Januar 2001 über die administrative Verwaltung der von den Europäischen Fonds mitfinanzierten Programme in der Wallonischen Region, insbesondere des Punkts III, 2, Absatz 4; In Erwägung der Notwendigkeit, Verpflichtungs- und Ausgabeermächtigungen auf die Basiszuwendungen 12.14, 40.04 und 52.04 und Ausgabeermächtigungen auf die Basiszuwendungen 33.04 und 61.02 des Programms 02 des Organisationsbereichs 15 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushalts jahr 2010 zu übertragen, um den in ihren Sitzungen vom 4. und 11. September 2008, 23. Oktober 2008, 30. April 2009, 27. Mai 2009 und 15. und 22. Oktober 2009 im Rahmen vom Interreg IV und im Rahmen der Programme ″Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung″ und ″Konvergenz″ gefassten Beschlüssen der Wallonischen Regierung Folge zu leisten, nämlich durch die folgenden Maßnahmen (Bezeichnungen und Kodifizierungen der mitfinanzierten Projekte): INTERREG IV B - Nordwesteuropa; Zielrichtung 2: nachhaltige Bewirtschaftung der natürlichen Ressourcen und Berücksichtigung der natürlichen Risiken, und Technologien; Bezeichnung: SCALDWIN; Träger: SPW-DGO4-ARNE Untergrundgewässer; Basiszuwendung: 12.14.02; Verpflichtungsermächtigungen: 267.493,00 EUR; Ausgabeermächtigungen: 150.120,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IB 1 200000 093C B; Bezeichnung: SCALDWIN; Träger: SPW-DGO4-ARNE Kartographie; Basiszuwendung: 12.14.02; Verpflichtungsermächtigungen: 97.500,00 EUR; 53339BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ausgabeermächtigungen: 49.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IB 1 200000 093C B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 4: Dynamisierung der gemeinsamen Raumverwaltung durch eine nachhaltige, koordinierte und in das Lebensumfeld integrierte Entwicklung; Maßnhame 4.1: Gemeinsame Bewirtschaftung und Aufwertung der Naturschätze und des Lebensumfelds im Hinblick auf eine nachhaltige Entwicklung; Bezeichnung: REDUGAZ; Träger: FUNDP; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 109.888,94 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0056 B; Bezeichnung: ACVTEX; Träger: CELABOR; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 136.497,80 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0057 B; Bezeichnung: ACVTEX; Träger: FEDESTRIA; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 33.092,35 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0057 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 1: Förderung der wirtschaftlichen Entwicklung des Gebiets durch eine kohärente und integrierte grenzüberschreitende Vorgehensweise; Maßnahme 1.1: Stimulierung und Stärkung des Potentials des wirtschaftlichen Wachstums und der grenzüber schreitenden Innovation; Bezeichnung: GEDSET; Träger: ″Centre technologique international de la Terre et de la Pierre″; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 211.667,01 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 101FWA 0053 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 1: Förderung der wirtschaftlichen Entwicklung des Gebiets durch eine kohärente und integrierte grenzüberschreitende Vorgehensweise; Maßnahme 1.2: Stärkung der Übereinstimmung zwischen dem Bildungsangebot und den Bedürfnissen des Arbeitsmarkts; Bezeichnung: Ré-Emploi; Träger: VoE ″Espace Environnement″; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 96.127,34 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 102FWA 0031 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 4: Dynamisierung der gemeinsamen Raumverwaltung durch eine nachhaltige, koordinierte und in das Lebensumfeld integrierte Entwicklung; Maßnhame 4.1: Gemeinsame Bewirtschaftung und Aufwertung der Naturschätze und des Lebensumfelds im Hinblick auf eine nachhaltige Entwicklung; Bezeichnung: ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Träger: VoE Terre Académie; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 104.151,67 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0078 B; Bezeichnung: ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Träger: VoE Vents d’Houyet; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 52.946,67 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0078 B; Bezeichnung: ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS; Träger: Cluster éco-construction; Basiszuwendung: 33.04.02; Ausgabeermächtigungen: 4.560,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0078 B; Bezeichnung: REDUGAZ; Träger: FPMs; Basiszuwendung: 40.04.02; Ausgabeermächtigungen: 92.551,22 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; 53340 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Zielrichtung 1: Förderung der wirtschaftlichen Entwicklung des Gebiets durch eine kohärente und integrierte grenzüberschreitende Vorgehensweise; Maßnahme 1.1: Stimulierung und Stärkung des Potentials des wirtschaftlichen Wachstums und der grenzüber schreitenden Innovation; Bezeichnung: GEDSET; Träger: ISSEP; Basiszuwendung: 40.04.02; Ausgabeermächtigungen: 366.175,83 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 101FWA 0053 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 4: Dynamisierung der gemeinsamen Raumverwaltung durch eine nachhaltige, koordinierte und in das Lebensumfeld integrierte Entwicklung; Maßnhame 4.1: Gemeinsame Bewirtschaftung und Aufwertung der Naturschätze und des Lebensumfelds im Hinblick auf eine nachhaltige Entwicklung; Bezeichnung: HABITECO; Träger: Le Pass; Basiszuwendung: 40.04.02; Ausgabeermächtigungen: 47.088,33 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0095 B; Interreg IV A Euregio-Maas-Rhein; Zielrichtung 2: Natur und Umwelt, Energien, Naturschätze und Mobilität; Maßnahme 2.1.: Natur- und Landschaftsschutz; Bezeichnung: PM LAB; Träger: ISSEP; Basiszuwendung: 40.04.02; Verpflichtungsermächtigungen: 193.625,00 EUR; Ausgabeermächtigungen: 120.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IE 1 201000 2005 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 4: Dynamisierung der gemeinsamen Raumverwaltung durch eine nachhaltige, koordinierte und in das Lebensumfeld integrierte Entwicklung; Maßnhame 4.1: Gemeinsame Bewirtschaftung und Aufwertung der Naturschätze und des Lebensumfelds im Hinblick auf eine nachhaltige Entwicklung; Bezeichnung: REDUGAZ; Träger: FPMs; Basiszuwendung: 61.02.02; Ausgabeermächtigungen: 27.475,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A Frankreich-Wallonie-Flandern; Zielrichtung 1: Förderung der wirtschaftlichen Entwicklung des Gebiets durch eine kohärente und integrierte grenzüberschreitende Vorgehensweise; Maßnahme 1.1: Stimulierung und Stärkung des Potentials des wirtschaftlichen Wachstums und der grenzüber schreitenden Innovation; Bezeichnung: GEDSET; Träger: ISSEP; Basiszuwendung: 61.02.02; Ausgabeermächtigungen: 49.100,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 101FWA 0053 B; Konvergenz; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.1 Sanierung und Wiederverwendung von ungenutzten Industrie- und Stadtgeländen; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Binche - Standort Sainte-Barbe; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 297.120,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1053 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Charleroi - Standort Saint-Louis; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 343.620,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1058 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Châtelet - Standort Boma; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 480.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1060 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; 53341BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Projekt: Farciennes - ″Centrale électrique de Farciennes″; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 1.038.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1059 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Hensies - Standort Les Sartis; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 255.120,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1051 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Jemappes - Standort Laminoirs de Jemappes; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 168.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1057 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: La Louvière - Standort Javel-Lacroix; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 45.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1056 B; Bezeichnung: Sanierung von verunreinigten Standorten; Projekt: Quaregnon - Standort Canon-Legrand; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 359.592,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1052 B; Bezeichnung: ECOPOLE - Schaffung eines Aktivitätspols im Rahmen der nachhaltigen Entwicklung; Projekt: Sanierung von ungenutzten Industriegeländen; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 326.070,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1514 B; Bezeichnung: La Louvière - Erweiterung eines Aktivitätspols im Rahmen der nachhaltigen Entwicklung; Projekt: Sanierung des Standorts/Verträglichkeit; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Verpflichtungsermächtigungen: 3.510.000,00 EUR; Ausgabeermächtigungen: 3.510.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1258 B; Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.1 Sanierung und Wiederverwendung von ungenutzten Industrie- und Stadtgeländen; Bezeichnung: Requalifizierung der Gelände um den Bahnhof Bressoux in Lüttich; Projekt: Sanierung; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 281.220,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1552 B; Bezeichnung: Lüttich - Erweiterung des Flughafens; Projekt: Sanierung des Standorts Boma; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 303.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1061 B; Bezeichnung: Sanierung der verunreinigten Standorte; Projekt: Bertix - Standort NBGE Werkstatt; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 357.273,81 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1048 B; Bezeichnung: Sanierung der verunreinigten Standorte; Projekt: Lüttich - Standort ″ Levant ″; 53342 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 129.420,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1044 B; Bezeichnung: Sanierung der verunreinigten Standorte; Projekt: Lüttich - Standort LBP; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 209.177,40 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1045 B; Bezeichnung: Sanierung der verunreinigten Standorte; Projekt: Marchin - Standort ″Papeterie Godin″; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 171.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1049 B; Bezeichnung: Sanierung der verunreinigten Standorte; Projekt: Seraing - Sandort ″Bois Saint-Jean″; Träger: SPAQUE SA; Basiszuwendung: 52.04.02; Ausgabeermächtigungen: 210.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 301000 1047 B; Konvergenz; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.1 Sanierung und Wiederverwendung von ungenutzten Industrie- und Stadtgeländen; Bezeichnung: ECOPOLE - Schaffung eines Aktivitätspols im Rahmen der nachhaltigen Entwicklung; Projekt: Wiedereinrichtung von ungenutzten Industriegeländen; Träger: IGRETEC; Basiszuwendung: 61.02.02; Ausgabeermächtigungen: 1.438.745,52 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 301000 1513 B, Beschließen: Artikel 1 - Es werden Verpflichtungsermächtigungen in Höhe von 4.069.000 EUR und Ausgabeermächtigungen in Höhe von 11.575.000 EUR vom Programm 01 des Organisationsbereichs 32 auf das Programm 02 des Organisationsbereichs 15 übertragen. Art. 2 - Die Verteilung der folgenden Basiszuwendungen des Programms 02 des Organisationsbereichs 15 und des Programms 01 des Organisationsbereichs 32 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 wird wie folgt abgeändert: (in Tausend EURO) Basiszuwendung Ursprüngliche Mittel und Übertragungserlasse A.M. Übertragung Angepasste Mittel VE AE VE AE VE AE OB 32 01.01.01 66.398 43.847 - 4.069 - 11.575 62.329 32.272 OB 15 12.14.02 0 0 + 365 + 200 365 200 OB 15 33.04.02 0 0 - + 749 0 749 OB 15 40.04.02 0 0 + 194 + 626 194 626 OB 15 52.04.02 0 0 + 3.510 + 8.484 3.510 8.484 OB 15 61.02.02 0 0 - + 1.516 0 1.516 Art. 3 - Der vorliegende Erlass wird dem Wallonischen Parlament, dem Rechnungshof, der Finanzinspektion, der Kanzlei des Öffentlichen Dienstes der Wallonie und der ressortübergreifenden Generaldirektion Haushalt, Logistik und Informations- und Kommunikationstechnologie übermittelt. Namur, den 10. Juni 2010 R. DEMOTTE Ph. HENRY 53343BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE VERTALING WAALSE OVERHEIDSDIENST [2010/204283]N. 2010 — 2831 10 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma 01 van organisatie afdeling 32 en programma 02 van organisatieafdeling 15 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 De Minister-President, De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op artikel 12, zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 19 juli 1996; Gelet op het decreet van 10 december 2009 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, inzonderheid op artikel 39; Gelet op de omzendbrief van 18 januari 2001 betreffende het administratief beheer van met Europese fondsen in het Waalse Gewest medegefinancierde programma’s, inzonderheid op punt III, 2, vierde lid; Overwegende dat vastleggings- en ordonnanceringskredieten overgedragen moeten worden naar basis allocaties 12.04, 40.04 en 52.04 en dat ordonnanceringskredieten overgedragen moeten worden naar basis allocaties 33.04 en 61.02 van programma 02 van organisatieafdeling 15 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, om gevolg te geven aan de tijdens de zittingen van 4 en 11 september 2008, 23 oktober 2008, 30 april 2009, 27 mei 2009 en 15 en 22 oktober 2009 door de Waalse Regering genomen beslissingen in het kader van Interreg IV en van de programma’s Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid en Convergencie, namelijk de volgende dossiers (titels en codificaties van de medegefinancierde projecten) : Interreg IV B Noord-West Europa; Hoofdlijn 2 : Duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en natuurrisico’s en technologieën; Titel : SCALDWIN; Operator : SPW-DGO4-ARNE Grondwater; Basisallocatie : 12.14.02; Vastleggingskredieten : 267.493,00 EUR; Ordonnanceringskredieten : 150.120,00 EUR; Codificatie van het project : E IB 1 200000 093C B; Titel : SCALDWIN; Operator : SPW-DGO4-ARNE Cartografie; Basisallocatie : 12.14.02; Vastleggingskredieten : 97.500,00 EUR; Ordonnanceringskredieten : 49.000,00 EUR; Codificatie van het project : E IB 1 200000 093C B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 4 : Dynamisering van het gemeenschappelijk beheer van het grondgebied door een duurzame, gecoördineerde en geïntegreerde ontwikkeling van het levenskader; Maatregel 4.1 : De natuurlijke hulpbronnen en het levenskader gezamenlijk beheren en opwaarderen met duurzame ontwikkeling als doelstelling; Titel : REDUGAZ; Operator : FUNDP; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 109.888,94 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0056 B; Titel : ACVTEX; Operator : CELABOR; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 136.497,80 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0057 B; Titel : ACVTEX; Operator : FEDESTRIA; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 33.092,35 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0057 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 1 : Bevordering van de economische ontwikkeling van het gebied door een coherente en geïntegreerde grensbenadering; Maatregel 1.1 : Stimulering en versterking van het potentieel inzake economische groei en grensoverschrijdende innovatie; Titel : GeDSeT; Operator : Centre technologique international de la Terre et de la Pierre; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 211.667,01 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 101FWA 0053 B; 53344 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 1 : Bevordering van de economische ontwikkeling van het gebied door een coherente en geïntegreerde grensbenadering; Maatregel 1.2 : Versterking van de adequatie tussen het vormingsaanbod en de behoeften van de arbeidsmarkt; Titel : Wedertewerkstelling; Operator : ″Espace Environnement″ VZW Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 96.127,34 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 102FWA 0031 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 4 : Dynamisering van het gemeenschappelijk beheer van het grondgebied door een duurzame, gecoördineerde en geïntegreerde ontwikkeling van het levenskader; Maatregel 4.1 : De natuurlijke hulpbronnen en het levenskader gezamenlijk beheren en opwaarderen met duurzame ontwikkeling als doelstelling; Titel : ″ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS″; Operator : Terre Académie VZW; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 104.151,67 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0078 B; Titel : ″ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS″; Operator : VZW Vent d’Houyet; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 52.946,67 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0078 B; Titel : ″ECO-CONSTRUCTION ET CITOYENS″; Operator : ″Cluster éco-construction″; Basisallocatie : 33.04.02; Ordonnanceringskredieten : 4.560,00 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0078 B; Titel : REDUGAZ; Operator : FPMs; Basisallocatie : 40.04.02; Ordonnanceringskredieten : 92.551,22 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 1 : Bevordering van de economische ontwikkeling van het gebied door een coherente en geïntegreerde grensbenadering; Maatregel 1.1 : Stimulering en versterking van het potentieel inzake economische groei en grensoverschrijdende innovatie; Titel : GeDSeT; Operator : ISSEP; Basisallocatie : 40.04.02; Ordonnanceringskredieten : 366.175,83 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 101FWA 0053 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 4 : Dynamisering van het gemeenschappelijk beheer van het grondgebied door een duurzame, gecoördineerde en geïntegreerde ontwikkeling van het levenskader; Maatregel 4.1 : De natuurlijke hulpbronnen en het levenskader gezamenlijk beheren en opwaarderen met duurzame ontwikkeling als doelstelling; Titel : ″HABITECO″; Operator : Le Pass; Basisallocatie : 40.04.02; Ordonnanceringskredieten : 47.088,33 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0095 B; Interreg IV A Euregio Maas-Rijn; Hoofdlijn 2 : Natuur en leefmilieu, energieën, natuurlijke hulpbronnen en mobiliteit; Maatregel 2.1 : Bescherming van de natuur en de landschappen; Titel : PM LAB; Operator : ISSEP; Basisallocatie : 40.04.02; Vastleggingskredieten : 193.625,00 EUR; Ordonnanceringskredieten : 120.000,00 EUR; Codificatie van het project : E IE 1 201000 2005 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 4 : Dynamisering van het gemeenschappelijk beheer van het grondgebied door een duurzame, gecoördineerde en geïntegreerde ontwikkeling van het levenskader; Maatregel 4.1 : De natuurlijke hulpbronnen en het levenskader gezamenlijk beheren en opwaarderen met duurzame ontwikkeling als doelstelling; Titel : REDUGAZ; Operator : FPMs; 53345BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Basisallocatie : 61.02.02; Ordonnanceringskredieten : 27.475,00 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 401FWA 0056 B; Interreg IV A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 1 : Bevordering van de economische ontwikkeling van het gebied door een coherente en geïntegreerde grensbenadering; Maatregel 1.1 : Stimulering en versterking van het potentieel inzake economische groei en grensoverschrijdende innovatie; Titel : GeDSeT; Operator : ISSEP; Basisallocatie : 61.02.02; Ordonnanceringskredieten : 49.100,00 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 101FWA 0053 B; Convergentie; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.1 Sanering en herbestemming van verlaten industrieterreinen en braakliggende stadsgronden; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Binche - Site Sainte-Barbe; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 297.120,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1053 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Charleroi - Site Saint-Louis; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 343.620,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1058 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Châtelet - Site Boma; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 480.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1060 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : ″Farciennes - Centrale électrique de Farciennes″; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 1.038.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1059 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Hensies - Site Les Sartis; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 255.120,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1051 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Jemappes - Site Laminoirs de Jemappes; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 168.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1057 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : ″La Louvière - Site Javel - Lacroix″; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 45.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1056 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : ″Quaregnon - Site Canon-Legrand″; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 359.592,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1052 B; Titel : ECOPOLE - Creatie van een activiteitspool voor duurzame ontwikkeling; Project : Sanering van de industriële braakgrond; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 326.070,00 EUR; 53346 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Codificatie van het project : E CV 1 301000 1514 B; Titel : La Louvière - Uitbreiding van een activiteitspool voor duurzame ontwikkeling; Project : Sanering van de site/ boekhouding; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Vastleggingskredieten : 3.510.000,00 EUR; Ordonnanceringskredieten : 3.510.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1258 B; Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.1 Sanering en herbestemming van verlaten industrieterreinen en braakliggende stadsgronden; Titel : Herkwalificatie van de terreinen rondom het station van Bressoux-Luik; Project : Sanering : Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 281.220,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1552 B; Titel : Liège - Extension de l’aéroport; Project : Sanering van de site Boma; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 303.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1061 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Bertix - Werkplaatsen NMBS; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 357.273,81 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1048 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Liège - Site du Levant; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 129.420,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1044 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Liège - Site LBP; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 209.177,40 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1045 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Marchin - ″Papeterie GODIN″; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 171.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1049 B; Titel : Sanering van de verontreinigde sites; Project : Seraing - Bois Saint-Jean; Operator : SPAQUE SA; Basisallocatie : 52.04.02; Ordonnanceringskredieten : 210.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 301000 1047 B; Convergentie; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.1 Sanering en herbestemming van verlaten industrieterreinen en braakliggende stadsgronden; Titel : ECOPOLE - Creatie van een activiteitspool voor duurzame ontwikkeling; Project : Herinrichting industriële braakgrond; Operator : IGRETEC; Basisallocatie : 61.02.02; Ordonnanceringskredieten : 1.438.745,52 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 301000 1513 B, Besluiten : Artikel 1. Er worden vastleggingskredieten ten belope van 4.069 duizend EUR en ordonnanceringskredieten ten belope van 11.575 duizend EUR overgedragen van programma 01 van organisatieafdeling 32 naar programma 02 van organisatieafdeling 15. 53347BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. De verdeling van de volgende basisallocaties van programma 02 van organisatieafdeling 15 en van programma 01 van organisatieafdeling 32 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 wordt gewijzigd als volgt : (in duizend EUR) Basisallocatie Initieel krediet En overdrachtsbesluiten G.K. Overdracht Aangepast krediet VK OK VK OK VK OK OA32 01.01.01 66.398 43.847 - 4.069 - 11.575 62.329 32.272 OA15 12.14.02 0 0 + 365 + 200 365 200 OA15 33.04.02 0 0 - + 749 0 749 OA15 40.04.02 0 0 + 194 + 626 194 626 OA15 52.04.02 0 0 + 3.510 + 8.484 3.510 8.484 OA15 61.02.02 0 0 - + 1.516 0 1.516 Art. 3. Dit besluit wordt doorgezonden naar het Waalse Parlement, het Rekenhof, de Inspectie van Financiën, de Kanselarij van de Waalse Overheidsdienst en het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologie. Namen, 10 juni 2010. R. DEMOTTE Ph. HENRY * SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204284]F. 2010 — 2832 11 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre le programme 01 de la division organique 32 et le programme 03 de la division organique 16 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 Le Ministre-Président, Le Ministre des Pouvoirs locaux et de la Ville, Vu les lois sur la comptabilité de l’Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, notamment l’article 12 tel que modifié par l’article 4 de la loi du 19 juillet 1996; Vu le décret du 10 décembre 2009 contenant le budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, notamment l’article 39; Vu la circulaire du 18 janvier 2001 relative à la gestion administrative des programmes cofinancés par les Fonds européens en Région wallonne, particulièrement son point III, 2, 4e alinéa; Considérant la nécessité de transférer des crédits d’ordonnancement aux allocations de base 63.18 et 63.19 du programme 03 de la division organique 16 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, afin de rencontrer les décisions du Gouvernement wallon des 24 juillet 2008, 4 septembre 2008, 29 janvier 2009 et 27 mai 2009 dans le cadre des Programmes Convergence et Compétitivité régionale et emploi, à savoir, les dossiers suivants (intitulés et codifications des projets cofinancés) : Convergence; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.3 : Redynamisation urbaine et attractivité du territoire; Intitulé : Aménagement du quartier des 4 Pavés de Frameries; Projet : Parking, espace multifonctionnel et voiries; Opérateur : Commune de Frameries; Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 375.190,14 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 0941 I; Intitulé : La Louvière - Extension du centre ville : Boch Kéramis; Projet : Acquisition des terrains; Opérateur : Ville de La Louvière; Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 866.272,67 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1260 I; Intitulé : La Louvière - Extension du centre ville : Boch Kéramis; Projet : Création de voiries publiques; Opérateur : Ville de La Louvière; Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 125.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1261 I; Intitulé : Rénovation urbaine du centre ville; Projet : Aménagement de l’espace public; Opérateur : Ville de La Louvière; 53348 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 1.875.423,23 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1438 I; Intitulé : Rénovation urbaine du centre ville; Projet : Site Moulin Dambot : connexion de mobilité; Opérateur : Ville de La Louvière; Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 3.993,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1435 I; Intitulé : Requalification urbaine du centre-ville de Chimay; Projet : Aménagement de la Grand-Place et de son périmètre; Opérateur : Ville de Chimay; Allocation de base : 63.18.03; Crédits d’ordonnancement : 479.174,25 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1428 I; Compétitivité régionale et emploi; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.3 : Redynamisation urbaine et attractivité du territoire; Intitulé : Ans en actions; Projet : Réaménagement de la place Brignoul; Opérateur : Administration communale d’Ans; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 42.145,05 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1252 I; Intitulé : Ans en actions; Projet : Amélioration de la rue et de la place du Cimetière; Opérateur : Administration communale d’Ans; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 56.036,50 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1253 I; Intitulé : Ans en actions; Projet : Réalisation d’un parc public ″des Coteaux″; Opérateur : Administration communale d’Ans; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 8.027,63 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1250 I; Intitulé : Développement du quartier de la gare TGV de Liège; Projet : Aménagement place et Esplanade; Opérateur : Société de développement de Liège-Guillemins; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 750.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1280 I; Intitulé : Engis, Porte ouest du bassin liégeois; Projet : Aménagement des quais de Meuse; Opérateur : Commune d’Engis; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 250.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1078 I; Intitulé : Redynamisation urbaine du centre d’Herstal; Projet : JAURES; Opérateur : Commune d’Herstal; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 690.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 0799 I; Intitulé : Redynamisation urbaine du centre d’Herstal; Projet : MAREXHE - Gare; Opérateur : Commune d’Herstal; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 1.010.574,73 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 0800 I; Intitulé : VERDI; Projet : Revitalisation urbaine Spintay - Partie A; Opérateur : Ville de Verviers; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 2.453.885,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1493 I; Intitulé : VERDI; Projet : Revitalisation urbaine Spintay - Partie B; 53349BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Opérateur : Ville de Verviers; Allocation de base : 63.19.03; Crédits d’ordonnancement : 690.883,18 EUR; Codification du projet : E CP 1 303000 1492 I, Arrête : Article 1er. Des crédits d’ordonnancement à concurrence de 9.678 milliers d’EUR sont transférés du programme 01 de la division organique 32 au programme 03 de la division organique 16. Art. 2. La ventilation des allocations de base suivantes du programme 03 de la division organique 16 et du programme 01 de la division organique 32 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 est modifiée comme suit : (en milliers d’euros) Allocation de base Crédit initial et arrêtés de transfert C.D. Transfert Crédit ajusté CE CO CE CO CE CO DO 16 63.18.03 0 0 - + 3.726 0 3.726 DO 16 63.19.03 0 0 - + 5.952 0 5.952 DO 32 01.01.01 88.055 78.180 - − 9.678 88.055 68.502 Art. 3. Le présent arrêté est transmis au Parlement wallon, à la Cour des comptes, à l’Inspection des Finances, à la Chancellerie du Service public de Wallonie et à la Direction générale transversale Budget, Logistique et Technologies de l’Information et de la Communication. Namur, le 11 juin 2010. R. DEMOTTE P. FURLAN ÜBERSETZUNG ÖFFENTLICHER DIENST DER WALLONIE [2010/204284]D. 2010 — 2832 11. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen dem Programm 01 des Organisations bereichs 32 und dem Programm 03 des Organisationsbereichs 16 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplans der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 Der Minister-Präsident, Der Minister für lokale Behörden und Städte, Aufgrund der am 17. Juli 1991 koordinierten Gesetze über die Staatsbuchführung, insbesondere des Artikels 12, in seiner durch den Artikel 4 des Gesetzes vom 19. Juli 1996 abgeänderten Fassung; Aufgrund des Dekrets vom 10. Dezember 2009 zur Festlegung des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, insbesondere des Artikels 39; Aufgrund des Rundschreibens vom 18. Januar 2001 über die administrative Verwaltung der von den Europäischen Fonds mitfinanzierten Programme in der Wallonischen Region, insbesondere des Punkts III, 2, Absatz 4; In Erwägung der Notwendigkeit, Ausgabeermächtigungen auf die Basiszuwendungen 63.18 und 63.19 des Programms 03 des Organisationsbereichs 16 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 zu übertragen, um den in ihren Sitzungen vom 24. Juli 2008, vom 4. September 2008, vom 29. Januar 2009 und vom 27. Mai 2009 im Rahmen der Programme ″Konvergenz″ und ″Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung″ gefassten Beschlüssen der Wallonischen Regierung Folge zu leisten, nämlich durch die folgenden Maßnahmen (Bezeichnung und Kodifizierung der mitfinanzierten Projekte): Konvergenz; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.3: Städtische Redynamisierung und Attraktivität des Gebiets; Bezeichnung: Einrichtung des Viertels 4 Pavés in Frameries; Projekt: Parkplatz, multifunktioneller Raum und Straßen; Träger: Gemeinde Frameries; Basiszuwendung: 63.18.03; Ausgabeermächtigungen: 375.190,14 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 0941 I; Bezeichnung: La Louvière - Erweiterung der Stadtmitte: Boch Kéramis; Projekt: Erwerb von Grundstücken; Träger: Stadt La Louvière; Basiszuwendung: 63.18.03; Ausgabeermächtigungen: 866.272,67 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1260 I; Bezeichnung: La Louvière - Erweiterung der Stadtmitte: Boch Kéramis; Projekt: Schaffung öffentlicher Straßen; Träger: Stadt La Louvière; Basiszuwendung: 63.18.03; 53350 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ausgabeermächtigungen: 125.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1261 I; Bezeichnung: Städtische Erneuerung der Stadtmitte; Projekt: Einrichtung des öffentlichen Raums; Träger: Stadt La Louvière; Basiszuwendung: 63.18.03; Ausgabeermächtigungen: 1.875.423,23 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1438 I; Bezeichnung: Städtische Erneuerung der Stadtmitte; Projekt: Standort Moulin Dambot: Mobilitätsverbindungen; Träger: Stadt La Louvière; Basiszuwendung: 63.18.03; Ausgabeermächtigungen: 3.993,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1435 I; Bezeichnung: Städtische Requalifizierung der Stadtmitte von Chimay; Projekt: Einrichtung der ″Grand-Place″ und des nahen Umkreises; Träger: Stadt Chimay; Basiszuwendung: 63.18.03; Ausgabeermächtigungen: 479.174,25 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1428 I; Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.3: Städtische Redynamisierung und Attraktivität des Gebiets; Bezeichnung: ″Ans en actions″; Projekt: Wiedereinrichtung der Place Brignoul; Träger: Gemeindeverwaltung Ans; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 42.145,05 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1252 I; Bezeichnung: ″Ans en actions″; Projekt: Verbesserung der rue du Cimetière/place du Cimetière; Träger: Gemeindeverwaltung Ans; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 56.036,50 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1253 I; Bezeichnung: ″Ans en actions″; Projekt: Schaffung eines öffentlichen Parks ″des Coteaux″; Träger: Gemeindeverwaltung Ans; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 8.027,63 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1250 I; Bezeichnung: Entwicklung des Viertels des TGV-Bahnhofs in Lüttich; Projekt: Einrichtung des Platzes und der Esplanade; Träger: Société de développement du Liège-Guillemins; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 750.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1280 I; Bezeichnung: Engis, Tor West des Lütticher Beckens; Projekt: Einrichtung der Maas-Kaie; Träger: Gemeinde Engis; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 250.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1078 I; Bezeichnung: Städtische Wiederbelebung in der Stadtmitte von Herstal; Projekt: JAURES; Träger: Gemeinde Herstal; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 690.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 0799 I; Bezeichnung: Städtische Wiederbelebung in der Stadtmitte von Herstal; Projekt: MAREXHE - Bahnhof; Träger: Gemeinde Herstal; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 1.010.574,73 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 0800 I; Bezeichnung: VERDI; Projekt: Städtische Wiederbelebung Spintay - Teil A; Träger: Stadt Verviers; 53351BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 2.453.885,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1493 I; Bezeichnung: VERDI; Projekt: Städtische Wiederbelebung Spintay - Teil B; Träger: Stadt Verviers; Basiszuwendung: 63.19.03; Ausgabeermächtigungen: 690.883,18 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 303000 1492 I, Beschließt: Artikel 1 - Es werden Ausgabeermächtigungen in Höhe von 9.678.000 EUR vom Programm 01 des Organisati onsbereichs 32 auf das Programm 03 des Organisationsbereichs 16 übertragen. Art. 2 - Die Verteilung der folgenden Basiszuwendungen des Programms 03 des Organisationsbereichs 16 und des Programms 01 des Organisationsbereichs 32 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 wird wie folgt abgeändert: (in Tausend Euro) Basiszuwendung Ursprüngliche Mittel und Übertragungserlasse A.M. Übertragung Angepasste Mittel VE AE VE AE VE AE OB 16 63.18.03 0 0 - + 3.726 0 3.726 OB 16 63.19.03 0 0 - + 5.952 0 5.952 OB 32 01.01.01 88.055 78.180 - − 9.678 88.055 68.502 Art. 3 - Der vorliegende Erlass wird dem Wallonischen Parlament, dem Rechnungshof, der Finanzinspektion, der Kanzlei des Öffentlichen Dienstes der Wallonie und der ressortübergreifenden Generaldirektion Haushalt, Logistik und Informations- und Kommunikationstechnologie übermittelt. Namur, den 11. Juni 2010 R. DEMOTTE P. FURLAN VERTALING WAALSE OVERHEIDSDIENST [2010/204284]N. 2010 — 2832 11 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma 01 van organisatie afdeling 32 en programma 03 van organisatieafdeling 16 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 De Minister-President, De Minister van Plaatselijke Besturen en de Stad, Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op artikel 12, zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 19 juli 1996; Gelet op het decreet van 10 december 2009 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, inzonderheid op artikel 39; Gelet op de omzendbrief van 18 januari 2001 betreffende het administratief beheer van met Europese fondsen in het Waalse Gewest medegefinancierde programma’s, inzonderheid op punt III, 2, vierde lid; Overwegende dat ordonnanceringskredieten overgedragen moeten worden naar basisallocaties 63.18 en 63.19 van programma 03 van organisatieafdeling 16 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 om gevolg te geven aan de tijdens de zittingen van 24 juli 2008, 4 september 2008, 29 januari 2009 en 27 mei 2009 door de Waalse Regering genomen beslissingen in het kader van de programma’s Convergentie en gewestelijke Concurrentiekracht en Werkgelegenheid, namelijk de volgende dossiers (titels en codificaties van de medegefinancierde projecten) : Convergentie; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.3 : Stedelijke herdynamisering en aantrekkingskracht van het grondgebied; Titel : Inrichting van de ″quartier des 4 Pavés″ te Frameries; Project : Parking, multifunctionele ruimte en wegen; Operator : Gemeente Frameries; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 375.190,14 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 0941 I; Titel : La Louvière - Uitbreiding van het stadscentrum : Boch Kéramis; Project : Aankoop van terreinen; Operator : Stad La Louvière; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 866.272,67 EUR; 53352 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Codificatie van het project : E CV 1 303000 1260 I; Titel : La Louvière - Uitbreiding van het stadscentrum : Boch Kéramis; Project : Inrichting van openbare wegen; Operator : Stad La Louvière; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 125.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 1261 I; Titel : Stedelijke renovatie van het stadscentrum; Project : Inrichting van de openbare ruimte; Operator : Stad La Louvière; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 1.875.423,23 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 1438 I; Titel : Stedelijke renovatie van het stadscentrum; Project : Site ″Moulin Dambot″; mobiliteitsverbinding; Operator : Stad La Louvière; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 3.993,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 1435 I; Titel : Stedelijke renovatie van het stadscentrum van Chimay; Project : Inrichting van de Grote Markt en de omtrek ervan; Operator : Stad Chimay; Basisallocatie : 63.18.03; Ordonnanceringskredieten : 479.174,25 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 1428 I; Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.3 : Stedelijke herdynamisering en aantrekkingskracht van het grondgebied; Titel : Ans en actions; Project : Heraanleg van de ″place Brignoul″; Operator : Gemeentebestuur van Ans; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 42.145,05 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1252 I; Titel : Ans en actions; Project : Verbetering van de straat en de plaats ″du Cimetière″; Operator : Gemeentebestuur van Ans; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 56.036,50 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1253 I; Titel : Ans en actions; Project : Verwezenlijking van een openbaar park ″des Coteaux″; Operator : Gemeentebestuur van Ans; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 8.027,63 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1250 I; Titel : Développement du quartier de la gare TGV de Liège; Project : Inrichting van de plaats en van de esplanade; Operator : ″Société de développement du Liège-Guillemins″; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 750.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1280 I; Titel : ″Engis, porte ouest du bassin liégeois″; Project : Aanleg van de ″quais de Meuse″; Operator : Gemeente Engis Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 250.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1078 I; Titel : Stedelijke herdynamisering van het centrum van Herstal; Project : JAURES; Operator : Gemeente Herstal; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 690.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 0799 I; Titel : Stedelijke herdynamisering van het centrum van Herstal; Project : MAREXHE - Station; Operator : Gemeente Herstal; Basisallocatie : 63.19.03; 53353BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ordonnanceringskredieten : 1.010.574,73 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 0800 I; Titel : VERDI; Project : Stedelijke herdynamisering Spintay - Deel A; Operator : Stad Verviers; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 2.453.885,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1493 I; Titel : VERDI; Project : Stedelijke herdynamisering Spintay - Deel B; Operator : Stad Verviers; Basisallocatie : 63.19.03; Ordonnanceringskredieten : 690.883,18 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 303000 1492 I, Besluit : Artikel 1. Er worden ordonnanceringskredieten ten belope van 9.678 duizend EUR overgedragen van programma 01 van organisatieafdeling 32 naar programma 03 van organisatieafdeling 16. Art. 2. De verdeling van de volgende basisallocaties van programma 03 van organisatieafdeling 16 en van programma 01 van organisatieafdeling 32 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 wordt gewijzigd als volgt : (in duizend euro) Basisallocatie Initieel krediet en overdrachtsbesluiten G.K. Overdracht Aangepast krediet VK OK VK OK VK OK OA16 63.18.03 0 0 - + 3.726 0 3.726 OA16 63.19.03 0 0 - + 5.952 0 5.952 OA32 01.01.01 88.055 78.180 - − 9.678 88.055 68.502 Art. 3. Dit besluit wordt doorgezonden naar het Waalse Parlement, het Rekenhof, de Inspectie van Financiën, de Kanselarij van de Waalse Overheidsdienst en het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologie. Namen, 11 juni 2010. R. DEMOTTE P. FURLAN * SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204285]F. 2010 — 2833 18 JUIN 2010. — Arrêté ministériel portant transfert de crédits entre les programmes 02, 04 et 15 de la division organique 18 et le programme 01 de la division organique 32 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 Le Ministre-Président, Le Ministre de l’Economie, des P.M.E., du Commerce extérieur et des Technologies nouvelles, Vu les lois sur la comptabilité de l’Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, notamment l’article 12 tel que modifié par l’article 4 de la loi du 19 juillet 1996; Vu le décret du 10 décembre 2009 contenant le budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, notamment l’article 39; Vu la circulaire du 18 janvier 2001 relative à la gestion administrative des programmes cofinancés par les Fonds européens en Région wallonne, particulièrement son point III, 2, 4e alinéa; Vu les arrêtés du Gouvernement wallon du 17 janvier 2008 modifiant les arrêtés du Gouvernement wallon du 6 mai 2004 portant exécution du décret du 11 mars 2004 relatifs aux incitants régionaux en faveur des grandes et petites ou moyennes entreprises; Considérant la nécessité de transférer des crédits d’engagement à l’allocation de base 51.11 du programme 02 de la division organique 18 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, dans le cadre du programme ″Convergence (2007-2013)″, à savoir, le dossier suivant (intitulé du projet cofinancé) : Convergence; Axe 1 : Création d’entreprises et d’emplois; Mesure 1.1 : Stimulation des investissements créateurs d’emplois et de valeur ajoutée; Projet et codification du projet : Dossiers multiples expansion économique : E CV 1 101; Allocation de base : 51.11.02; Crédits d’engagement : 7.150.000,00 EUR; 53354 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Considérant la nécessité de transférer des crédits d’ordonnancement aux allocations de base 51.10, 51.11 et 51.12 du programme 04 de la division organique 18 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, afin de rencontrer les décisions du Gouvernement wallon des 24 juillet 2008, 4 septembre 2008, 27 mai 2009 et 3 juin 2009 dans le cadre des programmes Convergence et Compétitivité régionale et emploi et Interreg IV A et B, à savoir, les dossiers suivants (intitulés et codifications des projets cofinancés) : Compétitivité régionale et emploi; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.2 : Infrastructures d’accueil structurantes et accessibilité des pôles de développement; Intitulé : Sambreville - Pôle de développement de la Basse-Sambre; Projet : Aménagement de la voirie d’accès à la ZAE Sainte-Eugénie; Opérateur : BEP; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 110.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 0935 G; Intitulé : Amélioration de l’accessibilité de la ville de Vielsalm et du pôle d’activités économiques; Projet : Equipement de zone d’activités économiques; Opérateur : IDELUX; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 83.510,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1209 G; Intitulé : Renforcement du pôle de Marche-en-Famenne comme moteur du nord de la province de Luxembourg; Projet : Mise en place d’un parc scientifique; Opérateur : IDELUX; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 577.079,29 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1254 G; Intitulé : SPI+ - Intervapeur - Abattoir; Projet : Volet 2 - Equipement; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 403.678,11 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1537 G; Intitulé : Centre du Design à Liège; Projet : Equipement; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 356.250,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1547 G; Intitulé : Requalification des terrains entourant la gare de Bressoux à Liège; Projet : Equipement; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 10.620,51 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1553 G; Intitulé : Extension Liège science park; Projet : Extension Liège science park; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 3.494.404,80 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1580 G; Intitulé : GIGA BioIndustry Support; Projet : Accueil Entreprises; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 1.744.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 1959 G; Intitulé : Redéploiement et redynamisation économique du Centre-Ardenne; Projet : Raccordement ferré du parc d’activités économiques d’Ardenne Logistics; Opérateur : IDELUX; Allocation de base : 51.11.04; Crédits d’ordonnancement : 1.555.041,91 EUR; Codification du projet : E CP 1 302000 2055 G; Convergence; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.2 : Infrastructures d’accueil structurantes et accessibilité des pôles de développement; Intitulé : Plate-forme multimodale de Garocentre; Projet : Aménagement de la voirie d’accès à la ZAE Sainte-Eugénie; Opérateur : IDEA; Allocation de base : 51.10.04; 53355BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Crédits d’ordonnancement : 452.185,25 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1414 G; Intitulé : Mons, pôle de croissance : Objectif 2015. Portefeuille 3. Le quartier des Arts et de l’Artisanat; Projet : Centre d’entreprise Design; Opérateur : Ville de Mons; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 704.250,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1440 G; Intitulé : ECOPOLE - création d’un pôle d’activités du développement durable; Projet : Désenclavement ouest de l’ECOPOLE; Opérateur : IGRETEC; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 2.410.812,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1517 G; Intitulé : ECOPOLE - création d’un pôle d’activités du développement durable; Projet : Désenclavement est de l’ECOPOLE; Opérateur : IGRETEC; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 2.142.957,50 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1518 G; Intitulé : Mons ouest : reconversion économique du territoire; Projet : ZAEP Mons - Giratoire Initialis; Opérateur : IDEA; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 121.387,20 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1566 G; Intitulé : Renforcement des infrastructures à vocation économique de la Wallonie Picarde; Projet : Création d’infrastructures d’accueil; Opérateur : IDETA; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 555.299,63 EUR; Codification du projet : E CV 1 302000 1722 G; Convergence; Axe 3 : Développement territorial équilibré et durable; Mesure 3.3 : Redynamisation urbaine et attractivité du territoire; Intitulé : Phénix; Projet : Multimodale commerciale; Opérateur : Ville de Charleroi; Allocation de base : 51.10.04; Crédits d’ordonnancement : 198.324,70 EUR; Codification du projet : E CV 1 303000 1645 G; Interreg IV B Europe du nord-ouest ; Axe 4 : Promotion de communautés fortes et prospères au niveau transnational; Intitulé : VALUE; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.12.04; Crédits d’ordonnancement : 114.970,00 EUR; Codification du projet : E IB 1 400000 001A B; Interreg IV A Euregio Meuse-Rhin; Axe 2 : Développement durable; Mesure 2.3 : Production et promotion de l’énergie renouvelable; Intitulé : SIS; Opérateur : WFG; Allocation de base : 51.12.04; Crédits d’ordonnancement : 69.021,25 EUR; Codification du projet : E IE 1 102003 2001 G; Intitulé : SIS; Opérateur : SPI+; Allocation de base : 51.12.04; Crédits d’ordonnancement : 11.212,67 EUR; Codification du projet : E IE 1 102003 2001 G; 53356 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Considérant la nécessité de transférer des crédits d’ordonnancement aux allocations de base 31.03, 31.11 et 31.18 du programme 15 de la division organique 18 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010, afin de rencontrer les décisions du Gouvernement wallon des 21 mars 2008, 11 septembre 2008 et 27 mai 2009 dans le cadre de l’Interreg IV A et des programmes Convergence et Compétitivité régionale et emploi, à savoir, les dossiers suivants (intitulés et codifications des projets cofinancés) : Convergence; Axe 1 : Création d’entreprises et d’emplois; Mesure 1.3 : Services d’appui avancés aux entreprises et à l’entrepreneuriat; Intitulé : Equilibre; Projet : Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Opérateur : PROGRESS (Anciennement ECONOMONS); Allocation de base : 31.03.15; Crédits d’ordonnancement : 116.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 103000 1329 G; Intitulé : Equilibre; Projet : Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Opérateur : AZIMUT (anciennement ACES); Allocation de base : 31.03.15; Crédits d’ordonnancement : 163.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 103000 1331 G; Intitulé : Equilibre; Projet : Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Opérateur : CRES; Allocation de base : 31.03.15; Crédits d’ordonnancement : 116.000,00 EUR; Codification du projet : E CV 1 103000 1330 G; Compétitivité régionale et emploi; Axe 1 : Création d’entreprises et d’emplois; Mesure 1.3 : Services d’appui avancés aux entreprises et à l’entrepreneuriat; Intitulé : Equilibre; Projet : Incubateurs en économie sociale - Dinant; Opérateur : Challenge; Allocation de base : 31.11.15; Crédits d’ordonnancement : 69.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 103000 1041 G; Intitulé : Pépinière d’entreprises; Projet : Design; Opérateur : Job’In; Allocation de base : 31.11.15; Crédits d’ordonnancement : 34.000,00 EUR; Codification du projet : E CP 1 103000 1138 G; Interreg III A France-Wallonie-Flandre; Axe 1 : Favoriser le développement économique de la zone par une approche transfrontalière cohérente et intégrée; Mesure 1.2 : renforcer l’adéquation entre l’offre de formation et les besoins du marché du travail; Intitulé : D.E.S.I.R.; Opérateur : ConcertES ASBL; Allocation de base : 31.18.15; Crédits d’ordonnancement : 181.000,00 EUR; Codification du projet : E IF 1 102FWA 0013 G, Arrête : Article 1er. Des crédits d’engagement à concurrence de 7.150 milliers d’EUR sont transférés du programme 01 de la division organique 32 au programme 02 de la division organique 18. Des crédits d’ordonnancement à concurrence de 15.117 milliers d’EUR sont transférés du programme 01 de la division organique 32 au programme 04 de la division organique 18. Des crédits d’engagement à concurrence de 679 milliers d’EUR sont transférés du programme 01 de la division organique 32 au programme 15 de la division organique 18. 53357BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. La ventilation des allocations de base suivantes des programmes 02, 04 et 15 de la division organique 18 et du programme 01 de la division organique 32 du budget général des dépenses de la Région wallonne pour l’année budgétaire 2010 est modifiée comme suit : (en milliers euros) Allocation de base Crédit initial et arrêtés de transfert C.D. Transfert Crédit ajusté CE CO CE CO CE CO DO 18 51.11.02 29.000 10.000 + 7.150 - 36.150 10.000 DO 18 51.10.04 0 0 - + 6.586 0 6.586 DO 18 51.11.04 0 0 - + 8.335 0 8.335 DO 18 51.12.04 0 0 - + 196 0 196 DO 18 31.03.15 0 0 - + 395 0 395 DO 18 31.11.15 0 0 - + 103 0 103 DO 18 31.18.15 0 0 - + 181 0 181 DO 32 01.01.01 101.621 101.986 - 7.150 - 15.796 94.471 86.190 Art. 3. Le présent arrêté est transmis au Parlement wallon, à la Cour des comptes, à l’Inspection des Finances, à la Chancellerie du Service public de Wallonie et à la Direction générale transversale Budget, Logistique et Technologies de l’Information et de la Communication. Namur, le 18 juin 2010. R. DEMOTTE J.-C. MARCOURT ÜBERSETZUNG ÖFFENTLICHER DIENST DER WALLONIE [2010/204285]D. 2010 — 2833 18. JUNI 2010 — Ministerialerlass zur Übertragung von Mitteln zwischen den Programmen 02, 04 und 15 des Organisationsbereichs 18 und dem Programm 01 des Organisationsbereichs 32 des allgemeinen Ausgaben haushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 Der Minister-Präsident, Der Minister für Wirtschaft, K.M.B., Außenhandel und neue Technologien, Aufgrund der am 17. Juli 1991 koordinierten Gesetze über die Staatsbuchführung, insbesondere des Artikels 12, in seiner durch den Artikel 4 des Gesetzes vom 19. Juli 1996 abgeänderten Fassung; Aufgrund des Dekrets vom 10. Dezember 2009 zur Festlegung des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010, insbesondere des Artikels 39; Aufgrund des Rundschreibens vom 18. Januar 2001 über die administrative Verwaltung der von den Europäischen Fonds mitfinanzierten Programme in der Wallonischen Region, insbesondere des Punkts III, 2, Absatz 4; Aufgrund der Erlasse der Wallonischen Regierung vom 17. Januar 2008 zur Abänderung der Erlasse der Wallonischen Regierung vom 6. Mai 2004 zur Ausführung des Dekrets vom 11. März 2004 über die regionalen Anreize für Klein- oder Mittelbetriebe; In Erwägung der Notwendigkeit, Verpflichtungsermächtigungen auf die Basiszuwendung 51.11 des Programms 02 des Organisationsbereichs 18 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushalts jahr 2010 zu übertragen, im Rahmen des Programms äKonvergenz″ (2007-2013), nämlich durch die folgende Maßnahme (Bezeichnung des mitfinanzierten Projekts): Konvergenz; Zielrichtung 1: Schaffung von Betrieben und Arbeitsstellen; Maßnahme 1.1: Förderung der Arbeitsstellen und Mehrwert schaffenden Investitionen; Projekt und Kodifizierung des Projekts: Multiple Akten Wirtschaftsaufschwung: E CV 1 101; Basiszuwendung: 51.11.02; Verpflichtungsermächtigungen: 7.150.000,00 EUR; In Erwägung der Notwendigkeit, Ausgabeermächtigungen auf die Basiszuwendungen 51.10, 51.11 und 51.12 des Programms 04 des Organisationsbereichs 18 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 zu übertragen, um den in ihren Sitzungen vom 24. Juli 2008, vom 4. September 2008, vom 27. Mai 2009 und vom 3. Juni 2009 im Rahmen der Programme ″Konvergenz″ und ″Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung″ und von INTERREG IV A und B gefassten Beschlüssen der Wallonischen Regierung Folge zu leisten, nämlich durch die folgenden Maßnahmen (Bezeichnung und Kodifizierung der mitfinanzierten Projekte): Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.2: Strukturierende Aufnahmeinfrastrukturen und Zugänglichkeit der Entwicklungspole; Bezeichnung: Sambreville - Entwicklungspol Basse-Sambre; Projekt: Einrichtung der Zugangsstraßen zum Gewerbegebiet Sainte-Eugénie; Träger: BEP; Basiszuwendung: 51.11.04; 53358 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ausgabeermächtigungen: 110.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 0935 G; Bezeichnung: Verbesserung der Zugänglichkeit der Stadt Vielsalm und des wirtschaftlichen Aktivitätspols; Projekt: Ausstattung des Gewerbegebiets; Träger: IDELUX; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 83.510,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1209 G; Bezeichnung: Stärkung des Pols von Marche-en-Famenne als Motor für den nördlichen Teil der Provinz Luxemburg; Projekt: Niederlassung eines wissenschaftlichen Parks; Träger: IDELUX; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 577.079,29 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1254 G; Bezeichnung: SPI+ - Intervapeur - Abattoir; Projekt: Abschnitt 2 - Ausrüstung; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 403.678,11 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1537 G; Bezeichnung: Designzentrum in Lüttich; Projekt: Ausrüstung; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 356.250,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1547 G; Bezeichnung: Requalifizierung der Gelände um den Bahnhof Bressoux in Lüttich; Projekt: Ausrüstung; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 10.620,51 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1553 G; Bezeichnung: Erweiterung ″Liège science park″; Projekt: Erweiterung ″Liège science park″; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 3.494.404,80 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1580 G; Bezeichnung: GIGA BioIndustry Support; Projekt: Accueil Entreprises; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 1.744.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 1959 G; Bezeichnung: Wirtschaftlicher Wiederaufschwung und Redynamisierung des Gebiets Centre-Ardenne; Projekt: Eisenbahnanschluss des Gewerbegebiets Ardenne Logistics; Träger: IDELUX; Basiszuwendung: 51.11.04; Ausgabeermächtigungen: 1.555.041,91 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 302000 2055 G; Konvergenz; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.2: Strukturierende Aufnahmeinfrastrukturen und Zugänglichkeit der Entwicklungspole; Bezeichnung: Multimodale Plattform Garocentre; Projekt: Einrichtung der Zugangsstraßen zum Gewerbegebiet Sainte-Eugénie; Träger: IDEA; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 452.185,25 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1414 G; Bezeichnung: MONS, Wachstumspol: ″OBJECTIF 2015″. Projektgruppe 3: Le quartier des Arts et de l’Artisanat; Projekt: Betriebszentrum Design; Träger: Stadt Mons; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 704.250,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1440 G; Bezeichnung: ECOPOLE - Schaffung eines Aktivitätspols im Rahmen der nachhaltigen Entwicklung; Projekt: Erschließung des Westteils des ECOPOLE; Träger: IGRETEC; 53359BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 2.410.812,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1517 G; Bezeichnung: ECOPOLE - Schaffung eines Aktivitätspols im Rahmen der nachhaltigen Entwicklung; Projekt: Erschließung des Ostteils des ECOPOLE; Träger: IGRETEC; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 2.142.957,50 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1518 G; Bezeichnung: Mons West: wirtschaftliche Umstellung des Gebiets; Projekt: ZAEP Mons - Kreisverkehr INITIALIS; Träger: IDEA; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 121.387,20 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1566 G; Bezeichnung: Stärkung der Infrastrukturen mit wirtschaftlichen Zielsetzung der ″Wallonie picarde″; Projekt: Schaffung von Aufnahmeinfrastrukturen; Träger: IDETA; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 555.299,63 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 302000 1722 G; Konvergenz; Zielrichtung 3: Ausgewogene und nachhaltige räumliche Entwicklung; Maßnahme 3.3: Städtische Redynamisierung und Attraktivität des Gebiets; Bezeichnung: Phénix; Projekt: Kommerzielle multimodale Anlage; Träger: Stadt Charleroi; Basiszuwendung: 51.10.04; Ausgabeermächtigungen: 198.324,70 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 303000 1645 G; INTERREG IV B - Nordwesteuropa; Zielrichtung 4: Förderung von starken und erfolgreichen Gemeinschaften auf transnationaler Ebene; Bezeichnung: VALUE; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.12.04; Ausgabeermächtigungen: 114.970,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IB 1 400000 001A B; Interreg IV A Euregio-Maas-Rhein; Zielrichtung 2: räumliche Entwicklung; Maßnahme 2.3: Erzeugung und Förderung der erneuerbaren Energie; Bezeichnung: SIS; Träger: WFG; Basiszuwendung: 51.12.04; Ausgabeermächtigungen: 69.021,25 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IE 1 102003 2001 G; Bezeichnung: SIS; Träger: SPI + ; Basiszuwendung: 51.12.04; Ausgabeermächtigungen: 11.212,67 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IE 1 102003 2001 G; In Erwägung der Notwendigkeit, Ausgabeermächtigungen auf die Basiszuwendungen 31.03, 31.11 und 31.18 des Programms 15 des Organisationsbereichs 18 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 zu übertragen, um den in ihren Sitzungen vom 21. März 2008, vom 11. September 2008 und vom 27. Mai 2009 im Rahmen vom Interreg IV A und der Programme ″Konvergenz″ und ″Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung″ gefassten Beschlüssen der Wallonischen Regierung Folge zu leisten, nämlich durch die folgenden Maßnahmen (Bezeichnung und Kodifizierung der mitfinanzierten Projekte): Konvergenz; Zielrichtung 1: Schaffung von Betrieben und Arbeitsstellen; Maßnahme 1.3.: Fortgeschrittene Dienste zur Unterstützung der Betriebe und Existenzschaffung; Bezeichnung: ″Equilibre″; Projekt: Inkubatoren in der Sozialwirtschaft - Hennegau; Träger: PROGRESS (vormals ECONOMONS); Basiszuwendung: 31.03.15; Ausgabeermächtigungen: 116.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 103000 1329 G; Bezeichnung: ″Equilibre″; Projekt: Inkubatoren in der Sozialwirtschaft - Hennegau; Träger: AZIMUT (vormals ACES); Basiszuwendung: 31.03.15; 53360 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ausgabeermächtigungen: 163.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 103000 1331 G; Bezeichnung: ″Equilibre″; Projekt: Inkubatoren in der Sozialwirtschaft - Hennegau; Träger: CRES; Basiszuwendung: 31.03.15; Ausgabeermächtigungen: 116.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CV 1 103000 1330 G; Regionale Wettbewerbsfähigkeit und Beschäftigung; Zielrichtung 1: Schaffung von Betrieben und Arbeitsstellen; Maßnahme 1.3.: Fortgeschrittene Dienste zur Unterstützung der Betriebe und Existenzschaffung; Bezeichnung: ″Equilibre″; Projekt: Inkubatoren in der Sozialwirtschaft - Dinant; Träger: ″Challenge″; Basiszuwendung: 31.11.15; Ausgabeermächtigungen: 69.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 103000 1041 G; Bezeichnung: Gründerzentrum; Projekt: Design; Träger: Job’In; Basiszuwendung: 31.11.15; Ausgabeermächtigungen: 34.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E CP 1 103000 1138 G; Interreg III A Frankreich - Wallonie - Flandern; Zielrichtung 1: Förderung der wirtschaftlichen Entwicklung des Gebiets durch eine kohärente und integrierte grenzüberschreitende Vorgehensweise; Maßnahme 1.2: Stärkung der Übereinstimmung zwischen dem Bildungsangebot und den Bedürfnissen des Arbeitsmarkts; Bezeichnung: D.E.S.I.R.; Träger: VoE ConcertES; Basiszuwendung: 31.18.15; Ausgabeermächtigungen: 181.000,00 EUR; Kodifizierung des Projekts: E IF 1 102FWA 0013 G; Beschließt: Artikel 1 - Es werden Verpflichtungsermächtigungen in Höhe von 7.150.000 EUR vom Programm 01 des Organisationsbereichs 32 auf das Programm 02 des Organisationsbereichs 18 übertragen. Es werden Ausgabeermächtigungen in Höhe von 15.117.000 EUR vom Programm 01 des Organisationsbereichs 32 auf das Programm 04 des Organisationsbereichs 18 übertragen. Es werden Verpflichtungsermächtigungen in Höhe von 679.000 EUR vom Programm 01 des Organisationsbe reichs 32 auf das Programm 15 des Organisationsbereichs 18 übertragen. Art. 2 - Die Verteilung der folgenden Basiszuwendungen der Programme 02, 04 und 15 des Organisationsbe reichs 18 und des Programms 01 des Organisationsbereichs 32 des allgemeinen Ausgabenhaushaltsplanes der Wallonischen Region für das Haushaltsjahr 2010 wird wie folgt abgeändert: (in Tausend EURO) Basiszuwendung Ursprüngliche Mittel und Übertragungserlasse A.M. Übertragung Angepasste Mittel VE AE VE AE VE AE OB 18 51.11.02 29.000 10.000 + 7.150 - 36.150 10.000 OB 18 51.10.04 0 0 - + 6.586 0 6.586 OB 18 51.11.04 0 0 - + 8.335 0 8.335 OB 18 51.12.04 0 0 - + 196 0 196 OB 18 31.03.15 0 0 - + 395 0 395 OB 18 31.11.15 0 0 - + 103 0 103 OB 18 31.18.15 0 0 - + 181 0 181 OB 32 01.01.01 101.621 101.986 - 7.150 - 15.796 94.471 86.190 Art. 3 - Der vorliegende Erlass wird dem Wallonischen Parlament, dem Rechnungshof, der Finanzinspektion, der Kanzlei des Öffentlichen Dienstes der Wallonie und der ressortübergreifenden Generaldirektion Haushalt, Logistik und Informations- und Kommunikationstechnologie übermittelt. Namur, den 18. Juni 2010 R. DEMOTTE J-C. MARCOURT 53361BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE VERTALING WAALSE OVERHEIDSDIENST [2010/204285]N. 2010 — 2833 18 JUNI 2010. — Ministerieel besluit houdende overdracht van kredieten tussen programma’s 02, 04 en 15 van organisatieafdeling 18 en programma 01 van organisatieafdeling 32 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 De Minister-President, De Minister van Economie, K.M.O.’s, Buitenlandse Handel en Nieuwe Technologieën, Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op artikel 12, zoals gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 19 juli 1996; Gelet op het decreet van 10 december 2009 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, inzonderheid op artikel 39; Gelet op de omzendbrief van 18 januari 2001 betreffende het administratief beheer van met Europese fondsen in het Waalse Gewest medegefinancierde programma’s, inzonderheid op punt III, 2, vierde lid; Gelet op de besluiten van de Waalse Regering van 17 januari 2008 tot wijziging van de besluiten van 6 mei 2004 tot uitvoering van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de gewestelijke incentives ten gunste van de grote en de kleine en middelgrote ondernemingen; Overwegende dat vastleggingskredieten overgedragen moeten worden naar basisallocatie 51.11, programma 02 van organisatieafdeling 18 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010, in het kader van de programma’s ″Convergencie (2007-2013)″, namelijk het volgende dossier (titel en codificatie van het medegefinancierde project) : Convergentie; Hoofdlijn 1 : Oprichting van ondernemingen en creatie van werkgelegenheid; Maatregel 1.1 : Stimulering van de investeringen ten gunste van de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde; Project en codificatie van het project : Verschillende dossiers economische expansie : E CV 1 101; Basisallocatie : 51.11.02; Vastleggingskredieten : 7.150.000,00 EUR; Overwegende dat ordonnanceringskredieten overgedragen moeten worden naar basisallocaties 51.10, 51.11, 51.12 van programma 04 van organisatieafdeling 18 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 om gevolg te geven aan de tijdens de zittingen van 24 juli 2008, 4 september 2008, 27 mei 2009 en 3 juni 2009 door de Waalse Regering genomen beslissingen in het kader van de programma’s Convergentie en gewestelijke Concurrentiekracht en Werkgelegenheid en Interreg IV A en B, namelijk de volgende dossiers (titels en codificaties van de medegefinancierde projecten) : Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 3.2 : Structurerende onthaalinfrastructuren en toegankelijkheid van de ontwikkelingspolen; Titel : Sambreville - Ontwikkelingskern van de Beneden Samber; Project : Aanleg van de toegangsweg tot de economische activiteitenzone ″Sainte-Eugénie″; Operator : BEP; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 110.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 0935 G; Titel : Verbetering van de bereikbaarheid van de stad Vielsalm en van de economische activiteitenpool; Project : Uitrusting van bedrijfsruimten; Operator : IDELUX; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 83.510,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1209 G; Titel : Versterking van de kern van Marche-en-Famenne als drijvende kracht voor het Noorden van de provincie Luxemburg; Project : Inrichting van een wetenschapspark; Operator : IDELUX; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 577.079,29 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1254 G; Titel : ″SPI+ - Intervapeur - Abattoir″; Project : Luik 2 - uitrusting; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 403.678,11 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1537 G; Titel : ″Centre du Design″ te Luik; 53362 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Project : Uitrusting; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 356.250,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1547 G; Titel : Herkwalificatie van de terreinen rondom het station van Bressoux in Luik; Project : Uitrusting; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 10.620,51 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1553 G; Titel : Uitbreiding Luik wetenschapspark; Project : Uitbreiding Luik wetenschapspark; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 3.494.404,80 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1580 G; Titel : GIGA BioIndustry Support; Project : ″Accueil Entreprises″; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 1.744.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 1959 G; Titel : Herstructurering en economische herdynamisering van het ″Centre-Ardenne″; Project : Spoorwegaansluiting van het ″PAE Ardenne Logistics″; Operator : IDELUX; Basisallocatie : 51.11.04; Ordonnanceringskredieten : 1.555.041,91 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 302000 2055 G; Convergentie; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling; Maatregel 3.2 : Structurerende onthaalinfrastructuren en toegankelijkheid van de ontwikkelingspolen; Titel : Plate-forme multimodale de Garocentre; Project : Aanleg van de toegangsweg tot de economische activiteitenzone ″Sainte-Eugénie″; Operator : IDEA; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 452.185,25 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1414 G; Titel : MONS, pôle de croissance : Doelstelling 2015. ″Portefeuille 3. Le quartier des Arts et de l’Artisanat″; Project : ″Centre d’entreprise Design″; Operator : Stad Bergen; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 704.250,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1440 G; Titel : ECOPOLE - Creatie van een activiteitspool voor duurzame ontwikkeling; Project : Oostelijke sluiting van ECOPOLE; Operator : IGRETEC; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 2.410.812,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1517 G; Titel : ECOPOLE - Creatie van een activiteitspool voor duurzame ontwikkeling; Project : Sluiting van ECOPOLE; Operator : IGRETEC; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 2.142.957,50 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1518 G; Titel : Bergen West : economische reconversie van het gebied; Project : ZAEP Bergen - Rotonde Initialis; Operator : IDEA; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 121.387,20 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1566 G; 53363BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Titel : Versterking van infrastructuren met economisch belang van ″Wallonie picarde″; Project : Oprichting van onthaalinfrastructuren; Operator : IDETA; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 555.299,63 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 302000 1722 G; Convergentie; Hoofdlijn 3 : Evenwichtige en duurzame ruimtelijke ontwikkeling; Maatregel 3.3 : Stedelijke herdynamisering en aantrekkingskracht van het grondgebied; Titel : Phénix; Project : Commerciële multimodale; Operator : Stad Charleroi; Basisallocatie : 51.10.04; Ordonnanceringskredieten : 198.324,70 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 303000 1645 G; Interreg IV B Noord-West Europa; Hoofdlijn 4 : Bevordering van sterke en welvarende gemeenschappen op transnationaal niveau; Titel : VALUE; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.12.04; Ordonnanceringskredieten : 114.970,00 EUR; Codificatie van het project : E IB 1 400000 001A B; Interreg IV A Euregio Maas-Rijn; Hoofdlijn 2 : Duurzame ontwikkeling; Maatregel 2.3 : Productie en bevordering van hernieuwbare energie; Titel : SIS; Operator : ″WFG″; Basisallocatie : 51.12.04; Ordonnanceringskredieten : 69.021,25 EUR; Codificatie van het project : E IE 1 102003 2001 G; Titel : SIS; Operator : SPI + ; Basisallocatie : 51.12.04; Ordonnanceringskredieten : 11.212,67 EUR; Codificatie van het project : E IE 1 102003 2001 G; Overwegende dat ordonnanceringskredieten overgedragen moeten worden naar basisallocaties 31.03, 31.11 en 31.18 van programma 15 van organisatieafdeling 18 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 om gevolg te geven aan de tijdens de zittingen van 21 maart 2008, 11 september 2008 en 27 mei 2009 door de Waalse Regering genomen beslissingen in het kader van Interreg IV A en de Programma’s Convergentie en Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid, namelijk de volgende dossiers (titels en codificaties van de medegefinancierde projecten) : Convergentie; Hoofdlijn 1 : Oprichting van ondernemingen en creatie van werkgelegenheid; Maatregel 1.3o : Aan de ondernemingen en entrepreneurschap verleende steundiensten; Titel : Equilibre; Project : ″Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Operator : PROGRESS (Vroeger ECONOMONS); Basisallocatie : 31.03.15; Ordonnanceringskredieten : 116.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 103000 1329 G; Titel : Equilibre; Project : ″Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Operator : AZIMUT (Vroeger ACES); Basisallocatie : 31.03.15; Ordonnanceringskredieten : 163.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CV 1 103000 1331 G; Titel : Equilibre; Project : ″Incubateurs en économie sociale - Hainaut; Operator : ″CRES″; Basisallocatie : 31.03.15; Ordonnanceringskredieten : 116.000,00 EUR; 53364 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Codificatie van het project : E CV 1 103000 1330 G; Gewestelijke concurrentiekracht en Werkgelegenheid; Hoofdlijn 1 : Oprichting van ondernemingen en creatie van werkgelegenheid; Maatregel 1.3o : Aan de ondernemingen en entrepreneurschap verleende steundiensten; Titel : Equilibre; Project : ″Incubateurs en économie sociale - Dinant; Operator : Challenge; Basisallocatie : 31.11.15; Ordonnanceringskredieten : 69.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 103000 1041 G; Titel : ″Pépinière d’entreprises″; Project : Design; Operator : ″JOB’In″; Basisallocatie : 31.11.15; Ordonnanceringskredieten : 34.000,00 EUR; Codificatie van het project : E CP 1 103000 1138 G; Interreg III A Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen; Hoofdlijn 1 : Bevordering van de economische ontwikkeling van het gebied door een coherente en geïntegreerde grensbenadering; Maatregel 1.2 : Versterking van de adequatie tussen het vormingsaanbod en de behoeften van de arbeidsmarkt; Titel : D.E.S.I.R.; Operator : ConcertES VZW; Basisallocatie : 31.18.15; Ordonnanceringskredieten : 181.000,00 EUR; Codificatie van het project : E IF 1 102FWA 0013 G, Besluit : Artikel 1. Er worden vastleggingskredieten ten belope van 7.150 duizend EUR overgedragen van programma 01 van organisatieafdeling 32 naar programma 02 van organisatieafdeling 18. Er worden ordonnanceringskredieten ten belope van 15.117 duizend EUR overgedragen van programma 01 van organisatieafdeling 32 naar programma 04 van organisatieafdeling 18. Er worden vastleggingskredieten ten belope van 679 duizend EUR overgedragen van programma 01 van organisatieafdeling 32 naar programma 15 van organisatieafdeling 18. Art. 2. De verdeling van de volgende basisallocaties van programma’s 02, 04, en 15 van organisatieafdeling 18 en van programma 01 van organisatieafdeling 32 van de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2010 wordt gewijzigd als volgt : (in duizend EUR) Basisallocatie Initieel krediet En overdrachtsbesluiten G.K. Overdracht Aangepast krediet VK OK VK OK VK OK OA18 51.11.02 29.000 10.000 + 7.150 - 36.150 10.000 OA18 51.10.04 0 0 - + 6.586 0 6.586 OA18 51.11.04 0 0 - + 8.335 0 8.335 OA18 51.12.04 0 0 - + 196 0 196 OA18 31.03.15 0 0 - + 395 0 395 OA18 31.11.15 0 0 - + 103 0 103 OA18 31.18.15 0 0 - + 181 0 181 OA32 01.01.01 101.621 101.986 - 7.150 - 15.796 94.471 86.190 Art. 3. Dit besluit wordt doorgezonden naar het Waalse Parlement, het Rekenhof, de Inspectie van Financiën, de Kanselarij van de Waalse Overheidsdienst en het Overkoepelend Directoraat-generaal Begroting, Logistiek en Informatie- en Communicatietechnologie. Namen, 18 juni 2010. R. DEMOTTE J-C. MARCOURT 53365BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE ANDERE BESLUITEN — AUTRES ARRETES FEDERALE OVERHEIDSDIENST BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING [C − 2010/15152] Carrière Hoofdbestuur. — Ontslag Bij koninklijk besluit van 19 juli 2010, wordt, op zijn aanvraag, ontslag verleend op 31 augustus 2010, aan de heer Benoît Martin (Franse taalrol) attaché bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN [C − 2010/03473] Nationale Orden Bevorderingen. — Benoemingen Bij koninklijk besluit van 10 november 2009, nr. 7, worden benoemd : Kroonorde Officier Administratie der thesaurie De heer DUBOIS, J.R.B.M., Attaché van financiën. Administratie der directe belastingen (Buitendiensten) De heer BIESMANS, G.M.P., De heer BOECKXSTAENS, G.L.J., Mevr. BOIY, R.L.M., De heer IMMESOETE, R.K.M., De heer LEUPE, L.G.C., De heer VAN VAERENBERGH, H.M.F., Eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur; De heer BOONE, C.R.M.M., De heer VAN DEN EYNDE, R.F.J., Inspecteurs bij een fiscaal bestuur. Administratie der douane en accijnzen (Buitendiensten) De heer BECKX, R.R.W., Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur. Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, sector van de registratie en domeinen (Buitendiensten) Mevr. De NEVE, A.R.E., Mevr. RAES, G.M.M.A., Mevr. VAN WERDE. H.N.J.W., Mevr. VAN WINGHEM, M.F.J., Eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur. Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, sector van de belasting over de toegevoegde waarde (Buitendiensten) De heer DE VRIENDT, P.C.M., De heer TACK, P.R.A., Eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur. Administratie van het kadaster (Buitendiensten) De heer DE BOEL, I.G.M.G., De heer NYS, D.E.V., De heer VANDEMOORTELE, R.V., Eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur. SERVICE PUBLIC FEDERAL AFFAIRES ETRANGERES, COMMERCE EXTERIEUR ET COOPERATION AU DEVELOPPEMENT [C − 2010/15152] Carrière de l’Administration centrale. — Démission Par arrêté royal du 19 juillet 2010, démission de ses fonctions est accordée, à sa demande, au 31 août 2010 à M. Benoît Martin (rôle linguistique français), attaché au Service public fédéral Affaires étran gères, Commerce extérieur et Coopération au Développement. SERVICE PUBLIC FEDERAL FINANCES [C − 2010/03473] Ordres nationaux Promotions. — Nominations Par arrêté royal du 10 novembre 2009, n° 7, sont nommés : Ordre de la Couronne Officier Administration de la trésorerie M. DUBOIS, J.R.B.M., Attaché des finances. Administration des contributions directes (Services extérieurs) M. BIESMANS, G.M.P., M. BOECKXSTAENS, G.L.J., Mme BOIY, R.L.M., M. IMMESOETE, R.K.M., M. LEUPE, L.G.C., M. VAN VAERENBERGH, H.M.F., Inspecteurs principaux d’administration fiscale; M. BOONE, C.R.M.M., M. VAN DEN EYNDE, R.F.J., Inspecteurs d’administration fiscale. Administration des douanes et accises (Services extérieurs) M. BECKX, R.R.W., Inspecteur principal d’administration fiscale. Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l’enregistrement et des domaines, secteur de l’enregistrement et des domaines (Services extérieurs) Mme De NEVE, A.R.E., Mme RAES, G.M.M.A., Mme VAN WERDE. H.N.J.W., Mme VAN WINGHEM, M.F.J., Inspecteurs principaux d’administration fiscale. Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l’enregistrement et des domaines, secteur de la taxe sur la valeur ajoutée (Services extérieurs) M. DE VRIENDT, P.C.M., M. TACK, P.R.A., Inspecteurs principaux d’administration fiscale. Administration du cadastre (Services extérieurs) M. DE BOEL, I.G.M.G., M. NYS, D.E.V., M. VANDEMOORTELE, R.V., Inspecteurs principaux d’administration fiscale. 53366 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Bij het zelfde besluit worden bevorderd : Ridder Administratie der directe belastingen (Buitendiensten) Mevr. VANDEZANDE, N.M.W., Financieel assistent. Administratie der douane en accijnzen (Buitendiensten) De heer MELIS, R.M., Financieel assistent. Bij het zelfde besluit worden benoemd : Ridder Algemeen Secretariaat De heer SCHUTZ, W.J., Financieel en ICT deskundige (afgeschafte graad); Mevr. DE GREEF, H.E.J., Financieel en administratief deskundige (afgeschafte graad); De heer CILLIS, M.A.J., ICT deskundige; De heer BARDYN, M.A., Financieel deskundige. Administratie der thesaurie De heer VAN DEN DRIESSCHE, L., Financieel deskundige. Administratie der directe belastingen (Buitendiensten) Mevr. DEPREE, I.I.M., De heer DE SMET, S.R., Mevr. DE VOS, I.C.A., Mevr. DRIES, M.H., De heer VANHERCK, P.E.M.A., Fiscaal deskundigen; De heer DE GRANDE, P.W., De heer MALFLIET, D.J.M., Mevr. VELDEMAN, C.M.A., De heer VREYS, F.J.E., Adjunct-fiscaal deskundigen (afgeschafte graad); Mevr. DEFERM, M.M., De heer FRANCK, H.A.G.L., De heer HEYSE, H.O.T. Mevr. MAES, C.S.J., Mevr. MOL, E.B.J.M., De heer VANHERCK, J.J., De heer VANHERWEGEN, W.E.L., Mevr. VAN STEENBERGEN, A.M.L.P., Mevr. VERREYCKEN, A.R.J., Adjunct-financieel assistenten (afgeschafte graad); Mevr. DASSEN, I.M.A., Mevr. PEETERS, M.M.L., De heer VAN DEN BERGH, F.G., Financieel assistenten; De heer HUYBRECHT, W.G.L., Bestuurschef (afgeschafte graad). Administratie der douane en accijnzen (Buitendiensten) M. VAN HERCK, C.J., Vérificateur (grade supprimé); De heer VANHAEREN, J., De heer VERBERCKT, E.H.C.V., Adjunct-fiscaal deskundigen (afgeschafte graad); Mevr. RABAUT, M.C., Adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad); De heer COUDRON, R.G.; Financieel asssistent; De heer BILLIAU, R.J.A., Par le même arrêté, sont promus : Chevalier Administration des contributions directes (Service extérieur) Mme VANDEZANDE, N.M.W., Assistant financier. Administration des douanes et accises (Services extérieurs) M. MELIS, R.M., Assistant financier. Par le même arrêté, sont nommés : Chevalier Secrétariat général M. SCHUTZ, W.J., Expert financier et ICT (grade supprimé); Mme DE GREEF, H.E.J., Expert financier et administratif (grade supprimé); M. CILLIS, M.A.J., Expert ICT; M. BARDYN, M.A., Assistant financier. Administration de la trésorerie M. VAN DEN DRIESSCHE, L., Expert financier. Administration des contributions directes (Services extérieurs) Mme DEPREE, I.I.M., M. DE SMET, S.R., Mme DE VOS, I.C.A., Mme DRIES, M.H., M. VANHERCK, P.E.M.A., Experts fiscaux; M. DE GRANDE, P.W., M. MALFLIET, D.J.M., Mme VELDEMAN, C.M.A., M. VREYS, F.J.E., Experts fiscaux adjoints (grade supprimé); Mme. DEFERM, M.M., M. FRANCK, H.A.G.L., M. HEYSE, H.O.T. Mme MAES, C.S.J., Mme MOL, E.B.J.M., M. VANHERCK, J.J., M. VANHERWEGEN, W.E.L., Mme VAN STEENBERGEN, A.M.L.P., Mme VERREYCKEN, A.R.J., Assistants financiers adjoints (grade supprimé); Mme DASSEN, I.M.A., Mme PEETERS, M.M.L., M. VAN DEN BERGH, F.G., Assistants financiers; M. HUYBRECHT, W.G.L., Chef administratif (grade supprimé). Administration des douanes et accises (Services extérieurs) M. VAN HERCK, C.J., Vérificateur (grade supprimé); M. VANHAEREN, J., M. VERBERCKT, E.H.C.V., Experts fiscaux adjoints (grade supprimé); Mme RABAUT, M.C., Assistant financier adjoint (grade supprimé); M. COUDRON, R.G.; Assistant financier; M. BILLIAU, R.J.A., 53367BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Mevr. BLAUWENS, M.C.J., Mevr. MOMMENS, L.V.V., De heer VANDENHOVE, P.G., Bestuurschefs (afgeschafte graad). Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, sector van de registratie en domeinen (Buitendiensten) Mevr. VERVUST, K.M., Fiscaal deskundige; Mevr. DUFFELEER, A., Adjunct-fiscaal deskundige (afgeschafte graad); Mevr. VERBELEN, M.M.L., Adjunct-financieel assistent (afgeschafte graad). Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, sector van de belasting over de toegevoegde waarde (Buitendiensten) Mevr. HOMBROUCKX, L.M.C.F., De heer WINDELS, S.P.R.E., Adjunct-fiscaal deskundigen (afgeschafte graad); De heer MARZULLO, J.M.C., Mevr. VAN CAENEGHEM, C.F.A., Adjunct-financieel assistenten (afgeschafte graad); Mevr. DE SMET, A.M.R., Financieel assistent. Administratie van het kadaster (Buitendiensten) De heer KEYMEULEN, P.G.W., Fiscaal deskundige; De heer DEHOUX, E.F.G., Financieel assistent. Bij het zelfde besluit worden de Gouden Palmen der Kroonorde verleend aan : Algemeen Secretariaat Mevr. REYNIERS, C., Financieel medewerker. Administratie der thesaurie De heer DE GREEF, R.J.J., De heer VAN SNICK, W.J., Technisch medewerkers. Administratie der directe belastingen (Buitendiensten) Mevr. BAETEN, G.M. Mevr. BEECKMAN, E.Y.C., Mevr. DE MOL, F., Mevr. GAILLIAERT, M.-C.M.A;, De heer GOOSSENS, A., Mevr. HEREMANS, C.F., De heer LOMBAERTS, P.E., Mevr. MOMMENS, R.L.J., Mevr. STUYCKENS, S.M.A., Mevr. VAN CAUTER, L.M.A., Mevr. VAN DE VIJVER, N.M.R., Mevr. VERBRUGGHE, M.M.A., Mevr. VERMEERSCH, M.I., Mevr. VERMEIREN, M.A.M., Mevr. VERNIER, N.C., Mevr. VERSTREPEN, C., Financieel medewerkers; Mevr. ADONS, Y.A.G.M.G., Mevr. DECKERS, M.G.S., Mevr. DE PREZ, L.I.A., Mevr. DE SMEDT, M.F.L., Mevr. LEFEBVRE, M.-C.F., De heer TEEKAMP, G.C., De heer WANDELS, D.G.M., Mme BLAUWENS, M.C.J., Mme MOMMENS, L.V.V., M. VANDENHOVE, P.G., Chefs administratifs (grade supprimé). Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l’enregistrement et des domaines, secteur de l’enregistrement et des domaines (Services extérieurs) Mme VERVUST, K.M., Expert fiscal; Mme DUFFELEER, A., Expert fiscal adjoint (grade supprimé); Mme VERBELEN, M.M.L., Assistant financier adjoint (grade supprimé). Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l’enregistrement et des domaines, secteur de la taxe sur la valeur ajoutée (Services extérieurs) Mme HOMBROUCKX, L.M.C.F., M. WINDELS, S.P.R.E., Experts fiscaux adjoints (grade supprimé); M. MARZULLO, J.M.C., Mme VAN CAENEGHEM, C.F.A., Assistants financiers adjoints (grade supprimé); Mme DE SMET, A.M.R., Assistant financier. Administration du cadastre (Services extérieurs) M. KEYMEULEN, P.G.W., Expert fiscal; M. DEHOUX, E.F.G., Assistant financier. Par le même arrêté, les Palmes d’Or de l’Ordre de la Couronne sont décernées à : Secrétariat général Mme REYNIERS, C., Collaborateur financier. Administration de la trésorerie M. DE GREEF, R.J.J., M. VAN SNICK, W.J., Collaborateurs techniques. Administration des contributions directes (Services extérieurs) Mme BAETEN, G.M., Mme BEECKMAN, E.Y.C., Mme DE MOL, F., Mme GAILLIAERT, M.-C.M.A;, M. GOOSSENS, A., Mme HEREMANS, C.F., M. LOMBAERTS, P.E., Mme MOMMENS, R.L.J., Mme STUYCKENS, S.M.A., Mme VAN CAUTER, L.M.A., Mme VAN DE VIJVER, N.M.R., Mme VERBRUGGHE, M.M.A., Mme VERMEERSCH, M.I., Mme VERMEIREN, M.A.M., Mme VERNIER, N.C., Mme VERSTREPEN, C., Collaborateurs financiers; Mme ADONS, Y.A.G.M.G., Mme DECKERS, M.G.S., Mme DE PREZ, L.I.A., Mme DE SMEDT, M.F.L., Mme LEFEBVRE, M.-C.F., M. TEEKAMP, G.C., M. WANDELS, D.G.M., 53368 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Administratief medewerkers. Administratie der douane en accijnzen (Hoofdbestuur) Mevr. MEGANCK, M.R., Financieel medewerker. Administratie der douane en accijnzen (Buitendiensten) Mevr. AERTS, M.C., Mevr. BOGAERT, J.E.E., Mevr. DE GENDT, M.R., Mevr. DE LEPELEIRE, R.C.R., Mevr. DE RIJCK, D.M.R., De heer EYKENS, G.J., Mevr. KERKHOVE, A.M., Mevr. LABYN, H.M.H., Mevr. LAEMONT, M.-T.R.M., Mevr. SOUFFRIAU, H.C., Mevr. VANTILT, M.E.J., De heer VERBEURGT, H.L.H., Financieel medewerkers. Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, sector van de belasting over de toegevoegde waarde (Buitendiensten) Mevr. DE BODT, J.M., Mevr. MOUTON, M.S., Mevr. THEUNIS, G.M., Financieel medewerkers; Mevr. ARIJS, A.L., Mevr. MEGANCK, F.A., Mevr. VANDERKIMPEN, M.-C., Mevr. VAN DOOREN, A.A., Mevr. WINCKELMANS, H.F.H., Administratief medewerkers. Administratie der kadaster (Buitendiensten) De heer JACOBS, E.L.A., De heer SPYSSCHAERT, R.F.R., Mevr. STEENBERGHS, H.L.A., Financieel medewerkers. De vermelde personen nemen vanaf 15 november 2005 hun rang in de Orde in. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [2010/14186] Mobiliteit en Verkeersveiligheid Erkenning van de opleidingscentra Bij toepassing van het koninklijk besluit van 4 mei 2007, betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcatego rieën C1, C1+E, D1, D1+E, heeft de Staatssecretaris voor Mobiliteit volgend opleidingscentrum dat de nascholing organiseert erkend : Erkenningsnummer van het opleidingscentrum — Numéro d’agrément du centre de formation Erkenningsdatum — Date de reconnaissance Einddatum van de erkenning — Date de fin de reconnaissance Naam en adres van het opleidingscentrum — Nom et adresse du centre de formation OCF-055 22/07/2010 21/07/2015 KaHo Sint-Lieven, Gebroeders Desmetstraat 1, 9000 Gent De erkenning wordt verleend voor : Goederenvervoer. Collaborateurs administratifs. Administration des douanes et accises (Administration centrale) Mme MEGANCK, M.R., Collaborateur financier. Administration des douanes et accises (Services extérieurs) Mme AERTS, M.C., Mme BOGAERT, J.E.E., Mme DE GENDT, M.R., Mme DE LEPELEIRE, R.C.R., Mme DE RIJCK, D.M.R., M. EYKENS, G.J., Mme KERKHOVE, A.M., Mme LABYN, H.M.H., Mme LAEMONT, M.-T.R.M., Mme SOUFFRIAU, H.C., Mme VANTILT, M.E.J., M. VERBEURGT, H.L.H., Collaborateurs financiers. Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l’enregistrement et des domaines, secteur de la taxe sur la valeur ajoutée (Services extérieurs) Mme DE BODT, J.M., Mme MOUTON, M.S., Mme THEUNIS, G.M., Collaborateurs financiers; Mme ARIJS, A.L., Mme MEGANCK, F.A., Mme VANDERKIMPEN, M.-C., Mme VAN DOOREN, A.A., Mme WINCKELMANS, H.F.H., Collaborateurs administratifs. Administration du cadastre (Services extérieurs) M. JACOBS, E.L.A., M. SPYSSCHAERT, R.F.R., Mme STEENBERGHS, H.L.A., Collaborateurs financiers. Les personnes désignées prennent rang dans l’Ordre à dater du 15 novembre 2005. SERVICE PUBLIC FEDERAL MOBILITE ET TRANSPORTS [2010/14186] Mobilité et Sécurité routière Agrément des centres de formation Par application de l’arrêté royal du 4 mai 2007, relatif au permis de conduire, à l’aptitude professionnelle et à la formation continue des conducteurs de véhicules des catégories C, C+E, D, D+E et sous catégories C1, C1+E, D1, D1+E, le Secrétaire d’Etat à la Mobilité a délivré l’agrément du centre de formation organisant la formation continue suivant : L’agrément est accordé pour : Le transport de marchandises. 53369BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER [2010/14187] Mobiliteit en Verkeersveiligheid Erkenning van de opleidingscentra Bij toepassing van het koninklijk besluit van 4 mei 2007, betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcatego rieën C1, C1+E, D1, D1+E, heeft de Staatssecretaris voor Mobiliteit volgend opleidingscentrum dat de nascholing organiseert erkend : Erkenningsnummer van het opleidingscentrum — Numéro d’agrément du centre de formation Erkenningsdatum — Date de reconnaissance Einddatum van de erkenning — Date de fin de reconnaissance Naam en adres van het opleidingscentrum — Nom et adresse du centre de formation OCF-050 29/07/2010 28/07/2015 Internationaal Transport Gheeraert, Autobaan 10, 8210 Loppem De erkenning wordt verleend voor : Goederenvervoer. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/203853] 30 JULI 2010. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 maart 2008 tot benoeming van de leden van het algemeen beheersorgaan en van de bijzondere beheerscomités van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 12 april 1960 tot oprichting van een Intern compensatiefonds voor de diamantsector, inzonderheid op de artikelen 4 en 8; Gelet op het koninklijk besluit van 21 november 1960 houdende de statuten van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector, vervangen door het koninklijk besluit van 16 maart 2007, inzonderheid op de artikelen 1, 5o, 6o en 7o, en 18; Gelet op het koninklijk besluit van 10 maart 2008 tot benoeming van de leden van het algemeen beheersorgaan en van de bijzondere beheerscomités van het Intern compensatiefonds voor de diamant sector, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 november 2009; Gelet op de voordrachten van 10 mei 2010 en 5 februari 2010, gedaan respectievelijk door de beroepsorganisaties die enerzijds, de werk gevers en de in- en uitvoerders van diamant en, anderzijds, de werk nemers vertegenwoordigen; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1. In artikel 1, § 2, tweede lid, tweede streepje, van het koninklijk besluit van 10 maart 2008 tot benoeming van de leden van het algemeen beheersorgaan en van de bijzondere beheerscomités van het Intern compensatiefonds voor de diamantsector, worden de woorden « Mevr. DIELENS, Suzanna, te Nijlen » vervangen door de woorden « de heer SIEMONS, Tony, te Berchem ». Art. 2. In artikel 2, § 2, tweede lid, tweede streepje, van hetzelfde besluit worden de woorden « Mevr. DIELENS, Suzanna, te Nijlen » vervangen door de woorden « de heer SIEMONS, Tony, te Berchem ». SERVICE PUBLIC FEDERAL MOBILITE ET TRANSPORTS [2010/14187] Mobilité et Sécurité routière Agrément des centres de formation Par application de l’arrêté royal du 4 mai 2007, relatif au permis de conduire, à l’aptitude professionnelle et à la formation continue des conducteurs de véhicules des catégories C, C+E, D, D+E et sous catégories C1, C1+E, D1, D1+E, le Secrétaire d’Etat à la Mobilité a délivré l’agrément du centre de formation organisant la formation continue suivant : L’agrément est accordé pour : Le transport de marchandises. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/203853] 30 JUILLET 2010. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 10 mars 2008 nommant les membres de l’organe de gestion général et des comités de gestion spéciaux du Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant (1) ALBERT II, Roi des Belges, A tous, présents et à venir, Salut. Vu la loi du 12 avril 1960 portant création d’un Fonds de compensa tion interne pour le secteur du diamant, notamment les articles 4 et 8; Vu l’arrêté royal du 21 novembre 1960 portant les statuts du Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant, modifié par l’arrêté royal du 16 mars 2007, notamment les articles 1er, 5o, 6o en 7o, et 18; Vu l’arrêté royal du 10 mars 2008 nommant les membres de l’organe de gestion général et des comités de gestion spéciaux du Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant, modifié par l’arrêté royal du 10 novembre 2009; Vu les présentations du 10 mai 2010 et du 5 février 2010, faites respectivement par les organisations professionnelles qui représentent d’une part, les employeurs ainsi que les importateurs et exportateurs de diamant et, d’autre part, les travailleurs; Sur la proposition du Ministre de l’Emploi, Nous avons arrêté et arrêtons : Article 1er. Dans l’article 1er, § 2, deuxième alinéa, deuxième tiret, de l’arrêté royal du 10 mars 2008 nommant les membres de l’organe de gestion général et des comités de gestion spéciaux du Fonds de compensation interne pour le secteur du diamant, les mots « Mme DIE LENS, Suzanna, à Nijlen » sont remplacés par les mots « M. SIEMONS, Tony, à Berchem ». Art. 2. Dans l’article 2, § 2, deuxième alinéa, deuxième tiret, du même arrêté, les mots « Mme DIELENS, Suzanna, à Nijlen » sont remplacés par les mots « M. SIEMONS, Tony, à Berchem ». 53370 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) in § 1, eerste lid, derde streepje, worden de woorden « de heer BRONNER, Jacob, te Antwerpen » vervangen door de woorden « de heer PLUCZENIK, Chaim, te Antwerpen ». 2) in § 1, tweede lid, vierde streepje, worden de woorden « de heer PLUCZENIK, Chaim, te Antwerpen » vervangen door de woorden « de heer RINGER, Eli, te Antwerpen ». Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2010. Art. 5. De Minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 30 juli 2010. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid, Mevr. J. MILQUET Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 12 april 1960, Belgisch Staatsblad van 7 mei 1960. Koninklijk besluit van 10 maart 2008, Belgisch Staatsblad van 7 april 2008. Koninklijk besluit van 10 november 2009, Belgisch Staatsblad van 26 november 2009. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG [2010/204356] Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen Besluiten betreffende de leden van de paritaire comités Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst en dagbladbedrijf Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juni 2010 : wordt de heer Willy VANBILLOEN, te Rotselaar, als vertegenwoor diger van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, ter vervanging van de heer Raphaël JACOBS, te Turnhout, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; worden de heer Laurent VANDECASTEELE, te Sint-Genesius-Rode, en Mevr. Anne JOOS, te Buggenhout, als vertegenwoordigers van de werkgeversorganisatie, tot plaatsvervangende leden benoemd van dit comité, respectievelijk ter vervanging van de heren Bernard DEBAES, te Damme, en Herman DE CUYPER, te Dendermonde, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hen had voorgedragen; zij zullen het mandaat van hun voorgangers voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der kalksteengroeven, cementfabrieken en kalkovens van het administratief arrondissement Doornik Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2010, wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaats vervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der kalksteengroeven, cementfabrieken en kalkovens van het administratief arrondissement Doornik, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaudfontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Art. 3. Dans l’article 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées : 1) dans le § 1er, première alinéa, troisième tiret, les mots « M. BRON NER, Jacob, à Anvers » sont remplacés par les mots « M. PLUCZENIK, Chaim, à Anvers ». 2) dans le § 1er, deuxième alinéa, quatrième tiret, les mots « M. PLUC ZENIK, Chaim, à Anvers » sont remplacés par les mots « M. RINGER, Eli, à Anvers ». Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2010. Art. 5. La Ministre qui a l’Emploi dans ses attributions est chargée de l’exécution du présent arrêté. Donné à Bruxelles, le 30 juillet 2010. ALBERT Par le Roi : La Vice-Première Ministre et Ministre de l’Emploi et de l’Egalité des chances, chargée de la Politique de migration et d’asile, Mme J. MILQUET Note (1) Références au Moniteur belge : Loi du 12 avril 1960, Moniteur belge du 7 mai 1960. Arrêté royal du 10 mars 2008, Moniteur belge du 7 avril 2008. Arrêté royal du 10 novembre 2009, Moniteur belge du 26 novem bre 2009. SERVICE PUBLIC FEDERAL EMPLOI, TRAVAIL ET CONCERTATION SOCIALE [2010/204356] Direction générale Relations collectives de travail Arrêtés concernant les membres des commissions paritaires Commission paritaire de l’imprimerie, des arts graphiques et des journaux Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui produit ses effets le 1er juin 2010 : M. Willy VANBILLOEN, à Rotselaar, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation d’employeurs, membre effectif de la Commission paritaire de l’imprimerie, des arts graphiques et des journaux, en remplacement de M. Raphaël JACOBS, à Turnhout, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Laurent VANDECASTEELE, à Rhode-Saint-Genèse, et Mme Anne JOOS, à Buggenhout, sont nommés, en qualité de représentants d’une organisation d’employeurs, membres suppléants de cette commission, en remplacement respectivement de MM. Bernard DEBAES, à Damme, et Herman DE CUYPER, à Termonde, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui les avait présentés; ils achèveront le mandat de leurs prédécesseurs. Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières, cimenteries et fours à chaux de l’arrondissement administratif de Tournai Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui produit ses effets le 1er juillet 2010, M. Pol GILLES, à Aywaille, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières, cimenteries et fours à chaux de l’arrondissement administratif de Tournai, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaudfontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. 53371BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Paritair Comité voor de audiovisuele sector Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat uitwerking heeft met ingang van 2 juli 2010, wordt de heer Yvo HENDRIX, te Leuven, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van het Paritair Comité voor de audiovisuele sector, ter vervanging van de heer Jean-Paul VAN DER VURST, te Aalst, overleden plaatsvervangend lid, van wie het mandaat hij zal voleindigen. Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschappen Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat uitwerking heeft met ingang van 15 juli 2010 : wordt de heer Patrick VANDEN BOSSCHE, te Jette, als vertegen woordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de makelarij en verzekeringsagentschap pen, ter vervanging van Mevr. Fatima DAIDOU, te Opzullik, die tot plaatsvervangend lid wordt benoemd; hij zal het mandaat van zijn voorgangster voleindigen; wordt Mevr. Fatima DAIDOU, te Opzullik, gewoon lid van dit comité, als vertegenwoordigster van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Pierre FAFCHAMPS, te La Louvière, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; zij zal het mandaat van haar voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der hardsteengroeven en der groeven van uit te houwen kalksteen in de provincie Henegouwen Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaats vervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der hardsteengroeven en der groeven van uit te houwen kalksteen in de provincie Henegouwen, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaudfontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der hardsteengroeven en der groeven van uit te houwen kalksteen in de provincies Luik en Namen Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Philippe CONTENT, te Amay, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der hardsteengroeven en der groeven van uit te houwen kalksteen in de provincies Luik en Namen, ter vervanging van de heer Pol GILLES, te Aywaille, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Philippe TRINON, te Tinlot, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit subcomité, ter vervanging van de heer Jean-Luc MOUTHUY, te La Bruyère, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor de porfiergroeven in de provincie Henegouwen en de kwartsietgroeven in de provincie Waals-Brabant Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaats vervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor de porfier groeven in de provincie Henegouwen en de kwartsietgroeven in de provincie Waals-Brabant, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaudfontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Commission paritaire pour le secteur audio-visuel Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui produit ses effets le 2 juillet 2010, M. Yvo HENDRIX, à Louvain, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Commission paritaire pour le secteur audio-visuel, en remplacement de M. Jean-Paul VAN DER VURST, à Alost, membre suppléant décédé, dont il achèvera le mandat. Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui produit ses effets le 15 juillet 2010 : M. Patrick VANDEN BOSSCHE, à Jette, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Commission paritaire pour les entreprises de courtage et agences d’assurances, en remplacement de Mme Fatima DAIDOU, à Silly, qui est nommée membre suppléant; il achèvera le mandat de son prédécesseur; Mme Fatima DAIDOU, à Silly, membre effectif de cette commission, est nommée, en qualité de représentante d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de M. Pierre FAFCHAMPS, à La Louvière, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; elle achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de petit granit et de calcaire à tailler de la province de Hainaut Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Pol GILLES, à Aywaille, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de petit granit et de calcaire à tailler de la province de Hainaut, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaudfontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de petit granit et de calcaire à tailler des provinces de Liège et de Namur Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Philippe CONTENT, à Amay, est nommé, en qualité de représen tant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Sous commission paritaire de l’industrie des carrières de petit granit et de calcaire à tailler des provinces de Liège et de Namur, en remplacement de M. Pol GILLES, à Aywaille, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Philippe TRINON, à Tinlot, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette sous-commission, en remplacement de M. Jean-Luc MOUTHUY, à La Bruyère, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire des carrières de porphyre de la province de Hainaut et des carrières de quartzite de la province du Brabant wallon Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Pol GILLES, à Aywaille, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire des carrières de porphyre de la province de Hainaut et des carrières de quartzite de la province du Brabant wallon, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaud fontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. 53372 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Paritair Subcomité voor het bedrijf van de zandsteen- en kwatsietgroeven op het gehele grondgebied van het Rijk, uitgezonderd de kwatsietgroeven van de provincie Waals-Brabant Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Jean-Luc MOUTHUY, te La Bruyère, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de zandsteen- en kwartsietgroeven op het gehele grond gebied van het Rijk, uitgezonderd de kwartsietgroeven van de provin cie Waals-Brabant, ter vervanging van de heer Pol GILLES, te Aywaille, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der porseleinaarde- en zandgroeven welke in openlucht geëxploiteerd worden in de provincies Waals-Brabant, Hene gouwen, Luik, Luxemburg en Namen Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaats vervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der porseleinaarde- en zandgroeven welke in openlucht geëxploiteerd worden in de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxem burg en Namen, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaudfontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der marmergroeven en -zagerijen op het gehele grondgebied van het Rijk, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaudfontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Philippe TRINON, te Tinlot, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit subcomité, ter vervanging van de heer Louis NIHOUL, te Hamois, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor het bedrijf der leisteengroeven, coticulegroeven en groeven van slijpsteen voor scheermessen in de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Pol GILLES, te Aywaille, plaatsvervangend lid van het Paritair Subcomité voor het bedrijf der leisteengroeven, coticulegroeven en groeven van slijpsteen voor scheermessen in de provincies Waals Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen, als vertegenwoor diger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit subcomité, ter vervanging van de heer Pierre CUPPENS, te Chaud fontaine, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de grès et de quartzite de tout le territoire du Royaume, à l’exception des carrières de quartzite de la province du Brabant wallon Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Jean-Luc MOUTHUY, à La Bruyère, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de grès et de quartzite de tout le territoire du Royaume, à l’exception des carrières de quartzite de la province du Brabant wallon, en remplacement de M. Pol GILLES, à Aywaille, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de kaolin et de sable exploitées à ciel ouvert dans les provinces du Brabant wallon, de Hainaut, de Liège, de Luxembourg et de Namur Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Pol GILLES, à Aywaille, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières de kaolin et de sable exploitées à ciel ouvert dans les provinces du Brabant wallon, de Hainaut, de Liège, de Luxembourg et de Namur, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaudfontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des carrières et scieries de marbres de tout le territoire du Royaume Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Pol GILLES, à Aywaille, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Sous commission paritaire de l’industrie des carrières et scieries de marbres de tout le territoire du Royaume, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaudfontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Philippe TRINON, à Tinlot, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette sous commission, en remplacement de M. Louis NIHOUL, à Hamois, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des ardoisières, des carrières de coticules et pierres à rasoir des provinces du Brabant wallon, de Hainaut, de Liège, de Luxembourg et de Namur Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Pol GILLES, à Aywaille, membre suppléant de la Sous commission paritaire de l’industrie des ardoisières, des carrières de coticules et pierres à rasoir des provinces du Brabant wallon, de Hainaut, de Liège, de Luxembourg et de Namur, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de cette sous-commission, en remplacement de M. Pierre CUPPENS, à Chaudfontaine, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; 53373BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE wordt de heer Thibaud PONCE, te Velosnes (Frankrijk), als vertegen woordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit subcomité, ter vervanging van de heer Michel LOUVIAUX, te Clavier, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Jean-Luc MOUTHUY, te La Bruyère, als vertegenwoor diger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit subcomité, ter vervanging van de heer Pol GILLES, te Aywaille, die tot gewoon lid wordt benoemd; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor de steenbakkerij van de provincie Limburg en van Vlaams-Brabant Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Jan STAAL, te Genk, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Subcomité voor de steenbakkerij van de provincie Limburg en van Vlaams-Brabant, ter vervanging van de heer Bart STALMANS, te Kortenberg, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Comité voor het bouwbedrijf Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Christian GUILLAUME, te Ouffet, als vertegenwoordiger van een werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, ter vervanging van de heer Alain SOUPLY-PIERARD, te Charleroi, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Chris DE ROOCK, te Affligem, plaatsvervangend lid van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, als vertegenwoordiger van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Jan DE MEYER, te Hooglede, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt Mevr. Katja DE VOS, te Ternat, als vertegenwoordigster van de werkgeversorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Chris DE ROOCK, te Affligem, die tot gewoon lid wordt benoemd; zij zal het mandaat van haar voorganger voleindigen; wordt Mevr. Catherine GONZE, te Dilbeek, als vertegenwoordigster van de werkgeversorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van Mevr. Jacqueline VAN DER HORST, te Overijse, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die haar had voorgedragen; zij zal het mandaat van haar voorgangster voleindigen. Paritair Comité voor de voortbrenging van papierpap, papier en karton Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Frank BAILLIEUX, te Aubange, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de voortbrenging van papierpap, papier en karton, ter vervanging van de heer Robert VERTENUEIL, te Nijvel, die tot plaatsvervangend lid wordt benoemd; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; M. Thibaud PONCE, à Velosnes (France), est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de cette sous-commission, en remplacement de M. Michel LOUVIAUX, à Clavier, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Jean-Luc MOUTHUY, à La Bruyère, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette sous-commission, en remplacement de M. Pol GILLES, à Aywaille, qui est nommé membre effectif; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire de l’industrie des briques de la province du Limbourg et du Brabant flamand Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Jan STAAL, à Genk, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Sous-commission paritaire de l’industrie des briques de la province du Limbourg et du Brabant flamand, en remplacement de M. Bart STALMANS, à Kortenberg, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire de la construction Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Christian GUILLAUME, à Ouffet, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation d’employeurs, membre effectif de la Commission paritaire de la construction, en remplacement de M. Alain SOUPLY-PIERARD, à Charleroi, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire de l’ameublement et de l’industrie transformatrice du bois Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Chris DE ROOCK, à Affligem, membre suppléant de la Commis sion paritaire de l’ameublement et de l’industrie transformatrice du bois, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation d’employeurs, membre effectif de cette commission, en remplacement de M. Jan DE MEYER, à Hooglede, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; Mme Katja DE VOS, à Ternat, est nommée, en qualité de représen tante d’une organisation d’employeurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de M. Chris DE ROOCK, à Affligem, qui est nommé membre effectif; elle achèvera le mandat de son prédécesseur; Mme Catherine GONZE, à Dilbeek, est nommée, en qualité de représentante d’une organisation d’employeurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de Mme Jacqueline VAN DER HORST, à Overijse, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présentée; elle achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire pour la production des pâtes, papiers et cartons Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Frank BAILLIEUX, à Aubange, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Commission paritaire pour la production des pâtes, papiers et cartons, en remplacement de M. Robert VERTENUEIL, à Nivelles, qui est nommé membre suppléant; il achèvera le mandat de son prédécesseur; 53374 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE wordt Mevr. Klavdija CIBEJ, te ’s Gravenbrakel, als vertegen woordigster van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Bruno BACHELY, te Doornik, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; zij zal het mandaat van haar voorganger voleindigen; wordt de heer Robert VERTENUEIL, te Nijvel, gewoon lid van dit comité, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Rik DESMET, te Torhout, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt Mevr. Gabrielle JAENEN, te Geel, als vertegenwoordigster van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Jan STAAL, te Genk, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; zij zal het mandaat van haar voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor de filmproductie Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Servaas LE COMPTE, te Antwerpen, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van het Paritair Subcomité voor de filmproductie, ter vervanging van de heer Jean-Paul VAN DER VURST, te Aalst, overleden plaatsvervangend lid, van wie het mandaat hij zal voleindigen. Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010 : wordt de heer Patrick VANDEN BOSSCHE, te Jette, plaats vervangend lid van het Paritair Comité voor de maatschappijen voor hypothecaire leningen, sparen en kapitalisatie, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Pierre FAFCHAMPS, te La Louvière, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Claudio RODARI, te Frameries, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Maurice PARMENTIER, te Oudergem, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Lahoucine TAZRIBINE, te Schaarbeek, als vertegen woordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Patrick VANDEN BOSSCHE, te Jette, die tot gewoon lid wordt benoemd; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen; wordt de heer Michaël LEBRUN, te Andenne, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot plaatsvervangend lid benoemd van dit comité, ter vervanging van de heer Georges SELS, te Oupeye, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Comité voor de apotheken en tarificatiediensten Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Denis GOBERT, te Theux, als vertegenwoordiger van een werknemersorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de apotheken en tarificatie diensten, ter vervanging van de heer Fabrizio EPIS, te Tubeke, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Mme Klavdija CIBEJ, à Braine-le-Comte, est nommée, en qualité de représentante d’une organisation de travailleurs, membre effectif de cette commission, en remplacement de M. Bruno BACHELY, à Tournai, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; elle achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Robert VERTENUEIL, à Nivelles, membre effectif de cette commission, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette commission, en remplace ment de M. Rik DESMET, à Torhout, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; Mme Gabrielle JAENEN, à Geel, est nommée, en qualité de représentante d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de M. Jan STAAL, à Genk, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; elle achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire pour la production de films Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Servaas LE COMPTE, à Anvers, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de la Sous-commission paritaire pour la production de films, en remplacement de M. Jean-Paul VAN DER VURST, à Alost, membre suppléant décédé, dont il achèvera le mandat. Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010 : M. Patrick VANDEN BOSSCHE, à Jette, membre suppléant de la Commission paritaire pour les sociétés de prêts hypothécaires, d’épargne et de capitalisation, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de cette commis sion, en remplacement de M. Pierre FAFCHAMPS, à La Louvière, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Claudio RODARI, à Frameries, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de cette commission, en remplacement de M. Maurice PARMENTIER, à Auderghem, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Lahoucine TAZRIBINE, à Schaerbeek, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de M. Patrick VANDEN BOSSCHE, à Jette, qui est nommé membre effectif; il achèvera le mandat de son prédécesseur; M. Michaël LEBRUN, à Andenne, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre suppléant de cette commission, en remplacement de M. Georges SELS, à Oupeye, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire pour les pharmacies et offices de tarification Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Denis GOBERT, à Theux, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation de travailleurs, membre effectif de la Commission paritaire pour les pharmacies et offices de tarification, en remplacement de M. Fabrizio EPIS, à Tubize, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. 53375BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Paritair Comité voor de bewakings en/of toezichtsdiensten Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Jean-Paul VAN AVERMAET, te Schaarbeek, als vertegenwoordiger van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de bewakings en/of toezichtsdiensten, ter vervanging van de heer Pieter VAN DEN NIEUWENHUIZEN, te Boechout, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Comité voor de socio-culturele sector Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Pascal DUPONT, te Vorst, als vertegenwoordiger van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector, ter vervanging van de heer Paul GUISEN, te Gembloers, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Franstalige en Duitstalige Gemeenschap en het Waalse Gewest Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt de heer Pascal DUPONT, te Vorst, als vertegenwoordiger van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Subcomité voor de socio-culturele sector van de Franstalige en Duitstalige Gemeenschap en het Waalse Gewest, ter vervanging van de heer Paul GUISEN, te Gembloers, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; hij zal het mandaat van zijn voorganger voleindigen. Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten Bij besluit van de Directeur-generaal van 20 juli 2010, dat in werking treedt op 27 juli 2010, wordt Mevr. Ruth VERLINDEN, te Kortenberg, als vertegenwoordigster van de werkgeversorganisatie, tot gewoon lid benoemd van het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, ter vervanging van de heer Luc VAN ROYE, te Sint-Agatha-Berchem, van wie het mandaat een einde nam op verzoek van de organisatie die hem had voorgedragen; zij zal het mandaat van haar voorganger voleindigen. * FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE [C − 2010/09708] Rechterlijke Orde. — Gerechtsdeurwaarders Bij koninklijk besluit van 30 juli 2010, is aan de heer Luyten, M., op zijn verzoek, ontslag verleend uit zijn ambt van gerechtsdeur waarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Het is hem vergund de titel van zijn ambt eershalve te voeren. Het beroep tot nietigverklaring van de voormelde akte met indivi duele strekking kan voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht binnen zestig dagen na deze bekendmaking. Het verzoekschrift dient bij ter post aangetekende brief aan de Raad van State (adres : Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel), te worden toegezonden. Commission paritaire pour les services de gardiennage et/ou de surveillance Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Jean-Paul VAN AVERMAET, à Schaerbeek, est nommé, en qualité de représentant de l’organisation d’employeurs, membre effectif de la Commission paritaire pour les services de gardiennage et/ou de surveillance, en remplacement de M. Pieter VAN DEN NIEUWENHUIZEN, à Boechout, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire pour le secteur socio-culturel Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Pascal DUPONT, à Forest, est nommé, en qualité de représentant d’une organisation d’employeurs, membre effectif de la Commission paritaire pour le secteur socio-culturel, en remplacement de M. Paul GUISEN, à Gembloux, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Sous-commission paritaire pour le secteur socio-culturel de la Communauté française et germanophone et de la Région wallonne Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, M. Pascal DUPONT, à Forest, est nommé, en qualité de représentant de l’organisation d’employeurs, membre effectif de la Sous-commission paritaire pour le secteur socio-culturel de la Communauté française et germanophone et de la Région wallonne, en remplacement de M. Paul GUISEN, à Gembloux, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; il achèvera le mandat de son prédécesseur. Commission paritaire des établissements et des services de santé Par arrêté du Directeur général du 20 juillet 2010, qui entre en vigueur le 27 juillet 2010, Mme Ruth VERLINDEN, à Kortenberg, est nommée, en qualité de représentante d’une organisation d’employeurs, membre effectif de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, en remplacement de M. Luc VAN ROYE, à Berchem-Sainte-Agathe, dont le mandat a pris fin à la demande de l’organisation qui l’avait présenté; elle achèvera le mandat de son prédécesseur. SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE [C − 2010/09708] Ordre judiciaire. — Huissier de justice Par arrêté royal du 30 juillet 2010, est acceptée, à sa demande, la démission de M. Luyten, M., de ses fonctions d’huissier de justice dans l’arrondissement judiciaire d’Anvers. Il est autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions. Le recours en annulation des actes précités à portée individuelle peut être soumis à la section du contentieux administratif du Conseil d’Etat endéans les soixante jours après cette publication. La requête doit être envoyée au Conseil d’Etat (adresse : rue de la Science 33, 1040 Bruxelles), sous pli recommandé à la poste. 53376 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE [C − 2010/11311] 5 AUGUSTUS 2010. — Ministerieel besluit tot aanstelling van de ambtenaren die belast zijn met de opsporing en de vaststelling van de inbreuken op de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, Gelet op de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, artikel 76, § 2, vervangen bij de wet van 10 decem ber 2009, Besluit : Artikel 1. De volgende ambtenaren van de Controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en naburige rechten bij de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, van wie de namen volgen, zijn bevoegd tot het opsporen en het vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel 78bis van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten : — Mevr. Bonte, Pascale, attaché; — De heer Koslowski, Benoît, attaché; — Mevr. Moyen, Alexandra, attaché; — Mevr. Ramelot, Nelly, attaché; — De heer Van Eycken, Patrice, attaché. Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Brussel, 5 augustus 2010. V. VAN QUICKENBORNE GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEINSCHAFTS- UND REGIONALREGIERUNGEN VLAAMSE GEMEENSCHAP — COMMUNAUTE FLAMANDE VLAAMSE OVERHEID [2010/204278] Onderwijs en Vorming Hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 1996 betreffende de afwijking inzake tewerkstelling van sommige personeelsleden van het Centraal Fonds Bij arrest van de Raad van State nr. 194.653 van 25 juni 2009 wordt het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 1996 betreffende de afwijking inzake tewerkstelling van sommige personeelsleden van het Centraal Fonds - besluit waarbij de afwijkende tewerkstelling van Kathleen Damman bij de Vlaamse Hogescholenraad met ingang van 1 juni 2005 wordt beëindigd, vernietigd. * VLAAMSE OVERHEID [2010/204305] Leefmilieu, Natuur en Energie 23 JULI 2010. — Beslissing van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt van 23 juli 2010 met betrekking tot het verlenen van toestemming aan de netbeheerder PBE om een beroep te doen op de werkmaatschappij Infrax CVBA De Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt, Gelet op artikel 3, § 2, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, hierna genoemd ″het Elektriciteitsdecreet″; Gelet op artikel 26quater van het besluit van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit, hierna genoemd ″het besluit netbeheerders elektriciteit″; SERVICE PUBLIC FEDERAL ECONOMIE, P.M.E., CLASSES MOYENNES ET ENERGIE [C − 2010/11311] 5 AOUT 2010. — Arrêté ministériel désignant les agents chargés de rechercher et de constater les infractions à la loi du 30 juin 1994 relative au droit d’auteur et aux droits voisins Le Ministre pour l’Entreprise et la Simplification, Vu la loi du 30 juin 1994 relative au droit d’auteur et aux droits voisins, l’article 76, § 2, remplacé par la loi du 10 décembre 2009, Arrête : Article 1er. Les agents du Service de contrôle des sociétés de gestion de droits d’auteur et de droits voisins auprès de la Direction générale du Contrôle et de la Médiation du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, dont les noms suivent, sont chargés de rechercher et constater les infractions visées à l’article 78bis de la loi du 30 juin 1994 relative au droit d’auteur et aux droits voisins : — Mme Bonte, Pascale, attaché; — M. Koslowski, Benoît, attaché; — Mme Moyen, Alexandra, attaché; — Mme Ramelot, Nelly, attaché; — M. Van Eycken, Patrice, attaché. Art. 2. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur Belge. Bruxelles, le 5 août 2010. V. VAN QUICKENBORNE 53377BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Gezien het schrijven van de netbeheerder PBE van 29 juni 2010, waarin de toestemming gevraagd wordt om een beroep te doen op de werkmaatschappij Infrax CVBA, met maatschappelijke zetel te Koningsstraat 55, bus 15, te 1000 Brussel, hierna genoemd ″de werkmaatschappij″; Gezien het volledige aanvraagdossier ontvangen door de VREG op 29 juni 2010; Overwegende dat blijkt dat de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden opgelegd in de artikelen 11 tot en met 21 van het besluit netbeheerders elektriciteit, Besluit : Artikel 1. De VREG verleent haar toestemming aan de netbeheerder PBE om een beroep te doen op de werkmaatschappij Infrax CVBA met maatschappelijke zetel te Koningsstraat 55, bus 15, te 1000 Brussel. Art. 2. Deze beslissing wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Brussel, 23 juli 2010. Voor de VREG : Get. André Pictoel, gedelegeerd bestuurder. * VLAAMSE OVERHEID Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed [2010/204272] Provincie Vlaams-Brabant : provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen TERNAT. — Bij besluit van 20 juli 2010 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport is goedgekeurd het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ″NV De Meuter″ te Ternat van de provincie Vlaams-Brabant, zoals definitief aanvaard door de provincieraad op 1 juni 2010. GOOIK. — Bij besluit van 20 juli 2010 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport is goedgekeurd het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ″Hof ter Molleken″ te Gooik van de provincie Vlaams-Brabant, zoals definitief aanvaard door de provincieraad op 1 juni 2010. GOOIK. — Bij besluit van 20 juli 2010 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport is goedgekeurd het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ″Tuincentrum De Wolf″ te Gooik van de provincie Vlaams-Brabant, zoals definitief aanvaard door de provincieraad op 1 juni 2010. REGION WALLONNE — WALLONISCHE REGION — WAALS GEWEST SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204299] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de la SA A. Stevens & C°, en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par la SA A. Stevens & C°, le 4 juin 2010; Considérant que la requérante a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. La SA A. Stevens & C°, sise quai des Armateurs 3, à 1000 Bruxelles, est enregistrée en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-07. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte des déchets suivants : déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte des déchets suivants : déchets dangereux; 53378 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE huiles usagées; PCB/PCT; déchets animaux; déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; déchets inertes; déchets ménagers et assimilés. Art. 2. La collecte des déchets repris à l’article 1er, § 2, est autorisée sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrante du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. Le présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. Art. 7. § 1er. L’impétrante remet à la personne dont elle a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrante pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrante transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrante conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de collecte, l’impétrante transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés à la collecte des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de collecte. Art. 10. Si l’impétrante souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrante la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrante soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrante n’ait été entendue. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN 53379BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204300] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de la SCRL Revert Bois, en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par la SCRL Revert Bois, le 7 juin 2010; Considérant que la requérante a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. La SCRL Revert Bois, sise chemin de Xhénorie 60, à 4820 Dison, est enregistrée en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-08. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte des déchets suivants : — déchets inertes; — déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte des déchets suivants : — déchets dangereux; — huiles usagées; — PCB/PCT; — déchets animaux; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; — déchets ménagers et assimilés. Art. 2. La collecte des déchets repris à l’article 1er, § 2, est autorisée sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrante du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. Le présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. 53380 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 7. § 1er. L’impétrante remet à la personne dont elle a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrante pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrante transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrante conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de collecte, l’impétrante transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés à la collecte des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de collecte. Art. 10. Si l’impétrante souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrante la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrante soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrante n’ait été entendue. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN * SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204301] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Agricon », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par la « NV Agricon », le 2 juin 2010; Considérant que la requérante a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. La « NV Agricon », sise Graanstraat 11, à 2490 Balen, est enregistrée en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-09. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte des déchets suivants : — déchets inertes; — déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte des déchets suivants : — déchets dangereux; 53381BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE — huiles usagées; — PCB/PCT; — déchets animaux; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; — déchets ménagers et assimilés. Art. 2. La collecte des déchets repris à l’article 1er, § 2, est autorisée sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrante du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. Le présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. Art. 7. § 1er. L’impétrante remet à la personne dont elle a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrante pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrante transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrante conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de collecte, l’impétrante transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés à la collecte des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de collecte. Art. 10. Si l’impétrante souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrante la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrante soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrante n’ait été entendue. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN 53382 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204302] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Stenofer », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par la « NV Stenofer », le 4 juin 2010; Considérant que la requérante a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. La « NV Stenofer », sise Emiel Vanderveldestraat 128, à 2830 Willebroek, est enregistrée en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-10. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte des déchets suivants : déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte des déchets suivants : — déchets dangereux; — huiles usagées; — PCB/PCT; — déchets animaux; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; — déchets inertes; — déchets ménagers et assimilés. Art. 2. La collecte des déchets repris à l’article 1er, § 2, est autorisée sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrante du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. e présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. Art. 7. § 1er. L’impétrante remet à la personne dont elle a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. 53383BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrante pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrante transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrante conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de collecte, l’impétrante transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés à la collecte des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de collecte. Art. 10. Si l’impétrante souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrante la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrante soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrante n’ait été entendue. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN * SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204303] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de la « NV Stelimet », en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par la « NV Stelimet », le 14 juin 2010; Considérant que la requérante a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. La « NV Stelimet », sise Swinnenwijerweg, 26 à 3600 Genk, est enregistrée en qualité de collecteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-11. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte des déchets suivants : — déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte des déchets suivants : — déchets dangereux; — huiles usagées; — PCB/PCT; — déchets animaux; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; — déchets inertes; — déchets ménagers et assimilés. 53384 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 2. La collecte des déchets repris à l’article 1er, § 2, est autorisée sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrante du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. Le présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. Art. 7. § 1er. L’impétrante remet à la personne dont elle a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrante pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrante transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrante conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de collecte, l’impétrante transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés à la collecte des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de collecte. Art. 10. Si l’impétrante souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrante la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrante soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrante n’ait été entendue. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN 53385BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE SERVICE PUBLIC DE WALLONIE [2010/204304] Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Office wallon des déchets. — Acte procédant à l’enregistrement de M. Ortega Y Dibiase, Steve, en qualité de collecteur et de transporteur de déchets autres que dangereux L’Inspecteur général, Vu le décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, tel que modifié; Vu le décret fiscal du 22 mars 2007 favorisant la prévention et la valorisation des déchets en Région wallonne et portant modification du décret du 6 mai 1999 relatif à l’établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales directes; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets, modifié par l’arrêté du Gouvernement wallon du 24 janvier 2002, partiellement annulé par l’arrêt no 94.211 du Conseil d’Etat du 22 mars 2001; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 relatif à l’enregistrement des collecteurs et transporteurs de déchets autres que dangereux; Vu l’arrêté du Gouvernement wallon du 19 juillet 2007 concernant les transferts de déchets; Vu la demande introduite par M. Ortega Y Dibiase, Steve, le 23 mai 2010; Considérant que le requérant a fourni toutes les indications requises par l’article 4, § 2, de l’arrêté du Gouvernement wallon du 13 novembre 2003 susvisé, Acte : Article 1er. § 1er. M. Ortega Y Dibiase, Steve, rue Jules Destrée 150, à 6150 Anderlues, est enregistré en qualité de collecteur et de transporteur de déchets autres que dangereux. L’enregistrement est identifié par le numéro 2010-07-12-12. § 2. Le présent enregistrement porte sur la collecte et le transport des déchets suivants : — déchets industriels ou agricoles non dangereux. § 3. Le présent enregistrement exclut la collecte et le transport des déchets suivants : — déchets dangereux; — huiles usagées; — PCB/PCT; — déchets animaux; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B2; — déchets d’activités hospitalières et de soins de santé de classe B1; — déchets ménagers et assimilés; — déchets inertes. Art. 2. La collecte et le transport des déchets repris à l’article 1er, § 2, sont autorisés sur l’ensemble du territoire de la Région wallonne. Art. 3. Le transport de déchets est interdit entre 23 heures et 5 heures. Art. 4. Les dispositions du présent enregistrement ne dispensent pas l’impétrant du respect des prescriptions requises ou imposées par d’autres textes législatifs applicables. Art. 5. § 1er. Le présent enregistrement ne préjudicie en rien au respect de la réglementation relative au transport de marchandises par route, par voie d’eau ou par chemin de fer. § 2. Une lettre de voiture entièrement complétée et signée, ou une note d’envoi, doit accompagner le transport des déchets. Ces documents doivent au moins mentionner les données suivantes : a) la description du déchet; b) la quantité exprimée en kilogrammes ou en litres; c) la date du transport; d) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui a remis des déchets; e) la destination des déchets; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du collecteur; g) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur. § 3. La procédure visée au § 2 reste d’application jusqu’à l’entrée en vigueur du bordereau de suivi des déchets visé à l’article 9 du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets. Art. 6. Une copie du présent enregistrement doit accompagner chaque transport. 53386 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Art. 7. § 1er. L’impétrant remet à la personne dont il a reçu des déchets une attestation mentionnant : a) son nom ou dénomination, adresse ou siège social; b) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social de la personne physique ou morale qui lui a remis des déchets; c) la date et le lieu de la remise; d) la quantité de déchets remis; e) la nature et le code des déchets remis; f) le nom ou la dénomination, l’adresse ou le siège social du transporteur des déchets. § 2. Un double de l’attestation prévue au § 1er est tenu par l’impétrant pendant cinq ans à disposition de l’administration. Art. 8. § 1er. L’impétrant transmet annuellement à l’Office wallon des déchets une déclaration de collecte ou de transport de déchets. La déclaration est transmise au plus tard le soixantième jour suivant l’expiration de l’année de référence. La déclaration est établie selon les formats définis par l’Office wallon des déchets. § 2. L’impétrant conserve une copie de la déclaration annuelle pendant une durée minimale de cinq ans. Art. 9. Afin de garantir et de contrôler la bonne fin des opérations de transport, l’impétrant transmet à l’Office wallon des déchets en même temps que sa déclaration annuelle les informations suivantes : 1o les numéros d’immatriculation des véhicules détenus en propre ou en exécution de contrats passés avec des tiers et affectés au transport des déchets; 2o la liste des chauffeurs affectés aux activités de transport. Art. 10. Si l’impétrant souhaite renoncer, en tout ou en partie, à la collecte ou au transport des déchets désignés dans le présent enregistrement, elle en opère notification à l’Office wallon des déchets qui en prend acte. Art. 11. Sur base d’un procès-verbal constatant une infraction au Règlement 1013/2006/CE concernant les transferts de déchets, au décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets, à leurs arrêtés d’exécution, l’enregistrement peut, aux termes d’une décision motivée, être radié, après qu’ait été donnée à l’impétrant la possibilité de faire valoir ses moyens de défense et de régulariser la situation dans un délai déterminé. En cas d’urgence spécialement motivée et pour autant que l’audition de l’impétrant soit de nature à causer un retard préjudiciable à la sécurité publique, l’enregistrement peut être radié sans délai et sans que l’impétrant n’ait été entendu. Art. 12. § 1er. L’enregistrement vaut pour une période de cinq ans. § 2. La demande de renouvellement dudit enregistrement est introduite dans un délai précédant d’un mois la limite de validité susvisée. Namur, le 12 juillet 2010. Ir A. HOUTAIN BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST — REGION DE BRUXELLES-CAPITALE MINISTERIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST [C − 2010/31379] Brussels Instituut voor Milieubeheer Registratie betreffende dierlijke bijproducten Bij de beslissing van 2 augustus 2010 van de leidende ambtenaren van het B.I.M., werd de NV « Molok West Europe », gelegen te Europark 1003, 3530 Houthalen, geregistreerd onder het num mer ENRA-065 als ophaler van dierlijke bijproducten van categorie 3. Bij de beslissing van 2 augustus 2010 van de leidende ambtenaren van het B.I.M., werd « van Gansewinkel », gelegen te Berkebossen laan 7, 2400 Mol, geregistreerd onder het nummer ENRA-063 als ophaler van dierlijke bijproducten van categoriën 1 en 3. Bij de beslissing van 26 juli 2010 van de leidende ambtenaren van het B.I.M., werd de BVBA « Yojaco », gelegen te Paleizenstraat 316, 1000 Brussel, geregistreerd onder het nummer ENRDA-048 als ophaler van dierlijke bijproducten van categorie 3. Bij de beslissing van 26 juli 2010 van de leidende ambtenaren van het B.I.M., werd de BVBA « Yojaco », gelegen te Paleizenstraat 316, 1000 Brussel, geregistreerd onder het nummer ENRDA-064 als ophaler van dierlijke bijproducten van categorie 3. MINISTERE DE LA REGION DE BRUXELLES-CAPITALE [C − 2010/31379] Institut bruxellois pour la Gestion de l’Environnement Enregistrement en matière de sous-produits animaux Par décision des fonctionnaires dirigeants de l’I.B.G.E. du 2 août 2010, la SA « Molok West Europe », sise Europark 1003, 3530 Houthalen, a été enregistrée sous le numéro ENRDA-065 comme collecteur de sous produits animaux de catégorie 3. Par décision des fonctionnaires dirigeants de l’I.B.G.E. du 2 août 2010, la société « van Gansewinkel », sise Berkebossenlaan 7, 2400 Mol, a été enregistrée sous le numéro ENRDA-063 comme collecteur de sous produits animaux de catégories 1 et 3. Par décision des fonctionnaires dirigeants de l’I.B.G.E. du 26 juillet 2010, la SPRL « Yojaco », sise rue des Palais 316, 1000 Bruxelles, a été enregistrée sous le numéro ENRDA-048 comme collecteur de sous produits animaux de catégorie 3. Par décision des fonctionnaires dirigeants de l’I.B.G.E. du 26 juillet 2010, la SPRL « Yojaco », sise rue des Palais 316, 1000 Bruxelles, a été enregistrée sous le numéro ENRDA-064 comme collecteur de sous produits animaux de catégorie 3. 53387BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE OFFICIELE BERICHTEN — AVIS OFFICIELS COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203231] Extrait de l’arrêt n° 58/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4721 En cause : la question préjudicielle relative à l’article 11, III, de la section IIbis (« Des règles particulières aux baux commerciaux ») du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, posée par le Juge de paix du premier canton de Charleroi. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Melchior et M. Bossuyt, et des juges E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels et T. Merckx-Van Goey, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Melchior, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par jugement du 28 mai 2009 en cause de la SA « InBev Belgium » contre Jean Evaldre et autres, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 4 juin 2009, le Juge de paix du premier canton de Charleroi a posé la question préjudicielle suivante : « L’article 11 - III de la loi sur les baux commerciaux ne viole-t-il pas les articles 10 et 11 de la Constitution en ce que le cédant d’un bail commercial peut être tenu de la totalité des obligations découlant de la convention de location alors que le cessionnaire qui n’a pas rempli ses obligations, ne serait tenu à rien lorsque, étant failli, il est déclaré excusable par le Tribunal de commerce ? ». (...) III. En droit (...) B.1. L’article 10 de la section IIbis (« Des règles particulières aux baux commerciaux ») du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, inséré par l’article 1er de la loi du 30 avril 1951 « sur les baux commerciaux, en vue de la protection du fonds de commerce » et modifié par l’article 48, § 4, de la loi du 5 juillet 1963 réglant le statut des huissiers de justice, dispose : « L’interdiction de céder le bail [...] ne peut faire obstacle à la cession [...] faite ensemble avec la cession [...] du fonds de commerce et portant sur l’intégralité des droits du locataire principal. Toutefois, lorsque le bailleur ou sa famille habite une partie de l’immeuble, l’interdiction de céder le bail [...] reste valable. Le preneur qui veut user du droit qui lui est reconnu à l’alinéa 1er [...] de céder son bail, doit signifier au bailleur le projet d’acte de cession [...] et ce par lettre recommandée à la poste ou par exploit d’huissier de justice. Le bailleur qui croit avoir de justes motifs de s’opposer à la cession [...] est tenu de notifier, par les mêmes voies, son opposition motivée, dans les trente jours de la signification, à défaut de quoi il est réputé y donner son agrément. L’opposition est notamment justifiée si le preneur n’a exercé le commerce dans les lieux loués que depuis moins de deux ans ou si le bail lui a été renouvelé depuis moins de deux ans, sauf le cas de décès du preneur ou autres circonstances exceptionnelles à apprécier par le juge. Le preneur peut, à peine de forclusion, se pourvoir dans les quinze jours de l’opposition ». Inséré par l’article 1er de la loi du 30 avril 1951, l’article 11 de la section IIbis du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil règle entre autres les effets de la cession d’un bail commercial autorisée par l’article 10 précité. Tel qu’il a été remplacé par l’article 1er, 3o, de la loi du 29 juin 1955 « modifiant la loi du 30 avril 1951 sur les baux commerciaux en vue de la protection du fonds de commerce », cet article 11 dispose : « I. En cas de cession portant sur l’intégralité des droits du locataire principal, le cessionnaire devient le locataire direct du bailleur. [...] III. Le preneur originaire demeure solidairement tenu de toutes les obligations qui dérivent du bail initial ». B.2. La Cour est invitée à statuer sur la compatibilité de l’article 11, III, de la section IIbis du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil avec les articles 10 et 11 de la Constitution en ce que cette disposition introduirait une différence de traitement entre, d’une part, le cédant d’un bail commercial et, d’autre part, le cessionnaire de ce même bail qui est déclaré excusable à la suite de sa faillite. Seul le premier pourrait être tenu par les obligations dérivant de ce bail. B.3. La solidarité prévue par la disposition en cause signifie que le cédant du bail commercial est, comme le cessionnaire, tenu des obligations découlant de ce bail et que, comme le cessionnaire, il peut être invité par le créancier à exécuter celles-ci (articles 1200 et 1203 du Code civil). La disposition en cause reproduit l’article 11, III, de la section IIbis du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil, tel qu’il avait été inséré par l’article 1er de la loi du 30 avril 1951. Lors des travaux préparatoires de cette loi, cette solidarité a été présentée comme une compensation de la reconnaissance, par l’article 10 de la même section, du droit du preneur d’un bail commercial à la cession de celui-ci : « [...] la substitution au preneur originaire d’un nouveau locataire imposé au bailleur, justifie le maintien de la responsabilité solidaire du cédant. Le bailleur a en effet traité avec le preneur qui avait sa confiance. S’il peut être contraint à en supporter un autre, il est juste qu’en retour le cédant le garantisse contre les effets des manquements de son successeur aux obligations dérivant du bail cédé » (Doc. parl., Chambre, 1947-1948, no 20, p. 26). B.4. L’article 82, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, tel qu’il était libellé avant son remplacement par l’article 9 de la loi du 20 juillet 2005 « modifiant la loi du 8 août 1997 sur les faillites, et portant des dispositions fiscales diverses » disposait : « L’excusabilité éteint les dettes du failli et décharge les personnes physiques qui, à titre gratuit, se sont rendues caution de ses obligations ». B.5. La différence de traitement visée par la question préjudicielle découle de la combinaison de cette disposition avec la disposition en cause. La circonstance que le bailleur ne peut plus exercer de recours contre le cessionnaire du bail en raison de son excusabilité n’ôte pas à la disposition en cause sa justification. 53388 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.6. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 11, III, de la section IIbis (« Des règles particulières aux baux commerciaux ») du livre III, titre VIII, chapitre II, du Code civil ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue française et en langue néerlandaise, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. GRONDWETTELIJK HOF [2010/203231] Uittreksel uit arrest nr. 58/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4721 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 11, III, van afdeling IIbis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het eerste kanton Charleroi. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 mei 2009 in zake de nv « InBev Belgium » tegen Jean Evaldre en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 juni 2009, heeft de Vrederechter van het eerste kanton Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 11, III, van de Handelshuurwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de overdrager van een handelshuur kan zijn gehouden tot alle verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst terwijl de overnemer die zijn verplichtingen niet heeft vervuld, tot niets gehouden zou zijn wanneer hij als gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard door de rechtbank van koophandel ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 10 van afdeling IIbis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 april 1951 « op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds » en gewijzigd bij artikel 48, § 4, van de wet van 5 juli 1963 tot regeling van het statuut der gerechtsdeurwaarders, bepaalt : « Het verbod om de huur aan anderen over te dragen [...], kan geen beletsel zijn voor een overdracht [...] die samen geschiedt met de overdracht [...] van de handelszaak en slaat op de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder. Wanneer echter de verhuurder of zijn familie een gedeelte van het onroerend goed bewoont, blijft het verbod van huuroverdracht [...] gelden. De huurder die gebruik wil maken van het hem in het eerste lid toegekende recht van [...] huuroverdracht, moet aan de verhuurder het ontwerp van akte van overdracht [...] betekenen bij ter post aangetekende brief of bij exploot van gerechtsdeurwaarder. De verhuurder die meent wettige redenen te hebben om zich tegen de overdracht [...] te verzetten, is gehouden zijn met redenen omkleed verzet op dezelfde wijze te doen kennen, binnen dertig dagen na de betekening, anders wordt hij geacht ermee in te stemmen. Het verzet is onder meer gegrond, wanneer de huurder de handel in het gehuurde goed sedert minder dan twee jaren heeft uitgeoefend of wanneer hij de hernieuwing der huur sedert minder dan twee jaren heeft verkregen, behoudens het geval van overlijden van de huurder of andere buitengewone omstandigheden, ter beoordeling van de rechter. De huurder kan tegen het verzet in rechte opkomen binnen vijftien dagen, op straffe van verval ». Ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 april 1951, regelt artikel 11 van afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de gevolgen van de overdracht van een handelshuurovereen komst die is toegestaan bij het voormelde artikel 10. Zoals het werd vervangen bij artikel 1, 3o, van de wet van 29 juni 1955 « tot wijziging van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds », bepaalt dat artikel 11 : « I. Bij overdracht van de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder, wordt de overnemer rechtstreekse huurder van de verhuurder. [...] III. De oorspronkelijke huurder blijft hoofdelijk gehouden tot alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen ». B.2. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 11, III, van afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, doordat die bepaling een verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de overdrager van een handelshuurovereenkomst en, anderzijds, de overnemer van diezelfde huurovereenkomst, die na zijn faillissement verschoonbaar wordt verklaard. Alleen de eerstgenoemde zou kunnen zijn gehouden tot de verplichtingen die uit die huurovereenkomst voortvloeien. B.3. De hoofdelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, betekent dat de overdrager van een handelshuurovereenkomst, net zoals de overnemer, is gehouden tot de verplichtingen die uit die huurovereenkomst voortvloeien en dat hij, net zoals de overnemer, door de schuldeiser kan worden verzocht die verplichtingen uit te voeren (artikelen 1200 en 1203 van het Burgerlijk Wetboek). 53389BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE De in het geding zijnde bepaling neemt artikel 11, III, van afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek over, zoals het was ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 april 1951. Tijdens de parlementaire voorbereiding van die wet werd die hoofdelijkheid voorgesteld als een compensatie voor de toekenning, bij artikel 10 van dezelfde afdeling, van het recht van de huurder van een handelshuurovereenkomst op de overdracht ervan : « [...] de vervanging van de oorspronkelijke huurder door een nieuwe huurder, die aan de verhuurder wordt opgedrongen, [rechtvaardigt] het behoud [...] van de hoofdelijke verantwoordelijkheid van de overdrager. De verhuur der heeft, inderdaad, onderhandeld met de huurder waarin hij vertrouwen stelde. Indien hij verplicht kan worden er een andere te dulden, is het billijk dat, als vergelding, de overdrager hem een waarborg geeft tegen de gevolgen van de tekortkomingen van zijn opvolger aan de uit de overgedragen huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen » (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 20, p. 26). B.4. Artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals het was geformuleerd vóór de vervanging ervan bij artikel 9 van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, en houdende diverse fiscale bepalingen », bepaalde : « De verschoonbaarheid doet de schulden van de gefailleerde teniet en ontslaat de natuurlijke personen die zich kosteloos borg hebben gesteld voor een verbintenis van de gefailleerde van hun verplichtingen ». B.5. Het door de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling vloeit voort uit de combinatie van die bepaling met de in het geding zijnde bepaling. De omstandigheid dat de verhuurder geen rechtsmiddel meer kan aanwenden tegen de overnemer van de huurovereenkomst wegens diens verschoonbaarheid, ontneemt de in het geding zijnde bepaling haar verantwoording niet. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 11, III, van afdeling IIbis (« Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ») van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203231] Auszug aus dem Urteil Nr. 58/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4721 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf Artikel 11 III von Abschnitt IIbis («Besondere Regeln für Geschäftsmietverträge») von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches, gestellt vom Friedensrichter des ersten Kantons Charleroi. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Melchior und M. Bossuyt, und den Richtern E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels und T. Merckx-Van Goey, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Melchior, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil vom 28. Mai 2009 in Sachen der «InBev Belgium» AG gegen Jean Evaldre und andere, dessen Ausfertigung am 4. Juni 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Friedensrichter des ersten Kantons Charleroi folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstößt Artikel 11 III des Geschäftsmietgesetzes gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, insofern der Zedent der Geschäftsmiete dazu gehalten sein kann, sämtliche aus dem Mietvertrag sich ergebenden Verpflichtungen zu erfüllen, während ein Zessionar, der seine Verpflichtungen nicht erfüllt hat, zu nichts gehalten wäre, wenn er als Konkursschuldner vom Handelsgericht für entschuldbar erklärt würde?». (...) II. In rechtlicher Beziehung (...) B.1. Artikel 10 von Abschnitt IIbis («Besondere Regeln für Geschäftsmietverträge») von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches, eingefügt durch Artikel 1 des Gesetzes vom 30. April 1951 «über die Geschäftsmietverträge zum Schutz der Handelsgeschäfte» und abgeändert durch Artikel 48 § 4 des Gesetzes vom 5. Juli 1963 zur Regelung des Statuts der Gerichtsvollzieher, bestimmt: «Das Verbot, den Mietvertrag abzutreten [...], darf kein Hindernis sein für die Abtretung [...] zusammen mit der Abtretung [...] des Handelsgeschäfts und der gesamten Rechte des Hauptmieters. Wenn der Vermieter oder seine Familie jedoch einen Teil des Gebäudes bewohnt, bleibt das Verbot der Abtretung des Geschäftsmietvertrags [...] gültig. Wenn der Mieter von dem ihm in Absatz 1 zuerkannten Recht, [...] seinen Mietvertrag abzutreten, Gebrauch machen möchte, muss er dem Vermieter den Entwurf der Abtretungsurkunde [...] durch einen bei der Post aufgegebenen Einschreibebrief oder durch Gerichtsvollzieherurkunde zustellen. Wenn der Vermieter der Auffassung ist, rechtmäßige Gründe zu haben, sich der Abtretung [...] zu widersetzen, ist er dazu gehalten, seinen mit Gründen versehenen Einspruch auf gleichem Wege innerhalb von dreißig Tagen nach der Zustellung mitzuteilen, da andernfalls davon ausgegangen wird, dass er sein Einverständnis erteilt hat. Der Einspruch ist insbesondere begründet, wenn der Mieter das Geschäft in den gemieteten Räumen erst weniger als zwei Jahre ausgeübt hat oder wenn sein Mietvertrag seit weniger als zwei Jahren erneuert wurde, außer im Falle des Todes des Mieters oder anderer außergewöhnlicher Umstände, die durch den Richter zu beurteilen sind. 53390 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Der Mieter kann gegen den Einspruch zur Vermeidung des Verfalls innerhalb von fünfzehn Tagen Beschwerde einlegen». Der durch Artikel 1 des Gesetzes vom 30. April 1951 eingefügte Artikel 11 von Abschnitt IIbis von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches regelt unter anderem die Folgen der Abtretung eines Geschäftsmietvertrags, die durch den vorerwähnten Artikel 10 erlaubt ist. In der durch Artikel 1 Nr. 3 des Gesetzes vom 29. Juni 1955 «zur Abänderung des Gesetzes vom 30. April 1951 über die Geschäftsmietverträge zum Schutz der Handelsgeschäfte» abgeänderten Fassung bestimmt dieser Artikel 11: «I. Im Falle der Abtretung der gesamten Rechte des Hauptmieters wird der Übernehmer der direkte Mieter des Vermieters. [...] III. Der ursprüngliche Mieter haftet weiter gesamtschuldnerisch für alle Verpflichtungen, die sich aus dem ursprünglichen Mietvertrag ergeben». B.2. Der Hof ist gebeten, sich zur Vereinbarkeit von Artikel 11 III von Abschnitt IIbis von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung zu äußern, insofern diese Bestimmung einen Behandlungsunterschied einführe zwischen einerseits dem Abtretenden eines Geschäftsmietvertrags und andererseits dem Übernehmer desselben Mietvertrags, der nach seinem Konkurs für entschuldbar erklärt worden sei. Nur der Erstere könne durch die aus diesem Mietvertrag sich ergebenden Verpflichtungen gebunden sein. B.3. Die in der fraglichen Bestimmung vorgesehene Gesamtschuldnerschaft bedeutet, dass der Abtretende des Geschäftsmietvertrags ebenso wie der Übernehmer an die aus diesem Mietvertrag sich ergebenden Verpflichtungen gebunden ist und dass er ebenso wie der Übernehmer durch den Gläubiger aufgefordert werden kann, sie auszuführen (Artikel 1200 und 1203 des Zivilgesetzbuches). Die fragliche Bestimmung übernimmt Artikel 11 III von Abschnitt IIbis von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches, eingefügt durch Artikel 1 des Gesetzes vom 30. April 1951. Während der Vorarbeiten zu diesem Gesetz wurde diese Gesamtschuldnerschaft als ein Ausgleich zur Anerkennung des Rechtes des Übernehmers eines Geschäftsmietvertrags auf dessen Abtretung durch Artikel 10 desselben Abschnitts dargestellt: «[...] der Ersatz des ursprünglichen Mieters durch einen neuen Mieter, der dem Vermieter aufgezwungen wird, rechtfertigt die Aufrechterhaltung der gesamtschuldnerischen Haftung des Abtretenden. Der Vermieter hat nämlich mit dem Mieter verhandelt, dem er vertraute. Auch wenn er gezwungen werden kann, einen anderen zu dulden, ist es gerecht, dass der Abtretende ihm im Gegenzug eine Gewähr gegen die Folgen von Versäumnissen seines Nachfolgers bezüglich der sich aus dem abgetretenen Mietvertrag ergebenden Verpflichtungen erteilt» (Parl. Dok., Kammer, 1947-1948, Nr. 20, S. 26). B.4. Artikel 82 Absatz 1 des Konkursgesetzes vom 8. August 1997 bestimmte in der Fassung vor seinem Ersatz durch Artikel 9 des Gesetzes vom 20. Juli 2005 «zur Abänderung des Konkursgesetzes vom 8. August 1997 und zur Festlegung verschiedener steuerrechtlicher Bestimmungen»: «Aufgrund der Entschuldbarkeit erlöschen die Schulden des Konkursschuldners und werden natürliche Personen, die unentgeltlich für die Verpflichtungen des Konkursschuldners gebürgt haben, entlastet». B.5. Der in der präjudiziellen Frage erwähnte Behandlungsunterschied ergibt sich aus der Verbindung dieser Bestimmung mit der fraglichen Bestimmung. Der Umstand, dass der Vermieter keine Rechtsmittel mehr gegen den Übernehmer des Mietvertrags aufgrund seiner Entschuldbarkeit ausüben kann, entzieht der fraglichen Bestimmung nicht ihre Rechtfertigung. B.6. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 11 III von Abschnitt IIbis («Besondere Regeln für Geschäftsmietverträge») von Buch III Titel VIII Kapitel II des Zivilgesetzbuches verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in französischer und niederländischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, (gez.) P.-Y. Dutilleux. (gez.) M. Melchior. * GRONDWETTELIJK HOF [2010/203232] Uittreksel uit arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4776 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding), gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 196.325 van 24 september 2009 in zake Maurits Lootens tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 oktober 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum 53391BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ? ». (...) III. In rechte (...) De in het geding zijnde bepaling B.1.1. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van hoofdstuk XIV, met als opschrift « Schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding », van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, dat ertoe strekt de schade aan de wegeninfrastructuur ten gevolge van spoorvorming aan te pakken (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 5). De voornaamste oorzaak van spoorvorming moet volgens de Vlaamse Regering worden gezocht bij een overmatige asdruk van overladen voertuigen (ibid.). De bepalingen van het voormelde hoofdstuk voorzien in een algemeen verbod het wegdek te beschadigen door een overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen (artikel 56). Inbreuken op dat verbod worden bestraft met gevangenisstraf en/of met progressieve geldboetes (artikel 57). Bij een veroordeling wegens inbreuk op artikel 56 is een forfaitaire vergoeding verschuldigd die het Vlaams Infrastructuurfonds ten goede komt (artikel 58). Voor de in artikel 56 bedoelde misdrijven kunnen tevens administratieve geldboetes worden opgelegd (artikelen 59 tot 60quinquies). Ten slotte worden toezichtsmaatregelen genomen (artikelen 61 en 62). B.1.2. Het in het geding zijnde artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, vóór de wijziging ervan bij artikel 145 van het Vlaamse decreet van 12 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake energie, leefmilieu, openbare werken, landbouw en visserij, bepaalde : « Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt. De houders van een vergunning voor uitzonderlijk vervoer, bedoeld in artikel 48 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer vallen niet onder deze verbodsbepaling mits voorafgaande betaling van een forfaitaire bijdrage aan het Vlaams Infrastructuurfonds. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden van deze bijdragen. Deze forfaitaire bijdrage mag niet meer bedragen dan de minimum geldboete bij overlading met meer dan 3 000 kg, bepaald in artikel 57 ». B.1.3. Artikel 57 van hetzelfde decreet, vóór de wijziging ervan bij artikel 146 van het voormelde decreet van 12 december 2008, bepaalde : « § 1. Inbreuken op artikel 56 worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een progressieve geldboete of met één van die straffen alleen. De geldboete bedraagt : 1o 50 euro tot 5 000 euro bij een overlading met minder dan 500 kg; 2o 100 euro tot 10 000 euro bij een overlading met 500 kg tot minder dan 1 000 kg; 3o 200 euro tot 20 000 euro bij een overlading met 1 000 kg tot minder dan 1 500 kg; 4o 300 euro tot 30 000 euro bij een overlading met 1 500 kg tot minder dan 2 000 kg; 5o 500 euro tot 50 000 euro bij een overlading met 2 000 kg tot minder dan 3 000 kg; 6o 750 euro tot 75 000 euro bij een overlading met 3 000 kg en meer. § 2. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, gelden voor de inbreuken, bepaald in artikel 56 ». B.1.4. Artikel 59 van hetzelfde decreet, vóór de wijziging ervan bij artikel 147 van het voormelde decreet van 12 december 2008, bepaalde : « § 1. Voor het misdrijf bedoeld in artikel 56 kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels. § 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimum geldboete overeenkomstig de overlading zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. Als verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse Regering, na de overtreder en in voorkomend geval de onderneming gehoord te hebben, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen. Als een overtreder binnen de positieve referteperiode opnieuw een inbreuk op artikel 56 pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de minimumgeldboete overeenkomstig de overlading zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. § 3. De wegeninspecteur brengt de wegeninspecteur-controleur op de hoogte van de door hem vastgestelde misdrijven en de in voorkomend geval onmiddellijke inningen bedoeld in § 6. De wegeninspecteur-controleur deelt de beslissing tot onmiddellijke inning of, bij gebreke hiervan, zijn voornemen om een administratieve geldboete op te leggen binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal mee aan de procureur des Konings. De procureur des Konings deelt zijn voornemen om strafvervolging in te stellen binnen negentig dagen na ontvangst van deze kennisgeving mee aan de wegeninspecteur-controleur. Indien nodig kan deze termijn éénmaal met dertig dagen verlengd worden. Wanneer de procureur des Konings meedeelt te vervolgen, vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete. Als de administratieve geldboete onmiddellijk werd geïnd, dan wordt deze terugbetaald. § 4. De andere bevoegde personen dan deze bepaald in § 3 van dit artikel brengen de procureur des Konings op de hoogte van de door hen vastgestelde misdrijven en in voorkomend geval van de onmiddellijke inningen bedoeld in § 6. De procureur deelt zijn standpunt binnen negentig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het misdrijf mee aan de wegeninspecteur-controleur. Indien nodig kan deze termijn éénmaal met dertig dagen worden verlengd. Indien de procureur beslist om geen strafvervolging in te stellen en er geen onmiddellijke inning is geweest, kan de wegeninspecteur-controleur een administratieve geldboete opleggen. Deze beslissing wordt binnen dertig dagen aan de procureur des Konings meegedeeld. Wanneer de wegeninspecteur-controleur beslist geen administratieve geldboete op te leggen, of zijn voornemen niet tijdig meedeelt, vervalt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen. 53392 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE § 5. De onderneming is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete opgelegd aan de personen voor wie ze overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is. § 6. Als de overtreder of de onderneming een woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, kunnen de bevoegde personen, bedoeld in § 1 en § 4, de administratieve geldboete onmiddellijk innen met instemming van de overtreder. Als de overtreder en de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt de administratieve geldboete door de bevoegde personen, bedoeld in § 1 en § 4, verplicht onmiddellijk geïnd. Deze sommen worden in consignatie gegeven. De nadere regels inzake onmiddellijke inning en de consignatie van de administratieve geldboete worden vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bovendien moet door de overtreder of de onderneming zonder woonplaats of vaste verblijfplaats in België een bijkomende som in consignatie worden gegeven, bestemd om de eventuele geldboete en de solidariteitsbijdrage te dekken. Het bedrag van deze som evenals de nadere regels inzake inning en consignatie, worden bepaald door de Vlaamse Regering. § 7. Als de overtreder en de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt het door de overtreder bestuurde voertuig op zijn kosten en risico ingehouden tot de sommen, bepaald in § 6, tweede en vierde lid, in consignatie gegeven zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn. Als de sommen bedoeld in het eerste lid binnen een termijn van zesennegentig uur, te rekenen vanaf de vaststelling van de overtreding, niet in consignatie gegeven zijn, mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het openbaar ministerie. Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen naar de overtreder of de onderneming en de eigenaar van het voertuig gestuurd. Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de overtreder of de onderneming. Het beslag wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de sommen, bepaald in § 6, tweede en vierde lid, in consignatie gegeven zijn en de eventuele bewaringskosten van het voertuig werden betaald ». Ten gronde B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.1. Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.2. Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). B.4.1. Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : « Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of de massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen ». B.4.2. Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.1. Artikel 9, 1o, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden « een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of de massa’s onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen » vervangen door de woorden « zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt ». B.5.2. Die wijziging werd als volgt verantwoord : « De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). 53393BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.6. Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1o, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.7. Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203232] Extrait de l’arrêt n° 61/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4776 En cause : la question préjudicielle relative à l’article 56 du décret flamand du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 1999 (dégâts au revêtement routier à la suite de surcharges), posée par le Conseil d’Etat. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, et des juges A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels et T. Merckx-Van Goey, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par arrêt no 196.325 du 24 septembre 2009 en cause de Maurits Lootens contre la Région flamande, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 5 octobre 2009, le Conseil d’Etat a posé la question préjudicielle suivante : « L’article 56 du décret du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 1999 (décret sur les masses sous les essieux), modifié par les décrets des 29 décembre 1999, 19 décembre 2003 et 24 juin 2005, combiné avec les articles 57 et suivants du décret sur les masses sous les essieux, interprété en ce sens que le dépassement par la masse au sol sous un des essieux du maximum autorisé par le contrôle technique de plus de cinq pour cent implique une présomption légale d’endommagement interdit du revêtement routier, viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution, combinés avec l’article 6.2 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 14.2 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, en ce qu’il déroge, pour une catégorie déterminée de citoyens, au principe selon lequel la charge de la preuve repose sur la partie poursuivante ? ». (...) III. En droit (...) La disposition en cause B.1.1. La disposition en cause fait partie du chapitre XIV, « Dégâts au revêtement routier à la suite de surcharges », du décret flamand du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 1999, qui vise à combattre les dommages causés à l’infrastructure routière par la formation d’ornières (Doc. parl., Parlement flamand, 1998-1999, no 1214/8, p. 5). Selon le Gouvernement flamand, le poids excessif par essieu des véhicules surchargés constitue la principale cause de la formation d’ornières (ibid.). Les dispositions du chapitre précité prévoient une interdiction générale de causer des dégâts au revêtement routier en excédant la masse maximale au sol autorisée sous l’un des essieux (article 56). Les infractions à cette interdiction sont punies d’une peine de prison et/ou d’amendes progressives (article 57). En cas de condamnation pour cause d’infraction à l’article 56, une cotisation forfaitaire est due au « Vlaams Infrastructuurfonds » (article 58). Des amendes administratives peuvent également être infligées pour les infractions visées à l’article 56 (articles 59 à 60quinquies). Enfin, des mesures de contrôle sont prévues (articles 61 et 62). B.1.2. L’article 56 litigieux du décret flamand du 19 décembre 1998, avant sa modification par l’article 145 du décret flamand du 12 décembre 2008 portant diverses mesures en matière d’énergie, d’environnement, de travaux publics, d’agriculture et de pêche, disposait : « Il est interdit de causer des dégâts au revêtement routier se trouvant sur une voie publique avec un véhicule dont la masse au sol en dessous d’un des essieux excède de plus de 5 % le maximum autorisé par le contrôle technique. Cette interdiction n’est pas applicable aux titulaires d’une autorisation pour transports exceptionnels tels que visés à l’article 48 de l’arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière, moyennant versement préalable d’une cotisation forfaitaire au Fonds flamand de l’Infrastructure. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de ces cotisations. Cette cotisation forfaitaire ne peut dépasser l’amende minimale en cas d’excédent de poids de plus de 3 000 kg visée à l’article 57 ». 53394 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.1.3. L’article 57 du même décret, avant sa modification par l’article 146 du décret précité du 12 décembre 2008, disposait : « § 1er. Les infractions à l’article 56 sont sanctionnées d’une peine de prison de huit jours jusqu’à un an et une amende pécuniaire progressive ou de l’une de ces peines seulement. L’amende s’élève à : 1o 50 euros à 5 000 euros en cas de surcharge de moins de 500 kg; 2o 100 euros à 10 000 euros en cas de surcharge de 500 kg à moins de 1 000 kg; 3o 200 euros à 20 000 euros en cas de surcharge de 1 000 kg à moins de 1 500 kg; 4o 300 euros à 30 000 euros en cas de surcharge de 1 500 kg à moins de 2 000 kg; 5o 500 euros à 50 000 euros en cas de surcharge de 2 000 kg à moins de 3 000 kg; 6o 750 euros à 75 000 euros en cas de surcharge de 3 000 kg et plus; § 2. Les dispositions du [livre Ier du] Code pénal, y compris le chapitre VII et l’article 85 sont applicables aux infractions définies à l’article 56 ». B.1.4. L’article 59 du même décret, avant sa modification par l’article 147 du décret précité du 12 décembre 2008, disposait : « § 1. Les fonctionnaires désignés par le Gouvernement flamand peuvent infliger pour l’infraction visée à l’article 56 une amende administrative conformément aux règles définies ci-après. § 2. Le montant de l’amende administrative est égal à l’amende minimale correspondant à la surcharge prévue par l’article 57, majorée des décimes additionnels. En cas de circonstances atténuantes, l’inspecteur-contrôleur des routes ou le Gouvernement flamand peuvent, après avoir entendu le contrevenant ou, le cas échéant, l’entreprise, infliger une amende administrative inférieure aux montants minimums. Si un contrevenant commet à nouveau une infraction à l’article 56 dans la période de référence positive, l’amende administrative peut être fixée au double de l’amende minimum en fonction de la surcharge telle que fixée à 57, majoré des décimes additionnels. § 3. L’inspecteur des routes informe l’inspecteur-contrôleur des routes des infractions qu’il a constatées et, s’il y a lieu, des perceptions immédiates visées par le § 6. L’inspecteur-contrôleur des routes notifie, dans les trente jours de la réception du procès-verbal, au Procureur du Roi, la décision de procéder a la perception immédiate ou, en l’absence d’une telle mesure, son intention d’infliger une amende administrative. Le Procureur du Roi communique son intention d’engager une poursuite pénale dans les nonante jours de la réception de cette notification à l’inspecteur-contrôleur des routes. S’il est besoin, ce délai peut être prolongé une seule fois de trente jours. Lorsque le Procureur du Roi déclare qu’il engage une poursuite, la possibilité de prononcer une amende administrative s’éteint. En cas de perception immédiate de l’amende administrative, celle-ci est remboursée. § 4. Toute personne compétente autre que celles dont question au § 3 du présent article informe le Procureur du Roi des infractions qu’elle a constatées et, s’il y a lieu, des perceptions immédiates visées par le § 6. Le Procureur du Roi communique sa position à l’inspecteur-contrôleur des routes dans les nonante jours de la réception de la notification de l’infraction. S’il est besoin, ce délai peut être prolongé une seule fois de trente jours. L’inspecteur-contrôleur des routes peut prononcer une amende administrative, lorsque le Procureur du Roi décide de ne pas engager une poursuite pénale et lorsqu’il n’y a pas eu de perception immédiate. La décision en la matière est communiquée dans les trente jours au Procureur du Roi. Si l’inspecteur-contrôleur des routes décide de ne pas prononcer une amende administrative ou s’il omet de communiquer son intention y relative en temps utile, la possibilité d’infliger une amende administrative s’éteint. § 5. L’entreprise est civilement responsable du paiement de l’amende administrative imposée aux personnes pour lesquelles elle est responsable conformément à l’article 1384 du Code civil. § 6. Si le contrevenant ou l’entreprise a un domicile ou une résidence fixe en Belgique, les personnes compétentes visées au § 1er et au § 4 peuvent percevoir l’amende administrative immédiatement, avec l’accord du contrevenant. Si le contrevenant ou l’entreprise a n’a pas de domicile ou de résidence fixe en Belgique, l’amende administrative doit obligatoirement être perçue immédiatement par les personnes compétentes visées au § 1er et au § 4. Ces sommes sont données en consignation. Les modalités de la perception immédiate et de la consignation des amendes administratives sont arrêtées par le Gouvernement flamand. Le contrevenant ou l’entreprise sans domicile ou résidence fixe en Belgique est tenu de donner en consignation une somme supplémentaire, destinée à couvrir l’éventuelle amende et la contribution de solidarité. Le montant de cette somme ainsi que les modalités de perception et de consignation sont arrêtés par le Gouvernement flamand. § 7. Si le contrevenant ou l’entreprise n’a pas de domicile ou de résidence fixe en Belgique, le véhicule conduit par le contrevenant est retenu à ses frais, risques et périls jusqu’à remise en consignation des sommes visées au § 6, alinéas deux et quatre, et justification du paiement des frais éventuels de conservation du véhicule. Si les sommes visées a l’alinéa premier ne sont pas données en consignation dans les nonante-six heures à compter de la constatation de l’infraction, la saisie du véhicule peut être ordonnée par le ministère public. Un avis de saisie est envoyé au contrevenant ou à l’entreprise et au propriétaire du véhicule dans les deux jours ouvrables. Le véhicule reste aux risques et frais du contrevenant ou de l’entreprise pendant la durée de la saisie. La saisie est levée après justification du paiement des sommes à consigner visées au § 6, alinéas deux et quatre, et des frais éventuels de conservation du véhicule ». Quant au fond B.2. La juridiction a quo demande si l’article 56 du décret flamand du 19 décembre 1998 est compatible avec les articles 10 et 11 de la Constitution, combinés avec l’article 6.2 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 14.2 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, en ce que cette disposition contiendrait une présomption légale de détérioration prohibée du revêtement routier. B.3.1. L’article 6.2 de la Convention européenne des droits de l’homme et l’article 14.2 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques se rapportent à la présomption d’innocence. B.3.2. Les présomptions légales ne sont en principe pas contraires à ces dispositions conventionnelles (dans ce sens : CEDH, 7 octobre 1988, Salabiaku c. France, § 28; 20 mars 2001, Telfner c. Autriche, § 16). Elles doivent toutefois être raisonnablement proportionnées à l’objectif légitime poursuivi (CEDH, 23 juillet 2002, Janosevic c. Suède, § 101; 23 juillet 2002, Västberga Taxi Aktiebolag et Vulic c. Suède, § 113), en prenant en compte de la gravité de l’enjeu et en préservant les droits de la défense (CEDH, 4 octobre 2007, Anghel c. Roumanie, § 62). 53395BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.4.1. L’article 56, alinéa 1er, du décret flamand du 19 décembre 1998, tel qu’il a été remplacé par l’article 3 du décret flamand du 19 décembre 2003 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 2004, disposait : « Il est interdit de causer des dégâts au revêtement routier en excédant les poids maximums autorisés ou les poids sous les essieux maximums autorisés comme prévus par les articles 18, §§ 1er, 2 ou 32bis de l’arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, pièces et dispositifs de sécurité ». B.4.2. Le principe de cette disposition était qu’il existe un lien de cause à effet entre, d’une part, le dépassement des normes fédérales concernant les masses autorisées sous les essieux et, d’autre part, l’endommagement du revêtement routier. Les travaux préparatoires font référence, sur ce point, à une étude réalisée notamment par le Centre de recherches routières (Doc. parl., Parlement flamand, 1998-1999, no 1214/8, p. 6). B.5.1. L’article 9, 1o, du décret flamand du 24 juin 2005 contenant diverses mesures d’accompagnement de l’ajustement du budget 2005 a remplacé, dans la disposition précitée, les termes « en excédant les poids maximums autorisés ou les poids sous les essieux maximums autorisés comme prévus par les articles 18, §§ 1er, 2 ou 32bis de l’arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, pièces et dispositifs de sécurité » par les termes « se trouvant sur une voie publique avec un véhicule dont la masse au sol en dessous d’un des essieux excède de plus de 5 % le maximum autorisé par le contrôle technique ». B.5.2. Cette modification a été justifiée comme suit : « L’incrimination a été adaptée par rapport à la version précédente du décret, de sorte que seules les surcharges par essieu seront désormais réprimées. Il n’est plus explicitement renvoyé pour cela aux normes techniques fédérales. Il est toutefois encore fait référence à la masse maximale des essieux autorisée par le contrôle technique. Une surcharge de moins de 5 % par essieu est tolérée. Ce n’est que lorsqu’un des essieux est en surcharge de plus de 5 % qu’un procès-verbal peut être rédigé. En effet, il y a lieu de tenir compte de la masse après correction (c’est-à-dire après déduction de la tolérance technique de l’appareil de mesure). Une surcharge par rapport à la masse totale n’est plus punissable qu’en tant qu’infraction aux normes techniques fédérales. La détérioration du revêtement routier survient en effet principalement lorsqu’un essieu est plus lourdement chargé que ce qui est légalement prévu. Des études scientifiques ont déjà démontré cela à plusieurs reprises. Cependant, la détérioration ne doit pas forcément consister en un dommage apparent tel que des trous, des fissures ou la formation d’ornières. Ce ne sont là que quelques-unes des manifestations extérieures les plus courantes des dommages visés dans cet article; les dégâts réels se manifestent davantage par une diminution de la durée de vie de la route. Lors de l’aménagement des routes, il est en effet tenu compte de certaines charges auxquelles le revêtement routier doit pouvoir résister pendant sa durée de vie. Toute charge anormale a donc pour conséquence que le revêtement routier atteint plus vite la fin de sa durée de vie et doit donc être remplacé plus rapidement, ce qui entraîne des frais et des embarras de circulation. Les dégâts (supplémentaires) augmentent proportionnellement à la puissance quatre de la charge par essieu » (Doc. parl., Parlement flamand, 2004-2005, no 334/1, p. 6). B.6. La modification de la disposition en cause par l’article 9, 1o, précité du décret flamand du 24 juin 2005 ne permet pas de déduire qu’il n’existerait pas de lien de cause à effet entre la surcharge du véhicule et la détérioration des routes. Le législateur décrétal entend précisément donner suite aux études scientifiques dont il ressort que cette détérioration du revêtement routier résulte principalement de la surcharge d’un essieu. Eu égard à ces études, la surcharge d’un essieu du véhicule constitue une indication fondée de ce que l’infraction, à savoir causer des dommages au revêtement routier, a été commise. B.7. En outre, ni le texte de la disposition en cause ni ses travaux préparatoires ne permettent de déduire qu’une présomption irréfragable de dégâts causés au revêtement routier serait établie en cas de dépassement de 5 p.c. de la masse au sol maximale autorisée sous les essieux. La disposition contient uniquement un allégement de la charge de la preuve qui pèse sur le ministère public. B.8. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 56 du décret flamand du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d’accompagnement du budget 1999 ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution, combinés avec l’article 6.2 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 14.2 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203232] Auszug aus dem Urteil Nr. 61/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4776 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf Artikel 56 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 1999 (Schäden am Straßenbelag durch Gewichtsüber schreitung), gestellt vom Staatsrat. 53396 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels und T. Merckx-Van Goey, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil Nr. 196.325 vom 24. September 2009 in Sachen Maurits Lootens gegen die Flämische Region, dessen Ausfertigung am 5. Oktober 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Staatsrat folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstößt Artikel 56 des Dekrets vom 19. Dezember 1998 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 1999 (Achslastendekret) in der durch die Dekrete vom 29. Dezember 1999, vom 19. Dezember 2003 und vom 24. Juni 2005 abgeänderten Fassung, in Verbindung mit den Artikeln 57 ff. des Achslastendekrets, dahingehend ausgelegt, dass eine Überschreitung des bei der technischen Kontrolle festgelegten Höchstwertes durch die Masse am Boden unter einer der Achsen um mehr als fünf Prozent eine Rechtsvermutung verbotener Beschädigung des Straßenbelags beinhaltet, gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, in Verbindung mit Artikel 6 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 14 Absatz 2 des Internationalen Pakts über bürgerliche und politische Rechte, indem er für eine Kategorie von Bürgern vom Prinzip, nach dem die Beweislast der verfolgenden Partei obliegt, abweicht?». (...) II. In rechtlicher Beziehung (...) Die fragliche Bestimmung B.1.1. Die fragliche Bestimmung gehört zu Kapitel XIV mit dem Titel «Schäden am Straßenbelag durch Gewichtsüberschreitung» des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 1999; dieses Kapitel zielt darauf ab, die an der Straßeninfrastruktur infolge von Spurrillenbildung entstandenen Schäden zu bekämpfen (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 1998-1999, Nr. 1214/8, S. 5). Die Hauptursache der Spurrillenbildung ist nach Meinung der Flämischen Regierung auf einen zu hohen Achsdruck von überladenen Fahrzeugen zurückzuführen (ebenda). Die Bestimmungen des vorerwähnten Kapitels sehen ein allgemeines Verbot vor, den Straßenbelag durch eine Überschreitung der höchstzulässigen Masse am Boden unter einer der Achsen um mehr als fünf Prozent zu beschädigen (Artikel 56). Verstöße gegen dieses Verbot werden mit einer Gefängnisstrafe und/oder mit gestaffelten Geldbußen bestraft (Artikel 57). Im Fall einer Verurteilung wegen Verstoßes gegen Artikel 56 ist eine Pauschalentschä digung zu zahlen, die dem Flämischen Infrastrukturfonds zugute kommt (Artikel 58). Für die in Artikel 56 erwähnten Zuwiderhandlungen können gleichzeitig administrative Geldbußen verhängt werden (Artikel 59 bis 60quinquies). Schließlich werden Kontrollmaßnahmen ergriffen (Artikel 61 und 62). B.1.2. Der fragliche Artikel 56 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998 bestimmte vor seiner Abänderung durch Artikel 145 des flämischen Dekrets vom 12. Dezember 2008 zur Festlegung verschiedener Bestimmungen über Energie, Umwelt, öffentliche Arbeiten, Landwirtschaft und Fischerei: «Es ist verboten, den Straßenbelag zu beschädigen, indem man sich mit einem Fahrzeug auf der öffentlichen Straße befindet, dessen Masse am Boden unter einer der Achsen den bei der technischen Kontrolle festgelegten Höchstwert um mehr als fünf Prozent überschreitet. Für die Inhaber einer Genehmigung für außergewöhnliche Transporte im Sinne von Artikel 48 des königlichen Erlasses vom 1. Dezember 1975 zur Festlegung der allgemeinen Ordnung über den Straßenverkehr gilt diese Verbotsbestimmung nicht, sofern vorher ein Pauschalbeitrag an den Flämischen Infrastrukturfonds gezahlt wird. Die Flämische Regierung legt die Bedingungen für diese Beiträge fest. Dieser Pauschalbeitrag darf nicht höher sein als die Mindestgeldbuße bei Überladung um mehr als 3 000 kg, die in Artikel 57 festgelegt ist». B.1.3. Artikel 57 desselben Dekrets bestimmte vor seiner Abänderung durch Artikel 146 des vorerwähnten Dekrets vom 12. Dezember 2008: «§ 1. Verstöße gegen Artikel 56 werden mit einer Gefängnisstrafe von acht Tagen bis zu einem Jahr und mit einer gestaffelten Geldbuße oder mit nur einer dieser Strafen geahndet. Die Geldbuße beträgt: 1. 50 Euro bis 5 000 Euro bei einer Überladung um weniger als 500 kg; 2. 100 Euro bis 10 000 Euro bei einer Überladung um 500 kg bis unter 1 000 kg; 3. 200 Euro bis 20 000 Euro bei einer Überladung um 1 000 kg bis unter 1 500 kg; 4. 300 Euro bis 30 000 Euro bei einer Überladung um 1 500 kg bis unter 2 000 kg; 5. 500 Euro bis 50 000 Euro bei einer Überladung um 2 000 kg bis unter 3 000 kg; 6. 750 Euro bis 75 000 Euro bei einer Überladung um 3 000 kg und mehr. § 2. Die Bestimmungen von Buch I des Strafgesetzbuches, einschließlich des Kapitels VII und des Artikels 85, gelten für die in Artikel 56 erwähnten Verstöße». B.1.4. Artikel 59 desselben Dekrets bestimmte vor seiner Abänderung durch Artikel 147 des vorerwähnten Dekrets vom 12. Dezember 2008: «§ 1. Für den Verstoß im Sinne von Artikel 56 können die durch die Flämische Regierung bestimmten Beamten eine administrative Geldbuße gemäß den nachstehend festgelegten Regeln auferlegen. § 2. Der Tarif der administrativen Geldbuße entspricht der Mindestgeldbuße für eine Überladung, so wie sie in Artikel 57 festgelegt ist, zuzüglich der Zuschlagzehntel. Wenn mildernde Umstände vorliegen, kann der Straßeninspektor-Kontrolleur oder die Flämische Regierung, nachdem der Übertretende und gegebenenfalls das Unternehmen angehört wurde, eine administrative Geldbuße unterhalb der betreffenden Mindestbeträge auferlegen. Wenn ein Übertretender innerhalb des positiven Referenzzeitraums erneut einen Verstoß gegen Artikel 56 begeht, kann die administrative Geldbuße auf den doppelten Betrag der Mindestgeldbuße für die Überladung im Sinne von Artikel 57, zuzüglich der Zuschlagzehntel, festgelegt werden. § 3. Der Straßeninspektor informiert den Straßeninspektor-Kontrolleur über die durch ihn festgestellten Verstöße und die gegebenenfalls sofort erhobenen Beträge im Sinne von Paragraph 6. Der Straßeninspektor-Kontrolleur teilt die Entscheidung zur sofortigen Erhebung oder, falls dies nicht geschieht, sein Vorhaben, eine administrative Geldbuße aufzuerlegen, innerhalb von dreißig Tagen nach dem Eingang des Protokolls dem Prokurator des Königs mit. 53397BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Der Prokurator des Königs teilt sein Vorhaben, eine Strafverfolgung einzuleiten, innerhalb von neunzig Tagen nach dem Eingang dieser Notifizierung dem Straßeninspektor-Kontrolleur mit. Notwendigenfalls kann diese Frist einmal um dreißig Tage verlängert werden. Wenn der Prokurator des Königs mitteilt, dass er verfolgen wird, verfällt die Möglichkeit, eine administrative Geldbuße aufzuerlegen. Wenn die administrative Geldbuße sofort erhoben wurde, wird sie zurückgezahlt. § 4. Die anderen befugten Personen als diejenigen im Sinne von Paragraph 3 dieses Artikels informieren den Prokurator des Königs über die von ihnen festgestellten Verstöße und gegebenenfalls über die sofort erhobenen Beträge im Sinne von Paragraph 6. Der Prokurator des Königs teilt seinen Standpunkt innerhalb von neunzig Tagen nach dem Eingang der Notifizierung des Verstoßes dem Straßeninspektor-Kontrolleur mit. Notwendigenfalls kann diese Frist einmal um dreißig Tage verlängert werden. Wenn der Prokurator des Königs beschließt, keine Strafverfolgung einzuleiten, und wenn keine sofortige Erhebung stattgefunden hat, kann der Straßeninspektor-Kontrolleur eine administrative Geldbuße auferlegen. Diese Entschei dung wird dem Prokurator des Königs innerhalb von dreißig Tagen mitgeteilt. Wenn der Straßeninspektor-Kontrolleur beschließt, keine administrative Geldbuße aufzuerlegen, oder sein Vorhaben nicht rechtzeitig mitteilt, verfällt die Möglichkeit, eine administrative Geldbuße aufzuerlegen. § 5. Das Unternehmen haftet zivilrechtlich für die Zahlung der administrativen Geldbuße, die den Personen auferlegt wird, für die es gemäß Artikel 1384 des Zivilgesetzbuches haftet. § 6. Wenn der Übertretende oder das Unternehmen einen Wohnsitz oder einen festen Aufenthaltsort in Belgien hat, können die befugten Personen im Sinne der Paragraphen 1 und 4 die administrative Geldbuße sofort einziehen mit dem Einverständnis des Übertretenden. Wenn der Übertretende und das Unternehmen keinen Wohnsitz oder festen Aufenthaltsort in Belgien haben, wird die administrative Geldbuße durch die befugten Personen im Sinne der Paragraphen 1 und 4 verpflichtend sofort erhoben. Diese Summen werden hinterlegt. Die Modalitäten der sofortigen Erhebung und der Hinterlegung der administrativen Geldbuße werden durch die Flämische Regierung festgelegt. Außerdem muss durch den Übertretenden oder das Unternehmen ohne Wohnsitz oder festen Aufenthaltsort in Belgien eine zusätzliche Summe hinterlegt werden, die dazu dient, die etwaige Geldbuße und den Solidaritätsbeitrag zu decken. Der Betrag dieser Summe sowie die Modalitäten der Erhebung und Hinterlegung werden durch die Flämische Regierung festgelegt. § 7. Wenn der Übertretende und das Unternehmen keinen Wohnsitz oder festen Aufenthaltsort in Belgien haben, wird das durch den Übertretenden geführte Fahrzeug auf seine Kosten und Risiken einbehalten, bis die in Paragraph 6 Absätze 2 und 4 festgelegten Summen hinterlegt wurden und der Beweis erbracht wurde, dass die etwaigen Kosten für die Bewahrung des Fahrzeugs bezahlt wurden. Wenn die Summen im Sinne von Absatz 1 nicht innerhalb einer Frist von sechsundneunzig Stunden ab der Feststellung des Verstoßes hinterlegt worden sind, darf die Beschlagnahme des Fahrzeugs durch die Staatsanwaltschaft angeordnet werden. Eine Mitteilung über die Beschlagnahme wird innerhalb von zwei Werktagen an den Übertretenden oder das Unternehmen und den Eigentümer des Fahrzeugs geschickt. Das Risiko und die Kosten für das Fahrzeug obliegen während der Dauer der Beschlagnahme dem Übertretenden oder dem Unternehmen. Die Beschlagnahme wird aufgehoben, nachdem der Beweis erbracht wurde, dass die in Paragraph 6 Absätze 2 und 4 festgelegten Summen hinterlegt und die etwaigen Kosten für die Bewahrung des Fahrzeugs bezahlt wurden». Zur Hauptsache B.2. Das vorlegende Gericht fragt, ob Artikel 56 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998 mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 6 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 14 Absatz 2 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte vereinbar sei, insofern diese Bestimmung eine Rechtsvermutung der verbotenen Straßenbelagsbeschädigung beinhalte. B.3.1. Artikel 6 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention und Artikel 14 Absatz 2 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte beinhalten die Unschuldsvermutung. B.3.2. Rechtsvermutungen stehen grundsätzlich nicht im Widerspruch zu diesen Vertragsbestimmungen (in diesem Sinne: EuGHMR, 7. Oktober 1988, Salabiaku gegen Frankreich, § 28; 20. März 2001, Telfner gegen Österreich, § 16). Sie müssen jedoch einen vernünftigen Zusammenhang der Verhältnismäßigkeit mit dem gesetzlich angestrebten Ziel aufweisen (EuGHMR, 23. Juli 2002, Janosevic gegen Schweden, § 101; 23. Juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag und Vulic gegen Schweden, § 113), wobei die Ernsthaftigkeit der Sache berücksichtigt und das Recht der Verteidigung gewahrt werden muss (EuGHMR, 4. Oktober 2007, Anghel gegen Rumänien, § 62). B.4.1. Artikel 56 Absatz 1 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998, ersetzt durch Artikel 3 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 2003 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 2004, bestimmte: «Es ist verboten, den Straßenbelag zu beschädigen durch Überschreitung der höchstzulässigen Massen oder der Massen unter den Achsen, so wie sie in den Artikeln 18 §§ 1 und 2 oder 32bis des königlichen Erlasses vom 15. März 1968 zur Festlegung der allgemeinen Regelung über die technischen Anforderungen an Kraftfahrzeuge, ihre Anhänger, ihre Bestandteile und ihr Sicherheitszubehör festgelegt sind». B.4.2. Ausgangspunkt dieser Bestimmung war, dass ein ursächlicher Zusammenhang zwischen der Überschrei tung der föderalen Achslastbeschränkungen und der Beschädigung des Straßenbelags besteht. In den Vorarbeiten wird diesbezüglich unter anderem auf eine Studie des Forschungszentrums für das Straßenwesen verwiesen (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 1998-1999, Nr. 1214/8, S. 6). B.5.1. Artikel 9 Nr. 1 des flämischen Dekrets vom 24. Juni 2005 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 2005 hat in der vorerwähnten Bestimmung die Wörter «durch Überschreitung der höchstzulässigen Massen oder der Masse unter den Achsen, so wie sie in den Artikeln 18 §§ 1 und 2 oder 32bis des königlichen Erlasses vom 15. März 1968 zur Festlegung der allgemeinen Regelung über die technischen Anforderungen an Kraftfahrzeuge, ihre Anhänger, ihre Bestandteile und ihr Sicherheitszubehör festgelegt sind» ersetzt durch die Wörter «indem man sich mit einem Fahrzeug auf der öffentlichen Straße befindet, dessen Masse am Boden unter einer der Achsen den bei der technischen Kontrolle festgelegten Höchstwert um mehr als fünf Prozent überschreitet». B.5.2. Diese Änderung wurde wie folgt gerechtfertigt: «Die Unterstrafestellung wird gegenüber der früheren Fassung des Dekrets angepasst, damit künftig nur Überladungen pro Achse unter Strafe gestellt werden. Hierzu wird nicht mehr ausdrücklich auf die föderalen technischen Anforderungen verwiesen. Es wird wohl noch auf die bei der technischen Kontrolle festgelegte Höchstmasse der Achsen verwiesen. Eine Überladung um weniger als 5 % an einer Achse wird toleriert. Es kann nur ein Protokoll erstellt werden, wenn mindestens eine Achse um mehr als 5 % überladen ist. Selbstverständlich wird die Masse nach der Korrektur berücksichtigt (d.h. nach Abzug der technischen Toleranz des Messgeräts). 53398 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Eine Überladung insgesamt ist nur noch strafbar als Verstoß gegen die föderalen technischen Anforderungen. Ein Schaden am Straßenbelag wird nämlich hauptsächlich verursacht, wenn eine Achse schwerer beladen ist, als es gesetzlich vorgesehen ist. Wissenschaftliche Studien haben dies bereits wiederholt nachgewiesen. Ein Schaden muss jedoch nicht unbedingt aus einem sichtbaren Schaden, wie Löcher, Risse und Spurbildung, bestehen. Dies sind nur einige der am häufigsten vorkommenden äußeren Erscheinungsformen des Schadens im Sinne dieses Artikels, doch der tatsächliche Schaden drückt sich vielmehr in einer kürzeren Lebensdauer der Straße aus. Bei dem Bau von Straßen wird nämlich eine bestimmte Anzahl von Belastungen berücksichtigt, denen der Straßenbelag während seiner Lebensdauer standhalten muss. Jede anormale Belastung hat also zur Folge, dass der Straßenbelag schneller das Ende seiner Lebensdauer erreicht und folglich früher ersetzt werden muss. Dies bringt Kosten und Verkehrsbehinderungen mit sich. Der (zusätzliche) Schaden steigt im vierfachen Verhältnis zur Achslast» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2004-2005, Nr. 334/1, S. 6). B.6. Aus der Abänderung der fraglichen Bestimmung durch den vorerwähnten Artikel 9 Nr. 1 des flämischen Dekrets vom 24. Juni 2005 kann nicht abgeleitet werden, dass kein ursächlicher Zusammenhang zwischen der Überladung des Fahrzeugs und Straßenschäden bestehen würde. Der Dekretgeber bezweckt zu Recht, wissenschaft lichen Studien Folge zu leisten, aus denen hervorgeht, dass diese Straßenschäden sich hauptsächlich aus der Überladung an einer Achse ergeben. Angesichts dieser Studien ist die Überladung an einer Achse des Fahrzeugs ein gerechtfertigter Hinweis darauf, dass der Verstoß, nämlich die Verursachung eines Schadens am Straßenbelag, begangen wurde. B.7. Außerdem kann weder aus dem Text der fraglichen Bestimmung, noch aus den Vorarbeiten dazu abgeleitet werden, dass im Falle einer Überschreitung der höchstzulässigen Masse am Boden unter einer der Achsen um mehr als fünf Prozent eine unwiderlegbare Vermutung der Beschädigung des Straßenbelags eingeführt worden wäre. Die Bestimmung beinhaltet lediglich eine Erleichterung der Beweislast der Staatsanwaltschaft. B.8. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 56 des flämischen Dekrets vom 19. Dezember 1998 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung des Haushalts 1999 verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 6 Absatz 2 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 14 Absatz 2 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, (gez.) P.-Y. Dutilleux. (gez.) M. Bossuyt. * GRONDWETTELIJK HOF [2010/203373] Uittreksel uit arrest nr. 62/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4783 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 16.6.3, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen », gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 2 oktober 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Vojtech Olah en Viera Balazova, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2009, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 16.6.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (B.S. 3 juni 1995), zoals ingevoegd door het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ’ Toezicht, handhaving en veiligheids maatregelen ’ (B.S. 29 februari 2008), de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de omschrijving ’ kleine vormen van openbare overlast ’ geen voldoende normatieve inhoud heeft om die gedragingen te definiëren die, in afwijking van de straffen vermeld in artikel 16.6.3, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (B.S. 3 juni 1995), zoals ingevoegd door het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ’ Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen ’ gesanctioneerd worden met gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, dan wel een politiestraf van maximum S 45,45 ? »; « Schendt artikel 16.6.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (B.S. 3 juni 1995), zoals ingevoegd door het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ’ Toezicht, handhaving en veiligheids maatregelen ’ (B.S. 29 februari 2008), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat deze bepaling leidt tot een verschillende behandeling tussen rechtsonderhorigen die niet objectief en redelijk verantwoord is, nu rechtsonder horigen die kleine vormen van openbare overlast volgens de begripsbepaling van het milieuhandhavingsdecreet begaan in een gemeente die hiervoor overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet gemeentelijke sancties heeft bepaald slechts met een gemeentelijke administratieve sanctie kan worden gesanctioneerd, terwijl een rechtsonderhorige die eenzelfde vorm van kleine openbare overlast veroorzaakt in een gemeente die niet dergelijke gemeentelijke administratieve sancties hiervoor heeft bepaald, wel met een straf van strafrechtelijke aard, die vermeld wordt op het strafregister van de rechtsonderhorige, kan bestraft worden ? »; 53399BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE « Schendt artikel 16.6.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (B.S. 3 juni 1995), zoals ingevoegd door het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ’ Toezicht, handhaving en veiligheids maatregelen ’ (B.S. 29 februari 2008), de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, doordat in afwijking van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet aan de gemeenten de bevoegdheid wordt verleend gemeentelijke administratieve sancties te bepalen voor overtredingen van reglementen en verordeningen waarvoor een decreet reeds in straffen heeft voorzien ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. Het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : « DABM »), zoals gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen », harmoniseert de bepalingen inzake het toezicht, de sancties en de veiligheidsmaatregelen voor verschillende milieuwetten en -decreten, geeft de aanzet tot een gecoördineerd milieuhandhavingsbeleid door een op te richten Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving en streeft ernaar de bestuurlijke handhaving te versterken, via de oplegging van bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke geldboeten. B.1.2. Artikel 16.6.3 van het DABM bepaalt : « § 1. Wie opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen achterlaat, beheert of overbrengt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 500.000 euro of met een van die straffen. Wie door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen achterlaat, beheert of overbrengt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot drie jaar en met een geldboete van 100 euro tot 350.000 euro of met een van die straffen. § 2. In afwijking van de straffen vermeld in § 1 kunnen gemeenten voor kleine vormen van openbare overlast gemeentelijke sancties bepalen overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet. Wanneer de gemeente geen gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet heeft bepaald, worden in die gemeente deze kleine vormen van openbare overlast gestraft met een geldboete van maximum 45,45 euro ». B.1.3. Artikel 119bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt : « De gemeenteraad kan straffen of administratieve sancties bepalen voor overtredingen van zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde overtredingen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie straffen of administratieve sancties worden bepaald ». B.2.1. Vóór het aannemen van voormeld artikel 16.6.3, werd de strafvordering gebaseerd op de artikelen 56 en volgende van het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, dat op gemeentelijk niveau evenwel noch in een strafrechtelijke afhandeling, noch in een bestuursrechtelijke afhandeling voorzag. Overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, was het evenwel voor de gemeenten reeds mogelijk om sneller en efficiënter op te treden tegen bepaalde verstoringen van de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de openbare rust alsook de openbare overlast op hun grondgebied. De omzendbrief OOP 30bis « aangaande de uitvoering van de wetten van 13 mei 1999 tot invoering van gemeentelijke administratieve sancties, van 7 mei 2004 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de nieuwe gemeentewet en van 17 juni 2004 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet », bepaalt dat de openbare overlast betrekking heeft op - voornamelijk individuele - materiële gedragingen die het harmonieuze verloop van de menselijke activiteiten kunnen verstoren en de levenskwaliteit van de inwoners van een gemeente, een wijk, een straat, kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt. B.2.2. Met het amendement nr. 33 (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/003, p. 19), dat artikel 16.6.3, § 2, heeft ingevoerd, was het de bedoeling van de decreetgever de gemeenten de mogelijkheid te geven om bepaalde kleine vormen van openbare overlast adequaat aan te pakken. « [Het amendement] wijzigt [...] de strafbepalingen van het Afvalstoffendecreet; hierdoor zullen gemeenten onmiddellijk gemeentelijke sancties kunnen opleggen voor het vervuilen van de openbare weg en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Bij wijze van voorbeeld gaat het om het achterlaten van allerlei zwerfvuil (sigarettenpeukjes, kauwgom, blikjes enzovoort), wildplakken, het niet opruimen van uitwerpselen van rijdieren, sluikstorten enzovoort. Bij het bepalen van de gemeentelijke sancties kunnen de gemeenten kiezen ofwel voor politiestraffen, ofwel voor een administratieve geldboete met een maximum van 250 euro. In de gevallen waar gemeenten zelf niet optreden tegen dergelijke vormen van overlast, wil de minister openbare overlast strafbaar stellen met een geldboete van 45,45 euro. [...] Met deze voorstellen die de minister aan het ontwerp van decreet wil toevoegen, hoopt ze de gemeenten een sluitende juridische grondslag aan te reiken in hun strijd tegen overlast en voor een betere levenskwaliteit en leefomgeving » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/005, pp. 33-34). Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag (schending van de bevoegdheidverdelende regels) B.3.1. Het onderzoek van de overeenstemming van een in het geding zijnde bepaling met de bevoegdheidverde lende regels moet dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II van de Grondwet voorafgaan. B.3.2. De derde prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 16.6.3, § 2, van het DABM in overeenstemming is met artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o, vierde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat, in afwijking van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, aan de gemeenten de bevoegdheid zou worden verleend gemeentelijke administratieve sancties te bepalen voor overtredingen van reglementen en verordeningen waarvoor een decreet reeds in straffen voorziet, zodat de gewestelijke decreetgever zou treden op de bevoegdheden die aan de federale wetgever zijn voorbehouden. B.4.1. Krachtens artikel 6, § 1, II, 2o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, zijn de gewesten bevoegd voor « het afvalstoffenbeleid », onder voorbehoud van de in het tweede lid bepaalde uitzonderingen. De gewesten zijn eveneens bevoegd voor de bescherming van het leefmilieu en voor de natuurbescherming en het natuurbehoud (artikel 6, § 1, II, 1o, en III, 2o). Artikel 11 van dezelfde bijzondere wet, zoals vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt : « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. 53400 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet. Binnen de grenzen vermeld in het eerste lid, kunnen de decreten : 1o de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; 2o de bewijskracht regelen van processen-verbaal; 3o de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben ». B.4.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen. B.5.1. De bevoegdheid van de gewestwetgever inzake afvalstoffen houdt de bevoegdheid in om ervoor te kiezen om de bepalingen die hij aanneemt, gepaard te laten gaan met strafrechtelijke sancties op grond van het voormelde artikel 11, om ervan af te zien, om andere maatregelen te kiezen of om de lokale overheden ertoe te machtigen administratieve sancties op te leggen. B.5.2. De omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling het de gemeenten mogelijk maakt om administratieve sancties op te leggen teneinde gedragingen te bestraffen die strafrechtelijk worden bestraft, terwijl artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet dat in een dergelijk geval niet mogelijk maakt, betekent niet dat inbreuk zou worden gemaakt op de bevoegdheden van de federale wetgever. Deze laatste is, krachtens artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o, vierde streepje, van de voormelde bijzondere wet, bevoegd om de organisatie en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet, te regelen. Die bevoegdheid betekent niet dat de gewesten de gemeenten enkel onder de bij artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet vastgestelde voorwaarden, namelijk teneinde gedragingen te bestraffen die niet strafrechtelijk worden bestraft, ertoe zouden kunnen machtigen administratieve sancties op te leggen. B.5.3. Te dezen blijkt dat de door de gewestwetgever in aanmerking genomen oplossing, die, zoals die welke door de federale wetgever in aanmerking is genomen, berust op de bekommernis om de naleving van het beginsel non bis in idem te waarborgen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2366/001, pp. 5-6; Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/1, p. 17), eveneens in overeenstemming is met het voormelde artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat, naar het voorbeeld van artikel 162, tweede lid, 2o, van de Grondwet, met name bepaalt dat de gemeenteraden alles regelen wat van gemeentelijk belang is : het bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde mechanisme maakt het aldus mogelijk om tegelijk de doeltreffendheid van de maatregel te waarborgen en aan de gemeentelijke overheden de mogelijkheid te verlenen om hun bevoegdheden inzake met name openbare orde en gezondheid uit te oefenen. Een dergelijk mechanisme, dat enkel afwijkt van het mechanisme dat door de federale wetgever in aanmerking is genomen in zoverre altijd een sanctie mogelijk zal zijn, terwijl enkel bepaalde gedragingen op grond van de federale wet zullen worden bestraft, is niet van dien aard dat het de federale wetgever verhindert om zijn bevoegdheden uit te oefenen, noch dat het de uitoefening ervan bijzonder moeilijk maakt. B.6. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag (strafrechtelijk wettigheidsbeginsel) B.7. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 16.6.3, § 2, van het DABM, bestaanbaar is met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat de omschrijving « kleine vormen van openbare overlast » geen voldoende normatieve inhoud zou hebben om die gedragingen te definiëren die, in afwijking van de straffen vermeld in artikel 16.6.3, § 1, van het DABM, worden bestraft met gemeentelijke sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, dan wel met een politiestraf van maximum 45,45 euro. B.8.1. Door aan de wetgever de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wettelijke norm aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. B.8.2. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsvrijheid wordt gelaten. B.8.3. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wettelijke norm aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wettelijke bepalingen, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wettelijke norm, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling, en in voorkomend geval met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. B.8.4. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat ze het bij artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.9.1. Artikel 16.6.3, § 2, van het DABM bepaalt dat voor « kleine vormen van openbare overlast » de gemeenten de mogelijkheid hebben om, in overeenstemming met artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet en in afwijking van artikel 16.6.3, § 1, van het DABM, gemeentelijke sancties te bepalen. B.9.2. In de parlementaire voorbereiding van het DABM worden verschillende aanwijzingen gegeven over wat onder die « kleine vormen van openbare overlast » dient te worden verstaan. « Er bestaat geen twijfel over dat problemen van zwerfvuil, hondenpoep, beperkt sluikstorten, loslopende honden enzovoort, [...], toch een erg negatieve impact hebben op onze samenleving en dat ze vaak aanleiding geven tot ernstige verzuring en ongenoegen in deze samenleving. [...] 53401BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE ’ De openbare overlast heeft betrekking op, voornamelijk individuele, materiële gedragingen die het harmonieuze verloop van de menselijke activiteiten kunnen verstoren en de levenskwaliteit van de inwoners van een gemeente, een wijk, een straat, kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt. Men kan openbare overlast beschouwen als lichte vormen van verstoring van de openbare rust, veiligheid, gezondheid en zindelijkheid ’ » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/003, p. 18). « Daar waar het amendement nr. 32 in het algemeen een oplossing wil bieden voor diverse kleine vormen van openbare overlast, is dit amendement specifiek gericht naar de kleine afvalgerelateerde vormen van openbare overlast, zoals het sluikstorten of het achterlaten van zwerfvuil » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/003, p. 19). « Op de eerste plaats wijzigt [het voorstel] de strafbepalingen van het Afvalstoffendecreet; hierdoor zullen gemeenten onmiddellijk gemeentelijke sancties kunnen opleggen voor het vervuilen van de openbare weg en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Bij wijze van voorbeeld gaat het om het achterlaten van allerlei zwerfvuil (sigarettenpeukjes, kauwgum, blikjes enzovoort), wildplakken, het niet opruimen van uitwerpselen van rijdieren, sluikstorten enzovoort » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/005, p. 33). B.9.3. De term « kleine vormen van openbare overlast » is tevens te dezen beperkt tot die vormen die het resultaat zijn van het niet strikt naleven van de wettelijke voorschriften en de vergunningsvoorwaarden inzake afvalstoffen. Zij is aldus beperkt in haar toepassingsgebied. B.10. De « kleine vormen van openbare overlast » hebben een welomschreven toepassingsgebied : enerzijds, worden in de parlementaire voorbereiding ter zake voldoende aanwijzingen gegeven over wat onder die term dient te worden verstaan; anderzijds, geldt die term uitsluitend bij het achterlaten, het beheer of de overbrenging van afvalstoffen in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning. B.11.1. Niet elk achterlaten, elk beheer of elke overbrenging van afvalstoffen brengt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkenen in het geding. Voor het bestaan van een milieumisdrijf is immers niet enkel een materieel element maar ook een moreel element vereist, dat te dezen bestaat in het opzet of in een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid. B.11.2. Diegenen tot wie de in het geding zijnde bepaling is gericht, moeten de aan hen opgelegde normen en de vergunningsvoorwaarden naleven zoals eenieder die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, betaamt. B.12.1. Artikel 16.6.3, § 2, van het DABM laat derhalve toe, voor hen op wie die bepaling toepasselijk is, de feiten en de nalatigheden te kennen die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. B.12.2. Weliswaar kent de in het geding zijnde bepaling aan de strafrechter een beoordelingsbevoegdheid toe doordat hij voor een welbepaald achterlaten, beheer of overbrengen van afvalstoffen dient uit te maken of het al dan niet in concreto een kleine vorm van openbare overlast is in de zin van artikel 16.6.3, § 2, van het DABM, dan wel een feit is dat niet aan die kwalificatie beantwoordt, en bijgevolg, naar gelang van het geval, het voorwerp dient uit te maken van de sancties zoals bedoeld in artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, of artikel 16.6.3, § 1, tweede lid, van het DABM. Het gaat derhalve niet om een autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling, maar om een dergelijke beoordelings bevoegdheid die niet afwijkt van die welke de strafrechter heeft bij het bepalen van de op te leggen straf bij toepassing van strafbepalingen die in een zeer ruime marge voorzien tussen de minimum- en de maximumstraf. B.12.3. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk doet aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken. B.13. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag (schending van het gelijkheidsbeginsel) B.14. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 16.6.3, § 2, van het DABM bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « doordat deze bepaling leidt tot een verschillende behandeling tussen rechtsonderhorigen die niet objectief en redelijk verantwoord is, nu rechtsonderhorigen die kleine vormen van openbare overlast volgens de begripsbepaling van het milieuhandhavingsdecreet begaan in een gemeente die hiervoor overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet gemeentelijke sancties heeft bepaald slechts met een gemeentelijke administratieve sanctie kan worden gesanctioneerd, terwijl een rechtsonderhorige die eenzelfde vorm van kleine openbare overlast veroorzaakt in een gemeente die niet dergelijke gemeentelijke administratieve sancties hiervoor heeft bepaald, wel met een straf van strafrechtelijke aard, die vermeld wordt op het strafregister van de rechtsonderhorige, kan bestraft worden ». B.15. De parlementaire voorbereiding van het DABM vermeldt : « Deze regeling doet geen afbreuk aan het gelijkheidsbeginsel, maar is een vorm van decentralisatie die recht doet aan subsidiariteit. Elke decentralisatie houdt in dat de decentrale besturen keuzes kunnen maken en dat die van bestuur tot bestuur kunnen verschillen, binnen de grenzen aangegeven door de centralere wetgeving en binnen het eigen territorium. Zoals de EU-lidstaten onderling verschillen in wat ze strafbaar stellen en/of met welke strafmaten, in uitvoering van en binnen de grenzen van de EU-wetgeving, zo ook verschillen de gewesten onderling in wat ze strafbaar stellen en/of met welke strafmaten, binnen de grenzen van de EU-wetgeving, de Grondwet en de wetten op de staatshervorming. En zo ook is het logischerwijze niet uitgesloten dat er verschillen bestaan van gemeente tot gemeente, binnen de grenzen van de hen door de Grondwet, de wetten en decreten toegekende bevoegdheden. Dit is een evident corrolarium van subsidiariteit. Het gelijkheidsbeginsel zou in het gedrang komen als het bevoegde bestuur binnen de haar toegewezen bevoegdheden, de rechtssubjecten op ongelijke wijze zou behandelen [...]. Ook de restbepaling die de kleine vormen van openbare overlast een strafrechtelijke strafmaat toewijst van 45,45 euro voor gevallen waarbij de gemeente de overlastvorm niet sanctioneerbaar heeft gemaakt in uitvoering van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, doet hieraan geen afbreuk : haar strafmaat blijft binnen de marges waarbinnen de gemeente in uitvoering van artikel 119bis vrij kan kiezen. [...] Heeft de gemeente over een bepaalde vorm van openbare overlast geen reglement uitgevaardigd in toepassing van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, dan blijft deze vorm van overlast strafbaar met een geldboete die overeenkomt met het bedrag van de maximale gemeentelijke administratieve sanctie. In dit voorstel werd hiervoor rekening gehouden met de regeling inzake de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2006-2007, nr. 1249/003, pp. 18-19). B.16.1. Artikel 16.6.3, § 2, van het DABM strekt ertoe de bestraffing van kleine vormen van openbare overlast te verzekeren en aldus het krachtdadig, snel en efficiënt optreden van een gemeente mogelijk te maken tegen relatief kleine en eenvoudige problemen die een erg negatieve impact hebben op de samenleving. Tevens dient te worden gewezen op het facultatief karakter van de bevoegdheid voor de gemeenten om sancties op te leggen en het aanvullend karakter van de gewestelijke strafbaarstelling wanneer de gemeenten ervoor opteren geen gebruik te maken van hun facultatieve bevoegdheid, wat de gemeentelijke autonomie benadrukt. B.16.2. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, dat afhankelijk is van het feit of de gemeenten al dan niet gebruik zullen maken van de machtiging die hun bij de in het geding zijnde bepaling wordt verleend. De in het geding zijnde maatregel is relevant ten aanzien van de nagestreefde doelstelling, aangezien de decreetgever tegelijk een doeltreffende bestraffing van de gedragingen die hij beoogt en de autonomie van de gemeenten heeft willen 53402 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE waarborgen. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waarin de gemeenten over een eigen bevoegdheid beschikken is trouwens het legitieme gevolg van een onderscheiden beleid en kan op zich niet strijdig worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ten slotte kan de in het geding zijnde maatregel niet als onevenredig worden beschouwd, gezien de aard van de strafbaar gestelde feiten en de sancties die kunnen worden opgelegd. B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 16.6.3, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheids maatregelen », schendt niet de bevoegdheidverdelende regels, noch de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203373] Extrait de l’arrêt n° 62/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4783 En cause : les questions préjudicielles relatives à l’article 16.6.3, § 2, du décret de la Région flamande du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement, tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI « Contrôle, maintien et mesures de sécurité », posées par la Cour d’appel de Gand. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, et des juges R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet des questions préjudicielles et procédure Par arrêt du 2 octobre 2009 en cause du ministère public contre Vojtech Olah et Viera Balazova, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 13 octobre 2009, la Cour d’appel de Gand a posé les questions préjudicielles suivantes : « L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement (M.B. 3 juin 1995), tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI ’ Contrôle, maintien et mesures de sécurité ’ (M.B. 29 février 2008), viole-t-il les articles 12 et 14 de la Constitution, combinés ou non avec les articles 10 et 11 de la Constitution, avec l’article 7 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 15 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, en ce que les termes ’ formes limitées de nuisances publiques ’ n’ont pas un contenu normatif suffisamment précis pour définir les comportements qui, par dérogation aux peines mentionnées dans l’article 16.6.3, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement (M.B. 3 juin 1995), tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI ’ Contrôle, maintien et mesures de sécurité ’, sont punis de sanctions communales, conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, ou d’une peine de police de maximum 45,45 S ? »; « L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement (M.B. 3 juin 1995), tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI ’ Contrôle, maintien et mesures de sécurité ’ (M.B. 29 février 2008), viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution, en ce que cette disposition fait naître une différence de traitement, entre des justiciables, qui n’est justifiée ni objectivement, ni raisonnablement, puisque les justiciables qui causent des formes limitées de nuisances publiques - pour reprendre la définition du décret sur la défense de l’environnement - dans une commune qui, conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, a établi des sanctions communales pour ces faits ne peuvent se voir infliger qu’une sanction administrative communale, alors qu’un justiciable qui cause la même forme limitée de nuisance publique dans une commune qui n’a pas établi de telles sanctions administratives communales pour ces faits peut quant à lui se voir infliger une sanction de nature pénale, qui sera inscrite dans son casier judiciaire ? »; « L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement (M.B. 3 juin 1995), tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI ’ Contrôle, maintien et mesures de sécurité ’ (M.B. 29 février 2008), viole-t-il les règles qui sont établies par la Constitution ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l’Etat, des Communautés et des Régions, en ce que, par dérogation à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, les communes sont habilitées à établir des sanctions administratives communales pour les infractions aux règlements et arrêtés déjà sanctionnées par un décret ? ». (...) III. En droit (...) B.1.1. Le décret de la Région flamande du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement (ci-après : le décret du 5 avril 1995), tel qu’il a été modifié par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement 53403BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE par un titre XVI « Contrôle, maintien et mesures de sécurité », harmonise les dispositions relatives au contrôle, aux sanctions et aux mesures de sécurité contenues dans plusieurs lois et décrets en matière d’environnement, amorce une politique coordonnée de protection de l’environnement en créant un Conseil supérieur flamand pour la protection de l’environnement et cherche à renforcer la police administrative, en imposant des mesures et des amendes administratives. B.1.2. L’article 16.6.3 du décret du 5 avril 1995 dispose : « § 1er. Toute personne gérant, abandonnant ou transportant délibérément et contrairement aux prescriptions légales ou contrairement à un permis, des déchets, sera punie d’un emprisonnement d’un mois [à] cinq ans et d’une amende de 100 à 500.000 euros ou de l’une de ces peines seulement. Toute personne gérant, abandonnant ou transportant par défaut de précaution ou de prudence et contrairement aux prescriptions légales ou contrairement à un permis des déchets, sera punie d’un emprisonnement d’un mois à trois ans et d’une amende de 100 à 350 000 euros ou de l’une de ces peines seulement. § 2. En dérogation aux peines visées au § 1er, les communes peuvent définir des sanctions communales contre des formes limitées de nuisances publiques conformément à l’article 119bis de la Nouvelle Loi communale. Lorsque la commune n’a pas défini des sanctions communales conformément à l’article 119bis de la Nouvelle Loi communale, les formes limitées de nuisances publiques sont punies d’une amende d’au maximum de 45,45 euros dans cette commune ». B.1.3. L’article 119bis, § 1er, de la Nouvelle loi communale dispose : « Le conseil communal peut établir des peines ou des sanctions administratives contre les infractions à ses règlements ou ordonnances, à moins que des peines ou des sanctions administratives soient établies par ou en vertu d’une loi, d’un décret ou d’une ordonnance pour les mêmes infractions ». B.2.1. Avant l’adoption de l’article 16.6.3 précité, l’action publique était fondée sur les articles 56 et suivants du décret du 2 juillet 1981 sur les déchets, qui ne prévoyait toutefois au niveau communal ni sanctions pénales ni sanctions administratives. Toutefois, conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, il était déjà possible pour les communes de lutter plus rapidement et plus efficacement contre certains troubles en matière de propreté, de salubrité, de sécurité et de tranquillité publique et contre les nuisances publiques sur leur territoire. La circulaire OOP 30bis « concernant la mise en œuvre des lois du 13 mai 1999 relative aux sanctions administratives dans les communes, du 7 mai 2004 modifiant la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse et la nouvelle loi communale et du 17 juin 2004 modifiant la nouvelle loi communale » prévoit que « le dérangement public vise des comportements matériels, essentiellement individuels, qui sont de nature à troubler le déroulement harmonieux des activités humaines et à réduire la qualité de la vie des habitants d’une commune, d’un quartier, d’une rue d’une manière qui dépasse les contraintes normales de la vie sociale ». B.2.2. En adoptant l’amendement no 33 (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/003, p. 19), qui a inséré l’article 16.6.3, § 2, le législateur décrétal a voulu donner aux communes la possibilité de s’attaquer de manière adéquate à certaines formes limitées de nuisance publique. « [L’amendement] modifie [...] les dispositions pénales du décret sur les déchets; du fait de cette modification, les communes pourront imposer directement des sanctions en cas de salissement de la voie publique et des lieux accessibles au public. A titre d’exemple, on peut citer l’abandon de tous types de déchets (mégots de cigarette, chewing-gums, cannettes, etc.), l’affichage illégal, le non-ramassage des déjections d’animaux de trait, le déversement clandestin, etc. Lorsqu’elles déterminent les sanctions communales, les communes peuvent opter soit pour des peines de police, soit pour une amende administrative de maximum 250 euros. Lorsque les communes n’interviennent pas elles-mêmes contre de telles formes de nuisance, la ministre entend punir toute nuisance publique d’une amende de 45,45 euros. [...] Par ces propositions qu’elle souhaite joindre au projet de décret, la ministre espère fournir aux communes un fondement juridique solide, dans leur lutte contre les nuisances et pour une meilleure qualité de vie et pour un environnement plus sain » (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/005, pp. 33-34). Quant à la troisième question préjudicielle (violation des règles répartitrices de compétence) B.3.1. L’examen de la conformité d’une disposition en cause aux règles répartitrices de compétence doit précéder l’examen de sa compatibilité avec les dispositions du titre II de la Constitution. B.3.2. La troisième question préjudicielle interroge la Cour sur le point de savoir si l’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 est conforme à l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, quatrième tiret, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, en ce que, par dérogation à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, cet article conférerait aux communes la compétence d’établir des sanctions administratives communales pour des infractions aux règlements et ordonnances, à l’encontre desquelles un décret a déjà prévu des sanctions, de sorte que le législateur décrétal régional empiéterait sur les compétences qui sont réservées au législateur fédéral. B.4.1. L’article 6, § 1er, II, 2o, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, tel qu’il a été remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, confère aux régions la compétence à l’égard de « la politique des déchets », sous réserve des exceptions prévues à l’alinéa 2. Les régions sont également compétentes pour la protection de l’environnement et pour la protection et la conservation de la nature (article 6, § 1er, II, 1o, et III, 2o). L’article 11 de la même loi spéciale, tel qu’il a été remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, dispose : « Dans les limites des compétences des Communautés et des Régions, les décrets peuvent ériger en infraction les manquements à leurs dispositions et établir les peines punissant ces manquements; les dispositions du livre Ier du Code pénal s’y appliquent, sauf les exceptions qui peuvent être prévues par décret pour des infractions particulières. L’avis conforme du Conseil des ministres est requis pour toute délibération au sein du Gouvernement de Communauté ou de Région sur un avant-projet de décret reprenant une peine ou une pénalisation non prévue au livre Ier du Code pénal. Dans les limites visées à l’alinéa 1er, les décrets peuvent : 1o accorder la qualité d’agent ou d’officier de police judiciaire aux agents assermentés du Gouvernement de Communauté ou de Région ou d’organismes ressortissant à l’autorité ou au contrôle du Gouvernement de Communauté ou de Région; 2o régler la force probante des procès-verbaux; 3o fixer les cas pouvant donner lieu à une perquisition ». B.4.2. Le Constituant et le législateur spécial, dans la mesure où ils ne disposent pas autrement, ont attribué aux communautés et aux régions toute la compétence d’édicter les règles propres aux matières qui leur ont été transférées. Sauf dispositions contraires, le législateur spécial a transféré aux communautés et aux régions l’ensemble de la politique relative aux matières qu’il a attribuées. 53404 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.5.1. La compétence du législateur régional en matière de déchets inclut celle de choisir d’assortir les dispositions qu’il adopte de sanctions pénales sur la base de l’article 11 précité, de renoncer à celles-ci, de choisir d’autres mesures ou d’habiliter les autorités locales à infliger des sanctions administratives. B.5.2. La circonstance que la disposition en cause permette aux communes d’infliger des sanctions administratives pour réprimer des comportements qui le sont pénalement alors que l’article 119bis de la Nouvelle loi communale ne le permet pas dans une telle hypothèse n’implique pas qu’il soit porté atteinte aux compétences du législateur fédéral. Ce dernier est compétent, en vertu de l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, quatrième tiret, de la loi spéciale précitée pour régler l’organisation et la politique relative à la police, en ce compris l’article 135, § 2, de la Nouvelle loi communale. Cette compétence n’implique pas que les régions ne pourraient habiliter les communes à infliger des sanctions administratives que dans les conditions fixées par l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, à savoir en vue de réprimer des comportements qui ne sont pas sanctionnés pénalement. B.5.3. En l’espèce, il apparaît que la solution retenue par le législateur régional, qui est fondée, comme celle retenue par le législateur fédéral, sur le souci de garantir le respect du principe non bis in idem (Doc. parl., Chambre, 2002-2003, DOC 50-2366/001, pp. 5-6; Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/1, p. 17), est également conforme à l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, alinéa 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 précité qui, notamment, prévoit à l’instar de l’article 162, alinéa 2, 2o, de la Constitution, que les conseils communaux règlent tout ce qui est d’intérêt communal : le mécanisme mis en place par la disposition en cause permet ainsi, tout à la fois, de garantir l’efficacité de la mesure et de donner aux autorités communales la possibilité d’exercer leurs compétences en matière, notamment, d’ordre et de salubrité publics. Un tel mécanisme, qui ne s’écarte de celui retenu par le législateur fédéral qu’en ce qu’une sanction sera toujours possible, alors que seuls certains comportements seront punis sur la base de la loi fédérale, n’est de nature ni à empêcher le législateur fédéral d’exercer ses compétences ni à en rendre l’exercice particulièrement difficile. B.6. La troisième question préjudicielle appelle une réponse négative. Quant à la première question préjudicielle (principe de légalité en matière pénale) B.7. La première question préjudicielle interroge la Cour sur le point de savoir si l’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 est compatible avec les articles 12 et 14 de la Constitution, combinés ou non avec les articles 10 et 11 de la Constitution, avec l’article 7 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 15 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, en ce que la notion de « formes limitées de nuisances publiques » n’aurait pas un contenu normatif suffisant pour définir les comportements qui, par dérogation aux sanctions mentionnées à l’article 16.6.3, § 1er, du décret du 5 avril 1995, sont réprimés par des sanctions communales, conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, ou par une peine de police d’un montant maximum de 45,45 euros. B.8.1. En attribuant au législateur la compétence, d’une part, de déterminer dans quels cas et sous quelle forme des poursuites pénales sont possibles et, d’autre part, d’adopter une norme législative en vertu de laquelle une peine peut être établie et appliquée, les articles 12, alinéa 2, et 14 de la Constitution garantissent à tout citoyen qu’aucun comportement ne sera punissable et qu’aucune peine ne sera infligée qu’en vertu de règles adoptées par une assemblée délibérante, démocratiquement élue. B.8.2. Le principe de légalité en matière pénale procède en outre de l’idée que la loi pénale doit être formulée en des termes qui permettent à chacun de savoir, au moment où il adopte un comportement, si celui-ci est ou non punissable. Il exige que le législateur indique, en des termes suffisamment précis, clairs et offrant la sécurité juridique, quels faits sont sanctionnés, afin, d’une part, que celui qui adopte un comportement puisse évaluer préalablement, de manière satisfaisante, quelle sera la conséquence pénale de ce comportement et afin, d’autre part, que ne soit pas laissé au juge un trop grand pouvoir d’appréciation. B.8.3. Toutefois, le principe de légalité en matière pénale n’empêche pas que la norme législative attribue un pouvoir d’appréciation au juge. Il faut en effet tenir compte du caractère de généralité des dispositions législatives, de la diversité des situations auxquelles elles s’appliquent et de l’évolution des comportements qu’elles répriment. La condition en vertu de laquelle l’infraction doit être clairement définie par la norme législative se trouve remplie lorsque le justiciable peut savoir, à partir du libellé de la disposition pertinente et, le cas échéant, à l’aide de son interprétation par les juridictions, quels actes et omissions engagent sa responsabilité pénale. B.8.4. Ce n’est que dans le cadre de l’examen d’une disposition pénale spécifique qu’il est possible de déterminer, compte tenu des éléments propres aux infractions qu’elle entend sanctionner, si les termes employés par le législateur sont à ce point imprécis qu’ils violeraient le principe de légalité consacré par l’article 12, alinéa 2, de la Constitution. B.9.1. L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 dispose que les communes peuvent établir des sanctions communales à l’encontre des « formes limitées de nuisances publiques », conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale et par dérogation à l’article 16.6.3, § 1er, du même décret. B.9.2. Les travaux préparatoires du décret du 5 avril 1995 fournissent plusieurs indications sur ce qu’il convient d’entendre par « formes limitées de nuisances publiques ». « Il ne fait aucun doute que les problèmes de détritus, de déjections canines, de déversement clandestin, de chiens errants, [...], ont un impact extrêmement négatif sur notre société et qu’ils entraînent souvent un grand agacement et du mécontentement dans notre vie en société. [...] ’ Le dérangement public vise des comportements matériels, essentiellement individuels, qui sont de nature à troubler le déroulement harmonieux des activités humaines et à réduire la qualité de la vie des habitants d’une commune, d’un quartier ou d’une rue, d’une manière qui dépasse les contraintes normales de la vie sociale. On peut considérer les dérangements publics comme des formes légères de troubles à la tranquillité, à la sécurité, à la salubrité et à la propreté publique ’ » (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/003, p. 18). « Alors que l’amendement no 32 entend, de manière générale, offrir une solution contre diverses formes limitées de nuisance publique, le présent amendement vise spécifiquement les formes limitées de nuisance publique en matière de déchets, telles que le déversement clandestin ou l’abandon de détritus » (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/003, p. 19). « La proposition modifie avant tout les dispositions pénales du décret sur les déchets; du fait de cette modification, les communes pourront imposer directement des sanctions en cas de salissement de la voie publique et des lieux accessibles au public. A titre d’exemple, on peut citer l’abandon de tous types de déchets (mégots de cigarette, chewing-gums, cannettes, etc.), l’affichage illégal, le non-ramassage des déjections d’animaux de trait, le déversement clandestin, etc. » (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/005, p. 33). B.9.3. La notion de « formes limitées de nuisances publiques » est en l’espèce également limitée aux formes résultant du non-respect strict des prescriptions légales et des conditions d’autorisation en matière de déchets. Le champ d’application de cette notion est donc restreint. B.10. Le champ d’application des « formes limitées de nuisances publiques » est clairement délimité : d’une part, les travaux préparatoires donnent en la matière suffisamment d’indications sur ce qu’il convient d’entendre par cette notion; d’autre part, cette notion ne s’applique qu’à l’abandon, à la gestion ou au transport de déchets en violation des prescriptions légales ou d’un permis. 53405BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.11.1. Tout abandon, toute gestion ou tout transport de déchets ne mettent pas en cause la responsabilité pénale des intéressés. En effet, pour qu’il soit question d’une infraction, il faut non seulement un élément matériel, mais également un élément moral, lequel, en l’espèce, est le caractère intentionnel ou le défaut de précaution ou de prudence. B.11.2. Les destinataires de la disposition en cause doivent respecter les normes et les conditions d’autorisation qui s’imposent à eux, comme toute personne qui se trouve dans les mêmes circonstances. B.12.1. L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 permet donc aux destinataires de cette disposition de déterminer les faits et omissions qui emportent leur responsabilité pénale. B.12.2. Certes, la disposition en cause confère au juge pénal un pouvoir d’appréciation en ce qu’il doit établir, concernant un abandon, une gestion ou un transport de déchets bien déterminés, s’il s’agit, concrètement, d’une forme limitée de nuisance publique au sens de l’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 ou d’un fait qui ne répond pas à cette qualification et doit, par conséquent, selon le cas, être l’objet des sanctions visées à l’article 16.6.3, § 1er, alinéa 1er, ou à l’article 16.6.3, § 1er, alinéa 2, du même décret. Il ne s’agit donc pas d’un pouvoir autonome d’incrimination mais d’un pouvoir d’appréciation qui ne s’écarte pas de celui dont dispose le juge pénal lorsqu’il détermine la peine à infliger en application de dispositions pénales prévoyant une très large marge entre les peines minimale et maximale. B.12.3. Il ressort de ce qui précède que la disposition en cause ne porte pas atteinte au principe de légalité en matière pénale. B.13. La première question préjudicielle appelle une réponse négative. Quant à la deuxième question préjudicielle (violation du principe d’égalité) B.14. La deuxième question préjudicielle interroge la Cour sur le point de savoir si l’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 est compatible avec les articles 10 et 11 de la Constitution, « en ce que cette disposition fait naître une différence de traitement, entre des justiciables, qui n’est justifiée ni objectivement, ni raisonnablement, puisque les justiciables qui causent des formes limitées de nuisance publique - pour reprendre la définition du décret sur la défense de l’environnement - dans une commune qui, conformément à l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, a établi des sanctions communales pour ces faits ne peuvent se voir infliger qu’une sanction administrative communale, alors qu’un justiciable qui cause la même forme limitée de nuisance publique dans une commune qui n’a pas établi de telles sanctions administratives communales pour ces faits peut quant à lui se voir infliger une sanction de nature pénale, qui sera inscrite dans son casier judiciaire ». B.15. Les travaux préparatoires du décret du 5 avril 1995 mentionnent : « Cette réglementation ne porte pas atteinte au principe d’égalité, mais constitue une forme de décentralisation faisant droit à la subsidiarité. Toute décentralisation implique que les pouvoirs décentralisés puissent faire des choix et que ces choix puissent différer d’une administration à l’autre, dans les limites établies par la législation plus centralisée et sur leur propre territoire. Au même titre que les Etats membres de l’UE diffèrent les uns des autres dans ce qu’ils répriment et/ou en ce qui concerne le taux de la peine, en exécution et dans les limites de la législation UE, les régions diffèrent également les unes des autres dans ce qu’elles répriment et/ou en ce qui concerne le taux de la peine, dans les limites de la législation UE, de la Constitution et des lois sur la réforme de l’Etat. Il n’est donc logiquement pas exclu non plus que des différences existent d’une commune à l’autre, dans les limites des compétences qui leur sont attribuées par la Constitution, par les lois et par les décrets. Il s’agit d’un corollaire évident de la subsidiarité. Le principe d’égalité serait compromis si, dans les limites des compétences qui lui ont été attribuées, l’administration compétente traitait les sujets de droit de manière inégale [...]. La disposition résiduaire qui réprime les formes limitées de nuisance publique par une amende de 45,45 euros, lorsque la commune n’a pas prévu de sanctionner cette forme de nuisance en exécution de l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, n’y porte pas non plus atteinte : le taux de la peine n’excède pas les limites dans lesquelles la commune peut choisir librement, en exécution de l’article 119bis. [...] Si la commune n’a pas édicté de règlement concernant une forme déterminée de nuisance publique en application de l’article 119bis de la Nouvelle loi communale, cette forme de nuisance reste passible d’une amende dont le montant correspond à celui de la sanction administrative communale maximale. La présente proposition a tenu compte pour cela de la réglementation relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales » (Doc. parl., Parlement flamand, 2006-2007, no 1249/003, pp. 18-19). B.16.1. L’article 16.6.3, § 2, du décret du 5 avril 1995 vise à garantir la répression des formes limitées de nuisance publique et donc à permettre l’intervention énergique, rapide et efficace d’une commune face à des problèmes relativement limités et simples, ayant un impact très négatif sur la vie en société. Il convient également de relever le caractère facultatif de la compétence des communes pour imposer des sanctions et le caractère supplétif de l’incrimination régionale, lorsque les communes choisissent de ne pas faire usage de leur compétence facultative, ce qui souligne l’autonomie communale. B.16.2. La différence de traitement repose sur un critère objectif, qui est fonction de ce que les communes useront ou non de l’habilitation qui leur est conférée par la disposition en cause. La mesure en cause est pertinente au regard de l’objectif poursuivi, le législateur décrétal ayant entendu garantir tout à la fois une répression efficace des comportements qu’il vise et l’autonomie des communes. Par ailleurs, une différence de traitement dans des matières pour lesquelles les communes disposent d’une compétence propre est la conséquence légitime de politiques distinctes et ne peut, en soi, être jugée contraire aux articles 10 et 11 de la Constitution. Enfin, la mesure en cause ne peut être tenue pour disproportionnée, eu égard à la nature faits incriminés et aux sanctions pouvant être infligées. B.17. La deuxième question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 16.6.3, § 2, du décret de la Région flamande du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement, tel qu’il a été inséré par le décret du 21 décembre 2007 complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l’environnement par un titre XVI « Contrôle, maintien et mesures de sécurité », ne viole ni les règles répartitrices de compétence, ni les articles 12 et 14 de la Constitution, combinés ou non avec les articles 10 et 11 de la Constitution, avec l’article 7 de la Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 15 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, ni les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. 53406 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203373] Auszug aus dem Urteil Nr. 62/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4783 In Sachen: Präjudizielle Fragen in Bezug auf Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets der Flämischen Region vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik, eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI «Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen», gestellt vom Appellationshof Gent. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Fragen und Verfahren In seinem Urteil vom 2. Oktober 2009 in Sachen der Staatsanwaltschaft gegen Vojtech Olah und Viera Balazova, dessen Ausfertigung am 13. Oktober 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Appellationshof Gent folgende präjudizielle Fragen gestellt: «Verstößt Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik (Belgisches Staatsblatt vom 3. Juni 1995), eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI ’ Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen ’ (Belgisches Staatsblatt vom 29. Februar 2008), gegen die Artikel 12 und 14 der Verfassung, an sich oder in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung und mit Artikel 7 der Europäischen Menschenrechtskonvention sowie mit Artikel 15 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte, indem die Umschreibung ’ geringfügige Formen der öffentlichen Störung ’ keinen ausreichenden normativen Inhalt hat, um diese Verhaltensweisen zu definieren, die in Abweichung von den in Artikel 16.6.3 § 1 des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik (Belgisches Staatsblatt vom 3. Juni 1995), eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI ’ Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen ’, erwähnten Strafen entweder mit kommunalen Sanktionen gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes oder mit einer Polizeistrafe von höchstens 45,45 Euro bestraft werden?»; «Verstößt Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik (Belgisches Staatsblatt vom 3. Juni 1995), eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI ’ Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen ’ (Belgisches Staatsblatt vom 29. Februar 2008), gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, indem diese Bestimmung zu einer unterschiedlichen Behandlung der Rechtsunterworfenen führt, die nicht objektiv und vernünftig gerechtfertigt ist, da ein Rechtsunterworfener, der geringfügige Formen der öffentlichen Störung nach der im Umweltdurchsetzungsdekret bestimmten Definition in einer Gemeinde begeht, die sie gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes mit kommunalen Sanktionen belegt, nur mit einer kommunalen Verwaltungssanktionen bestraft werden kann, während ein Rechtsunterworfener, der die gleiche geringfügige Form der öffentlichen Störung in einer Gemeinde begeht, die sie nicht mit solchen kommunalen Verwaltungssanktionen belegt, wohl mit einer Strafe strafrechtlicher Art, die im Strafregister des Rechtsunterworfenen verzeichnet wird, bestraft werden kann?»; «Verstößt Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik (Belgisches Staatsblatt vom 3. Juni 1995), eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI ’ Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen ’ (Belgisches Staatsblatt vom 29. Februar 2008), gegen die durch die Verfassung oder kraft derselben zur Bestimmung der jeweiligen Zuständigkeiten von Staat, Gemeinschaften und Regionen festgelegten Vorschriften, indem in Abweichung von Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes den Gemeinden die Zuständigkeit erteilt wird, kommunale Verwaltungssanktionen für Verstöße gegen Verordnungen und Verfügungen, für die ein Dekret bereits Strafen vorgesehen hat, zu bestimmen?». (...) II. In rechtlicher Beziehung (...) B.1.1. Das Dekret der Flämischen Region vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik (nachstehend: das Dekret vom 5. April 1995) in der durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI «Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen» abgeänderten Fassung harmonisiert die Bestimmungen über die Aufsicht, die Sanktionen und die Sicherheitsmaßnahmen für verschiedene Umweltgesetze und dekrete, führt zu einer koordinierten Umweltdurchsetzungspolitik durch einen einzusetzenden Flämischen Hohen Rat für die Umweltdurchsetzung und bezweckt, die administrative Rechtsdurchsetzung zu verstärken durch Auferlegung von Verwaltungsmaßnahmen und administrativen Geldbußen. B.1.2. Artikel 16.6.3 des Dekrets vom 5. April 1995 bestimmt: «§ 1. Wer absichtlich, im Widerspruch zu den gesetzlichen Vorschriften oder im Widerspruch zu einer Genehmigung Abfälle zurücklässt, bewirtschaftet oder transportiert, wird mit einer Gefängnisstrafe von einem Monat bis zu fünf Jahren und mit einer Geldbuße von 100 Euro bis 500 000 Euro oder mit nur einer dieser Strafen bestraft. Wer durch einen Mangel an Vorsorge oder Vorsicht, im Widerspruch zu den gesetzlichen Vorschriften oder im Widerspruch zu einer Genehmigung Abfälle zurücklässt, bewirtschaftet oder transportiert, wird mit einer Gefängnis strafe von einem Monat bis zu drei Jahren und mit einer Geldbuße von 100 Euro bis 350 000 Euro oder mit nur einer dieser Strafen bestraft. § 2. In Abweichung von den in Paragraph 1 erwähnten Strafen können Gemeinden für geringfügige Formen der öffentlichen Störung kommunale Sanktionen gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes festlegen. Wenn die Gemeinde keine kommunalen Sanktionen gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes festgelegt hat, werden in dieser Gemeinde solche geringfügigen Formen der öffentlichen Störung mit einer Geldbuße von höchstens 45,45 Euro bestraft». 53407BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.1.3. Artikel 119bis § 1 des neuen Gemeindegesetzes bestimmt: «Der Gemeinderat kann für Verstöße gegen seine Verordnungen oder Verfügungen Strafen oder Verwaltungs sanktionen festlegen, es sei denn, dass für die gleichen Verstöße durch oder aufgrund eines Gesetzes, eines Dekrets oder einer Ordonnanz Strafen oder Verwaltungssanktionen festgelegt werden». B.2.1. Vor der Annahme des vorerwähnten Artikels 16.6.3 beruhte die Strafverfolgung auf den Artikeln 56 ff. des Abfalldekrets vom 2. Juli 1981, das auf kommunaler Ebene jedoch weder eine strafrechtliche Behandlung, noch eine verwaltungsrechtliche Behandlung vorsah. Gemäß Artikel 119bis § 1 des neuen Gemeindegesetzes war es den Gemeinden jedoch bereits möglich, bestimmte Störungen der Sauberkeit, Gesundheit, Sicherheit und der öffentlichen Ruhe und öffentliche Störungen auf ihrem Gebiet schneller und effizienter zu bekämpfen. Das Rundschreiben OOP 30bis «über die Ausführung des Gesetzes vom 13. Mai 1999 zur Einführung kommunaler Verwaltungssanktionen, des Gesetzes vom 7. Mai 2004 zur Abänderung des Gesetzes vom 8. April 1965 über den Jugendschutz und des neuen Gemeindegesetzes und des Gesetzes vom 17. Juni 2004 zur Abänderung des neuen Gemeindegesetzes» bestimmt, dass mit der öffentlichen Störung das materielle, hauptsächlich individuelle Verhalten gemeint ist, das den harmonischen Verlauf menschlicher Aktivitäten beeinträchtigen und die Lebensqualität der Einwohner einer Gemeinde, eines Stadtteils, einer Straße einschränken kann auf eine Art und Weise, die die normalen Zwänge des gesellschaftlichen Lebens überschreitet. B.2.2. Mit dem Abänderungsantrag Nr. 33 (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/003, S. 19), der Artikel 16.6.3 § 2 eingeführt hat, beabsichtigte der Dekretgeber, den Gemeinden die Möglichkeit zu bieten, bestimmte geringfügige Formen der öffentlichen Störung auf angemessene Weise zu behandeln. «Durch [diesen Abänderungsantrag] werden [...] die Strafbestimmungen des Abfalldekrets abgeändert; hierdurch können Gemeinden unverzüglich kommunale Sanktionen für die Verschmutzung öffentlicher Straßen und Plätze, die der Öffentlichkeit zugänglich sind, auferlegen. Es handelt sich beispielsweise um das Zurücklassen von allerlei kleinen Abfällen (Zigarettenkippen, Kaugummi, Getränkedosen, und so weiter), wildes Plakatieren, das Unterlassen der Beseitigung von Ausscheidungen von Reittieren, illegales Abladen von Müll, und so weiter. Bei der Festlegung der kommunalen Sanktionen können die Gemeinden sich entweder für Polizeistrafen oder für eine administrative Geldbuße mit einer Obergrenze von 250 Euro entscheiden. In den Fällen, in denen die Gemeinden nicht selbst gegen solche Formen der öffentlichen Störung vorgehen, möchte die Ministerin öffentliche Störungen mit einer Geldbuße von 45,45 Euro unter Strafe stellen. [...] Mit diesen Vorschlägen, die die Ministerin dem Dekretentwurf hinzufügen möchte, hofft sie, den Gemeinden eine geeignete Rechtsgrundlage in ihrem Kampf gegen Störungen und um eine bessere Lebensqualität sowie ein besseres Lebensumfeld zu bieten» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/005, SS. 33-34). In Bezug auf die dritte präjudizielle Frage (Verstoß gegen die Regeln der Zuständigkeitsverteilung) B.3.1. Die Prüfung der Übereinstimmung einer fraglichen Bestimmung mit den Regeln der Zuständigkeits verteilung muss vor derjenigen ihrer Vereinbarkeit mit den Bestimmungen von Titel II der Verfassung erfolgen. B.3.2. Die dritte präjudizielle Frage ist darauf ausgerichtet, vom Hof zu vernehmen, ob Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 vereinbar ist mit Artikel 6 § 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 vierter Gedankenstrich des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen, indem in Abweichung von Artikel 119bis des neuen Gemeindege setzes den Gemeinden die Befugnis erteilt werde, kommunale Verwaltungssanktionen aufzuerlegen für Verstöße gegen Verordnungen und Verfügungen, für die ein Dekret bereits Strafen vorsehe, so dass der regionale Dekretgeber auf die Befugnisse, die dem föderalen Gesetzgeber vorbehalten seien, übergreife. B.4.1. Kraft Artikel 6 § 1 II Nr. 2 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen, ersetzt durch das Sondergesetz vom 16. Juli 1993, sind die Regionen für «die Abfallpolitik» zuständig, vorbehaltlich der in Absatz 2 vorgesehenen Ausnahmen. Die Regionen sind ebenfalls zuständig für den Umweltschutz sowie für den Naturschutz und die Erhaltung der Natur (Artikel 6 § 1 II Nr. 1 und III Nr. 2). Artikel 11 desselben Sondergesetzes, ersetzt durch das Sondergesetz vom 16. Juli 1993, bestimmt: «Innerhalb der Grenzen der Befugnisse der Gemeinschaften und Regionen können Dekrete Verstöße gegen ihre Bestimmungen unter Strafe stellen und Strafen zur Ahndung dieser Verstöße festlegen; die Bestimmungen von Buch I des Strafgesetzbuches sind darauf anwendbar, vorbehaltlich der Ausnahmen, die für besondere Verstöße durch ein Dekret vorgesehen werden können. Für jede Beratung in der Gemeinschafts- oder Regionalregierung über einen Vorentwurf eines Dekrets, in dem eine Strafe oder eine Unterstrafestellung enthalten ist, die in Buch I des Strafgesetzbuches nicht vorgesehen ist, ist eine gleichlautende Stellungnahme des Ministerrates erforderlich. In dem in Absatz 1 abgesteckten Rahmen können Dekrete: 1. den vereidigten Bediensteten der Gemeinschafts- oder Regionalregierung oder der Einrichtungen, die der Amtsgewalt oder der Kontrolle der Gemeinschafts- oder Regionalregierung unterliegen, die Eigenschaft eines Gerichtspolizeibediensteten oder Gerichtspolizeioffiziers zuerkennen, 2. die Beweiskraft von Protokollen regeln, 3. die Fälle festlegen, in denen eine Haussuchung stattfinden kann». B.4.2. Insoweit sie nicht anders darüber verfügt haben, haben der Verfassungsgeber und der Sondergesetzgeber den Gemeinschaften und den Regionen die vollständige Befugnis erteilt, Regeln aufzustellen, die den ihnen zugewiesenen Angelegenheiten eigen sind. Vorbehaltlich anders lautender Bestimmungen hat der Sondergesetzgeber die Gesamtheit der Politik bezüglich der durch ihn zugewiesenen Angelegenheiten den Gemeinschaften und Regionen übertragen. B.5.1. Die Zuständigkeit des regionalen Gesetzgebers für Abfälle beinhaltet die Befugnis, sich dafür zu entscheiden, die durch ihn angenommenen Bestimmungen mit strafrechtlichen Sanktionen auf der Grundlage des vorerwähnten Artikels 11 einhergehen zu lassen, davon abzusehen, andere Maßnahmen zu wählen oder die lokalen Behörden zu ermächtigen, Verwaltungssanktionen aufzuerlegen. B.5.2. Der Umstand, dass die fragliche Bestimmung es den Gemeinden ermöglicht, Verwaltungssanktionen aufzuerlegen, um Verhaltensweisen zu bestrafen, die strafrechtlich geahndet werden, während Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes dies in einem solchen Fall nicht ermöglicht, bedeutet nicht, dass gegen die Zuständigkeiten des föderalen Gesetzgebers verstoßen würde. Dieser ist aufgrund von Artikel 6 § 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 vierter Gedankenstrich des vorerwähnten Sondergesetzes dafür zuständig, die Organisation der Polizei und die Politik mit Bezug auf die Polizei, einschließlich des Artikels 135 § 2 des neuen Gemeindegesetzes, zu regeln. Diese Zuständigkeit bedeutet nicht, dass die Regionen die Gemeinden nur unter den durch Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes festgelegten Bedingungen, nämlich um Verhaltensweisen zu bestrafen, die nicht strafrechtlich geahndet werden, dazu ermächtigen könnten, Verwaltungssanktionen aufzuerle gen. 53408 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.5.3. Im vorliegenden Fall ist festzustellen, dass die durch den regionalen Gesetzgeber berücksichtigte Lösung, die - ebenso wie diejenige, die der föderale Gesetzgeber berücksichtigt hat - auf dem Bemühen beruht, die Einhaltung des Grundsatzes non bis in idem zu gewährleisten (Parl. Dok., Kammer, 2002-2003, DOC 50-2366/001, SS. 5-6; Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/1, S. 17), ebenfalls dem vorerwähnten Artikel 6 § 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 Absatz 3 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 entspricht, der nach dem Beispiel von Artikel 162 Absatz 2 Nr. 2 der Verfassung insbesondere bestimmt, dass die Gemeinderäte alles regeln, was von kommunalem Interesse ist; der durch die fragliche Bestimmung eingeführte Mechanismus ermöglicht es somit, gleichzeitig die Wirksamkeit der Maßnahme zu gewährleisten und den Gemeindebehörden die Möglichkeit zu geben, ihre Zuständigkeiten für insbesondere die öffentliche Ordnung und Gesundheit auszuüben. Ein solcher Mechanismus, der nur von dem Mechanismus abweicht, der durch den föderalen Gesetzgeber berücksichtigt worden ist, insofern immer eine Sanktion möglich sein wird, während nur bestimmte Verhaltensweisen auf der Grundlage der föderalen Gesetze bestraft werden, ist nicht so beschaffen, dass er den föderalen Gesetzgeber daran hindern würde, seine Befugnisse auszuüben, und ebenfalls nicht so, dass er deren Ausübung besonders erschweren würde. B.6. Die dritte präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. In Bezug auf die erste präjudizielle Frage (Legalitätsprinzip in Strafsachen) B.7. Die erste präjudizielle Frage ist darauf ausgerichtet, vom Hof zu vernehmen, ob Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 vereinbar ist mit den Artikeln 12 und 14 der Verfassung, gegebenenfalls in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung, mit Artikel 7 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 15 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte, da die Formulierung «geringfügige Formen der öffentlichen Störung» keinen ausreichend normativen Inhalt habe, um diese Verhaltensweisen zu definieren, die in Abweichung von den in Artikel 16.6.3 § 1 des Dekrets vom 5. April 1995 angeführten Strafen mit kommunalen Sanktionen gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes oder mit einer Polizeistrafe von höchstens 45,45 Euro geahndet würden. B.8.1. Indem die Artikel 12 Absatz 2 und 14 der Verfassung dem Gesetzgeber die Befugnis verleihen, einerseits zu bestimmen, in welchen Fällen und in welcher Form eine Strafverfolgung möglich ist, und andererseits eine Gesetzesnorm anzunehmen, aufgrund deren eine Strafe eingeführt und angewandt werden kann, gewährleisten sie jedem Bürger, dass keinerlei Verhalten unter Strafe gestellt wird und keinerlei Strafe auferlegt wird, wenn dies nicht aufgrund von Regeln geschieht, die durch eine demokratisch gewählte beratende Versammlung angenommen wurden. B.8.2. Das Legalitätsprinzip in Strafsachen geht außerdem von der Überlegung aus, dass das Strafgesetz so formuliert sein muss, dass jeder zu dem Zeitpunkt, wo er ein Verhalten annimmt, wissen kann, ob dieses Verhalten strafbar ist oder nicht. Er verlangt, dass der Gesetzgeber in ausreichend genauen, deutlichen und Rechtssicherheit bietenden Worten festlegt, welche Handlungen unter Strafe gestellt werden, damit einerseits derjenige, der ein Verhalten annimmt, vorher ausreichend beurteilen kann, welche strafrechtlichen Folgen dieses Verhalten haben kann, und andererseits dem Richter keine allzu große Ermessensbefugnis überlassen wird. B.8.3. Das Legalitätsprinzip in Strafsachen verhindert jedoch nicht, dass das Gesetz dem Richter eine Ermessensbefugnis gewährt. Man muss nämlich der allgemein gültigen Beschaffenheit der Gesetzesbestimmungen, der Verschiedenartigkeit der Situationen, auf die sie angewandt werden, und der Entwicklung der Verhaltensweisen, die sie ahnden, Rechnung tragen. Das Erfordernis, dass eine Straftat deutlich in der Gesetzesnorm definiert sein muss, ist erfüllt, wenn der Rechtsunterworfene auf der Grundlage der Formulierung der relevanten Bestimmung und vorkommendenfalls anhand ihrer Auslegung durch die Rechtsprechungsorgane wissen kann, welche Handlungen und welche Unterlas sungen seine strafrechtliche Haftung mit sich bringen können. B.8.4. Nur bei der Prüfung einer spezifischen Strafbestimmung ist es möglich, unter Berücksichtigung der jeweiligen Merkmale der zu ahndenden Straftaten zu bestimmen, ob die vom Gesetzgeber verwendeten Formulierungen so ungenau sind, dass sie gegen das durch Artikel 12 Absatz 2 der Verfassung gewährleistete Legalitätsprinzip verstoßen würden. B.9.1. Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 bestimmt, dass für «geringfügige Formen der öffentlichen Störung» die Gemeinden die Möglichkeit haben, gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes und in Abweichung von Artikel 16.6.3 § 1 des Dekrets vom 5. April 1995 kommunale Sanktionen festzulegen. B.9.2. In den Vorarbeiten zum Dekret vom 5. April 1995 werden verschiedene Hinweise dazu gegeben, was unter diesen «geringfügigen Formen der öffentlichen Störung» zu verstehen ist. «Es besteht kein Zweifel darüber, dass Probleme von kleinen Abfällen, Hundekot, illegalen Entsorgungen, streunenden Hunden, und so weiter, [...], sich doch sehr negativ auf unsere Gesellschaft auswirken und oft zu ernsthafter Verärgerung und Unmut in dieser Gesellschaft Anlass geben. [...] ’ Mit der öffentlichen Störung ist das materielle, hauptsächlich individuelle Verhalten gemeint, das den harmonischen Verlauf menschlicher Aktivitäten beeinträchtigen und die Lebensqualität der Einwohner einer Gemeinde, eines Stadtteils, einer Straße einschränken kann auf eine Art und Weise, die die normalen Zwänge des gesellschaftlichen Lebens überschreitet. Öffentliche Störungen können als leichte Formen von Störungen der öffentlichen Ruhe, Sicherheit, Gesundheit und Sauberkeit angesehen werden. ’» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/003, S. 18). «Während der Abänderungsantrag Nr. 32 im Allgemeinen eine Lösung für verschiedene geringfügige Formen der öffentlichen Störung bieten soll, ist der vorliegende Abänderungsantrag spezifisch auf die geringfügigen Formen der öffentlichen Störung im Zusammenhang mit Abfällen, wie illegales Entsorgen oder Zurücklassen von kleinen Abfällen ausgerichtet» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/003, S. 19). «Durch [den Vorschlag] werden an erster Stelle die Strafbestimmungen des Abfalldekrets abgeändert; hierdurch können Gemeinden unverzüglich kommunale Sanktionen für die Verschmutzung öffentlicher Straßen und Plätze, die der Öffentlichkeit zugänglich sind, auferlegen. Es handelt sich beispielsweise um das Zurücklassen von allerlei kleinen Abfällen (Zigarettenkippen, Kaugummi, Getränkedosen, und so weiter), wildes Plakatieren, das Unterlassen der Beseitigung von Ausscheidungen von Reittieren, illegales Abladen von Müll, und so weiter» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/005, S. 33). B.9.3. Der Begriff «geringfügige Formen der öffentlichen Störung» ist im vorliegenden Fall auch begrenzt auf die Formen, die das Ergebnis einer nicht strikten Einhaltung der gesetzlichen Vorschriften und der Genehmigungsbedin gungen in Bezug auf Abfälle sind. Sie beschränkt sich somit auf ihren Anwendungsbereich. B.10. Die «geringfügigen Formen der öffentlichen Störung» haben einen genau definierten Anwendungsbereich; einerseits werden in den Vorarbeiten diesbezüglich ausreichende Hinweise erteilt über das, was unter diesem Begriff zu verstehen ist; andererseits gilt dieser Begriff ausschließlich beim Zurücklassen, bei der Bewirtschaftung oder dem Transport von Abfällen im Widerspruch zu den gesetzlichen Vorschriften oder im Widerspruch zu einer Genehmigung. B.11.1. Nicht jedes Zurücklassen, jede Bewirtschaftung oder jeder Transport von Abfällen hat die strafrechtliche Haftung der Betroffenen zur Folge. Damit ein Umweltverstoß vorliegt, ist nämlich nicht nur ein materielles Element, sondern auch ein moralisches Element erforderlich, das im vorliegenden Fall in der Absicht oder einem Mangel an Vorsorge oder Vorsicht besteht. 53409BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.11.2. Diejenigen, auf die die fragliche Bestimmung ausgerichtet ist, müssen die ihnen auferlegten Normen und die Genehmigungsbedingungen einhalten, so wie es sich für jeden geziemt, der sich in der gleichen Situation befindet. B.12.1. Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 ermöglicht es daher denjenigen, auf die diese Bestimmung Anwendung findet, die Taten und Nachlässigkeiten zu kennen, die ihre strafrechtliche Haftung zur Folge haben. B.12.2. Die fragliche Bestimmung gewährt dem Strafrichter zwar eine Ermessensbefugnis, indem er für ein bestimmtes Zurücklassen, eine bestimmte Bewirtschaftung oder einen bestimmten Transport von Abfällen bestimmen muss, ob es sich in concreto um eine geringfügige Form der öffentlichen Störung im Sinne von Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 handelt, oder um eine Tat, die nicht dieser Einstufung entspricht, und folglich je nach Fall Gegenstand der Sanktionen im Sinne von Artikel 16.6.3 § 1 Absatz 1 oder Artikel 16.6.3 § 1 Absatz 2 des Dekrets vom 5. April 1995 sein muss. Es handelt sich also nicht um eine autonome Befugnis bezüglich der Unterstrafestellung, sondern um eine solche Ermessensbefugnis, die nicht von derjenigen abweicht, die der Strafrichter bei der Bestimmung der aufzuerlegenden Strafe besitzt, wenn er Strafbestimmungen anwendet, die einen sehr breiten Spielraum zwischen der Mindest- und der Höchststrafe vorsehen. B.12.3. Aus dem Vorstehenden ergibt sich, dass die fragliche Bestimmung nicht das Legalitätsprinzip in Strafsachen verletzt. B.13. Die erste präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. In Bezug auf die zweite präjudizielle Frage (Verstoß gegen den Gleichheitsgrundsatz) B.14. Die zweite präjudizielle Frage ist darauf ausgerichtet, vom Hof zu vernehmen, ob Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung vereinbar ist, «indem diese Bestimmung zu einer unterschiedlichen Behandlung der Rechtsunterworfenen führt, die nicht objektiv und vernünftig gerechtfertigt ist, da ein Rechtsunterworfener, der geringfügige Formen der öffentlichen Störung nach der im Umweltdurchsetzungsdekret bestimmten Definition in einer Gemeinde begeht, die sie gemäß Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes mit kommunalen Sanktionen belegt, nur mit einer kommunalen Verwaltungssanktionen bestraft werden kann, während ein Rechtsunterworfener, der die gleiche geringfügige Form der öffentlichen Störung in einer Gemeinde begeht, die sie nicht mit solchen kommunalen Verwaltungssanktionen belegt, wohl mit einer Strafe strafrechtlicher Art, die im Strafregister des Rechtsunterworfenen verzeichnet wird, bestraft werden kann». B.15. In den Vorarbeiten zum Dekret vom 5. April 1995 heißt es: «Diese Regelung verletzt nicht den Gleichheitsgrundsatz, sondern ist eine Form der Dezentralisierung, die der Subsidiarität entspricht. Jede Dezentralisierung beinhaltet, dass die dezentralen Verwaltungen Entscheidungen treffen können und dass diese von einer Verwaltung zur anderen unterschiedlich sein können innerhalb der Grenzen der zentraleren Rechtsvorschriften und innerhalb des eigenen Gebiets. So wie die EU-Mitgliedstaaten untereinander unterschiedlich sind hinsichtlich dessen, was sie unter Strafe stellen und/oder mit welchen Strafmaßen, dies in Ausführung der EU-Rechtsvorschriften sowie innerhalb ihrer Grenzen, so unterscheiden sich auch die Regionen hinsichtlich dessen, was sie unter Strafe stellen und/oder mit welchen Strafmaßen, dies innerhalb der Grenzen der EU-Rechtsvorschriften, der Verfassung und der Gesetzte über die Staatsreform. Ebenso ist es logischerweise nicht ausgeschlossen, dass Unterschiede bestehen von einer Gemeinde zur anderen innerhalb der Grenzen der ihnen durch die Verfassung, die Gesetze und Dekrete erteilten Zuständigkeiten. Dies ist ein eindeutiges Gegenstück zur Subsidiarität. Der Gleichheitsgrundsatz würde gefährdet, wenn die zuständige Verwaltung innerhalb ihres Zuständig keitsbereichs die Rechtssubjekte auf ungleiche Weise behandeln würde [...]. Auch die Restbestimmung, die für geringfügige Formen der öffentlichen Störung ein strafrechtliches Strafmaß von 45,45 Euro vorsieht für Fälle, in denen die Gemeinde die Form der Störung nicht strafbar gemacht hat in Ausführung von Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes, leistet dem keinen Abbruch; ihr Strafmaß bleibt innerhalb der Spielräume, in denen die Gemeinde sich in Ausführung von Artikel 119bis frei entscheiden kann. [...] Wenn die Gemeinde über eine bestimmte Form der öffentlichen Störung keine Vorschriften in Anwendung von Artikel 119bis des neuen Gemeindegesetzes erlassen hat, bleibt diese Form der Störung strafbar mit einer Geldbuße, die dem Betrag der maximalen kommunalen Verwaltungssanktion entspricht. In diesem Vorschlag wurde dazu der Regelung über die Zuschlagzehntel auf die strafrechtlichen Geldbußen Rechnung getragen» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 2006-2007, Nr. 1249/003, SS. 18-19). B.16.1. Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets vom 5. April 1995 dient dazu, die Bestrafung geringfügiger Formen der öffentlichen Störung zu gewährleisten und somit das tatkräftige, schnelle und effiziente Auftreten einer Gemeinde gegen relativ kleine und einfache Probleme, die sich sehr negativ auf die Gesellschaft auswirken, zu ermöglichen. Gleichzeitig ist auf die fakultative Beschaffenheit der Befugnis der Gemeinden, Sanktionen aufzuerlegen, und auf die ergänzende Beschaffenheit der regionalen Unterstrafestellung, wenn die Gemeinden sich dafür entscheiden, nicht von ihrer fakultativen Befugnis Gebrauch zu machen, was die kommunale Autonomie unterstreicht, hinzuweisen. B.16.2. Der Behandlungsunterschied beruht auf einem objektiven Kriterium, das von dem Umstand abhängig ist, ob die Gemeinden von der ihnen durch die fragliche Bestimmung erteilten Ermächtigung Gebrauch machen werden oder nicht. Die fragliche Maßnahme ist relevant in Bezug auf die Zielsetzung, da der Dekretgeber gleichzeitig eine wirksame Bestrafung der von ihm ins Auge gefassten Verhaltensweisen und die kommunale Autonomie gewährleisten wollte. Ein Behandlungsunterschied in Angelegenheiten, in denen die Gemeinden über eine eigene Befugnis verfügen, ist übrigens die legitime Folge einer unterschiedlichen Politik, und es kann nicht davon ausgegangen werden, dass er an sich im Widerspruch zu den Artikeln 10 und 11 der Verfassung stehen würde. Schließlich kann die fragliche Maßnahme nicht als unverhältnismäßig angesehen werden angesichts der Art der unter Strafe gestellten Handlungen und der Sanktionen, die auferlegt werden können. B.17. Die zweite präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 16.6.3 § 2 des Dekrets der Flämischen Region vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik, eingefügt durch das Dekret vom 21. Dezember 2007 zur Ergänzung des Dekrets vom 5. April 1995 zur Festlegung allgemeiner Bestimmungen über Umweltpolitik um einen Titel XVI «Aufsicht, Rechtsdurchsetzung und Sicherheitsmaßnahmen», verstößt weder gegen die Regeln der Zuständigkeitsverteilung noch gegen die Artikel 12 und 14 der Verfassung, an sich oder in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung, mit Artikel 7 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 15 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte, noch gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, (gez.) P.-Y. Dutilleux. (gez.) M. Bossuyt. 53410 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE GRONDWETTELIJK HOF [2010/203233] Uittreksel uit arrest nr. 63/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4784 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 196.639 van 5 oktober 2009 in zake (I. en II.) de cvba « Maatschappij voor coördinatie van produktie en transport van elektrische energie », rechtsgeding hervat door de nv « Elia », thans de nv « Elia Asset », en (III.) de nv « Elia Asset » tegen (I., II. en III.) het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 oktober 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 68 en 69 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet indien zij aldus worden geïnterpreteerd dat zij aan de Vlaamse Regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen voor alle bevoegdheden die aan voormelde regering door de wet werden toegewezen, zonder de nodige waarborgen voor de aan die regeling onderworpen rechtsonderhorigen, terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt voor de aan haar toegewezen bevoegdheden en terwijl de rechtsonderhorigen die aan de regels van de Vlaamse Regering onderworpen zijn in tegenstelling met de rechtsonderhorigen die aan de federale overheid onderworpen zijn aldus niet over de waarborgen beschikken die hen tegen willekeur beschermen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De in het geding zijnde artikelen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepalen : « Art. 68. Onverminderd de bepalingen van deze wet, regelt elke Regering haar werkwijze. De Regering bepaalt het statuut van haar leden. Art. 69. Onverminderd de door haar toegestane delegaties, beraadslaagt elke Regering collegiaal, volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van de consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren ». B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de in het geding zijnde bepalingen, in de gegeven interpretatie, « aan de Vlaamse regering een onbeperkte delegatiemogelijkheid zouden toekennen [...], terwijl de federale uitvoerende macht niet over zulke onbeperkte mogelijkheid beschikt ». De rechtsonderhorigen die aan de Vlaamse Regering zijn onderworpen, zouden derhalve niet over dezelfde waarborgen tegen willekeur beschikken. B.3. Een verschil in behandeling in de modaliteiten, bepaald door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, volgens welke een gemeenschap of een gewest haar of zijn bevoegdheden uitoefent, ten opzichte van de grondwetsbepalingen, volgens welke de federale overheid de hare uitoefent, is het gevolg van de autonomie die de gemeenschappen en de gewesten door of krachtens de Grondwet is toegekend. B.4. Bijgevolg zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar. B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 68 en 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203233] Extrait de l’arrêt n° 63/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4784 En cause : la question préjudicielle relative aux articles 68 et 69 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, posée par le Conseil d’Etat. 53411BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, des juges R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels et T. Merckx-Van Goey, et, conformément à l’article 60bis de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, du président émérite P. Martens, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par arrêt no 196.639 du 5 octobre 2009 en cause de (I. et II.) la SCRL « Société pour la coordination de la production et du transport de l’énergie électrique », instance reprise par la SA « Elia », actuellement la SA « Elia Asset », et (III.) la SA « Elia Asset » contre (I., II. et III.) la Région flamande, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 13 octobre 2009, le Conseil d’Etat a posé la question préjudicielle suivante : « Les articles 68 et 69 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles violent-ils les articles 10 et 11 de la Constitution coordonnée s’ils sont interprétés en ce sens qu’ils conféreraient au Gouvernement flamand une possibilité de délégation illimitée pour toutes les compétences que la loi a attribuées au gouvernement précité, sans les garanties nécessaires pour les justiciables soumis à ce régime, alors que le pouvoir exécutif fédéral ne dispose pas d’une pareille possibilité illimitée pour les compétences qui lui ont été attribuées et alors que les justiciables qui sont soumis aux règles du Gouvernement flamand, contrairement aux justiciables qui sont soumis à l’autorité fédérale, ne disposent donc pas des garanties qui les protègent contre l’arbitraire ? ». (...) III. En droit (...) B.1. Les dispositions en cause de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles s’énoncent comme suit : « Art. 68. Sans préjudice des dispositions de la présente loi, chaque Gouvernement décide de ses règles de fonctionnement. Le Gouvernement détermine le statut de ses membres ». « Art. 69. Sans préjudice des délégations qu’il accorde, chaque Gouvernement délibère collégialement, selon la procédure du consensus suivie en Conseil des Ministres, de toutes affaires de sa compétence ». B.2. La question préjudicielle porte sur la compatibilité des dispositions en cause avec les articles 10 et 11 de la Constitution dans la mesure où celles-ci, dans l’interprétation qui leur est donnée, « conféreraient au Gouvernement flamand une possibilité de délégation illimitée [...], alors que le pouvoir exécutif fédéral ne dispose pas d’une pareille possibilité illimitée ». Les justiciables qui sont soumis au Gouvernement flamand ne disposeraient donc pas des mêmes garanties contre l’arbitraire. B.3. Une différence de traitement dans les modalités, déterminées par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, selon lesquelles une communauté ou une région exerce ses compétences, par rapport à celles, résultant des dispositions constitutionnelles, selon lesquelles l’autorité fédérale exerce les siennes, est la conséquence de l’autonomie accordée aux communautés et aux régions par ou en vertu de la Constitution. B.4. En conséquence, les catégories de personnes mentionnées dans la question préjudicielle ne sont pas comparables. B.5. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : Les articles 68 et 69 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles ne violent pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203233] Auszug aus dem Urteil Nr. 63/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4784 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf die Artikel 68 und 69 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen, gestellt vom Staatsrat. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels und T. Merckx-Van Goey, und dem emeritierten Vorsitzenden P. Martens gemäß Artikel 60bis des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil Nr. 196.639 vom 5. Oktober 2009 in Sachen (I. und II.) der «Maatschappij voor coördinatie van produktie en transport van elektrische energie» Gen.mbH, Verfahrensübernahme durch die «Elia» AG, nunmehr die «Elia Asset» AG, und (III.) der «Elia Asset» AG gegen (I., II. und III.) die Flämische Region, dessen Ausfertigung am 13. Oktober 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Staatsrat folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstoßen die Artikel 68 und 69 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen gegen die Artikel 10 und 11 der koordinierten Verfassung, wenn sie dahingehend ausgelegt werden, dass sie der Flämischen Regierung eine unbegrenzte Möglichkeit zur Übertragung sämtlicher Befugnisse bieten würden, die der vorerwähnten Regierung durch Gesetz zuerkannt wurden, ohne dass dabei die notwendigen Garantien für die dieser Regelung 53412 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE unterliegenden Rechtsunterworfenen vorliegen, während die föderale ausführende Gewalt nicht über eine solche unbegrenzte Möglichkeit zur Übertragung der ihr zuerkannten Befugnisse verfügt, und während die Rechtsunter worfenen, die den Regeln der Flämischen Regierung unterliegen, im Gegensatz zu den der Föderalbehörde unterliegenden Rechtsunterworfenen somit nicht über die Garantien verfügen, die sie vor Willkür schützen?». (...) II. In rechtlicher Beziehung (...) B.1. Die fraglichen Artikel des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen bestimmen: «Art. 68. Unbeschadet der Bestimmungen des vorliegenden Gesetzes regelt jede Regierung ihre Arbeitsweise. Die Regierung legt das Statut ihrer Mitglieder fest. Art. 69. Jede Regierung berät - unbeschadet der von ihr erteilten Vollmachten - auf kollegiale Weise gemäß dem im Ministerrat angewandten Konsensverfahren über alle Angelegenheiten, die in ihre Zuständigkeit fallen». B.2. Die präjudizielle Frage betrifft die Vereinbarkeit mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung, insofern die fraglichen Bestimmungen in der gegebenen Auslegung «der Flämischen Regierung eine unbegrenzte Möglichkeit zur Übertragung [...] bieten würden, [...] während die föderale ausführende Gewalt nicht über eine solche unbegrenzte Möglichkeit zur Übertragung [...] verfügt». Die der Flämischen Regierung unterliegenden Rechtsunterworfenen würden somit nicht über die gleichen Garantien gegen Willkür verfügen. B.3. Ein Behandlungsunterschied hinsichtlich der im Sondergesetz vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen festgelegten Modalitäten, nach denen eine Gemeinschaft oder eine Region ihre Befugnisse ausübt, im Vergleich zu den Verfassungsbestimmungen, nach denen die Föderalbehörde ihrerseits ihre Befugnisse ausübt, ist die Folge der Autonomie, die den Gemeinschaften und den Regionen durch die Verfassung oder kraft derselben verliehen worden ist. B.4. Demzufolge sind die in der präjudiziellen Frage erwähnten Personenkategorien nicht miteinander vergleichbar. B.5. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Die Artikel 68 und 69 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen verstoßen nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, (gez.) P.-Y. Dutilleux. (gez.) M. Bossuyt. * GRONDWETTELIJK HOF [2010/203426] Uittreksel uit arrest nr. 64/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4787 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 13 oktober 2009 in zake Helma De Creus tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 oktober 2009, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 48 W. Succ. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waar dit artikel als voorwaarde stelt dat men minstens één jaar daadwerkelijk moet hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding moet hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan een overmachtsituatie, in de situatie van een gehandicapte persoon die - zoals in casu - vanaf zijn/haar geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij/zij noodzakelijkerwijze dient verzorgd te worden in een daartoe gespecialiseerde verzorgingsinstelling, in vergelijking met (zwaar) gehandicapte personen waarvan de handicap toelaat dat zij wél thuis kunnen verzorgd worden ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals het in het Vlaamse Gewest van toepassing was in het bodemgeschil, meer bepaald op de voorwaarde dat men minstens één jaar daadwerkelijk moet hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding moet hebben gevoerd onmiddellijk voorafgaand aan een overmachtsituatie, in zoverre een gehandicapte persoon die vanaf zijn geboorte zodanig hulpbehoevend is dat hij noodzakelijkerwijze in een gespecialiseerde instelling dient te worden verzorgd, verschillend wordt behandeld in vergelijking met een gehandicapte persoon van wie de handicap toelaat dat hij thuis kan worden verzorgd. B.1.2. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de appellante voor de verwijzende rechter de zuster en erfgename is van een erflaatster die, gelet op de aard van haar handicap, vanaf haar geboorte tot haar overlijden, in een daartoe gespecialiseerde instelling diende te worden verzorgd. Als erfgename van die erflaatster kan de appellante, in tegenstelling tot erfgenamen van gehandicapte personen die wel thuis kunnen worden verzorgd, niet in aanmerking komen voor het successierechtelijke tarief dat tussen samenwonenden geldt, dat voordeliger is dan dat tussen niet-samenwonende zusters. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. 53413BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.2. Artikel 48, vijfde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, bepaalde : « Voor de toepassing van dit artikel [48] wordt onder samenwonenden verstaan : 1o de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont; of 2o de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden wordt [lees : worden] geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding ». Ten aanzien van de wetsgeschiedenis van de in het geding zijnde bepaling B.3.1. Het Vlaamse decreet van 15 juli 1997 « houdende regeling van de successietarieven tussen samenwonenden » heeft in artikel 48 van het Wetboek der successierechten een bijzonder tarief voor samenwonenden ingevoegd. In zijn arrest nr. 82/99 van 15 juli 1999 heeft het Hof, uitspraak doende over de beroepen tot vernietiging die tegen dat decreet waren ingesteld, geoordeeld : « B.9.3. Het tarief tussen samenwonenden is van toepassing op de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens drie jaar ononderbroken met de erflater samenwoonden, te bewijzen met een uittreksel uit het bevolkingsregister, en met hem een gemeenschappelijke huishouding voerden. Het decreet verduidelijkt dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding onder meer dient te blijken uit de voortgezette wil van de partijen daartoe en uit de bijdrage van de partijen in de kosten van die huishouding. Zonder zich uit te spreken in concreto, zoals de verzoekende partijen zouden willen, over de categorieën die begrepen zouden zijn in de categorie van de samenwonenden, stelt het Hof vast dat de in het decreet aangegeven criteria niet onredelijk zijn doordat zij wijzen op een reële band van affiniteit om op het stuk van het tarief van de successierechten de samenwonenden te onderscheiden van de andere belastingplichtigen. De decreetgever vermocht redelijkerwijze eenzelfde regeling aan te nemen ten aanzien van alle vormen van samenleven met gemeenschappelijke kenmerken op basis van de voormelde objectieve en controleerbare criteria, met respect voor de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtigen. B.10. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, op zichzelf beschouwd of gelezen in samenhang met andere grondwetsartikelen en sommige verdragsbepalingen. [...] ». B.3.2. Bij het Vlaamse decreet van 30 juni 2000 « houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2000 » werd in artikel 48 een onderscheid tussen wettelijk en feitelijk samenwonenden ingevoerd en werden de voorwaarden van ten minste drie jaar ononderbroken samenwoning met de erflater en er een gemeenschappelijke huishouding mee te voeren, ook geacht te zijn vervuld indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, « aansluitend op de bedoelde periode van drie jaar tot op de dag van het overlijden », ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : « De ontworpen wijziging strekte er oorspronkelijk alleen toe om een onbillijkheid weg te werken in de bestaande regeling met betrekking tot het verlaagd tarief voor samenwonenden. De persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap gedurende minstens 3 jaar ononderbroken met de erflater samenwonen kunnen genieten van een verlaagd tarief. Deze strikte voorwaarde laat niet toe dat personen die gedurende 3 jaar samengewoond hebben met de erflater, die de laatste periode van zijn leven noodgedwongen de samenwoning heeft moeten opgeven, omdat hij in een verzorgingsvoorziening heeft moeten verblijven (en waarbij zijn domicilie werd gewijzigd), van het verlaagd tarief kunnen genieten. Om aan deze onbillijke situatie tegemoet te komen werd voorgesteld deze bepaling in die zin te wijzigen dat personen die eerst drie jaar samengewoond hebben met de erflater, waarna deze op grond van overmacht de samenwoning heeft moeten onderbreken, toch kunnen genieten van het verlaagd tarief. Om fictieve constructies te vermijden blijft evenwel vereist dat de personen, die aanspraak willen maken op het verlaagd tarief gedurende 3 jaar ononderbroken hebben samengewoond met de erflater vooraleer de situatie van overmacht zich voordoet. Het voorstel van wijziging laat dus niet toe dat een persoon, die gedurende een korte periode heeft samengewoond met de erflater, waarna deze gedurende een lange periode in een verzorgingsvoorziening heeft verbleven, een periode van 3 jaar samenwoonst zou kunnen construeren. Een ’ vrijwillig ’ verblijf in een rustoord (zonder zorgbehoevend of afhankelijk te zijn) beantwoordt niet aan de voorwaarde van overmacht en kan dus niet ingeroepen worden om van het verlaagd tarief te kunnen genieten. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren een gemeenschappelijke huishouding. Dit vermoeden kan onder meer weerlegd worden indien aangetoond kan worden dat de voortgezette wil om een gemeenschappelijke huishouding te voeren ontbrak en dat de partijen die de ononderbroken samenwoonst inroepen niet kunnen aantonen dat zij in een aanvaardbare mate hebben bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 277/1, p. 4; zie ook : ibid., nr. 277/4, p. 3). B.3.3. Bij het Vlaamse decreet van 1 december 2000 « houdende gelijkschakeling van de successierechten tussen samenwonenden en getrouwden » werd voorzien in eenzelfde successierechtelijk tarief tussen samenwonenden als tussen echtgenoten en werden, in artikel 48, vijfde lid, 2o, de woorden « drie jaar » telkens vervangen door de woorden « één jaar ». Ten gronde B.4. Uit het voormelde artikel 48 van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest, volgt dat de erfgenaam van een gehandicapte persoon die nooit met de erfgenaam heeft samengewoond en er geen gemeenschappelijke huishouding mee heeft gevoerd, van het tarief van de successierechten tussen samenwonenden wordt uitgesloten, terwijl de erfgenaam van een gehandicapte persoon die minstens één jaar ononderbroken met de erfgenaam heeft samengewoond en er een gemeenschappelijke huishouding mee heeft gevoerd wel dat tarief kan genieten, zelfs indien die samenwoning « aansluitend op de [ononderbroken] periode van één jaar tot op de dag van het overlijden » ten gevolge van overmacht onmogelijk is geworden. 53414 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.5. Het bepalen van het belastingtarief en het vaststellen van de modalisering ervan komt de bevoegde fiscale wetgever toe. Wanneer hij daartoe criteria van onderscheid hanteert, moeten die objectief en redelijk kunnen worden verantwoord. De tarieven en de modaliteiten ervan moeten op gelijke wijze worden toegepast ten aanzien van eenieder die zich ten opzichte van de maatregel en het nagestreefde doel in een gelijkwaardige positie bevindt, zij het dat de fiscale wetgever een verscheidenheid aan toestanden kan dienen op te vangen in categorieën die, noodzakelijkerwijze, slechts bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen. B.6. Het tarief tussen samenwonenden is van toepassing op personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap minstens één jaar ononderbroken met de erflater samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Die voorwaarden worden geacht ook te zijn vervuld indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. De in het decreet aangegeven criteria zijn niet onredelijk doordat zij wijzen op een reële band van affiniteit om op het vlak van het tarief van de successierechten de samenwonenden te onderscheiden van de andere belastingplichtigen. De decreetgever vermocht redelijkerwijze eenzelfde regeling aan te nemen ten aanzien van alle vormen van samenleven met gemeenschappelijke kenmerken op basis van de voormelde objectieve en controleerbare criteria, met respect voor de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtigen. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde maatregel niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 48, vijfde lid, van het Wetboek der successierechten, zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203426] Extrait de l’arrêt n° 64/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4787 En cause : la question préjudicielle relative à l’article 48 du Code des droits de succession, tel qu’il est applicable en Région flamande, posée par la Cour d’appel d’Anvers. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, et des juges R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par arrêt du 13 octobre 2009 en cause de Helma De Creus contre l’Etat belge, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 20 octobre 2009, la Cour d’appel d’Anvers a posé la question préjudicielle suivante : « L’article 48 du Code des droits de succession viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu’il prévoit la condition d’avoir effectivement vécu ensemble et tenu un ménage commun pendant un an au moins immédiatement avant une situation de force majeure, dans l’hypothèse d’une personne handicapée qui, comme en l’espèce, dès sa naissance, nécessite des soins l’obligeant à se faire soigner dans un établissement de soins spécialisé, en comparaison des personnes (gravement) handicapées dont le handicap leur permet quant à elles de se faire soigner à domicile ? ». (...) III. En droit (...) B.1.1. La question préjudicielle porte sur la compatibilité avec le principe d’égalité et de non-discrimination de l’article 48 du Code des droits de succession, tel qu’il est applicable en Région flamande au litige devant le juge a quo, et plus précisément de la condition d’avoir réellement cohabité et formé un ménage commun au moins pendant un an immédiatement avant une situation de force majeure, dans la mesure où une personne handicapée qui, dès sa naissance, nécessite des soins l’obligeant à se faire soigner dans un établissement spécialisé est traitée différemment par rapport à une personne handicapée dont le handicap lui permet de se faire soigner à domicile. B.1.2. Il ressort des données du dossier que l’appelante devant le juge a quo est la sœur et l’héritière d’une défunte qui, eu égard à la nature de son handicap, a dû être soignée dans une institution spécialisée depuis sa naissance jusqu’à son décès. En tant qu’héritière de cette défunte, l’appelante ne peut, contrairement aux héritiers de personnes handicapées qui peuvent être soignées à domicile, prétendre au taux des droits de succession qui s’applique entre cohabitants et qui est plus avantageux que celui qui s’applique entre sœurs non cohabitantes. La Cour limite son examen à ce cas. B.2. L’article 48, alinéa 5, du Code des droits de succession, tel qu’il était applicable en Région flamande au moment des faits soumis au juge a quo, disposait : « Pour l’application du présent article [48], on entend par cohabitants : 1o la personne qui, à la date de l’ouverture d’une succession, vivait ensemble avec le défunt conformément aux dispositions du livre III, titre Vbis du Code civil; ou 53415BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 2o la ou les personnes qui, à la date d’ouverture d’une succession, vivaient ensemble avec le défunt, sans interruption depuis au moins un an et [tenaient] un ménage commun avec lui. Ces conditions sont censées également être remplies si la cohabitation et la tenue d’un ménage commun avec le défunt, consécutive à la période d’un an jusqu’au jour du décès, [sont] devenue [s] impossible [s] pour cause de force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de la cohabitation ininterrompue et de la tenue d’un ménage commun ». Quant à la genèse de la disposition en cause B.3.1. Le décret flamand du 15 juillet 1997 « fixant les tarifs des droits de succession des personnes vivant ensemble maritalement » a introduit à l’article 48 du Code des droits de succession un taux particulier pour les cohabitants. Dans son arrêt no 82/99 du 15 juillet 1999, statuant sur les recours en annulation qui avaient été introduits contre ce décret, la Cour a jugé : « B.9.3. Le tarif entre personnes vivant ensemble est applicable à la ou aux personnes qui vivaient avec le défunt sans interruption depuis au moins trois ans à la date d’ouverture de la succession, ce fait étant établi au moyen d’un extrait du registre de population, et qui formaient un ménage avec lui. Le décret précise que l’existence d’un ménage commun est démontrée, entre autres, par une volonté persistante, manifestée à cet égard par les parties, et par leur participation aux dépenses ménagères. Sans se prononcer in concreto, comme le voudraient les parties requérantes, sur les catégories qui seraient comprises dans la notion de personnes vivant ensemble, la Cour constate que les critères indiqués par le décret ne sont pas déraisonnables en ce qu’ils prennent en considération un lien réel d’affinité pour distinguer, dans le domaine du tarif des droits de succession, les personnes vivant ensemble des autres contribuables. Le législateur décrétal a pu raisonnablement adopter une réglementation identique à l’égard de toutes les formes de cohabitation ayant des caractéristiques communes en se fondant sur les critères objectifs et vérifiables visés ci-dessus, tout en respectant la vie privée des contribuables. B.10. Il résulte de ce qui précède que le décret attaqué ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution, lus isolément ou conjointement avec d’autres articles constitutionnels ou certaines dispositions conventionnelles. [...] ». B.3.2. Le décret flamand du 30 juin 2000 « contenant diverses mesures d’accompagnement de l’ajustement du budget 2000 » instaure à l’article 48 une distinction entre les cohabitants légaux et les cohabitants de fait et a prévu que les conditions de cohabitation avec le défunt et d’existence d’un ménage commun avec lui de manière ininterrompue pendant au moins trois ans sont également censées remplies si la cohabitation et l’existence d’un ménage commun avec le défunt sont devenues impossibles à la suite d’un cas de force majeure « consécutive à la période [visée] de trois ans jusqu’au jour du décès ». L’exposé des motifs indique à cet égard : « La modification en projet tendait à l’origine seulement à supprimer une injustice dans la réglementation existante relative au taux réduit pour les cohabitants. La personne ou les personnes qui, au jour de l’ouverture de la succession, cohabitent au moins pendant trois ans de manière ininterrompue avec le de cujus peuvent bénéficier d’un taux réduit. Cette condition stricte fait obstacle au bénéfice du taux réduit pour les personnes ayant cohabité pendant trois ans avec le de cujus qui est contraint à devoir abandonner la cohabitation dans la dernière période de sa vie au motif qu’il doit séjourner dans une institution de soins (ensuite de quoi son domicile est modifié). Pour remédier à cette situation inéquitable, il a été proposé de modifier cette disposition en ce sens que les personnes qui ont d’abord cohabité pendant trois ans avec le de cujus, période après laquelle ce dernier a dû interrompre la cohabitation en raison d’un cas de force majeure, puissent néanmoins bénéficier du taux réduit. Pour éviter des constructions fictives, il reste toutefois requis que les personnes qui souhaitent prétendre au taux réduit aient cohabité de manière ininterrompue pendant trois ans avec le de cujus avant que la situation de force majeure ne se produise. La proposition de modification ne permet donc pas qu’une personne qui a cohabité pendant une courte période avec le de cujus, à la suite de laquelle ce dernier a séjourné pendant une longue période dans une institution de soins, puisse se construire une période de trois ans de cohabitation. Un séjour ’ volontaire ’ dans une maison de repos (sans nécessiter ou être dépendant de soins) ne remplit pas la condition de la force majeure et ne peut donc être invoqué pour pouvoir bénéficier du taux réduit. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfragable de cohabitation ininterrompue et de ménage commun. Cette présomption peut notamment être réfutée s’il peut être démontré que la volonté persistante de tenir un ménage commun faisait défaut et que les parties qui invoquent cette cohabitation ininterrompue ne peuvent démontrer qu’elles ont contribué dans une mesure acceptable aux frais du ménage commun » (Doc. parl., Parlement flamand, 1999-2000, no 277/1, p. 4; voy. également : ibid., no 277/4, p. 3). B.3.3. Le décret flamand du 1er décembre 2000 « portant assimilation des cohabitants aux couples mariés en matière de droits de succession » a prévu le même taux de droits de succession entre cohabitants qu’entre époux et a chaque fois remplacé les termes « trois ans », à l’article 48, alinéa 5, 2o, par les termes « un an ». Quant au fond B.4. Il découle de l’article 48 précité du Code des droits de succession, tel qu’il était applicable en Région flamande, que l’héritier d’une personne handicapée qui n’a jamais cohabité avec le défunt et n’a formé aucun ménage commun avec lui est exclu du bénéfice du taux des droits de succession entre cohabitants, tandis que l’héritier d’une personne handicapée qui a cohabité de manière ininterrompue pendant au moins un an avec le défunt et a formé un ménage commun avec lui peut bénéficier de ce taux, même si cette cohabitation est devenue impossible à la suite d’un cas de force majeure « consécutive à la période [ininterrompue] d’un an jusqu’au jour du décès ». B.5. Il appartient au législateur fiscal compétent de fixer le taux d’imposition et d’en établir les modalités. Lorsqu’il utilise à cet effet des critères de distinction, ceux-ci doivent être objectivement et raisonnablement justifiés. Les taux et modalités doivent être appliqués de manière égale pour toutes les personnes qui se trouvent dans une situation équivalente au regard de la mesure considérée et du but poursuivi, sous la réserve que le législateur fiscal doit pouvoir faire usage de catégories qui, nécessairement, n’appréhendent la diversité des situations qu’avec un certain degré d’approximation. B.6. Le taux en vigueur pour les personnes vivant ensemble est applicable aux personnes qui cohabitaient et formaient un ménage commun avec le défunt sans interruption depuis au moins un an à la date de l’ouverture de la succession. Ces conditions sont également censées remplies si la cohabitation et l’existence d’un ménage commun avec le défunt sont devenues impossibles à la suite d’un cas de force majeure « consécutive à la période [visée] d’un an jusqu’au jour du décès ». Les critères indiqués par le décret ne sont pas déraisonnables en ce qu’ils prennent en considération un lien réel d’affinité pour distinguer, dans le domaine du tarif des droits de succession, les personnes vivant ensemble des autres contribuables. Le législateur décrétal a pu raisonnablement adopter une réglementation identique à l’égard de toutes les formes de cohabitation ayant des caractéristiques communes en se fondant sur les critères objectifs et vérifiables visés ci-dessus, tout en respectant la vie privée des contribuables. 53416 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Il s’ensuit que la mesure en cause n’est pas incompatible avec les articles 10 et 11 de la Constitution. B.7. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 48, alinéa 5, du Code des droits de succession, tel qu’il était applicable en Région flamande au moment des faits soumis au juge a quo, ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203426] Auszug aus dem Urteil Nr. 64/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4787 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf Artikel 48 des Erbschaftssteuergesetzbuches, in der in der Flämischen Region anwendbaren Fassung, gestellt vom Appellationshof Antwerpen. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil vom 13. Oktober 2009 in Sachen Helma De Creus gegen den belgischen Staat, dessen Ausfertigung am 20. Oktober 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Appellationshof Antwerpen folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstößt Artikel 48 des Erbschaftssteuergesetzbuches gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, insofern dieser Artikel die Bedingung auferlegt, unmittelbar vor Eintritt einer Situation höherer Gewalt mindestens ein Jahr lang tatsächlich zusammengewohnt und einen gemeinsamen Haushalt geführt zu haben, in der Situation einer behinderten Person, die - wie im vorliegenden Fall - seit ihrer Geburt derart hilfsbedürftig ist, dass sie notwendigerweise in einer darauf spezialisierten Pflegeeinrichtung gepflegt werden muss, im Vergleich zu (schwer) behinderten Personen, deren Behinderung die Heimpflege zulässt?». (...) II. In rechtlicher Beziehung (...) B.1.1. Die präjudizielle Frage bezieht sich auf die Vereinbarkeit von Artikel 48 des Erbschaftssteuergesetzbuches in der Fassung, die in der Flämischen Region auf das Hauptverfahren anwendbar war, mit dem Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung, insbesondere auf die Bedingung, dass man vor Eintritt einer Situation höherer Gewalt mindestens ein Jahr lang zusammengewohnt und einen gemeinsamen Haushalt geführt haben müsse, insofern eine behinderte Person, die seit ihrer Geburt derart hilfsbedürftig sei, dass sie notwendigerweise in einer spezialisierten Einrichtung gepflegt werden müsse, unterschiedlich behandelt werde im Vergleich zu einer behinderten Person, deren Behinderung es ermögliche, sie zu Hause zu pflegen. B.1.2. Aus den Fakten der Akte geht hervor, dass die Berufungsklägerin vor dem vorlegenden Richter die Schwester und Erbin einer Erblasserin ist, die angesichts der Art ihrer Behinderung seit der Geburt bis zu ihrem Tod in einer darauf spezialisierten Einrichtung gepflegt werden musste. Als Erbin dieser Erblasserin kann die Berufungsklägerin, im Gegensatz zu Erben von behinderten Personen, die zu Hause gepflegt werden können, nicht für den Erbschaftssteuertarif in Frage kommen, der für Zusammenwohnende gilt und vorteilhafter ist als zwischen nicht zusammenwohnenden Schwestern. Der Hof beschränkt seine Prüfung auf diesen Fall. B.2. Artikel 48 Absatz 5 des Erbschaftssteuergesetzbuches bestimmte in der Fassung, die in der Flämischen Region zu dem Augenblick der dem vorlegenden Richter vorgelegten Fakten anwendbar war: «Zur Anwendung dieses Artikels [48] ist unter Zusammenwohnenden zu verstehen: 1. die Person, die am Tag der Nachlasseröffnung gemäß den Bestimmungen von Buch III Titel Vbis des Zivilgesetzbuches mit dem Erblasser gesetzlich zusammenwohnte; oder 2. die Person oder Personen, die am Tag der Nachlasseröffnung mindestens ein Jahr lang ununterbrochen mit dem Erblasser zusammenwohnten und mit ihm einen gemeinsamen Haushalt führten. Es wird davon ausgegangen, dass diese Bedingungen auch erfüllt sind, wenn das Zusammenwohnen und das Führen eines gemeinsamen Haushalts mit dem Erblasser im Anschluss an den betreffenden Zeitraum von einem Jahr bis zum Todestag infolge höherer Gewalt unmöglich geworden sind. Ein Auszug aus dem Bevölkerungsregister beinhaltet eine widerlegbare Vermutung des ununterbrochenen Zusammenwohnens und des Führens eines gemeinsamen Haushalts». In Bezug auf den rechtlichen Werdegang der fraglichen Bestimmung B.3.1. Durch das flämische Dekret vom 15. Juli 1997 zur Regelung der Erbschaftssteuertarife zwischen Zusammenwohnenden wurde in Artikel 48 des Erbschaftssteuergesetzbuches ein besonderer Tarif für Zusammenwoh nende eingefügt. In seinem Urteil Nr. 82/99 vom 15. Juli 1999 erkannte der Hof, indem er über die gegen dieses Dekret erhobenen Nichtigkeitsklagen befand: «B.9.3. Der Tarif zwischen Zusammenlebenden ist anwendbar auf die Person bzw. Personen, die am Tag des Anfalls der Erbschaft seit mindestens drei Jahren ununterbrochen mit dem Erblasser zusammenlebten, was anhand eines Auszugs aus dem Bevölkerungsregister nachzuweisen ist, und mit ihm einen gemeinsamen Haushalt bildeten. Das Dekret verdeutlicht, dass die Führung eines gemeinsamen Haushaltes unter anderem aus dem beständigen Willen der Parteien dazu sowie aus dem Beitrag der Parteien zu den Kosten dieses Haushaltes hervorgehen soll. 53417BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ohne sich im Sinne der klagenden Parteien konkret zu den Kategorien zu äußern, die in der Kategorie der Zusammenlebenden enthalten wären, stellt der Hof fest, dass die im Dekret angegebenen Kriterien nicht unverhältnismäßig sind, indem sie auf eine wirkliche Verbundenheit hinweisen, um im Bereich des Erbschaftsteuertarifs die Zusammenlebenden von den anderen Steuerpflichtigen zu unterscheiden. Der Dekretgeber war in angemessener Weise berechtigt, die gleiche Regelung einzuführen für alle Formen des Zusammenlebens mit gemeinsamen Merkmalen aufgrund der vorgenannten objektiven und nachprüfbaren Kriterien, unter Berücksichtigung des Privatlebens der Steuerpflichtigen. B.10. Aus den vorstehenden Erwägungen geht hervor, dass das angefochtene Dekret nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung verstößt, weder an sich noch in Verbindung mit anderen Verfassungsartikeln und gewissen Vertragsbestimmungen. [...]». B.3.2. Durch das flämische Dekret vom 30. Juni 2000 zur Festlegung von Bestimmungen zur Begleitung der Anpassung des Haushalts 2000 wurde in Artikel 48 ein Unterschied zwischen gesetzlich und faktisch Zusammenwoh nenden eingeführt und wurden die Bedingungen, dass man mindestens drei Jahre lang ununterbrochen mit dem Erblasser zusammenwohnt und mit ihm einen gemeinsamen Haushalt führt, auch als erfüllt angesehen, wenn das Zusammenwohnen und das Führen eines gemeinsamen Haushalts mit dem Erblasser «im Anschluss an den betreffenden Zeitraum von drei Jahren bis zum Todestag» infolge höherer Gewalt unmöglich geworden ist. In der Begründung heißt es diesbezüglich: «Die geplante Änderung diente ursprünglich nur dazu, eine Ungerechtigkeit in der bestehenden Regelung bezüglich des ermäßigten Tarifs für Zusammenwohnende zu beseitigen. Die Person oder die Personen, die am Tag der Nachlasseröffnung während mindestens drei Jahre ununterbrochen mit dem Erblasser zusammenwohnen, können in den Genuss eines ermäßigten Tarifs gelangen. Diese strikte Bedingung erlaubt es nicht, dass Personen, die während drei Jahren mit dem Erblasser, der den letzten Zeitraum seines Lebens notgedrungen das Zusammenwohnen hat aufgeben müssen, weil er in einer Pflegeeinrichtung bleiben musste (und wobei sein Wohnsitz geändert wurde), zusammengewohnt haben, in den Genuss des ermäßigten Tarifs gelangen können. Um diese ungerechte Situation zu beheben, wurde vorgeschlagen, diese Bestimmung in dem Sinne zu ändern, dass Personen, die zunächst drei Jahre lang mit dem Erblasser zusammengewohnt haben, woraufhin dieser aufgrund höherer Gewalt das Zusammenwohnen unterbrechen musste, dennoch in den Genuss des ermäßigten Tarifs gelangen. Um fiktive Konstruktionen zu vermeiden, bleibt es jedoch erforderlich, dass die Personen, die Anspruch auf den ermäßigten Tarif erheben möchten, während drei Jahren ununterbrochen mit dem Erblasser zusammengewohnt haben, bevor die Situation höherer Gewalt eintritt. Der Änderungsvorschlag erlaubt es also nicht, dass eine Person, die während eines kurzen Zeitraums mit dem Erblasser zusammengewohnt hat, woraufhin dieser während einer langen Zeit in einer Pflegeeinrichtung geblieben ist, einen Zeitraum von drei Jahren des Zusammenwohnens aufbauen könnte. Ein ’ freiwilliger ’ Aufenthalt in einem Erholungsheim (ohne pflegebedürftig oder abhängig zu sein) entspricht nicht der Bedingung höherer Gewalt und kann daher nicht geltend gemacht werden, um in den Genuss des ermäßigten Tarifs gelangen zu können. Ein Auszug aus dem Bevölkerungsregister beinhaltet eine widerlegbare Vermutung des ununterbrochenen Zusammenwohnens und des Führens eines gemeinsamen Haushalts. Diese Vermutung kann unter anderem widerlegt werden, wenn nachgewiesen werden kann, dass der dauerhafte Wille zur Führung eines gemeinsamen Haushalts fehlte und dass die Parteien, die das ununterbrochene Zusammenwohnen geltend machen, nicht nachweisen können, dass sie in annehmbarem Maße zu den Kosten des gemeinsamen Haushalts beigetragen haben» (Parl. Dok., Flämisches Parlament, 1999-2000, Nr. 277/1, S. 4; siehe auch ebenda, Nr. 277/4, S. 3). B.3.3. Durch das flämische Dekret vom 1. Dezember 2000 zur Gleichstellung der Erbschaftssteuern zwischen Zusammenwohnenden und Verheirateten wurde der gleiche Erbschaftssteuertarif zwischen Zusammenwohnenden wie zwischen Ehepartnern vorgesehen und wurden in Artikel 48 Absatz 5 Nr. 2 die Wörter «drei Jahren» jeweils ersetzt durch die Wörter «einem Jahr». Zur Hauptsache B.4. Aus dem vorerwähnten Artikel 48 des Erbschaftssteuergesetzbuches, so wie er in der Flämischen Region anwendbar war, geht hervor, dass der Erbe einer behinderten Person, die nie mit dem Erben zusammengewohnt und mit ihm keinen gemeinsamen Haushalt geführt hat, vom Tarif der Erbschaftssteuern zwischen Zusammenwohnenden ausgeschlossen wird, während der Erbe einer behinderten Person, die mindestens ein Jahr lang ununterbrochen mit dem Erben zusammengewohnt und mit ihm einen gemeinsamen Haushalt geführt hat, wohl in den Genuss dieses Tarifs gelangen kann, selbst wenn dieses Zusammenwohnen «im Anschluss an den [ununterbrochenen] Zeitraum von einem Jahr bis zum Todestag» infolge höherer Gewalt unmöglich geworden ist. B.5. Die Bestimmung des Steuertarifs und die Festlegung seiner Abstufung obliegen dem zuständigen Steuergesetzgeber. Wenn er hierzu Unterscheidungskriterien anwendet, müssen diese objektiv und vernünftig gerechtfertigt werden können. Die Tarife und die Modalitäten müssen auf gleiche Weise auf jeden angewandt werden können, der sich hinsichtlich der Maßnahme und der Zielsetzung in einer gleichwertigen Position befindet, auch wenn der Steuergesetzgeber unterschiedliche Situationen in Kategorien muss auffangen können, die notwendigerweise nur annähernd der Wirklichkeit entsprechen. B.6. Der Tarif zwischen Zusammenwohnenden findet Anwendung auf Personen, die am Tag der Nachlasseröff nung mindestens ein Jahr lang ununterbrochen mit dem Erblasser zusammengewohnt und einen gemeinsamen Haushalt geführt haben. Es wird davon ausgegangen, dass diese Bedingungen auch erfüllt sind, wenn das Zusammenwohnen und das Führen eines gemeinsamen Haushalts mit dem Erblasser im Anschluss an den betreffenden Zeitraum von einem Jahr bis zum Todestag infolge höherer Gewalt unmöglich geworden sind. Die im Dekret angeführten Kriterien sind nicht unvernünftig, indem sie auf eine reale Verbindung der Affinität verweisen, um hinsichtlich des Tarifs der Erbschaftssteuern die Zusammenwohnenden von den anderen Steuerpflich tigen zu unterscheiden. Der Dekretgeber konnte vernünftigerweise eine gleiche Regelung in Bezug auf alle Formen des Zusammenwohnens mit gemeinsamen Merkmalen auf der Grundlage der vorerwähnten objektiven und kontrollier baren Kriterien annehmen, dies unter Beachtung der Privatsphäre der Steuerpflichtigen. Daraus ergibt sich, dass die fragliche Maßnahme nicht unvereinbar mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung ist. B.7. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 48 Absatz 5 des Erbschaftssteuergesetzbuches in der zum Zeitpunkt des dem vorlegenden Richter unterbreiteten Sachverhalts in der Flämischen Region geltenden Fassung verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, (gez.) P.-Y. Dutilleux. (gez.) M. Bossuyt. 53418 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE GRONDWETTELIJK HOF [2010/203428] Uittreksel uit arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 Rolnummer 4792 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 8 oktober 2009 in zake Catherine Bruneel tegen de nv « Centea » en in aanwezigheid van Roberto Palmeri, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 november 2009, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij de termijn voor het instellen van een cassatieberoep in civiele zaken doen ingaan vanaf het ogenblik van de uitspraak, zelfs in afwezigheid van de partijen, terwijl in civiele procedures de termijn van het cassatieberoep in de regel ingaat vanaf de betekening of de kennisgeving ervan ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, die bepalen : « Art. 4. [...] § 2. De bij de vorige alinea voorziene aanvraag wordt mondeling gedaan door den verweerder die in persoon verschijnt; zij wordt schriftelijk ingediend, wanneer de verweerder bij lasthebber verschijnt. Het geschrift moet van de hand zijn van verweerder en door hem zelf onderteekend; het blijft aan het vonnis gehecht. De rechter doet op staanden voet uitspraak. Hij kan weigeren op de aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt dat de verweerder eene toereikende kennis bezit der taal gebruikt voor het opmaken der akte tot inleiding van het geding. De beslissing van den rechter moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor registratie, zonder andere rechtspleging noch vormvereischten; de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van partijen, geldt als beteekening ». « Art. 6. [...] § 2. Wanneer, in dezelfde zaak, verscheidene verweerders zijn en, krachtens artikel 4, de keus van de taal der rechtspleging aan den verweerder behoort, wordt de taal gebruikt die door de meerderheid wordt gevraagd. Evenwel kan de rechter weigeren op die aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt, dat de verweerders voldoende de taal kennen, die werd gebruikt voor het opmaken van de akte tot inleiding van het geding. In geval van gelijkheid, duidt de rechter zelf de taal aan, waarin de rechtspleging moet voortgezet worden, daarbij rekening houdende met de noodwendigheden der zaak. Zijne beslissing moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar en is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie, zonder eenige andere rechtspleging noch vormvereischte. De uitspraak van de beslissing geldt als beteekening, zelfs in geval van afwezigheid der partijen ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.1. Volgens de Ministerraad zou het antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag kennelijk niet dienstig zijn om het geschil dat aan de verwijzende rechter is voorgelegd, te beslechten, zodat de vraag geen antwoord zou behoeven. Het bestreden vonnis werd op 28 april 2008 uitgesproken en de voorziening in cassatie werd op 24 juli 2008 ingesteld, dus binnen de termijn van drie maanden waarin artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat de voorziening niet tijdig zou zijn ingesteld. B.2.2. De eiseres voor de verwijzende rechter repliceert in haar memorie van antwoord dat de voorziening in cassatie werd ingesteld door een op 12 augustus 2008 ter griffie van het Hof van Cassatie ingediend verzoekschrift, dat op 31 juli 2008 werd betekend aan de partijen tegen wie de voorziening is gericht. Bijgevolg werd de voorziening in cassatie meer dan drie maanden na de uitspraak van de bestreden beslissing ingesteld. Het openbaar ministerie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen om reden dat de voorziening in cassatie laattijdig werd ingesteld. Volgens de eiseres voor de verwijzende rechter zou de prejudiciële vraag bijgevolg wel degelijk een antwoord behoeven. B.2.3. Uit de gegevens die door de eiseres voor de verwijzende rechter in haar memorie van antwoord zijn verstrekt betreffende de data van instelling van de voorziening in cassatie en van de betekening aan de partijen tegen wie die voorziening is gericht, blijkt dat het antwoord op de prejudiciële vraag dienstig kan zijn voor de beslechting van de zaak die voor de verwijzende rechter aanhangig is, vermits de voorziening in cassatie meer dan drie maanden na de uitspraak van het bestreden vonnis is ingesteld. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.3. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in zoverre zij de termijn voor het instellen van een cassatieberoep in civiele zaken doen ingaan vanaf de uitspraak, zelfs in afwezigheid van de partijen, terwijl in civiele procedures de termijn van het cassatieberoep in de regel ingaat vanaf de betekening of de kennisgeving ervan. B.4. Het staat aan de wetgever te bepalen op welke wijze de mededeling van akten van rechtspleging wordt geregeld. Wat betreft de rechterlijke beslissingen over de vorderingen die op grond van de in het geding zijnde bepalingen zijn ingediend, wordt de keuze om de uitspraak van zulke beslissingen als betekening te doen gelden, onder meer verantwoord door de zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken en de uitvoering van de behandeling van de zaak te bespoedigen, temeer daar het gaat om beslissingen waarbij enkel over een incident - namelijk een incident van taalwijziging - en niet over de grond van het geschil wordt geoordeeld. B.5.1. Blijft nog te onderzoeken of het verschil in behandeling, wat de aanvang van de termijn om een cassatieberoep in te dienen betreft, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 53419BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.5.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.3. De omstandigheid dat de termijn om een cassatieberoep in te stellen in het ene geval loopt vanaf de uitspraak en in het andere geval vanaf de betekening of de kennisgeving ervan is niet van dien aard dat de rechten van de daarbij betrokken personen op onevenredige wijze worden beperkt. Overeenkomstig het in het geding zijnde artikel 4, § 2, wordt de aanvraag tot taalwijziging immers mondeling gedaan door de verweerder die in persoon verschijnt en wordt zij schriftelijk ingediend, wanneer de verweerder bij lasthebber verschijnt. Bovendien hebben de partijen die zulk een aanvraag indienen kennis van de beslissing van de rechter die ter zitting over het incident « op staande voet » uitspraak doet, vermits die partijen in persoon dienen te verschijnen of dienen te worden vertegenwoordigd. Ten slotte hebben de in het geding zijnde bepalingen niet tot gevolg dat aan de termijn om, in civiele zaken, een cassatieberoep in te dienen wordt geraakt, vermits de termijn van drie maanden waarin artikel 1073 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, onverkort geldt. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203428] Extrait de l’arrêt n° 65/2010 du 27 mai 2010 Numéro du rôle : 4792 En cause : la question préjudicielle relative aux articles 4, § 2, et 6, § 2, de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire, posée par la Cour de cassation. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, et des juges R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par arrêt du 8 octobre 2009 en cause de Catherine Bruneel contre la SA « Centea » et en présence de Roberto Palmeri, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 2 novembre 2009, la Cour de cassation a posé la question préjudicielle suivante : « Les articles 4, § 2, et 6, § 2, de la loi concernant l’emploi des langues en matière judiciaire violent-ils les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu’ils font courir le délai pour se pourvoir en cassation en matière civile à partir du moment du prononcé, même en l’absence des parties, alors que dans les procédures civiles, le délai du pourvoi en cassation prend cours, en règle générale, à partir de sa signification ou de sa notification ? ». (...) III. En droit (...) B.1. La question préjudicielle porte sur les articles 4, § 2, et 6, § 2, de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire, qui disposent : « Art. 4. [...] § 2. La demande prévue à l’alinéa précédent est faite oralement par le défendeur comparaissant en personne; elle est introduite par écrit lorsque le défendeur comparaît par mandataire. L’écrit doit être tracé et signé par le défendeur lui-même; il reste annexé au jugement. Le juge statue sur-le-champ. Il peut refuser de faire droit à la demande si les éléments de la cause établissent que le défendeur a une connaissance suffisante de la langue employée pour la rédaction de l’acte introductif d’instance. La décision du juge doit être motivée; elle n’est susceptible ni d’opposition ni d’appel. Elle est exécutoire sur minute et avant enregistrement, sans autres procédures ni formalités; le prononcé de la décision, même en l’absence des parties, vaut signification ». « Art. 6. [...] § 2. Lorsque, dans une même affaire, il y a plusieurs défendeurs et que, en vertu de l’article 4, le choix de la langue de la procédure appartient au défendeur, il est fait usage de la langue demandée par la majorité. Toutefois, le juge peut refuser de faire droit à cette demande si les éléments de la cause établissent que la majorité des défendeurs ont une connaissance suffisante de la langue employée par la rédaction de l’acte introductif d’instance. En cas de parité, le juge désigne lui-même la langue dans laquelle la procédure sera poursuivie, en tenant compte des besoins de la cause. Le juge statue sur-le-champ. Sa décision doit être motivée; elle n’est susceptible ni d’opposition, ni d’appel. Elle est exécutoire sur minute et avant enregistrement, sans autres procédures ni formalités; le prononcé de la décision, même en l’absence des parties, vaut signification ». Quant à la recevabilité B.2.1. Selon le Conseil des ministres, la réponse de la Cour à la question préjudicielle serait manifestement sans utilité pour trancher le litige soumis au juge a quo, de sorte que la question n’appellerait pas de réponse. Le jugement attaqué a été rendu le 28 avril 2008 et le pourvoi en cassation a été formé le 24 juillet 2008, donc dans le délai de trois mois prévu par l’article 1073 du Code judiciaire. Il n’apparaît pas de la décision de renvoi que le pourvoi n’aurait pas été intenté dans les délais. 53420 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.2.2. La demanderesse devant le juge a quo réplique dans son mémoire en réponse que le pourvoi en cassation a été intenté par une requête déposée le 12 août 2008 au greffe de la Cour de cassation, requête qui a été signifiée le 31 juillet 2008 aux parties contre lesquelles le pourvoi est dirigé. Par conséquent, le pourvoi en cassation a été formé plus de trois mois après le prononcé de la décision attaquée. Le ministère public a soulevé une exception d’irrecevabilité au motif que le pourvoi en cassation était tardif. Selon la demanderesse devant le juge a quo, la réponse à la question préjudicielle serait dès lors effectivement utile. B.2.3. Il ressort des éléments avancés dans son mémoire en réponse par la demanderesse devant le juge a quo concernant la date d’introduction du pourvoi en cassation et celle de la signification aux parties contre lesquelles le pourvoi est dirigé que la réponse à la question préjudicielle peut être utile à la solution du litige pendant devant le juge a quo, étant donné que le pourvoi en cassation a été formé plus de trois mois après le prononcé du jugement attaqué. L’exception est rejetée. Quant au fond B.3. La Cour est interrogée au sujet de la compatibilité avec le principe d’égalité et de non-discrimination des articles 4, § 2, et 6, § 2, de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire, en ce qu’ils font courir le délai pour se pourvoir en cassation en matière civile à partir du prononcé, même en l’absence des parties, alors que dans les procédures civiles, le délai du pourvoi en cassation prend cours, en règle, à partir de la signification ou notification de la décision. B.4. Il appartient au législateur de déterminer de quelle manière est réglée la communication des actes de procédure. En ce qui concerne les décisions de justice relatives aux demandes introduites sur la base des dispositions en cause, le choix de donner au prononcé de ces décisions valeur de signification se justifie notamment par le souci de réduire les frais de la procédure et d’accélérer le traitement des affaires, d’autant qu’il s’agit de décisions qui sont uniquement relatives à un incident - à savoir un incident de changement de langue - et qui ne concernent pas le fond du litige. B.5.1. Il reste à examiner si la différence de traitement, en ce qui concerne le commencement du délai pour se pourvoir en cassation, est compatible avec le principe d’égalité et de non-discrimination. B.5.2. La différence de traitement entre certaines catégories de personnes qui découle de l’application de règles procédurales différentes dans des circonstances différentes n’est pas discriminatoire en soi. Il ne pourrait être question de discrimination que si la différence de traitement qui découle de l’application de ces règles de procédure entraînait une limitation disproportionnée des droits des personnes concernées. B.5.3. La circonstance que le délai pour se pourvoir en cassation commence à courir dans un premier cas à partir du prononcé et dans l’autre cas à partir de la signification ou de la notification de la décision n’est pas de nature à limiter de manière disproportionnée les droits des personnes concernées. En effet, conformément à l’article 4, § 2, en cause, la demande de changement de langue est faite oralement par le défendeur qui comparaît en personne et elle est introduite par écrit lorsque le défendeur comparaît par mandataire. En outre, les parties qui introduisent une telle demande ont connaissance de la décision du juge, qui statue sur l’incident « sur-le-champ » à l’audience, étant donné que ces parties doivent comparaître en personne ou être représentées. Enfin, les dispositions en cause n’ont pas pour effet de modifier le délai pour former un pourvoi en cassation en matière civile, étant donné que le délai de trois mois prévu par l’article 1073 du Code judiciaire reste pleinement applicable. B.6. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : Les articles 4, § 2, et 6, § 2, de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire ne violent pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 27 mai 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203428] Auszug aus dem Urteil Nr. 65/2010 vom 27. Mai 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4792 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf die Artikel 4 § 2 und 6 § 2 des Gesetzes vom 15. Juni 1935 über den Sprachengebrauch in Gerichtsangelegenheiten, gestellt vom Kassationshof. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil vom 8. Oktober 2009 in Sachen Catherine Bruneel gegen die «Centea» AG und in Anwesenheit von Roberto Palmeri, dessen Ausfertigung am 2. November 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Kassationshof folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstoßen die Artikel 4 § 2 und 6 § 2 des Gesetzes über den Sprachengebrauch in Gerichtsangelegenheiten gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, indem sie die Frist für das Einlegen einer Kassationsbeschwerde in Zivilsachen zum Zeitpunkt der Urteilsverkündung einsetzen lassen, und zwar sogar in Abwesenheit der Parteien, während in zivilrechtlichen Verfahren die Frist der Kassationsbeschwerde in der Regel ab der Zustellung oder Notifizierung des Urteils läuft?». (...) 53421BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE II. In rechtlicher Beziehung (...) B.1. Die präjudizielle Frage bezieht sich auf die Artikel 4 § 2 und 6 § 2 des Gesetzes vom 15. Juni 1935 über den Sprachengebrauch in Gerichtsangelegenheiten, die bestimmen: «Art. 4. [...] § 2. Der im vorstehenden Absatz vorgesehene Antrag erfolgt mündlich durch den Beklagten, der persönlich erscheint; er wird schriftlich eingereicht, wenn der Beklagte durch einen Beauftragten erscheint. Das Schriftstück muss handschriftlich durch den Beklagten erstellt und durch ihn selbst unterschrieben werden; es bleibt dem Urteil beigefügt. Der Richter urteilt unmittelbar. Er kann sich weigern, dem Antrag stattzugeben, wenn aus den Elementen der Rechtssache ersichtlich ist, dass der Beklagte eine ausreichende Kenntnis der Sprache besitzt, die für die Erstellung der Akte bis zur Einleitung des Verfahrens verwendet wird. Die Entscheidung des Richters muss mit Gründen versehen sein; gegen sie kann weder Einspruch noch Berufung eingelegt werden. Sie ist aufgrund der Urschrift und vor der Registrierung vollstreckbar, ohne weiteres Verfahren und ohne Formbedingungen; die Verkündung der Entscheidung gilt selbst bei Abwesenheit der Parteien als Zustellung». «Art. 6. [...] § 2. Wenn es in derselben Rechtssache verschiedene Beklagte gibt und aufgrund von Artikel 4 die Wahl der Verfahrenssprache dem Beklagten obliegt, wird die Sprache benutzt, die durch die Mehrheit beantragt wird. Der Richter kann sich jedoch weigern, diesem Antrag stattzugeben, wenn aus den Elementen der Rechtssache ersichtlich ist, dass die Beklagten eine ausreichende Kenntnis der Sprache besitzen, die für die Erstellung der Akte bis zur Einleitung des Verfahrens verwendet wurde. Bei Gleichheit bestimmt der Richter selbst die Sprache, in der das Gerichtsverfahren fortgesetzt werden soll, unter Berücksichtigung der Erfordernisse der Rechtssache. Seine Entscheidung muss mit Gründen versehen sein; gegen sie kann weder Einspruch noch Berufung eingelegt werden, und sie ist aufgrund der Urschrift und vor der Registrierung vollstreckbar, ohne weiteres Verfahren und ohne Formbedingungen. Die Verkündung der Entscheidung gilt selbst bei Abwesenheit der Parteien als Zustellung». In Bezug auf die Zulässigkeit B.2.1. Nach Darlegung des Ministerrates sei die Antwort des Hofes auf die präjudizielle Frage offensichtlich nicht zweckdienlich für die Beurteilung der dem vorlegenden Richter unterbreiteten Streitsache, so dass die Frage keiner Antwort bedürfe. Das angefochtene Urteil sei am 28. April 2008 verkündet und die Kassationsbeschwerde am 24. Juli 2008 eingereicht worden, das heißt innerhalb der in Artikel 1073 des Gerichtsgesetzbuches vorgesehenen Frist von drei Monaten. Aus der Verweisungsentscheidung gehe nicht hervor, dass die Beschwerde nicht rechtzeitig eingereicht worden wäre. B.2.2. Die Klägerin vor dem vorlegenden Richter erwidert in ihrem Erwiderungsschriftsatz, die Kassations beschwerde sei durch eine am 12. August 2008 bei der Kanzlei des Kassationshofes hinterlegte Klageschrift eingereicht worden, die am 31. Juli 2008 den Parteien, gegen die sich die Beschwerde richte, zugestellt worden sei. Folglich sei die Kassationsbeschwerde mehr als drei Monate nach der Verkündung der angefochtenen Entscheidung eingereicht worden. Die Staatsanwaltschaft habe eine Unzulässigkeitseinrede geltend gemacht, weil die Kassationsbeschwerde verspätet eingereicht worden sei. Nach Ansicht der Klägerin vor dem vorlegenden Richter bedürfe die präjudizielle Frage folglich sehr wohl einer Antwort. B.2.3. Aus den Darlegungen der Klägerin vor dem vorlegenden Richter in ihrem Erwiderungsschriftsatz bezüglich des Datums des Einreichens der Kassationsbeschwerde und der Zustellung an die Parteien, gegen die diese Beschwerde gerichtet ist, geht hervor, dass die Antwort auf die präjudizielle Frage nützlich sein kann für die Beurteilung der vor dem vorlegenden Richter anhängigen Streitsache, da die Kassationsbeschwerde mehr als drei Monate nach der Verkündung des angefochtenen Urteils eingereicht wurde. Die Einrede wird abgewiesen. Zur Hauptsache B.3. Der Hof wird gefragt, ob die Artikel 4 § 2 und 6 § 2 des Gesetzes vom 15. Juni 1935 über den Sprachengebrauch in Gerichtsangelegenheiten mit dem Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung vereinbar seien, insofern sie die Frist für das Einlegen einer Kassationsbeschwerde in Zivilsachen zum Zeitpunkt der Urteilsverkündung einsetzen ließen, selbst in Abwesenheit der Parteien, während in zivilrechtlichen Verfahren die Frist der Kassationsbeschwerde in der Regel ab der Zustellung oder Notifizierung des Urteils laufe. B.4. Es obliegt dem Gesetzgeber festzulegen, auf welche Weise die Mitteilung der Verfahrensakten geregelt wird. Was die Gerichtsentscheidungen über die Klagen betrifft, die aufgrund der fraglichen Bestimmungen eingereicht wurden, wird die Entscheidung, ihre Verkündung als Zustellung gelten zu lassen, unter anderem durch das Bemühen gerechtfertigt, die Verfahrenskosten zu senken und die Ausführung der Bearbeitung der Sache zu beschleunigen, zumal es sich dabei um Entscheidungen handelt, bei denen lediglich über einen Zwischenstreit - nämlich einen Zwischenstreit bezüglich der Änderung der Sprache - und nicht über die Sache selbst geurteilt wird. B.5.1. Es bleibt noch zu prüfen, ob der Behandlungsunterschied, was den Beginn der Frist zum Einlegen einer Kassationsbeschwerde betrifft, mit dem Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung vereinbar ist. B.5.2. Der Behandlungsunterschied zwischen bestimmten Kategorien von Personen, der sich aus der Anwendung unterschiedlicher Verfahrensregeln unter unterschiedlichen Umständen ergibt, ist an sich nicht diskriminierend. Von Diskriminierung könnte nur dann die Rede sein, wenn der aus der Anwendung dieser Verfahrensregeln resultierende Behandlungsunterschied eine unverhältnismäßige Einschränkung der Rechte der darin verwickelten Personen nach sich zöge. B.5.3. Der Umstand, dass die Frist zum Einlegen einer Kassationsbeschwerde in einem Fall ab der Urteilsverkün dung und im anderen Fall ab der Zustellung oder Notifizierung des Urteils läuft, ist nicht geeignet, die Rechte der davon betroffenen Personen auf unverhältnismäßige Weise einzuschränken. Gemäß dem fraglichen Artikel 4 § 2 wird der Antrag auf Änderung der Sprache nämlich durch den persönlich erscheinenden Beklagten mündlich vorgenommen und wird er schriftlich eingereicht, wenn der Beklagte durch einen Beauftragten vertreten ist. Darüber hinaus sind die Parteien, die einen solchen Antrag einreichen, über die Entscheidung des Richters informiert, der in der Sitzung «unmittelbar» über den Zwischenstreit entscheidet, da diese Parteien persönlich erscheinen müssen oder vertreten sein müssen. Schließlich haben die fraglichen Bestimmungen nicht zur Folge, dass an den Fristen, um in Zivilsachen Kassationsbeschwerde einzureichen, gerüttelt wird, da die in Artikel 1073 des Gerichtsgesetzbuches vorgesehene Frist uneingeschränkt gilt. 53422 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.6. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Die Artikel 4 § 2 und 6 § 2 des Gesetzes vom 15. Juni 1935 über den Sprachengebrauch in Gerichtsangelegenheiten verstoßen nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 27. Mai 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. * COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203429] Extrait de l’arrêt n° 67/2010 du 2 juin 2010 Numéro du rôle : 4699 En cause : la question préjudicielle relative à l’article 18bis de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer « la charte » de l’assuré social, posée par la Cour du travail de Liège. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Melchior et M. Bossuyt, et des juges R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Melchior, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet de la question préjudicielle et procédure Par arrêt du 5 mai 2009 en cause de Giuseppina Liotta contre l’Office national de l’emploi et l’organisme de paiement de la Confédération des syndicats chrétiens, service chômage, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 8 mai 2009, la Cour du travail de Liège a posé la question préjudicielle suivante : « L’article 18bis de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la Charte de l’assuré social, interprété en ce sens que la décision prise à l’égard d’un chômeur à la suite d’un rejet de dépenses émanant de l’O.N.Em. n’est pas une décision de révision au sens de l’article 17 de la même loi et donc que la décision peut rétroagir entraînant par là une récupération de l’indu même si la décision d’octroi initiale provient d’une erreur de l’institution coopérante de sécurité sociale, n’établit-il pas une discrimination contraire aux articles 10 et 11 de la Constitution coordonnée entre les assurés sociaux selon le type de prestations dont ils demandent le bénéfice alors que dans tous les secteurs, hormis en matière de chômage et d’assurance obligatoire soins de santé et indemnités, les assurés sociaux ne peuvent voir la décision de révision rétroagir lorsque le droit à la prestation est inférieur à celui reconnu initialement faisant ainsi échapper les assurés sociaux à la récupération de l’indu lorsque l’erreur émane de l’institution de sécurité sociale ? ». (...) III. En droit (...) B.1. L’article 17 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer « la charte » de l’assuré social, modifié par l’article 19 de la loi du 25 juin 1997 modifiant la loi du 11 avril 1995 visant à instituer « la charte » de l’assuré social, dispose : « Lorsqu’il est constaté que la décision est entachée d’une erreur de droit ou matérielle, l’institution de sécurité sociale prend d’initiative une nouvelle décision produisant ses effets à la date à laquelle la décision rectifiée aurait dû prendre effet, et ce sans préjudice des dispositions légales et réglementaires en matière de prescription. Sans préjudice de l’article 18, la nouvelle décision produit ses effets, en cas d’erreur due à l’institution de sécurité sociale, le premier jour du mois qui suit la notification, si le droit à la prestation est inférieur à celui reconnu initialement. L’alinéa précédent n’est pas d’application si l’assuré social sait ou devait savoir, dans le sens de l’arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les déclarations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations, qu’il n’a pas ou plus droit à l’intégralité d’une prestation ». L’article 18 de la loi du 11 avril 1995, remplacé par l’article 20 de la loi du 25 juin 1997, dispose : « Sans préjudice des dispositions légales et réglementaires en matière de prescription, l’institution de sécurité sociale peut rapporter sa décision et en prendre une nouvelle dans le délai d’introduction d’un recours devant la juridiction compétente ou, si un recours a été introduit, jusqu’à la clôture des débats lorsque : 1o à la date de prise en cours de la prestation, le droit a été modifié par une disposition légale ou réglementaire; 2o un fait nouveau ou des éléments de preuve nouveaux ayant une incidence sur les droits du demandeur sont invoqués en cours d’instance; 3o il est constaté que la décision administrative est entachée d’irrégularité ou d’erreur matérielle ». L’article 18bis de la loi du 11 avril 1995, inséré par l’article 21 de la loi du 25 juin 1997, dispose : « Le Roi détermine les régimes de sécurité sociale ou les subdivisions de ceux-ci pour lesquels une décision relative aux mêmes droits, prise à la suite d’un examen de la légalité des prestations payées, n’est pas considérée comme une nouvelle décision pour l’application des articles 17 et 18 ». B.2. La Cour est invitée à statuer sur la compatibilité de l’article 18bis de la loi du 11 avril 1995 avec les articles 10 et 11 de la Constitution, en ce que cette disposition législative ferait une différence de traitement entre, d’une part, les assurés sociaux qui ont droit à des prestations sociales en application de la réglementation du chômage et, d’autre part, tous les autres assurés sociaux, à l’exception de ceux qui ont droit à des prestations sociales en application de la réglementation de l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités. 53423BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.3. La disposition en cause ne fait en soi aucune différence entre ces catégories d’assurés sociaux. En effet, elle autorise le Roi à régler tant la situation des personnes relevant de la première catégorie précitée que celle des personnes relevant de la seconde catégorie précitée. B.4. Du reste, s’il apparaissait que, sur la base de l’habilitation faite par la disposition en cause, le Roi a introduit une différence de traitement entre les deux catégories d’assurés sociaux précitées, c’est au juge a quo qu’il appartiendrait, en application de l’article 159 de la Constitution, le cas échéant, de vérifier s’il existe une justification raisonnable pour cette différence de traitement et, par conséquent, si elle est compatible avec les articles 10 et 11 de la Constitution. B.5. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 18bis de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer « la charte » de l’assuré social ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue française et en langue néerlandaise, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 2 juin 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. GRONDWETTELIJK HOF [2010/203429] Uittreksel uit arrest nr. 67/2010 van 2 juni 2010 Rolnummer 4699 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 18bis van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « handvest » van de sociaal verzekerde, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 5 mei 2009 in zake Giuseppina Liotta tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de uitbetalingsinstelling van het Algemeen Christelijk Vakverbond, dienst werkloosheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 mei 2009, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Voert artikel 18bis van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ’ handvest ’ van de sociaal verzekerde, in die zin geïnterpreteerd dat de beslissing die ten aanzien van een werkloze wordt genomen aansluitend op een weigering van uitgaven uitgaande van de RVA, geen beslissing tot herziening is in de zin van artikel 17 van dezelfde wet en dus dat de beslissing terugwerkende kracht kan hebben, met een terugvordering van het onverschuldigde bedrag tot gevolg, zelfs indien de oorspronkelijke beslissing tot toekenning voortvloeit uit een vergissing van de meewerkende instelling van sociale zekerheid, geen met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet strijdige discriminatie in onder de sociaal verzekerden naar gelang van het type prestatie waarop zij aanspraak maken, terwijl in alle sectoren, behalve inzake werkloosheid en de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de beslissing tot herziening ten aanzien van de sociaal verzekerden geen terugwerkende kracht kan hebben wanneer het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht, waardoor de sociaal verzekerden ontsnappen aan de terugvordering van het onverschuldigde bedrag wanneer de vergissing uitgaat van de instelling van sociale zekerheid ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « handvest » van de sociaal verzekerde, gewijzigd bij artikel 19 van de wet van 25 juni 1997 « tot wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van een handvest van de sociaal verzekerde », bepaalt : « Wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, neemt de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Onverminderd de toepassing van artikel 18, heeft de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. Het vorige lid is niet van toepassing indien de sociaal verzekerde weet of moest weten, in de zin van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, dat hij geen recht heeft of meer heeft op het gehele bedrag van een prestatie ». Artikel 18 van de wet van 11 april 1995, vervangen bij artikel 20 van de wet van 25 juni 1997, bepaalt : « Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring, kan de instelling van sociale zekerheid haar beslissing intrekken en een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn voor het instellen van een voorziening bij het bevoegde rechtscollege of, indien de voorziening reeds is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten, wanneer : 1o op de datum waarop de prestatie is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd; 53424 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE 2o een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een terugslag heeft op de rechten van de verzoeker, tijdens het geding wordt ingeroepen; 3o vastgesteld wordt dat de administratieve beslissing aangetast is door een onregelmatigheid of een materiële vergissing ». Artikel 18bis van de wet van 11 april 1995, ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 25 juni 1997, bepaalt : « De Koning bepaalt voor welke regelingen van sociale zekerheid of gedeelten daarvan, een beslissing over dezelfde rechten genomen ingevolge een onderzoek op de wettelijkheid van de uitbetaalde prestaties, niet als een nieuwe beslissing wordt beschouwd voor de toepassing van de artikelen 17 en 18 ». B.2. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 18bis van de wet van 11 april 1995 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wetsbepaling een verschil in behandeling zou teweegbrengen tussen, enerzijds, de sociaal verzekerden die recht hebben op sociale prestaties met toepassing van de werkloosheidsreglementering en, anderzijds, alle andere sociaal verzekerden, met uitzondering van diegenen die recht hebben op sociale prestaties met toepassing van de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. B.3. De in het geding zijnde bepaling voert op zich geen enkel verschil in tussen die categorieën van sociaal verzekerden. Zij staat de Koning immers toe zowel de situatie van de personen die vallen onder de eerstgenoemde categorie als die van de personen die vallen onder de laatstgenoemde categorie te regelen. B.4. Indien zou blijken dat, op basis van de machtiging vervat in de in het geding zijnde bepaling, de Koning een verschil in behandeling heeft ingevoerd tussen de twee voormelde categorieën van sociaal verzekerden, zou het overigens de verwijzende rechter toekomen om in voorkomend geval, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, na te gaan of voor dat verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat en of het derhalve bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 18bis van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « handvest » van de sociaal verzekerde schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 2 juni 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203429] Auszug aus dem Urteil Nr. 67/2010 vom 2. Juni 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4699 In Sachen: Präjudizielle Frage in Bezug auf Artikel 18bis des Gesetzes vom 11. April 1995 zur Einführung der «Charta» der Sozialversicherten, gestellt vom Arbeitsgerichtshof Lüttich. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Melchior und M. Bossuyt, und den Richtern R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Melchior, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Frage und Verfahren In seinem Urteil vom 5. Mai 2009 in Sachen Giuseppina Liotta gegen das Landesamt für Arbeitsbeschaffung und die Zahlstelle der Christlichen Gewerkschaften - Dienststelle Arbeitslosigkeit -, dessen Ausfertigung am 8. Mai 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat der Arbeitsgerichtshof Lüttich folgende präjudizielle Frage gestellt: «Führt Artikel 18bis des Gesetzes vom 11. April 1995 zur Einführung der ’ Charta ’ der Sozialversicherten, dahingehend ausgelegt, dass der Beschluss, der in Bezug auf einen Arbeitslosen nach einem Verweigerungsbeschluss seitens des Landesamtes für Arbeitsbeschaffung gefasst wird, kein Revisionsbeschluss im Sinne von Artikel 17 desselben Gesetzes ist und dieser Beschluss somit Rückwirkung und eine Rückforderung des nicht geschuldeten Betrags zur Folge haben kann, und zwar sogar dann, wenn der ursprüngliche Gewährungsbeschluss auf einen Irrtum der mitwirkenden Einrichtung für soziale Sicherheit zurückzuführen ist, nicht zu einer im Widerspruch zu den Artikeln 10 und 11 der koordinierten Verfassung stehenden Diskriminierung zwischen den Sozialversicherten je nach der Art der von ihnen beantragten Leistung, während in allen Sektoren, die Arbeitslosigkeit und die Gesundheitspflege und Entschädigungspflichtversicherung ausgenommen, der Revisionsbeschluss für die Sozialversicherten keine Rückwirkung haben kann, wenn das Anrecht auf die Leistung geringer ist als das ursprünglich gewährte Anrecht, und die Sozialversicherten somit der Rückforderung des nicht geschuldeten Betrags entgehen können, wenn der Irrtum auf die Einrichtung für soziale Sicherheit zurückzuführen ist?». (...) III. In rechtlicher Beziehung (...) B.1. Artikel 17 des Gesetzes vom 11. April 1995 zur Einführung der «Charta» der Sozialversicherten, abgeändert durch Artikel 19 des Gesetzes vom 25. Juni 1997 «zur Abänderung des Gesetzes vom 11. April 1995 zur Einführung der Charta der Sozialversicherten», bestimmt: «Wird festgestellt, dass der Beschluss einen rechtlichen oder materiellen Irrtum aufweist, fasst die Einrichtung für soziale Sicherheit auf eigene Initiative einen neuen Beschluss, der an dem Datum wirksam wird, an dem der berichtigte Beschluss hätte wirksam werden müssen, und dies unbeschadet der Gesetzes- und Verordnungsbestimmungen in Sachen Verjährung. 53425BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Unbeschadet des Artikels 18 wird der neue Beschluss im Fall eines der Einrichtung für soziale Sicherheit zuzuschreibenden Irrtums am ersten Tag des Monats wirksam, der der Notifizierung folgt, wenn das Anrecht auf die soziale Leistung geringer ist als das ursprünglich gewährte Anrecht. Vorhergehender Absatz findet keine Anwendung, wenn der Sozialversicherte im Sinne des Königlichen Erlasses vom 31. Mai 1933 über die in Sachen Zuschüsse, Entschädigungen und Beihilfen abzugebenden Erklärungen weiß oder wissen musste, dass er kein Anrecht oder kein Anrecht mehr auf den Gesamtbetrag einer Leistung hat». Artikel 18 des Gesetzes vom 11. April 1995, ersetzt durch Artikel 20 des Gesetzes vom 25. Juni 1997, bestimmt: «Unbeschadet der Gesetzes- und Verordnungsbestimmungen in Sachen Verjährung kann die Einrichtung für soziale Sicherheit innerhalb der Frist für das Einreichen einer Beschwerde bei dem zuständigen Rechtsprechungsorgan oder, wenn bereits eine Beschwerde eingereicht worden ist, bis zur Schließung der Verhandlungen ihren Beschluss rückgängig machen und einen neuen Beschluss fassen, wenn 1. an dem Tag, an dem die Leistung eingesetzt hat, das Anrecht durch eine Gesetzes- oder Verordnungsbestim mung abgeändert worden ist; 2. ein neuer Umstand oder neues Beweismaterial, die Auswirkungen auf die Anrechte des Antragstellers haben, im Laufe des Verfahrens geltend gemacht werden; 3. festgestellt wird, dass der administrative Beschluss eine Unregelmäßigkeit oder einen materiellen Irrtum aufweist». Artikel 18bis des Gesetzes vom 11. April 1995, eingefügt durch Artikel 21 des Gesetzes vom 25. Juni 1997, bestimmt: «Der König bestimmt die Regelungen der sozialen Sicherheit oder die Teile davon, für die ein Beschluss über dieselben Rechte, der nach einer Untersuchung der Rechtmäßigkeit der ausgezahlten Leistungen gefasst wurde, für die Anwendung von Artikel 17 und 18 nicht als neuer Beschluss angesehen wird». B.2. Der Hof wird gebeten, sich zur Vereinbarkeit von Artikel 18bis des Gesetzes vom 11. April 1995 mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung zu äußern, insofern diese Gesetzesbestimmung einen Behandlungsunterschied zwischen den Sozialversicherten, die ein Anrecht auf Sozialleistungen in Anwendung der Regelung der Arbeits losigkeit hätten, einerseits und allen anderen Sozialversicherten mit Ausnahme derjenigen, die ein Anrecht auf Sozialleistungen in Anwendung der Regelung der Gesundheitspflege- und Entschädigungspflichtversicherung hätten, andererseits einführe. B.3. Die fragliche Bestimmung führt an sich keinerlei Unterschied zwischen diesen Kategorien von Sozial versicherten ein. Sie erlaubt es nämlich dem König, sowohl die Situation der zur erstgenannten Kategorie gehörenden Personen als auch die Situation der zur letztgenannten Kategorie gehörenden Personen zu regeln. B.4. Wenn es sich zeigen sollte, dass der König aufgrund der in der fraglichen Bestimmung enthaltenen Ermächtigung einen Behandlungsunterschied zwischen den zwei vorerwähnten Kategorien von Sozialversicherten eingeführt hätte, so würde es übrigens dem vorlegenden Richter obliegen, vorkommendenfalls in Anwendung von Artikel 159 der Verfassung zu prüfen, ob es für diesen Behandlungsunterschied eine vernünftige Rechtfertigung gibt und ob er also mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung vereinbar ist. B.5. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 18bis des Gesetzes vom 11. April 1995 zur Einführung der «Charta» der Sozialversicherten verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in französischer und niederländischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 2. Juni 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. * COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/204045] Extrait de l’arrêt n° 71/2010 du 23 juin 2010 Numéros du rôle : 4770, 4771 et 4772 En cause : les questions préjudicielles relatives à l’article 19, alinéa 2, des lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, posées par le Conseil d’Etat. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Melchior et M. Bossuyt, et des juges R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Melchior, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet des questions préjudicielles et procédure Par arrêts nos 195.816, 195.814 et 195.815 du 8 septembre 2009 en cause de Christine Duruisseau contre la Communauté française, en présence de Sylvianne Randolet, partie intervenante dans la première affaire, et d’Isabelle Peters, partie intervenante dans la troisième affaire, dont les expéditions sont parvenues au greffe de la Cour le 23 septembre 2009, le Conseil d’Etat a posé la question préjudicielle suivante : « L’article 19, alinéa 2, des lois coordonnées sur le Conseil d’Etat, viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution, lorsqu’il est interprété dans le sens que le report de quatre mois qu’il prévoit pour la prise de cours du délai de prescription pour les recours au Conseil d’Etat, n’est susceptible de bénéficier qu’aux seules personnes auxquelles l’autorité administrative est tenue de notifier un acte ou une décision à portée individuelle et non aux personnes qui prennent connaissance de cet acte ou de cette décision à portée individuelle à la suite d’une communication qui leur en est faite par l’autorité administrative sans que cette communication résulte d’une obligation de notification ? ». Ces affaires, inscrites sous les numéros 4770, 4771 et 4772 du rôle de la Cour, ont été jointes. (...) 53426 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE III. En droit (...) B.1. L’article 19 des lois coordonnées le 12 janvier 1973 sur le Conseil d’Etat dispose : « Les [...] recours en annulation [...] visés aux articles [...] 14 [...] peuvent être portés devant la section du contentieux administratif par toute partie justifiant d’une lésion ou d’un intérêt et sont soumis par écrit à la section dans les formes et délais déterminés par le Roi. Les délais de prescription pour les recours visés à l’article 14, § 1er, ne prennent cours que si la notification par l’autorité administrative de l’acte ou de la décision à portée individuelle indique l’existence de ces recours ainsi que les formes et délais à respecter. Lorsque cette condition n’est pas remplie, les délais de prescription prennent cours quatre mois après que l’intéressé a pris connaissance de l’acte ou de la décision à portée individuelle. [...] ». L’article 14, § 1er, des mêmes lois coordonnées dispose : « La section [du contentieux administratif du Conseil d’Etat] statue par voie d’arrêts sur les recours en annulation pour violation des formes soit substantielles, soit prescrites à peine de nullité, excès ou détournement de pouvoir, formés contre les actes et règlements : 1o des diverses autorités administratives; 2o des assemblées législatives ou de leurs organes, en ce compris les médiateurs institués auprès de ces assemblées, de la Cour des comptes et de la Cour constitutionnelle, du Conseil d’Etat et des juridictions administratives ainsi que des organes du pouvoir judiciaire et du Conseil supérieur de la Justice relatifs aux marchés publics et aux membres de leur personnel. L’article 159 de la Constitution s’applique également aux actes et règlements visés au 2o ». Adopté en exécution de l’article 19, alinéa 1er, des lois coordonnées le 12 janvier 1973, l’article 4, alinéa 3, de l’arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d’Etat dispose : « Les recours visés à l’article 14, § § 1er et 3 des lois coordonnées sont prescrits soixante jours après que les actes, règlements ou décisions incriminés ont été publiés ou notifiés. S’ils ne doivent être ni publiés ni notifiés, le délai court à dater du jour où le requérant en aura eu connaissance ». B.2. Il ressort des faits des causes et des motifs des décisions de renvoi que la Cour est invitée à statuer sur la compatibilité, avec les articles 10 et 11 de la Constitution, de l’article 19, alinéa 2, des lois coordonnées le 12 janvier 1973, interprété comme ne s’appliquant qu’à la notification obligatoire d’un acte ou d’une décision à portée individuelle, en ce que cette disposition législative ferait une différence de traitement entre deux catégories de personnes qui souhaitent introduire un recours en annulation au Conseil d’Etat contre un acte administratif à portée individuelle qui leur est notifié sans que cette notification indique l’existence de ce recours ou des formes et délais de celui-ci : d’une part, celles à qui l’autorité administrative notifie un tel acte sans y être tenue et, d’autre part, celles à qui l’autorité administrative notifie un tel acte parce qu’elle y est tenue. Seules les secondes peuvent bénéficier de la prolongation du délai de recours prévue par la disposition en cause. B.3.1. La première phrase de la disposition en cause, insérée par l’article 1er de la loi du 24 mars 1994 « modifiant les lois sur le Conseil d’Etat, coordonnées le 12 janvier 1973 », vise à étendre la portée de la règle inscrite à l’article 2, 4o, de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration (Doc. parl., Chambre, 1992-1993, no 1159/2, p. 1; ibid., no 1159/4, p. 1; ibid., no 1159/5, p. 4), qui dispose : « Afin de fournir au public une information claire et objective sur l’action des autorités administratives fédérales : [...] 4o tout document par lequel une décision ou un acte administratif à portée individuelle émanant d’une autorité administrative fédérale est notifié à un administré indique les voies éventuelles de recours, les instances compétentes pour en connaître ainsi que les formes et délais à respecter, faute de quoi le délai de prescription pour introduire le recours ne prend pas cours ». Cette dernière disposition s’insère dans une réforme visant à une « réorientation fondamentale de la relation entre le citoyen et l’administration » (Doc. parl., Chambre, 1992-1993, no 1112/1, p. 1) et constitue l’une des obligations minimales destinées à assurer une « publicité active [qui] tend à promouvoir une politique d’information mieux structurée » (ibid., no 1112/13, p. 3). Dans ces circonstances, la première phrase de la disposition en cause vise à un « renforcement des droits de défense des administrés [...] devant le Conseil d’Etat » (Doc. parl., Chambre, 1992-1993, no 1159/2, p. 2; ibid., no 1159/4, p. 2), auxquels elle offre une « protection supplémentaire » (Doc. parl., Chambre, 1992-1993, no 1112/2, pp. 9-10). B.3.2. La seconde phrase de la disposition en cause, insérée par l’article 7, 1o, de la loi du 15 septembre 2006 « réformant le Conseil d’Etat et créant un Conseil du Contentieux des Etrangers », vise à « concilier la sécurité juridique qui exige que chaque acte individuel revête à un moment déterminé un caractère définitif » avec « l’exigence justifiée de protection juridique » face à un « acte individuel préjudiciable » (Doc. parl., Chambre, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 33). La disposition en cause oblige l’autorité administrative concernée à indiquer « l’existence d’un recours au Conseil d’Etat et de l’obligation d’introduire ce recours par lettre recommandée dans les soixante jours de la notification » (ibid., p. 32). B.4.1. La prolongation du délai de recours prévue par la seconde phrase de la disposition en cause est étroitement liée à l’obligation qui découle de la première phrase de cette disposition. B.4.2. Il ressort de l’article 4, alinéa 3, de l’arrêté du Régent du 23 août 1948 qu’une personne qui souhaite demander l’annulation d’un acte administratif à portée individuelle qui ne doit pas être publié et que l’autorité administrative n’est pas tenue de lui notifier dispose, en principe, d’un délai de soixante jours à compter du jour où elle prend connaissance de cet acte pour introduire un recours en annulation auprès de la section du contentieux administratif du Conseil d’Etat. Cette disposition établit dès lors trois points de départ distincts pour le délai de recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d’Etat : la publication, la notification et la prise de connaissance. Ces notions ne se recouvrent pas et ces points de départ différents sont indépendants les uns des autres, de telle sorte qu’ils ne s’influencent pas mutuellement quant à la prise de cours du délai de recours ou quant à son écoulement. 53427BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Ainsi, pour ce qui est de la notification et de la prise de connaissance, il ressort de la jurisprudence du Conseil d’Etat qu’en cas de notification prévue par un texte de l’acte individuel contesté au tiers intéressé, la prise de connaissance antérieure de cet acte par ce tiers, qu’elle résulte d’une constatation des faits ou d’une communication de l’autorité, n’entraîne pas la prise de cours du délai de recours, lequel court à partir de la notification de l’acte. De même, en l’absence de notification prévue par un texte, le Conseil d’Etat juge que la communication d’un tel acte, postérieure à la prise de connaissance de l’acte, n’a pas pour effet de modifier le délai dans lequel doit être introduit le recours en annulation. B.5. L’article 19, alinéa 2, en cause se limite à se référer à des normes qui instituent ou non des modes de notification. Selon les règles de publicité édictées par ces différentes normes, cette disposition s’applique ou non. Il s’ensuit que la différence de traitement en cause ne se situe pas dans l’article 19, alinéa 2, précité mais dans d’autres normes, en l’occurrence dans le décret du 8 mars 2007 « relatif au service général de l’inspection, au service de conseil et de soutien pédagogiques de l’enseignement organisé par la Communauté française, aux cellules de conseil et de soutien pédagogiques de l’enseignement subventionné par la Communauté française et au statut des membres du personnel du service général de l’inspection et des conseillers pédagogiques », qui ne prévoit pas que l’acte de désignation provisoire des inspecteurs de l’enseignement maternel doit être notifié aux candidats non retenus. B.6. Les questions appellent une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 19, alinéa 2, des lois coordonnées le 12 janvier 1973 sur le Conseil d’Etat ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue française et en langue néerlandaise, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 23 juin 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. GRONDWETTELIJK HOF [2010/204045] Uittreksel uit arrest nr. 71/2010 van 23 juni 2010 Rolnummers 4770, 4771 en 4772 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arresten nrs. 195.816, 195.814 en 195.815 van 8 september 2009 in zake Christine Duruisseau tegen de Franse Gemeenschap, in aanwezigheid van Sylvianne Randolet, tussenkomende partij in de eerste zaak, en van Isabelle Peters, tussenkomende partij in de derde zaak, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 23 september 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het uitstel met vier maanden waarin het voorziet voor de aanvang van de verjaringstermijn voor de beroepen bij de Raad van State enkel ten goede kan komen aan de personen ten aanzien van wie de administratieve overheid gehouden is tot de betekening van een akte of een beslissing met individuele strekking en niet aan de personen die van die akte of die beslissing met individuele strekking kennis nemen naar aanleiding van een mededeling die hun wordt gedaan door de administratieve overheid zonder dat die mededeling voortvloeit uit een verplichting tot betekening ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4770, 4771 en 4772 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 19 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « De [...] beroepen tot nietigverklaring [...] bedoeld bij de artikelen [...] 14 [...] kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking. [...] ». 53428 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Artikel 14, § 1, van dezelfde gecoördineerde wetten bepaalt : « De afdeling [bestuursrechtspraak van de Raad van State] doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1o van de onderscheiden administratieve overheden; 2o van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in 2o bedoelde akten en reglementen ». Ter uitvoering van artikel 19, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten bepaalt artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » : « De beroepen bedoeld in artikel 14, § § 1 en 3, van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad ». B.2. Uit de feiten van de zaken en uit de motivering van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 19, tweede lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten, geïnterpreteerd in die zin dat het slechts van toepassing is op de verplichte betekening van een akte of van een beslissing met individuele strekking, doordat die wettelijke bepaling een verschil in behandeling zou maken tussen twee categorieën van personen die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring wensen in te stellen tegen een administratieve akte met individuele strekking die hun wordt betekend zonder dat die betekening het bestaan van dat beroep alsook de vormvoorschriften en termijnen ervan vermeldt : enerzijds, diegenen aan wie de administratieve overheid een dergelijke akte betekent zonder dat zij daartoe gehouden is en, anderzijds, diegenen aan wie een administratieve overheid een dergelijke akte betekent omdat zij ertoe gehouden is. Alleen de laatstgenoemden kunnen de verlenging van de beroepstermijn, waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, genieten. B.3.1. De eerste zin van de in het geding zijnde bepaling, die werd ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 24 maart 1994 « tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 », strekt ertoe de draagwijdte uit te breiden van de regel die is vervat in artikel 2, 4o, van de wet van 11 april 1994 « betreffende de openbaarheid van bestuur » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1159/2, p. 1; ibid., nr. 1159/4, p. 1; ibid., nr. 1159/5, p. 4), die bepaalt : « Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden : [...] 4o vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang ». Die laatste bepaling past in een hervorming die een « fundamentele heroriëntatie in de relatie tussen burger en bestuur » beoogt (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/1, p. 1), en vormt een van de minimumverplichtingen die een « ’actieve openbaarheid’ [moeten waarborgen die] [...] de aanzet [wil] geven tot een beter uitgebouwd informatiebe leid » (ibid., nr. 1112/13, p. 3). In die omstandigheden strekt de eerste zin van de in het geding zijnde bepaling ertoe « de rechten van de verdediging van de bestuurde [...] voor de Raad van State [...] beter [te waarborgen] » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1159/2, p. 2; ibid., nr. 1159/4, p. 2), aan wie hij een « aanvullende bescherming » biedt (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/2, pp. 9-10). B.3.2. De tweede zin van de in het geding zijnde bepaling, die werd ingevoegd bij artikel 7, 1o, van de wet van 15 september 2006 « tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbe twistingen », heeft tot doel « de rechtszekerheid die vereist dat elke individuele akte op een bepaald ogenblik definitief wordt, te verzoenen met de terechte eis van rechtsbescherming » tegenover een « individuele, griefhoudende akte » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 33). De in het geding zijnde bepaling verplicht de betrokken administratieve overheid melding te maken van « het bestaan van de mogelijkheid om bij de Raad van State beroep in te stellen en van de verplichting om dit beroep in te stellen bij aangetekende brief binnen zestig dagen na de kennisgeving » (ibid., p. 32). B.4.1. De verlenging van de beroepstermijn waarin de tweede zin van de in het geding zijnde bepaling voorziet, is nauw verbonden met de verplichting die voortvloeit uit de eerste zin van die bepaling. B.4.2. Uit artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 blijkt dat een persoon die de nietigverklaring wenst te vorderen van een administratieve akte met individuele strekking die niet moet worden bekendgemaakt en die de administratieve overheid hem niet moet betekenen, in principe over een termijn van zestig dagen beschikt vanaf de dag waarop hij van die akte kennisneemt, om een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die bepaling stelt dus drie verschillende aanvangspunten vast voor de termijn van een beroep tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State : de bekendmaking, de betekening en de kennisneming. Die begrippen vallen niet samen en die verschillende aanvangspunten staan los van elkaar, zodat zij elkaar niet wederzijds beïnvloeden wat betreft de aanvang van de beroepstermijn of het verstrijken ervan. 53429BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Zo blijkt, met betrekking tot de betekening en de kennisneming, uit de rechtspraak van de Raad van State dat, in geval van een door een tekst voorgeschreven betekening van de bestreden individuele akte aan de belanghebbende derde, een voorafgaande kennisneming van die akte door die derde, ongeacht of zij voortvloeit uit een vaststelling van de feiten of uit een mededeling van de overheid, niet leidt tot een aanvang van de beroepstermijn, die loopt vanaf de betekening van de akte. Op dezelfde wijze oordeelt de Raad van State, bij ontstentenis van een door een tekst voorgeschreven betekening, dat de mededeling van zulk een akte nadat van die akte werd kennisgenomen, geen wijziging van de termijn waarbinnen het beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld tot gevolg heeft. B.5. Het in het geding zijnde artikel 19, tweede lid, beperkt zich ertoe te verwijzen naar normen die al dan niet wijzen van betekening vaststellen. Naar gelang van de door die verschillende normen uitgevaardigde regels van openbaarmaking, wordt die bepaling al dan niet toegepast. Daaruit volgt dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet gelegen is in het voormelde artikel 19, tweede lid, maar in andere normen, te dezen in het decreet van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs », dat niet bepaalt dat de akte van voorlopige aanwijzing van de inspecteurs van het kleuteronderwijs aan de afgewezen kandidaten moet worden betekend. B.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 19, tweede lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/204045] Auszug aus dem Urteil Nr. 71/2010 vom 23. Juni 2010 Geschäftsverzeichnisnummern 4770, 4771 und 4772 In Sachen: Präjudizielle Fragen in Bezug auf Artikel 19 Absatz 2 der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat, gestellt vom Staatsrat. Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Melchior und M. Bossuyt, und den Richtern R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Melchior, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Fragen und Verfahren In seinen Urteilen Nrn. 195.816, 195.814 und 195.815 vom 8. September 2009 in Sachen Christine Duruisseau gegen die Französische Gemeinschaft, in Anwesenheit von Sylvianne Randolet, intervenierende Partei in der ersten Rechtssache, und von Isabelle Peters, intervenierende Partei in der dritten Rechtssache, deren Ausfertigungen am 23. September 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen sind, hat der Staatsrat folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstößt Artikel 19 Absatz 2 der koordinierten Gesetze über den Staatsrat gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, indem er dahingehend ausgelegt wird, dass der Aufschub um vier Monate, den er für die Einsetzung der Verjährungsfrist für die beim Staatsrat erhobenen Klagen vorsieht, nur jenen Personen zugute kommen kann, denen gegenüber die Verwaltungsbehörde einen Akt oder eine Entscheidung mit individueller Tragweite zu notifizieren hat, und nicht den Personen, die diesen Akt oder diese Entscheidung mit individueller Tragweite zur Kenntnis nehmen im Anschluss an eine Mitteilung seitens der Verwaltungsbehörde, ohne dass sich diese Mitteilung aus einer Notifizie rungspflicht ergibt?». Diese unter den Nummern 4770, 4771 und 4772 ins Geschäftsverzeichnis des Hofes eingetragenen Rechtssachen wurden verbunden. (...) III. In rechtlicher Beziehung (...) B.1. Artikel 19 der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat bestimmt: «In [Artikel] 14 [...] erwähnte [...] Nichtigkeitsklagen [...] können von jeder Partei, die einen Nachteil oder ein Interesse nachweist, vor die Verwaltungsstreitsachenabteilung gebracht werden und werden der Abteilung schriftlich und in den vom König festgelegten Formen und Fristen vorgelegt. Verjährungsfristen für die in Artikel 14 § 1 erwähnten Klagen setzen nur ein, wenn in der von der Verwaltungsbehörde ausgehenden Notifizierung des Akts oder der Entscheidung mit individueller Tragweite diese Klagen und die einzuhaltenden Formen und Fristen erwähnt sind. Ist diese Bedingung nicht erfüllt, setzen die Verjährungsfristen vier Monate, nachdem dem Betreffenden der Akt oder die Entscheidung mit individueller Tragweite zur Kenntnis gebracht worden ist, ein. [...]». 53430 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Artikel 14 § 1 derselben koordinierten Gesetze bestimmt: «Die Verwaltungsstreitsachenabteilung befindet im Wege von Entscheiden über Nichtigkeitsklagen wegen Verletzung entweder wesentlicher oder unter Androhung der Nichtigkeit auferlegter Formvorschriften, wegen Befugnisüberschreitung oder wegen Befugnismissbrauch, die eingeleitet werden gegen Akte und Verordnungen: 1. der verschiedenen Verwaltungsbehörden, 2. der gesetzgebenden Versammlungen oder ihrer Organe, einschließlich der bei diesen Versammlungen eingerichteten Ombudsdienste, des Rechnungshofes, des Verfassungsgerichtshofes, des Staatsrates, der adminis trativen Rechtsprechungsorgane, der Organe der rechtsprechenden Gewalt und des Hohen Justizrates, in Bezug auf öffentliche Aufträge und Personalmitglieder. Artikel 159 der Verfassung findet ebenfalls Anwendung auf die unter Nr. 2 erwähnten Akte und Verordnungen». In Ausführung von Artikel 19 Absatz 1 der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze bestimmt Artikel 4 Absatz 3 des Erlasses des Regenten vom 23. August 1948 «zur Festlegung des Verfahrens vor der Verwaltungsstreitsachen abteilung des Staatsrates»: «Die Klagen im Sinne von Artikel 14 § § 1 und 3 der koordinierten Gesetze verjähren in 60 Tagen, nachdem die angefochtenen Akten, Verordnungen oder Entscheidungen veröffentlicht oder notifiziert wurden. Wenn sie weder veröffentlicht noch notifiziert werden müssen, beginnt die Frist an dem Tag, an dem der Kläger sie zur Kenntnis genommen hat». B.2. Aus dem Sachverhalt der Rechtssachen und aus der Begründung der Verweisungsentscheidungen geht hervor, dass der Hof sich zur Vereinbarkeit von Artikel 19 Absatz 2 der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung äußern soll, ausgelegt in dem Sinne, dass er nur Anwendung finde auf die verpflichtende Notifizierung eines Aktes oder einer Entscheidung mit individueller Tragweite, insofern diese Gesetzesbestimmung einen Behandlungsunterschied einführe zwischen zwei Kategorien von Personen, die beim Staatsrat eine Klage auf Nichtigerklärung gegen einen Verwaltungsakt mit individueller Tragweite einreichen möchten, der ihnen notifiziert worden sei, ohne dass in dieser Notifizierung das Bestehen dieser Klage oder deren Formvorschriften und Fristen angegeben sei: einerseits diejenigen, denen die Verwaltungsbehörde einen solchen Akt notifiziere, ohne dazu verpflichtet zu sein, und andererseits diejenigen, denen die Verwaltungsbehörde einen solchen Akt notifiziere, weil sie dazu verpflichtet sei. Nur die Letztgenannten könnten die in der fraglichen Bestimmung vorgesehene Verlängerung der Klagefrist in Anspruch nehmen. B.3.1. Mit dem ersten Satz der fraglichen Bestimmung, der durch Artikel 1 des Gesetzes vom 24. März 1994 «zur Abänderung der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat» eingefügt wurde, soll die Tragweite der in Artikel 2 Nr. 4 des Gesetzes vom 11. April 1994 «über die Öffentlichkeit der Verwaltung» enthaltenen Regel erweitert werden (Parl. Dok., Kammer, 1992-1993, Nr. 1159/2, S. 1; ebenda, Nr. 1159/4, S. 1; ebenda, Nr. 1159/5, S. 4); dieser bestimmt: «Damit die Bevölkerung deutlich und objektiv über die Tätigkeiten der föderalen Verwaltungsbehörden unterrichtet wird: [...] 4. werden die eventuellen Beschwerdemöglichkeiten, die Instanzen, bei denen eine Beschwerde einzulegen ist, und die einzuhaltenden Formen und Fristen in jeder Unterlage angegeben, mit der dem Bürger ein Beschluss oder ein Verwaltungsakt individueller Tragweite, der von einer föderalen Verwaltungsbehörde ausgeht, notifiziert wird; andernfalls läuft keine Verjährungsfrist für die Einlegung einer Beschwerde». Diese letztgenannte Bestimmung fügt sich in eine Reform ein, die eine «grundsätzliche Neuorientierung des Verhältnisses zwischen dem Bürger und der Verwaltung» bezweckt (Parl. Dok., Kammer, 1992-1993, Nr. 1112/1, S. 1); sie bildet eine der Mindestverpflichtungen, die eine «’ aktive Öffentlichkeit ’ gewährleisten soll, die zur Förderung einer besser strukturierten Informationspolitik beitragen soll» (ebenda, Nr. 1112/13, S. 3). Unter diesen Umständen soll der erste Satz der fraglichen Bestimmung «die Verteidigungsrechte der Bürger vor dem Staatsrat stärken» (Parl. Dok., Kammer, 1992-1993, Nr. 1159/2, S. 2; ebenda, Nr. 1159/4, S. 2), indem er ihnen einen «zusätzlichen Schutz» bietet (Parl. Dok., Kammer, 1992-1993, Nr. 1112/2, SS. 9-10). B.3.2. Mit dem zweiten Satz der fraglichen Bestimmung, der durch Artikel 7 Nr. 1 des Gesetzes vom 15. September 2006 «zur Reform des Staatsrates und zur Schaffung eines Rates für Ausländerstreitsachen» eingefügt wurde, soll «die Rechtssicherheit, die es erfordert, dass jeder individuelle Akt zu einem bestimmten Zeitpunkt endgültig wird, mit dem gerechtfertigten Erfordernis des Rechtsschutzes in Einklang gebracht werden» gegenüber einem «individuellen, nachteiligen Akt» (Parl. Dok., Kammer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, S. 33). Die fragliche Bestimmung verpflichtet die betreffende Verwaltungsbehörde, «das Bestehen der Möglichkeit einer Klage vor dem Staatsrat und die Verpflichtung, diese Klage innerhalb von 60 Tagen nach der Notifizierung per Einschreibebrief einzureichen» anzugeben (ebenda, S. 32). B.4.1. Die im zweiten Satz der fraglichen Bestimmung vorgesehene Verlängerung der Klagefrist steht im engen Zusammenhang zu der sich aus dem ersten Satz dieser Bestimmung ergebenden Verpflichtung. B.4.2. Aus Artikel 4 Absatz 3 des Erlasses des Regenten vom 23. August 1948 geht hervor, dass eine Person, die die Nichtigerklärung eines Verwaltungsaktes mit individueller Tragweite, der nicht veröffentlicht werden muss und den die Verwaltungsbehörde ihr nicht notifizieren muss, beantragen möchte, grundsätzlich über eine Frist von 60 Tagen ab dem Tag, an dem sie diesen Akt zur Kenntnis genommen hat, verfügt, um eine Nichtigkeitsklage bei der Verwaltungsstreitsachenabteilung des Staatsrates einzureichen. Diese Bestimmung legt also drei unterschiedliche Ausgangspunkte für die Frist einer Nichtigkeitsklage vor der Verwaltungsstreitsachenabteilung des Staatsrates fest: die Veröffentlichung, die Notifizierung und die Kenntnisnahme. Diese Begriffe decken einander nicht, und diese verschiedenen Ausgangspunkte sind unabhängig voneinander, so dass sie sich nicht gegenseitig beeinflussen in Bezug auf den Beginn der Klagefrist oder deren Ablauf. 53431BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE So geht in Bezug auf die Notifizierung und die Kenntnisnahme aus der Rechtsprechung des Staatsrates hervor, dass im Fall einer durch einen Text vorgeschriebenen Notifizierung des angefochtenen individuellen Aktes an den beteiligten Dritten die vorherige Kenntnisnahme dieses Aktes durch diesen Dritten, ungeachtet dessen, ob sie sich aus einer Feststellung der Fakten oder aus einer Mitteilung durch die Verwaltung ergibt, nicht den Beginn der Klagefrist zur Folge hat, die ab der Notifizierung des Aktes läuft. Ebenso urteilt der Staatsrat, dass in Ermangelung einer durch einen Text vorgeschriebenen Notifizierung die Mitteilung eines solchen Aktes nach der Kenntnisnahme dieses Aktes keine Änderung der Frist, innerhalb deren die Nichtigkeitsklage eingereicht werden muss, zur Folge hat. B.5. Der fragliche Artikel 19 Absatz 2 beschränkt sich darauf, auf Normen zu verweisen, die gegebenenfalls Notifizierungsarten festlegen. Je nach den durch diese verschiedenen Normen auferlegten Öffentlichkeitsregeln findet diese Bestimmung Anwendung oder nicht. Daraus ist zu schlussfolgern, dass der fragliche Behandlungsunterschied sich nicht aus dem vorerwähnten Artikel 19 Absatz 2 ergibt, sondern aus anderen Normen, im vorliegenden Fall aus dem Dekret vom 8. März 2007 «über den allgemeinen Inspektionsdienst, den Dienst für pädagogische Beratung und Betreuung des von der Französischen Gemeinschaft organisierten Unterrichts, die Büros für pädagogische Beratung und Betreuung des von der Französischen Gemeinschaft subventionierten Unterrichts und über das Statut der Mitglieder des Personals des allgemeinen Inspektionsdienstes und der pädagogischen Berater», das nicht vorsieht, dass der Akt der vorläufigen Anstellung der Inspektoren des Vorschulunterrichts den abgewiesenen Bewerbern notifiziert werden muss. B.6. Die präjudiziellen Fragen sind verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 19 Absatz 2 der am 12. Januar 1973 koordinierten Gesetze über den Staatsrat verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in französischer und niederländischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 23. Juni 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, P.-Y. Dutilleux. M. Melchior. * GRONDWETTELIJK HOF [2010/203934] Uittreksel uit arrest nr. 78/2010 van 23 juni 2010 Rolnummer 4834 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Politierechtbank te Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 18 september 2009 in zake het openbaar ministerie tegen Sven Seynaeve en Michael Sorel, in aanwezigheid van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, gedwongen tussengekomen partij, en Maryse François, burgerlijke partij, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 december 2009, heeft de Politierechtbank te Brugge twee keer de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art. 162bis Sv, zoals ingevoegd door de wet van 21 april 2007 [betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat], het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat het voorziet dat in een vonnis uitgesproken door een strafrechtbank enkel de beklaagde en de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn veroordeeld worden tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding en dus niét het G.M.W.F., terwijl deze laatste in een vonnis uitgesproken door een burgerlijke rechtbank wel moet (minstens kan) veroordeeld worden tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding zodra ze wordt aangemerkt als ’ in het ongelijk gestelde partij ’, en dit alles in de hypothese dat de strafrechtbank enkel deze tussenkomende partij heeft veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Die bepaling wijzigt, samen met de artikelen 8, 10, 11 en 12, verschillende bepalingen van het Wetboek van strafvordering, teneinde het beginsel van de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de door de strafgerechten berechte zaken. B.1.2. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegings vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». 53432 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de hypothese waarin, nadat het strafgerecht de verzekerde strafrechtelijk heeft veroordeeld, deze niet verder bij de afhandeling van de burgerlijke belangen wordt betrokken, zodat enkel de verzekeraar wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. In die hypothese zou, volgens de verwijzende rechter, geen rechtsplegingsvergoeding kunnen worden toegekend lastens de verzekeraar. B.3. Artikel 82, derde lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt : « De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt ». B.4.1. Artikel 89, § 5, van dezelfde wet bepaalt : « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». B.4.2. Wat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds betreft, voorziet de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in een regeling die soortgelijk is aan die van artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992. Artikel 19bis-17 van de wet van 21 november 1989 bepaalt : « Wanneer de burgerlijke vordering tot vergoeding van de door een motorrijtuig veroorzaakte schade wordt ingesteld voor het strafgerecht, kan het Fonds door de benadeelde in het geding worden geroepen en kan het ook vrijwillig tussenkomen onder dezelfde voorwaarden als wanneer de vordering voor het burgerlijk gerecht was gebracht. Wanneer, ingeval van niet-verzekering, het Fonds is overgegaan tot vergoeding van de schade, kan het zich burgerlijke partij stellen tegen de aansprakelijke persoon. Het Fonds en de aansprakelijke persoon kunnen zich laten vertegenwoordigen onder dezelfde voorwaarden als de burgerlijk aansprakelijke partij ». B.5. Krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. B.6. Aangezien de Politierechtbank in het verwijzende vonnis oordeelt dat zij, indien zij zitting zou houden in burgerlijke zaken, de verzekeraar zou kunnen veroordelen tot een schadevergoeding en tot de rechtsplegings vergoeding van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, kan zij, wanneer zij uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering terwijl zij zitting houdt in strafzaken, dezelfde veroordelingen uitspreken met toepassing van artikel 19bis-17 van de wet van 21 november 1989, ook al voorziet artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet expliciet in die hypothese (Cass., 4 maart 2009, P.08.1682.F). B.7. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling niet bestaat. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 juni 2010. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. COUR CONSTITUTIONNELLE [2010/203934] Extrait de l’arrêt n° 78/2010 du 23 juin 2010 Numéro du rôle : 4834 En cause : les questions préjudicielles concernant l’article 162bis du Code d’instruction criminelle, tel qu’il a été inséré par l’article 9 de la loi du 21 avril 2007 relative à la répétibilité des honoraires et des frais d’avocat, posées par le Tribunal de police de Bruges. La Cour constitutionnelle, composée des présidents M. Bossuyt et M. Melchior, et des juges J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey et P. Nihoul, assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. Bossuyt, après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant : I. Objet des questions préjudicielles et procédure Par jugement du 18 septembre 2009 en cause du ministère public contre Sven Seynaeve et Michael Sorel, en présence du Fonds commun de garantie automobile, partie en intervention forcée, et de Maryse François, partie civile, dont l’expédition est parvenue au greffe de la Cour le 17 décembre 2009, le Tribunal de police de Bruges a posé deux fois la question préjudicielle suivante : « L’article 162bis du Code d’instruction criminelle, tel qu’il a été inséré par la loi du 21 avril 2007 [relative à la répétibilité des honoraires et des frais d’avocat], viole-t-il le principe d’égalité inscrit dans les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu’il prévoit que, dans un jugement prononcé par un tribunal pénal, seuls le prévenu et les personnes civilement responsables de l’infraction sont condamnés à payer à la partie civile l’indemnité de procédure, à l’exclusion donc du Fonds commun de garantie automobile, alors que ce dernier, dans un jugement prononcé par un tribunal civil, doit (ou tout au moins peut) être condamné à payer l’indemnité de procédure dès qu’il est considéré comme ’ la partie ayant succombé ’, et tout ceci dans l’hypothèse où le tribunal pénal a condamné cette partie intervenante seule à la réparation dommage ? ». (...) 53433BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE III. En droit (...) B.1.1. La question préjudicielle porte sur l’article 162bis du Code d’instruction criminelle, tel qu’il a été inséré par l’article 9 de la loi du 21 avril 2007 relative à la répétibilité des honoraires et des frais d’avocat. Cette disposition modifie, tout comme les articles 8, 10, 11 et 12 de la même loi, plusieurs dispositions du Code d’instruction criminelle, en vue d’étendre partiellement le principe de la répétibilité aux affaires tranchées par les juridictions répressives. B.1.2. L’article 162bis du Code d’instruction criminelle dispose : « Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l’infraction les condamnera envers la partie civile à l’indemnité de procédure visée à l’article 1022 du Code judiciaire. La partie civile qui aura lancé une citation directe et qui succombera sera condamnée envers le prévenu à l’indemnité visée à l’article 1022 du Code judiciaire. L’indemnité sera liquidée par le jugement ». B.2. La Cour limite son examen à l’hypothèse où, après que l’assuré a été condamné pénalement par la juridiction répressive, celui-ci n’est plus associé au règlement des intérêts civils, de sorte que seul l’assureur est condamné au paiement de dommages et intérêts. Dans cette hypothèse, selon le juge a quo, l’assureur ne saurait être condamné à payer une indemnité de procédure. B.3. L’article 82, alinéa 3, de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre dispose : « L’assureur paie, même au-delà des limites de la garantie, les frais afférents aux actions civiles ainsi que les honoraires et les frais des avocats et des experts, mais seulement dans la mesure où ces frais ont été exposés par lui ou avec son accord ou, en cas de conflit d’intérêts qui ne soit pas imputable à l’assuré, pour autant que ces frais n’aient pas été engagés de manière déraisonnable ». B.4.1. L’article 89, § 5, de la même loi dispose : « Lorsque le procès contre l’assuré est porté devant la juridiction répressive, l’assureur peut être mis en cause par la personne lésée ou par l’assuré et peut intervenir volontairement, dans les mêmes conditions que si le procès était porté devant la juridiction civile, sans cependant que la juridiction répressive puisse statuer sur les droits que l’assureur peut faire valoir contre l’assuré ou le preneur d’assurance ». B.4.2. En ce qui concerne le Fonds commun de garantie automobile, la loi du 21 novembre 1989 relative à l’assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs prévoit une réglementation similaire à celle de l’article 89, § 5, de la loi du 25 juin 1992. L’article 19bis-17 de la loi du 21 novembre 1989 dispose : « Lorsque l’action civile en réparation du dommage causé par un véhicule automoteur est intentée devant la juridiction répressive, le Fonds peut être mis en cause par la personne lésée et peut aussi intervenir volontairement dans les mêmes conditions que si l’action était portée devant la juridiction civile. Lorsque, en cas de non assurance, il a procédé à la réparation du dommage, le Fonds peut se porter partie civile contre la personne responsable. Le Fonds et la personne responsable peuvent se faire représenter dans les mêmes conditions que la partie civilement responsable ». B.5. En vertu de l’article 601bis du Code judiciaire, le tribunal de police connaît de toute demande relative à la réparation d’un dommage résultant d’un accident de la circulation. B.6. Dès lors que le Tribunal de police considère, dans le jugement de renvoi, qu’il pourrait, s’il siégeait en matière civile, condamner l’assureur à des dommages et intérêts ainsi qu’à l’indemnité de procédure prévue par l’article 1022 du Code judiciaire, il peut, lorsqu’il statue sur l’action civile alors qu’il siège en matière pénale, prononcer les mêmes condamnations, en application de l’article 19bis-17 de la loi du 21 novembre 1989, même si l’article 162bis du Code d’instruction criminelle ne prévoit pas explicitement cette hypothèse (Cass., 4 mars 2009, P.08.1682.F). B.7. Il découle de ce qui précède que la différence de traitement mentionnée dans la question préjudicielle est inexistante. B.8. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour dit pour droit : L’article 162bis du Code d’instruction criminelle, tel qu’il a été inséré par l’article 9 de la loi du 21 avril 2007 relative à la répétibilité des honoraires et des frais d’avocat, ne viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. Ainsi prononcé en langue néerlandaise et en langue française, conformément à l’article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, à l’audience publique du 23 juin 2010. Le greffier, Le président, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. ÜBERSETZUNG VERFASSUNGSGERICHTSHOF [2010/203934] Auszug aus dem Urteil Nr. 78/2010 vom 23. Juni 2010 Geschäftsverzeichnisnummer 4834 In Sachen: Präjudizielle Fragen in Bezug auf Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches, eingefügt durch Artikel 9 des Gesetzes vom 21. April 2007 über die Rückforderbarkeit der Rechtsanwaltshonorare und -kosten, gestellt vom Polizeigericht Brügge. 53434 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Der Verfassungsgerichtshof, zusammengesetzt aus den Vorsitzenden M. Bossuyt und M. Melchior, und den Richtern J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey und P. Nihoul, unter Assistenz des Kanzlers P.-Y. Dutilleux, unter dem Vorsitz des Vorsitzenden M. Bossuyt, verkündet nach Beratung folgendes Urteil: I. Gegenstand der präjudiziellen Fragen und Verfahren In seinem Urteil vom 18. September 2009 in Sachen der Staatsanwaltschaft gegen Sven Seynaeve und Michael Sorel, in Anwesenheit des Allgemeinen Automobilgarantiefonds als zwangsweise intervenierende Partei und von Maryse François als Zivilpartei, dessen Ausfertigung am 17. Dezember 2009 in der Kanzlei des Hofes eingegangen ist, hat das Polizeigericht Brügge zweimal folgende präjudizielle Frage gestellt: «Verstößt Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches, eingefügt durch das Gesetz vom 21. April 2007 [über die Rückforderbarkeit der Rechtsanwaltshonorare und -kosten], gegen den in den Artikeln 10 und 11 der Verfassung verankerten Gleichheitsgrundsatz, indem er vorsieht, dass in einem von einem Strafgericht verkündeten Urteil nur der Angeklagte und die für die Straftat zivilrechtlich haftbaren Personen zur Zahlung der Verfahrensentschädigung an die Zivilpartei verurteilt werden, d.h. also nicht der Allgemeine Automobilgarantiefonds, während Letzterer in einem von einem Zivilgericht verkündeten Urteil wohl zur Zahlung der Verfahrensentschädigung verurteilt werden muss (oder wenigstens kann), sobald er als ’ unterlegene Partei ’ gilt, und zwar in der Annahme, dass das Strafgericht nur diese intervenierende Partei zur Zahlung eines Schadenersatzes verurteilt hat?». (...) III. In rechtlicher Beziehung (...) B.1.1. Die präjudizielle Frage bezieht sich auf Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches, eingefügt durch Artikel 9 des Gesetzes vom 21. April 2007 über die Rückforderbarkeit der Rechtsanwaltshonorare und -kosten. Diese Bestimmung ändert - zusammen mit den Artikeln 8, 10, 11 und 12 - mehrere Bestimmungen des Strafprozessgesetzbuches mit dem Ziel, das Prinzip der Rückforderbarkeit teilweise auf die von den Strafgerichten entschiedenen Sachen auszudehnen. B.1.2. Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches bestimmt: «Jedes auf Verurteilung lautende Urteil, das gegen den Angeklagten und gegen die für die Straftat zivilrechtlich haftbaren Personen ausgesprochen wird, verurteilt sie zur Bezahlung der in Artikel 1022 des Gerichtsgesetzbuches erwähnten Verfahrensentschädigung an die Zivilpartei. Die Zivilpartei, die eine direkte Ladung veranlasst hat und unterliegt, wird zur Bezahlung der in Artikel 1022 des Gerichtsgesetzbuches erwähnten Entschädigung an den Angeklagten verurteilt. Die Entschädigung wird im Urteil festgesetzt». B.2. Der Hof beschränkt seine Prüfung auf den Fall, in dem der Versicherte, nachdem er vom Strafgericht strafrechtlich verurteilt wurde, nicht weiter an der Regelung der zivilrechtlichen Interessen beteiligt wird, so dass nur der Versicherer zum Schadenersatz verurteilt wird. In diesem Fall könnte nach Auffassung des vorlegenden Richters keine Verfahrensentschädigung zu Lasten des Versicherers gewährt werden. B.3. Artikel 82 Absatz 3 des Gesetzes vom 25. Juni 1992 über den Landversicherungsvertrag bestimmt: «Der Versicherer zahlt, selbst über den Rahmen der Garantie hinaus, die Kosten in Zusammenhang mit den Zivilklagen sowie die Honorare und die Kosten der Rechtsanwälte und der Sachverständigen, allerdings nur sofern diese Kosten durch ihn oder mit seinem Einverständnis entstanden sind oder, im Fall eines Interessenkonflikts, der nicht dem Versicherten zuzuschreiben ist, sofern diese Kosten nicht unüberlegt verursacht worden sind». B.4.1. Artikel 89 § 5 desselben Gesetzes bestimmt: «Wenn der Rechtsstreit gegen den Versicherten vor das Strafgericht gebracht wird, kann der Versicherer vom Geschädigten oder vom Versicherten in das Verfahren herangezogen werden und kann er dem Verfahren freiwillig beitreten, und zwar unter denselben Bedingungen, wie wenn der Rechtsstreit vor das Zivilgericht gebracht worden wäre, ohne dass das Strafgericht jedoch über die Rechte befinden kann, die der Versicherer dem Versicherten oder dem Versicherungsnehmer gegenüber geltend machen kann». B.4.2. Was den Allgemeinen Automobilgarantiefonds betrifft, sieht das Gesetz vom 21. November 1989 über die Haftpflichtversicherung in Bezug auf Kraftfahrzeuge eine Regelung vor, die derjenigen nach Artikel 89 § 5 des Gesetzes vom 25. Juni 1992 ähnlich ist. Artikel 19bis-17 des Gesetzes vom 21. November 1989 bestimmt: «Wenn vor dem Strafgericht Zivilklage zur Entschädigung eines Schadens, der durch ein Kraftfahrzeug verursacht wurde, erhoben wird, kann der Fonds von dem Geschädigten in das Verfahren herangezogen werden; er kann auch freiwillig beitreten unter denselben Bedingungen, unter denen Klage vor dem Zivilgericht erhoben würde. Wenn der Fonds im Fall einer Nicht-Versicherung zur Entschädigung übergegangen ist, kann er als Zivilpartei gegen den Haftpflichtigen auftreten. Der Fonds und der Haftpflichtige können sich unter den gleichen Bedingungen vertreten lassen wie die zivilrechtlich haftende Partei». B.5. Kraft Artikel 601bis des Gerichtsgesetzbuches befindet das Polizeigericht über alle Klagen auf Wiedergut machung von Schäden, die aus einem Verkehrsunfall entstanden sind. B.6. Da das Polizeigericht im Verweisungsurteil davon ausgeht, dass es in dem Fall, wo es in Zivilsachen tagen würde, den Versicherer zum Schadenersatz und zur Verfahrensentschädigung im Sinne von Artikel 1022 des Gerichtsgesetzbuches verurteilen könnte, kann es dann, wenn es über die Zivilklage befindet, während es in Strafsachen tagt, die gleichen Verurteilungen in Anwendung von Artikel 19bis-17 des Gesetzes vom 21. November 1989 aussprechen, auch wenn Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches nicht explizit diese Hypothese vorsieht (Kass., 4. März 2009, P.08.1682.F). 53435BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE B.7. Aus dem Vorstehenden ergibt sich, dass der in der präjudiziellen Frage erwähnte Behandlungsunterschied nicht existiert. B.8. Die präjudizielle Frage ist verneinend zu beantworten. Aus diesen Gründen: Der Hof erkennt für Recht: Artikel 162bis des Strafprozessgesetzbuches, eingefügt durch Artikel 9 des Gesetzes vom 21. April 2007 über die Rückforderbarkeit der Rechtsanwaltshonorare und -kosten, verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung. Verkündet in niederländischer und französischer Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, in der öffentlichen Sitzung vom 23. Juni 2010. Der Kanzler, Der Vorsitzende, P.-Y. Dutilleux. M. Bossuyt. * GRONDWETTELIJK HOF [2010/204013] Uittreksel uit arrest nr. 84/2010 van 8 juli 2010 Rolnummer 4775 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 10 maart 2009 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, ingesteld door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG). Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 september 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 september 2009, heeft de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG), met zetel te 1040 Brussel, Nijverheidsstraat 26-38, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 10 maart 2009 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2009, tweede editie). (...) III. In rechte (...) Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat het belang van de verzoekende partij betreft B.1. Het belang van de verzoekende partij, de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (hierna : de CREG), wordt betwist door de Ministerraad en door de tussenkomende partij : enerzijds, wordt gesteld dat de CREG geen belang meer heeft bij het door haar ingediende beroep, omdat op 18 december 2009 een akkoord, in weerwil van de bestreden wet, is bereikt tussen de CREG en de nv « Fluxys », dat in eenvormige tarieven voor doorvoer en vervoer van aardgas voorziet; anderzijds, wordt aangevoerd dat door de wet van 29 april 2010 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wat betreft de doorvoertarieven het belang van de CREG niet meer actueel is. Die nieuwe wet beoogt de Belgische gaswetgeving te wijzigen om die in overeenstemming te brengen met het Europese recht inzake de tarifering van aardgasdoorvoer van grens tot grens. B.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Het belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest. B.3.1. Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift in de zaak nr. 4775 blijkt dat de verzoekende partij, de CREG, van oordeel is dat de bestreden artikelen 2 en 3 van de wet van 10 maart 2009 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen haar rechtstreeks en ongunstig raken. Krachtens de verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (hierna : Gasverordening), de richt lijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG (hierna : Tweede Gasrichtlijn) en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna : Gaswet) is de CREG ermee belast de voorwaarden tot toegang tot het aardgasvervoersnet te controleren en te verzekeren. De bestreden wet zou, volgens de CREG, ertoe leiden dat de toegang tot het aardgasvervoersnet voor doorvoeractiviteiten niet langer zou geschieden onder voorwaarden die met het recht van de Europese Unie en het gelijkheidsbeginsel verenigbaar zijn. B.3.2. Met betrekking tot het bestreden artikel 2 voert de CREG niet alleen aan dat haar belangrijke taken worden opgelegd maar dat tevens de manier wordt geregeld waarop zij die taken dient uit te voeren. Daarnaast zou artikel 2 haar in een onmogelijke positie plaatsen omdat zij als bestuursoverheid wordt belast met de naleving van de bestreden wet van 10 maart 2009, die evenwel als strijdig met de voorranghebbende Europese normen en de rechtspraak van het Hof van Justitie op het vlak van doorvoer- en vervoerstarieven dient te worden beschouwd. Daardoor wordt de aansprakelijkheid van de CREG onnodig in het geding gebracht. 53436 BELGISCH STAATSBLAD — 17.08.2010 — MONITEUR BELGE Bovendien zouden door het bestreden artikel 2 haar wettelijk bepaalde bevoegdheden worden miskend. De CREG, als nationale regelgevende instantie, dient evenwel, overeenkomstig het recht van de Europese Unie, voorafgaandelijk de tarieven aangaande de toegang tot het aardgasvervoersnet voor het verrichten van vervoersactiviteiten, met inbegrip van doorvoer, te bepalen of minstens de methodologie ervan. Door de bestreden wet zouden die tarieven evenwel aan de CREG worden opgelegd. B.3.3. Met betrekking tot het bestreden artikel 3 voert de CREG aan dat de door die bepaling opgelegde interpretatie van artikel 15/19 van de Gaswet onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie. Bovendien zou door de retroactieve werking van artikel 3 de CREG worden gedwongen terug te komen op eerdere beslissingen, wat ten aanzien van de hangende procedures voor het Hof van Beroep te Brussel en de Raad van State niet zonder gevolg zou zijn. B.4.1. Op het ogenblik waarop de CREG haar verzoekschrift heeft ingediend, was de wet van 10 maart 2009 tot wijziging van de Gaswet in werking getreden. De CREG is de federale instelling voor de regulering van de elektriciteits- en aardgasmarkt in België. Ze is een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid. De CREG is krachtens de Gaswet belast met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organis

Arrêté du Gouvernement wallon relatif aux conditions et modalités d’agrément des laboratoires ou organismes en matière de bruit · Nelum